Tekste geplaatst  op 28 mei 2026

28 mei 1940 

VOM KRIEGE (deel een) (1)

HET ZIT IN ONZE HERSENEN ! 

PREHISTORISCHE PERCEPTIES

Ik heb mij onder de grond begeven om eens te kijken naar prehistorische muurschilderingen. Ik zag afbeeldingen, maar ook vierkanten, driehoeken, lijnen, bolletjes, streepjes enz. Ik dacht zo (mijn gedacht), dat is precies wiskunde. Hebben mijn voorouders nu eerst leren tellen, voordat zij de taal (bestond de zone van Broca dan niet in hun hersenen, of gebruikten ze die zone niet ?) hebben uitgevonden ?

Ook dieren kunnen tellen. Het nulteken en de digitale lijn worden gebruikt door de apen en de kraaien. We vinden dit terug in de evolutie van kinderen. Wat bij dieren niet aanwezig is, is het ‘meta-composeren’ of ‘meta-samestellen’, de symbolen, de syntaxis (de grammatica, jawel), de meetkunde en de wiskunde. Dat kan men dieren niet aanleren.

WAARDE VOOR MIJN EIEREN

Stel dat ik vier eieren krijg, met de vraag om een doos te maken voor het vervoeren van die eieren en zo zuinig mogelijk om te gaan met het gebruikte materieel om de doos te vervaardigen. Welke vorm geef ik aan die doos ?

Om zo weinig mogelijk materiaal te gebruiken maak ik een vierkante doos.

Omdat ik niet helemaal overtuigd ben maak ik ook een driehoekige doos (opnieuw voor 4 eieren).

Nu leg ik de beide open dozen met de eieren erin voor mij. Ik kijk en blijf maar kijken naar de dozen. Vanuit mijn visuele prikkels is het duidelijk. Het is de driehoekige doos die de zuinigste is. Ik blijf maar kijken en kan mij niet ontdoen van deze indruk. Om zeker te zijn neem ik mijn meter (de maat). Wat stel ik vast als ik meet. Dat de vierkante doos de zuinigste is.

Mijn hersenen vervormen de werkelijkheid omwille van de continuïteit, hier uitgedrukt vanuit mijn hersenen als de kortste weg.

Maar nu vraagt men mij een nieuwe vierkante doos van dezelfde soort te maken voor 15 eieren. Vanuit de perceptie van mijn hersenen maak ik nu eerst een driehoekige doos. Ik maak aandringen toch een vierkante doos. Ik vind het nutteloos, omdat de vierkante visueel niet alleen qua volume groter lijkt, waarbij de lege plaats is in de doos deze perceptie nog vermeerderd. Het zestiende ei ontbreekt. De plaats voor een zestiende ei wordt daardoor niet ingevuld. Ik kan de vierkante doos niet helemaal vullen. Ik heb maar 15 eieren. Om zeker te zijn van mijn stuk, maak ik nog een rechthoekige doos voor 15 eieren. Ook die acht ik vanuit mijn visuele perceptie kleiner dan de vierkante doos.

Na meting blijkt echter ook hier dat de vierkante doos de kleinste massa aan materialen vereist om vervaardigd te worden. Een bijkomende illusie. Met andere woorden het grootst oogt naar de totale lengte van de de zijden en de massa, maar in werkelijkheid, na meting de kleinste is.

EERSTE WET

“Bij een gelijk aantal eieren en een gelijke eidiameter, bepaalt de deelbaarheid van het aantal eieren de vorm van de doos, en bepaalt de vorm de hoeveelheid benodigd materiaal, wat onze hersenen omgekeerd verwerken.”

TWEEDE WET : DE RENÉ MAGRIET WE

“Bij de visuele beoordeling van een incomplete geometrische verpakking (zoals een onvolledige eierdoos voor 15 eieren) bepalen onze hersenen de materiaalzuinigheid niet op basis van de fysieke randen, maar via een tweetraps meta-logica (een compositie) waarin leegte foutief wordt vertaald naar massa en meerlengte.”

Deze visuele misleiding voltrekt zich in de menselijke waarneming via twee opeenvolgende, stappen in onze hersenen :

VAN LEEGTE NAAR LENGTE (DE CONCEPTUELE TRANSFORMATIE)

De leegte van de inhoud (de eieren) wordt ten onrechte vertaald als een vergroting van uitwendige structuur (de vierkantige of rechthoekige doos). De discrete inhoud (de 15 eieren als discrete pixels) die op zich geen betekenis heeft, wordt door onze hersenen als een op te vullen leegte geïnterpreteerd (het hadden er 16 moeten zijn).

Daardoor gaan we de structuur (deze dozen) – vanuit de op te vullen leegte – als een lengte van de materie van de dragende structuur, als massa – de doos – interpreteren. Het mindere aantal van de inhoud wordt vanuit de interpretatie van de hersenen een op te vullen leegte die omwille van die (illusoire) opvulling de lengte van de dragende structuur (de massa) vergroot. De perceptie van de op te vullen leegte wordt ten onrechte als een vergroting van de ruimte (lengte) en de tijd (duur van de inspanning) gepercipieerd.

De leegte wordt als een vol te maken inhoud gepercipieerd, dat ten onrechte als een vergroting van de gebruikte massa wordt gepercipieerd.

DE CARL VON CLAUSEWITZ WET (hij geeft er de naam ‘frictie’ aan) anders geformuleerd :

De wet van de aanval en tegenaanval met betrekking tot de oorlog

“Oorlogen zijn een een ruimtelijke perceptie van de afstand in ruimte en tijd vanuit de illusie van een op te vullen onvolledige (niet volledig vol) totaliteit en massa, waarbij de opvulling van de massa (de illusie) een langere afstand tot stand brengt als massawinst, die de leegte als totaliteitsverlies en massaverlies compenseert.”

Er zijn een reeks opeenvolgende hersenmomenten.

Het eerste moment is de vaststelling van de leegte. De vierkantige doos voor 16 eieren, met slechts 15 eieren erin. De lege plaats is het gevolge van de eerste wet. Omwille van de structuur kunnen er in de driehoekige doos 15 eieren. In beide dozen zitter er 15 eieren, maar in de vierkantige 16 – 1, en in de driehoekige 15.

Het tweede moment gaat de leegte binnen de vierkantige doos door middel van de hersenen interpreteren als een op te vullen totaliteit of massa.

Het derde moment gaat die illusoire (imaginaire) opvulling interpreteren als een vermeerdering van de dragende structuur van de doos. De op te vullen totaliteit binnen de doos wordt geïnterpreteerd als een uitwendige vergroting. Als een vergroting van de vierkante doos zelf in vergelijking tot de driehoekige doos.

Het vierde moment is het moment van de oorlogsillusie. Het is de illusie vanuit het onjuist percipiëren door onze hersenen van de het totaliseren (totaal maken) van een totaliteit, doorvoor volmaken van een op te vullen en opgevulde massa als een groter maken van ruimtelijke lengte en tijdsduur.

Door het ontbrekend ei wordt de leegte – het ontbreken van totaliteit en massa – gepercipieerd als een kleiner worden van ruimte en tijd.

De kleinere lengte als is een vermindering, een verlies aan totaliteit en massa.

De opvulling van de totaliteit en massa gebeurt niet door het toevoegen van een zestiende ei, maar door het het (imaginair opvullen, een illusie, die omslaat naar de dragende structuur die groter wordt gepercipieerd. Waardoor men om ze te vervaardigen meer materiaal en werkuren nodig heeft.

Verlies aan totaliteit wordt gepercipieerd als verlies aan lengte (de ‘grootte’ van de lengte), waardoor meer energie (de oorlog) nodig is om deze op te vullen, waardoor door de lengte kan vermeerderen.

Bij aanvalsoorlogen is er altijd de illusie dat de onophoudelijke vermeerdering van middelen en mensen als opvulling en aanvulling van een te lege totaliteit de dragende structuur, de terreinwinst positief vermeerdert en de duur van de oorlog positief doet evolueren.

Dit is de fataliteit die ieder oorlog kenmerkt, het lot (the destiny, le destin).

Het vijfde moment is het illusoir aanzien van de vermeerdering van de lengte, van de totaliteit, van de massa – als opvulling van de structuur – als een overwinning en van de vermindering van de lengte, van de totaliteit, van de massa – als ontvulling van de structuur – als een verlies.

Dit vijfde moment is het aanzien van deze winst (die pure hersenillusie is) als een zegen (het etymologisch verband in het Nederlands zou moeten onderzocht worden, ik heb het (nog) niet gevonden) en het aanzien van dit verlies (die pure hersenillusie is) als een straf (het Nederlandse woord : een leegloper).

Iedere oorlogsnederlaag wordt gepercipieerd als een onvereffenbare schuld.

Dit is de waanzin van iedere oorlog.

Philippe De Keukelaere wordt vervolgd)

 

(1) Wat we bij Carl von Clausewitz kunnen leren is dat hij de oorlog niet definieert vanuit het oorlogsgeweld. Oorlog en geweld zijn geen twee identieke werkelijkheden.

BRON

Het idee van deze tekst is veel verschuldigd aan : Stanislas Dehaene, Le Rectangle de Lascaux, 2006, ISBN 978-2-4150-1427-

 

 

13 mei 2026

Talleyrand : « Faites la guerre à l’Espagne, mais pas au peuple espagnol. Se déclarer l’ennemi des peuples est une faute qui ne se répare jamais. »
Emmanuel de Waresqiel, Talleyrand, 2020, 102
 
HET GEBED VAN PRESIDENT VLADIMIR POETIN, DE MEGA POOIER (het inrichten van financiële religieuze zelfoffers als extreme prostitutie, een ware religieuze prostitutie)
DE OORLOGSCAMOUFLAGE ALS LEUGEN VAN DE NIEUWE RASPOETINS
 
Tijdens de militaire parade van mei 2026 te Moskou werd door president Vladimir Poetin in het openbaar gebeden. (1) Zijn redevoering bevatte alle elementen van een gebed. Hiervoor is de president even uit zijn graf (zijn luxueuze bunker, met alles erop en eraan – waar hij thans bijna continu verblijft) gekomen om alle zijn ketens (remmen) los te laten en een gebed te prevelen. (2)
 
HET POETINIAANS ZELFOFFER (DE ZELFVERNIETIGING) ALS OVERWINNING
 
Ik citeer een deel van dit gebed.
Met de eerste zin vallen we al met de deur in huis.
 
“DE GROTE PRESTATIE VAN DE GENERATIE OVERWINNAARS INSPIREERT DE SOLDATEN DIE VANDAAG DE TAKEN VAN EEN SPECIALE MILITAIRE OPERATIE UITVOEREN.” (3)
 
De band tussen de generaties is de overwinning, de onoverwinnelijkheid (het onophoudelijk blijven aanvallen, als noodzakelijke voorwaarde voor de zelfoffers).
En dan begint de oorlogscamouflage. Het woord ’taken’. Wat zijn die ’taken’ ? Het zijn tienduizenden zelfoffers van zij die gestorven zijn op het slagveld en zullen sterven. (4)
Nog steeds komt het woord ‘oorlog’ niet op de lippen van de president, ofschoon de werkelijkheid onze ogen verblindt.
 
“ZIJ STAAN TEGENOVER EEN AGRESSIEVE MACHT DIE BEWAPEND EN GESTEUND WORDT DOOR HET HELE NAVO BLOK.”
 
Ook hier die camouflage. Wie is die ‘agressieve’ macht in de werkelijkheid ? We baden hier in het religieuze tot aan onze nek. Dat agressieve ‘beest’ is de vermeende (religie) vijand/offeraar die president Poetin absoluut nodig heeft. Zijn vermeende vijand/offeraar heeft hij religieus nodig om tot het zelfoffer te kunnen overgaan. Hij hanteert daarbij de klassieke uitdagingstaal. Het religieus uitdagen van een vijand is zo oud als de wereld. Men daagt hem uit omdat men hem in de werkelijkheid nodig heeft voor het zelfoffer van het eigen volk. Zonder deze vijand offeraar zou het zelfoffer van zijn eigen volk onmogelijk zijn. De geïncarneerde god geeft zijn oorlogsgod het bloed te drinken van het zelfoffer van zijn eigen volk. Maar hij wil nog veel meer organisch bloed. Het doet denken aan de Aramese mythische zin : “ܡܶܛܽܠ ܕܰܕܡܳܐ ܕܢܒܺܝܶܐ ܘܰܕܩܰܕܺܝܫܶܐ ܐܶܫܰܕܘ ܘܰܕܡܳܐ ܐܰܫܩܺܝܬ ܐܶܢܽܘܢ ܫܳܘܶܝܢ ܐܶܢܽܘܢ” (Het Aramees boek der ‘herkenners’ – letterlijk : de blootleggers – (zij die in dit boek – want daar gaat het boek over – de werkelijkheid van de oorlog blootleggen tot in de diepste mythische laag) 16,6.” (5)
“Vanwege het feit dat zij het bloed van de verkondigers en de onschuldigen hebben weggegoten, hebt u hun (ditzelfde) bloed te drinken gegeven; zij zijn de gelijke (de spiegeling) ervan.”
De geïncarneerde god (incarnatie van het mythisch Beest) vergiet het bloed van tienduizenden Russen, die even onschuldig zijn als het bloed van de verkondigers (de profeten, het boek Jesaja is eveneens in zijn diepste mythische laag een oorlogsboek, in oorlogstijd moet men ‘oorlogsboeken’ lezen om ‘mee’ met zijn tijd te zijn !). Onschuldig, net omdat zij door het zelfoffer eeuwige overwinnaars zijn, maar omdat zij verliezers zijn (als lammeren geslacht worden op het slagveld), die hun leven verloren hebben omwille van de oorlogsgod, het Beest, dat president Poetin aanbidt. “En zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had. En zij aanbaden het beest en zeiden: wie is aan dit beest gelijk? En wie kan er oorlog tegen voeren?” 13:4 (het is mythe)
De leugen van de camouflage, van de propaganda van de religie van president Poetin, zijn religieuze leugen (niet van zijn volk) bestaat erin het gewelddadig zelfoffer van zijn eigen volk te verbinden met het goddelijk Beest (waarvan hij de incarnatie is en dat hij aanbidt) als een overwinning (enkel omwille van hun zelfofferbloed), en daardoor als onschuld de geschiedenis in te gaan (rechtvaardig, het woord komt later in zijn redevoering). Dit is de kern van de mythische oorlogszuil van president Vladimir Poetin. Het witte paard (het blijft een mythe met veel dieren, een zoo) is de kern van de mensengeschiedenis wat de oorlogen betreft. Het is de herkenning (die op ieder moment mogelijk is, de vrijheid als verantwoordelijkheid) tussen drie andere machten (de andere paarden) in de geschiedenis van de onschuld van de verliezer omwille van zijn verlies.
 
“EN ONDANKS DIT ALLES GAAN ONZE HELDEN VOORUIT. DE SLEUTEL VAN ONS SUCCES IS ONZE MORELE KRACHT, MOED EN DAPPERHEID. ONZE EENHEID EN ONS VERMOGEN OM ALLES TE DOORSTAAN, ZULLEN ALLE BEPROEVINGEN OVERWINNEN”
 
Nee mijnheer de president, u maakt van uw volk geen overwinningshelden, maar stinkende lijken van verliezers die u zelfs niet begraaft. Er liggen minstens 100.000 lijken in het no mans land van beide kampen (men spreekt in totaal van 150.000 vermisten). Niemand die het mag weten, iedereen zwijgt, omdat de religies deze mensen als zelfofferbaar aanziet. Is dat – die stinkende niet begraven lijken – ons mens-zijn op deze aarde ?
Nee, mijnheer de president, uw onschuldige verliezers hebben geen tijd voor deugden (kracht, moed, dapperheid) als opgeofferde zelfoffers. U hebt er sukkels van gemaakt.
Nee mijnheer de president, niet het zelfoffer – alles doorstaan, beproevingen – brengt overwinning (enkel in uw religieuze verbeelding).
Enkel de herkenning van de onschuld van de verliezer, die zijn leven als zelfoffer omwille van uw genot moet verliezen. Die onbestaande eenheid, die enkel men ongekende terreur in uw land standhoudt.
 
“WE HEBBEN EEN GEMEENSCHAPPELIJK DOEL. IEDEREEN LEVERT EEN PERSOONLIJKE BIJDRAGE AAN DE OVERWINNING
DIT WORDT ZOWEL OP HET SLAGVELD ALS IN DE ACHTERHOEDE GESMEED.”
 
Mijnheer de president : u liegt. Het is van te moeten, te moeten het zelfoffer te ondergaan. Omdat u het zelfoffer religieus verbindt met een overwinning. Het zelfoffer van heel een volk, op het slagveld, maar ook bij de achterhoede (wat een woord, het thuisfront).
En dan volgt die onschuld van de mythische overwinnaar. Hij heeft altijd de rechtvaardigheid (van het zelfoffer) aan zijn kant (het is ZIJN rechtvaardige oorlog)
:
“IK BEN ER VAST VAN OVERTUIGD DAT DEZE ZAAK RECHTVAARDIG IS. WE STAAN SAMEN.”
 
Wel nu, mijnheer de president, en dat is heel jammer en erg vervelend voor u, maar geen enkele Rus gelooft u nog. Wat een comedie, wat een maskerade, wat een carnaval is uw land toch geworden !
Tenslotte, (telkens weer bij oorlogen) die welwillende god die de zege brengt. Die religieuze ambivalentie van die ambivalente god, die natuurlijk aan de kant van de president staat. (6) De oorlogsgod van de overwinning door het zelfoffer zelf :
 
“DE OVERWINNING IS ALTIJD AAN ONZE KANT GEWEEST EN ZAL DAT ALTIJD BLIJVEN”
 
(Eeuwig blijven aanvallen, blijven vechten, de eeuwige oorlog zonder einde, ‘kapitulieren niemals’)
De propaganda van patriarch (aartsbisschop) Kirill en president Vladimir Poetin herhalen onophoudelijk dat de oorlog in Oekraïne alles te maken heeft met het zogenaamde ‘zedenverval’ in het Westen en meer in het bijzonder in Europa. Maar wat president Poetin zelf doet is van een heel andere aard, het is een koekje van een heel andere deeg !
Oorlog heeft vaak te maken met prostitutie. In oorlogen komen vaak verkrachtingen voor, evenals collectieve verkrachtingen. Het schaken van een vrouw (Ilias, als casus belli) is een verkrachting (een ‘rape’). Ook Medusa wordt op een onrechtvaardige wijze behandeld (Ovidius). Zij wordt gestraft omdat zij verkracht werd, daarna onthoofd door de ‘held’ Perseus op bevel van de godin Athena, waarna haar hoofd als ‘wapen’ door diezelfde godin wordt gebruikt (Athena was ook – als alle godinnen en goden – een oorlogsgodin).
Een oorlogstijd, een soort Carnavalstijd, waar alles op zijn kop staat, is niet enkel een uitgelezen tijd voor de parallelle economie, de zwarte markten, de hyperinflatie, ongekende armoede bij het volk, maar ook voor de prostitutie. Vrouwen zijn daar de meest bekende slachtoffers van. (7)
Maar bij president Vladimir Poetin gaat het om een andere vorm van religieuze prostitutie. Hij ronselt zijn soldaten in de laagste sociale klassen. Het is wellicht de reden waarvoor men in Europa zo weinig ‘empathie’ vertoont voor die mensen die op een afschuwelijke wijze, als zich op te offeren slaven – ave caesar, maar die hadden het beter – ingezet worden (het zijn – wat men in Europa er ook moge over denken – , ja, mensen).
President Poetin belooft als pooier aan de sociaal en financieel arme families pakken geld en allerlei sociale voordelen – als de ‘geroepene’ komt te overlijden – om in ruil hun leven op te offeren voor zijn genot als president van Rusland. Deze prostitutie is van een heel andere aard dan de klassieke. Zij ruilt het eigen leven van de soldaat in voor geld aan de familie. Het zijn niet de sukkelaars die in de val trappen die we moeten beladen. Het is de rol van de president pooier die we moeten leren herkennen in deze groteske – een staatshoofd onwaardige – handelswijze. De grootste pooier aller tijden ! Het is opmerkelijk dat daar zo weinig als geen aandacht aan besteed wordt.
Tsaar Nicolas II zag niet in dat hij de oorlog in 1915 diende te beëindigen. De oorlog was op alle gebied een ramp geworden voor zijn volk (ongekend aantal slachtoffers aan het front en ontberingen aan het thuisfront). In plaats daarvan nam hij het bevel van het leger over om niet te stoppen. De Britse ambassadeur Sir George Buchanan poogde hem nog via de keizerin te waarschuwen, omdat de tsaar verantwoordelijk zou worden geacht voor een militaire ramp die iedereen als onvermijdelijk zag aankomen.
Maar de Tsaar was totaal onder de invloed (en zijn vrouw op ongekende wijze) van een religieuze goeroe, Raspoetin. Een ongekende religieuze oorlogszuil. Maar het vervolg kennen we… (Antony Beevor, Raspoetin, 2026, ISBN 978 90 263 7203 2)
De oorlogsgod (het Beest) eist van zijn geïncarneerde godheid (Vladimir Poetin) de fataliteitsgod te aanbidden (het dodelijk zelfoffer als overwinning, wat overgedragen wordt van vader op zoon) en waanzinnigod (een staatshoofd – pooier als nooit voorheen -)
Als ik een lezing geef over heksenprocessen is het publiek mij altijd gunstig gezind. Het is immers voltooid verleden tijd. “Het tijdperk waarin er in Europa op grote schaal op heksen werd gejaagd, is al lang voorbij. De laatste wettelijke executie van een heks in het Duitstalig deel van Europa vond in 1782 plaats in Glarus, in Zwitserland. Maar daarmee was er geen einde gekomen aan de angst voor heksen. Het maakte geen einde aan de vrees dat er onder de leden van de gemeenschap misschien mensen waren die in het geheim onheil brachten en anderen schade toebrachten.” (Monica Black, Een bezeten land, Heksen, gebedsgenezers en spoken uit het verleden in naoorlogse Duitsland), 2020; ISBN 978 90 488 5785 2, blz. 85 – over de invloed van goeroe, de messias was terug op aarde, hij was aanwezig in levende lijve, Bruno Gröning).
“Körle is een dorp in Hessen, gelegen in het dal van de rivier de Fulda, waarover de antropoloog Gerhard Wilke heeft geschreven. Het plaatsje illustreert treffend hoe mensen ziekten interpreteren en op welke manieren morele waarden in verband werden gebracht met lichamelijk welzijn. De meeste inwoners van Körle waren werkzaam in de landbouw, hoewel sommige per trein naar hun werk gingen in het nabijgelegen Kassel reisden. De dorpelingen regelden hun medische bekommernissen doorgaans zelf en bezochten alleen een arts in geval van ernstige verwondingen of ziekte. Ze vertrouwden op tekenen van de natuur – een kerkuil die zich in de verkeerde tijd van het jaar vertoont, een al te grote molshoop om nadere ziekten voor te zijn of te verklaren. Maar de ziekte zelf was ook een teken, dat door de dorpelingen doorgaans werd geassocieerd als een vorm van kosmische veroordeling, als een straf voor ongepast of onverantwoordelijk gedrag. Ziekte weerspiegelde de orde binnen de samenleving en de kosmos in de brede zin van het woord en kon minder belangrijke en belangrijke zonden aan het licht brengen.” (88,89)
Met andere woorden, ziekte werd gekoppeld aan kosmische schuld en gezondheid aan kosmische onschuld. Dit is religieus. Ofschoon nog sterk aanwezig in vele religies, komt deze visie niet meer overeen met het areligieuze. Op dit punt is er een kloof ontstaan tussen het areligieuze die deze verbinding niet meer maakt en het religieuze. Wat niet betekent dat we nu in een seculiere wereld zouden leven. Wat de mythische zuil der oorlogen betreft staan we nog op het maatschappelijk niveau van voormelde aangehaalde tekst (de ziekte als goddelijke straf – hoe vaak niet gehoord in religieuze middens -, de stoute heksen, en het verliezen van een oorlog als goddelijk straf voor de schuldigen). Kosmisch geloven we als een religieuze vanzelfsprekendheid dat de overwinnaar onschuldig is omwille van zijn overwinning en de verliezer schuldig omwille van zijn verlies. Het areligieuze stelt het net andersom. In oude mythische teksten zijn beiden aanwezig. De oude joodse mythische teksten behoren tot de Kanaänse (het land van Kanaän) mythologie (men zou het ook over de Fenicische kunnen hebben, maar ik verkies de oudere stam), zoals het Nederlands tot de Indo-Europese talen behoort. De teksten vertonen de algemene kenmerken van de Kanaänse mythologie. Dit zijn universele kenmerken. Zoals het Nederlands uiteindelijk een taal is als alle talen ter wereld. Maar er zijn ook particuliere kenmerken. Ik geef een voorbeeld. Alle elementen van het scheppingsverhaal in de Bijbel (onderscheid licht/duisternis, belang van een grote tuin, fruitbomen, dieren enz.) vinden we terug in de Kanaänse mythen, die het ontstaan van de wereld beschrijven. Het particulier onderscheid of verschil is het einde van de schepping. In alle Kanaänse mythes is het doel van het verhaal (als men de meest mythisch geladen verhalen neemt) het stichten, funderen van het koningschap door goden. In de Bijbel trekt die godheid zich daar niets van aan, hij trekt zich de zevende dag terug. Hij rust. Hij bevrijdt zich van zijn eigen schepping, van het werk van zijn handen.
“Steeds culmineert het scheppingsverhaal. De opvallende uitzondering is Genesis, waar het einddoel van de schepping de sereniteit is van de sabbat. (Jona Lendering en Hein van Dolen, Goden en halfgoden, 2025, ISBN 9789401920711, blz. 96; over de wederzijdse beïnvloeding van mythen : Walter Burkert. (1984). Die orientalisierende Epoche in der griechischen Religion und Literatur, Heidelberg, Sitzungsberichte der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Philosophisch-Historische Klasse (Bericht 1984/1) ISBN-10: 3-533-03528-X, of hoe de cultuuroverdracht van Oost naar West ging, en ook omgekeerd, het werk van zeemannen en krijgsgevangenen ? ).
De zevende dag is niet een dag die nog komen moet, maar kwantisch aanwezig is in de ademhaling zelf van de mythe.
 
(1) Het was maar een halve parade. De wapens (het mechanisch deel) ontbraken (de geweren, geen ‘Satan II’ raket die onze ogen zo zachtjes strelen). Bleef enkel het organische deel (het bloed van zij die aan het zelfoffer ‘vrijwillig’ zullen sterven) over. Sterven voor de president, want het is zijn oorlog, niet dat van zijn volk.
 
(2) In geval van techmiljardairs ligt de ark (de bunkers) in ‘The land of the white cloud’ : Nieuw-Zeeland, het eiland waaraan in Silicon Valley ook wel wordt gerefereerd als ‘eindtijdverzekering’. De afgelopen jaren kochten techmiljardairs als Pieter Thiel (mogelijks na het lezen van het boek van René Girard over de Apocalyps, of een van zijn andere tegelantropologische boeken, eigen toevoeging) Sam Altman en Reid Hoffman er grote stukken grond en lieten er complete boerderijen en BUNKERS bouwen (Christelijke praalgraven, het Christendom, de religie van de oorlogsbunkers en de onbegraven lichamen?), ver weg van de onrust van de rest van de wereld.” (Roxane van Iperen, Ik zie wat ik geloof, 2026, ISBN 978 94 934 2093 9, blz. 55).
 
(3) Een mooi voorbeeld van mythische oorlogscamouflage (Vertarnung) was Theresienstadt (Terezin in Tsjechoslowakije, een mythisch Potemkin dorp – naam die Russen nu ook geven aan het Paleis -bunker ? – van Poetin – dat in het nationaalsocialisme werkelijkheid werd). Meer dan honderdduizend geïnterneerden kwamen erlangs voor een korte of langere periode vooraleer vervoerd te worden naar Auschwitz. (André Neher, Anti-parole et parole, Le camouflage culturel dans le langage nazi, Vingt et unième Cahier d’Etude Juive, 1985, C.P. : C.P.P.P. 65732, blz. 123 -134).
Zo ook kunstenaars. Een orkest speelde er de requiem van Verdi, vooraleer te vertrekken naar Auschwitz. Voor de internationale publieke opinie was deze stad militaire oorlogscamouflage. Het was het enig concentratiekamp waar de nazileiders het internationale rode kruis (een initiatief van de Deense regering, onder leiding van de Zwitserse arts Maurice Rossel binnenlieten, laat, pas in de lente van 1944. Historici vragen zich nog altijd af of die vertegenwoordigers het al dan niet door hadden.
De werkelijkheid camoufleren door codenamen SA, SS, KZ, SB enz. De woordenschat : Aktion, Umseidlung, Einsatz, Transport, Selektion, Hausratstelle, Sonderkommando, Reservaat, Ghetto, Älterste (verwijzing naar de Bijbel en de Talmoed, de Zekenim, de hoeders van het collectief geheugen, van de overlevering van de mondelinge Tora, werden in deze camouflage de oversten van de ‘kapo’s’), en het neologisme ‘Endlösung’, vanuit het woord Erlösung. Het doet denken aan de thans algemeen aanvaarde militaire term ‘operatie’ in plaats van ‘aanvalsoorlog’. Een kleine operatie, ingreep in Oekraïne, meer zal het niet zijn. Nacht und Nebel (centrale term in het uitroeiingskamp te Struthof (Frankrijk), afkomstig uit een opera van Richard Wagner, waarbij de Tarnhelm (mythisch voor Stahlhelm) onzichtbaar maakt (voor wie hem draagt, als camouflage). De religieuze mythische hel van de mythische oorlogszuil als kunst. Lang voor Hitler had Heinrich Mann (broer van Thomas Mann) het door. Hij beschreef zijn voorgevoel in een roman ‘der Untertan’. Maar ook (een uitzondering) Carl von Ossietzki, Nobelprijs voor de vrede 1935 (hij kreeg geen toestemming om naar Zweden te reizen), die in 1938 door uitputting stierf. Van 1934 tot 1936 verbleef hij in het concentratiekamp van Estherwegen, waar hij zwaar werd mishandeld.
 
(4) Als lammeren worden de soldaten van president Vladimir Poetin naar het slagveld (de slachtbank) gebracht, om er als onschuldige verliezers hun leven te geven voor hun ‘vrienden’ (de Raspoetiniaanse religie van de president). De zelfoffers van deze lammeren worden op zich, door het zelfoffer zelf, als lammeren gezien.
Het herkennen van de onschuld van elk lam dat zijn leven verliest door zelfoffer is de enige werkelijke ‘overwinning’ in heel deze duistere zaak. In Europa zijn we niet begaan met het ‘lot’ van de soldaten – van beide kampen – in deze oorlog. We vinden die gewelddadige zelfoffers niet belangrijk, zij zijn voor ons enkel wegwerplijken. We kunnen het gerust nog jaren laten doorgaan. Empathie is een louter emotioneel menselijk gebeuren. We zijn daar zeer selectief in. De Kameroense filosoof Achille Membe heeft er de juiste naam aan gegeven : de ‘necropolitiek’ “het systematisch gedogen dat sommige levens meer ‘onofferbaar’ geacht worden dan andere”. (Martha Claeys, Een kwestie van gevoel, 2026, ISBN 978 90 2447 542 1 NUR 730, blz. 20). Het is ook het drama van de oud-strijders van alle tijden die huiswaarts terugkeren (de zachte Odisseus had een vlaag van gewelddadige waanzin bij het huiswaarts keren). Vaak kunnen ze in werkelijkheid enkel op misprijzen rekenen, omdat ze met hun geweld – zelfdoding (kunnen ze dan nog een begrafenis met militaire eer krijgen ?) en huiselijk geweld, zoals in Israël op dit ogenblik- geen weg weten. Het gebruiken van dodelijke oorlogswapens kan niet zonder het in zichzelf opwekken van extreme haatgevoelens.
 
(5) Mythische teksten kunnen op allerlei wijzen worden geïnterpreteerd of ingevuld. Ik heb het nog niet over de problemen die vertalingen van teksten met zich meebrengen. Vanuit een a-religieus uitgangspunt is er geen gebetonneerde juiste tekst (een religieuze canon) maar vaak meerdere teksten die hetzelfde verhaal anders vertellen. Ik wees reeds op de palimpsesten (overgeschreven teksten boven – min of meer geschrapte – onderteksten – de hypoteksten – ). Elke tekst is een hypertekst vol connexies. De oudheid weerlegt de mimetische leer. De bekende (maar niet door iedereen blijkbaar) drieslag : translatio, imitatio, en aemulatio, (vertaling, imitatie, modeltekst). Geen louter imitatie van een model. (Jacqueline Kloosters, Medusa in de spiegel, 2025, ISBN 978 90 253 17140, blz. 26- 27). Belangrijk hierbij is de transmotivatie – waarbij het doel centraal wordt -. Verhalen worden telkens opnieuw verteld, vertaald, vervormd, geïnterpreteerd voor telkens nieuwe doeleinden. “Neem Helena om wie de Trojaanse oorlog wordt gevochten. Was zij weggelopen, met Paris of door hem weggeroofd, of was ze misschien helemaal niet in Troje? Welke versie je kiest en die vervolgens inkleedt, bepaalt hoe je je publiek over Helena wil laten nadenken: ontrouwe vrouw, slachtoffer, of onschuldig en kuis. Vrijgevochten, feilbaar, verwerpelijk, of juist bewonderwaardig. Dat zegt ongetwijfeld veel over je beeld van vrouwen in het algemeen.” (18). Ik kies voor de oudste Aramese versie van de tekst, als een zoektocht naar de diepste mythische laag.
In een strikt informatie-theoretisch kader kan de mythe worden gedefinieerd als de noodzakelijke architectuur voor het behoud van de semantische unitariteit binnen de entropische ruis van de menselijke geschiedenis. Waar de fysieke werkelijkheid voortkomt uit de dynamiek van kwantumvelden, fungeert de mythe als de actieve interface die de oneindige potentie van dat veld objectiveert tot een overdraagbare structuur. In deze optiek is de mythe geen secundaire reflectie op de wereld, maar de primaire methode van informatie-conservering die de overgang van anomia naar anamnesis bewerkstelligt.
Het proces van mythische objectivering volgt de logica van de tsimtsum. De oneindige informatiedichtheid van de werkelijkheid trekt zich terug in een begrensde narratieve configuratie om begrijpelijkheid te creëren. De mythe verleent informatie door de ononderbroken velddynamiek te kwantiseren in discrete symbolen en handelingen. Deze symbolen fungeren als informatie-pakketten die, ondanks hun gecomprimeerde vorm, de wetmatigheden van het geheel in zich dragen. Zonder deze narratieve contractie zou de menselijke ervaring bezwijken onder de druk van de entropie, waarbij betekenis vervluchtigt tot pure ruis. De mythe is de herinnering (anamnesis, eigenlijk de zikkaron) aan de structurele coherentie van het veld. Het is een algoritme dat de onderliggende stabiliteit handhaaft tegen de natuurlijke neiging tot verval.
Het woord zikkaron is afgeleid van de wortel Z-K-R (זכר), die de basis vormt voor alles wat met gedenken, herinneren en het mannelijke (als drager van de naam/herinnering) te maken heeft.
Hebreeuws: זִכָּרוֹן
Transliteratie: Zikkaron (of Zicharon)
Wortel: (ז-כ-ר)
Binnen het kader van het onderzoek naar anamnesis versus anomia, draagt het begrip Zikkaron een specifieke lading die verder gaat dan het louter psychologisch herinneren.
In de Hebreeuwse gedachtenwereld is Zikkaron geen passieve herinnering aan een voltooid verleden, maar een handeling die een gebeurtenis uit het verleden actualiseert in het heden. Het is een structuur, een ademhaling, die de unitariteit van de tijd waarborgt. Het verleden wordt niet losgelaten (entropie/anomia), maar blijft informatie-technisch aanwezig.
Waar vergeten gelijkstaat aan het verlies van informatie in het systeem, functioneert Zikkaron als de actieve herinnering die de structuur van het verbond (Berit) en de kosmos in stand houdt.
Men zou kunnen zeggen dat Zikkaron de methode is waarmee het ‘veld’ van de geschiedenis wordt geobjectiveerd.
In de context van de tsimtsum kan Zikkaron worden gezien als het discreet ‘residu’ (geen restgetal) of de reshimu (het spoor) die achterblijft in de leegte na de contractie, waardoor de verbinding met de oorspronkelijke bron behouden blijft.
De mythe ‘verleent’ geen informatie door de chaos te temmen (door het mimetisch zelfoffer), maar dwingt het veld tot een specifieke instorting van de golffunctie. Het objectiveert één werkelijkheid uit de oneindige potentie, maar de unitariteit blijft behouden in de zin dat de andere mogelijkheden niet ‘verdwijnen’, maar wegvloeien in de context (decoherentie).
Binnen dit model is de mythe de eigenlijke, kwantische – als informatiebehoud ter herinnering – levende ‘waarnemer’ die de werkelijkheid objectiveert, die in kwantische vertrengelingen tot stand komen met de toehoorder of lezer, eveneens als waarnemer. Nog voordat het menselijk bewustzijn de wereld interpreteert, heeft de mythische structuur de ruwe data van het veld al gefilterd en geordend in een logisch verband.
Binnen een strikt informatie-theoretisch en kwantisch-veldtheoretisch kader is de mythe geen passieve anamnesis van een verloren oorsprong (het zelfoffer van een zondebok in het verleden), maar een actuele transitie waarin de informatie-potentie van het veld tot kwantisch leven (resonantie) wordt gewekt. Waar een klassieke benadering de mythe ziet als een statisch archiefstuk dat verwijst naar een verleden dat ‘achter ons ligt’, werkt de kwantische methode als een actieve operator in het hier en nu. Het is de overgang van een latente toestand van superpositie – waarin alle betekenissen virtueel aanwezig zijn in het veld – naar een geactualiseerde toestand van verstrengelde aanwezigheid.
In plaats van een lineaire terugblik naar een bron – wat een dualistische scheiding tussen nu en toen impliceert – creëert de mythe een non-lokale verbinding waarbij de informatiestroom direct interfereert met de actuele ervaring. De mythe is de specifieke excitatie van het veld die de informatie niet louter ‘representeert’ of passief spiegelt, maar haar letterlijk tot kwantisch leven brengt door haar in een meetbare (positivistisch), beleefbare configuratie te dwingen. Hierbij fungeert de mythe als de actieve impuls die de sluimerende unitariteit van het veld laat oplichten in de bewuste waarneming.
In deze dynamiek vindt een onmiddellijke activatie van de informatie-potentie (het zoeken naar de diepste mythische laag) plaats. Het tot leven brengen houdt in dat de informatie zich niet langer verbergt achter de entropische ruis van de anomia of entropie, maar zich via de mythe objectiveert als een actuele, pulserende aanwezigheid. De mythe is de actuele trilling van het informatieveld zelf die zich in een specifieke vorm manifesteert. Het is de tsimtsum in actie door de noodzakelijke contractie die de oneindige potentie niet bevriest in een wezen of een ‘zijn’, maar net de voorwaarde schept voor haar kinetische verschijning in het hier en nu. Zo wordt de mythe de motor van een voortdurende herschepping, waarbij de unitariteit van het geheel in elk moment van objectivering opnieuw wordt gewekt en bekrachtigd.
Waar een dogmatische of structuralistische analyse de mythe lokaliseert in een tekst of een tijdperk (een voor of na, een oud en nieuw enz.). De informatie die zij verleent, is niet gebonden aan de lineaire tijd.
In plaats van een ‘herinnering aan een oorsprong’ (klassieke anamnesis), is de kwantische mythe een actuele correlatie in het veld.
De mythe synchroniseert niet maar resoneert. De mythe is de specifieke frequentie waarop het veld reageert, waardoor een objectieve realiteit ‘oplicht’ vanuit de unitariteit.
Het drama van alle religies, hun entropisch maximum houdt verband met het feit dat zij zich steeds meer verstenen in hun eigen verleden. Religies kunnen enkel achterom kijken en verstenen daardoor het zout dat kwantische smaak brengt. De laatste stuiptrekkingen van religies die hun antropisch maximum hebben bereikt zijn gewelddadige machtige, schatrijke (kastelen kopen in Spanje), religieuze sekten, waar de ijzersterke fataliteit en losgelaten waanzin van de oorlogsgod regeert over de leden.
Zo kan men het boek der herkenning (soms apocalyps genoemd) niet interpreteren als een mechanische historische fataliteit van een onvermijdelijke ramp, maar ook niet als een organische noodzakelijke zelfvernietiging (de kern van de katholieke sekten), opdat er nieuws zou ontstaan. De contractie van het kwantische ziet in de tekst zelf, waardoor hij (zoals alle oude mythische teksten) constant beweegt in en door de geschiedenis. Het gaat in deze particuliere mythologie (die ook alle universele kenmerken vertoont) om vrijheid, de vrijheid van ieder individu met betrekking tot de mogelijkheid van het herkennen van de mythische zuilen van oorlogen. Een diepste kenmerk van al deze mythische teksten, in en buiten de Bijbel is dat zij ons informatie geven over wat oorlogen zijn. Maar we moeten dit nog leren herkennen. In die zin dragen mythen bij tot de vooruitgang van het menszijn.
 
(6) President Poetin verontschuldigt zich nooit en geeft nooit een falen toe. Hij kan enkel aanvallen, om nooit tot in de verdediging te komen. Hij gebruikt de media als wapen. En geeft vooral nooit een nederlaag toe. Hij stelt zich (en dat blijkt uit zijn 9 mei gebed opnieuw) altijd als overwinnend voor.
 
(7) Tijdens de eerste wereldoorlog dienden vrouwen uit de armere Gentse bevolkingslaag zich te prostitueren met Duitse officieren om rond te komen voor hun gezin. Als ‘beloning’ kregen ze een brood mee….om naar het thuisfront (over een thuisfront gesproken) mee te nemen na de inslag.
 
Philippe De Keukelaere

HET EXCLUSIEF  MIMETISCH MECHANISCH VERLANGEN (dat altijd tot mimetische rivaliteit leidt) (1) EN DE INDIVIDUELE ORGANISCHE  AUTONOMIE  (die altijd tot autocratie leidt) zijn in werkelijkheid hetzelfde. Zij behoren tot de orde van de fataliteit en het determinisme.

DE MENS IS EEN INDIVIDUELE KWANTISCHE UNITARITEIT, EN BEHOORT DAARDOOR TOT HET VELD VAN DE VRIJHEID. HIJ HOORT TOT HET VELD VAN DE VREDE

WIE IS DE MENS ? HET RECHT ALS STABILITEIT (2)

DE ONSCHATBARE WAARDE VAN KWANTISCHE VREDESVERDRAGEN IN HET INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT OF VOLKERENRECHT (3)

MIMESIS IS NIET HEEL DE MENS, EVENMIN ALS AUTONOMIE

De revolutie van de kwantumfysica leert ons dat onze kwantische realiteit niet een extreem rationeel ‘of, of’ denken is. Om het met een beeld te omschrijven een ‘vriend/vijand’ denken. Waarbij we – zoals in de mechanische mimetische leer of extreem organisch liberalisme (dat niet hetzelfde is als het historisch politiek liberalisme van een Montesquieu, Locke, de Tocqueville enz.) – steeds een element moeten uitsluiten. Het religieus dogma (want het is religieus, eigenlijk Stalinistisch) van de mimetische leer gaat terug op een uitsluitingsmechanisme. Wie uitgaat van het feit dat de mens een ‘vorm’ van individualiteit’ heeft, behoort tot de ‘romantische leugen’ en wordt uitgesloten. Het doet denken aan die jaren zestig van vorige eeuw, waarin in bepaalde kringen al wie het Stalinisme durfde in vraag te stellen als een ‘reactionair’ werd aanzien en uitgesloten werd. En men laat voelen aan wie uitgesloten wordt, dat hij uitgesloten is ! Als vijand van de mechanische mimesis behoort u dan tot de orde van de ‘romantische leugen, de mimetische verdoemenis. Het komt nogal wreed over. Het is een mechanische vriend/vijand logica (neo-Laplace, wat onder andere tot het communisme geleid heeft). Hetzelfde geldt in extreem organische liberale kringen. Als vijand van de autonome autocratie behoort u tot de ‘verliezer’ (maar we weten nu dat die onschuldig is aan zijn verlies!). Het is een winnaar/verliezer logica (neo-Darwin, wat tot het nationaalsocialisme geleid heeft).

De kwantische revolutie situeert de mens op een heel ander niveau. De mens is geen mimetisch wezen en evenmin een autonoom wezen. Ik schrijf niet dat dit als pathologie niet bestaat. Geniale kunstenaars hebben de pathologie van de mens op een ongeëvenaarde wijze benadert. Kan men stellen dan Don Quichot (of nog beter Sancho) heel de mens is ? Nee. Kan men stellen dat Iago (Othello) heel de mens is ? Nee. Kan men stellen dan Pjotr Verchovenski (Boze Geesten, of Demonen) heel de mens is ? Nee. Is ‘madame Verdurin’ (de Tijd Verloren) heel de mensheid ? Nee (en gelukkig maar). Is de zinloze autocratie (Kafka), de wreedheid van de machine (de Strafkolonie, de wreedheid van de officier, wordt de wreedheid van de machine zelf) heel de werkelijkheid? Nee. Maar als individuele (Cervantes, Shakespeare, Dostojewski, Proust  en collectieve (Kafka) pathologie wel. De genialiteit van Kafka wordt miskend, omdat deze zich niet op het mimetisch niveau bevindt als pathologie. Kafka is er voorbij. Hij situeert zich op het autocratisch niveau. Zijn samenleving is er een waar er geen enkele doorstroming meer is aan informatie en communicatie. De samenleving van bepaalde operatoren (druk op één, druk op drie, drie op vijf, wij sluiten af) in onze samenleving. (4) Madame Verdurin van Proust verbindt de voorgaande figuren met de zinloze autocratie van de Kafkaiaanse samenleving. Zij (dit komt nog meer bij mannen voor dan bij vrouwen, en is bij mannen nog subtieler en extremer) is het ‘summum’ van de narcist. Zij sluit niet enkel uit, maar heeft een psychopathisch genot in het breken van de relaties tussen mensen Swan en Odette, Baron de Charlus (de ‘morele slechterik’ is niet ‘slecht’ in relatie tot mevrouw Verdurin, de max) en Morel enz. Madame Verdurin is terzelfdertijd Stalinistisch (haar persoon) en nationaalsocialistisch (haar salon, wie uitgesloten wordt verliest letterlijk zijn zelfbewustzijn). Dit is het geniale bij Proust. Hij is de brug tussen zijn voorgangers en Kafka.

WIE IS DE MENS

HET KWANTISCH RECHT

Voormelde pathologieën voorstellen als heel de menselijke werkelijkheid gaat terug op een bepaald mensbeeld. In de mimetische theorie de ‘hopeloos gevallen’ mens. In de autonomie, de voorafgegeven volmaakte mens. De mimetische theorie neigt naar de vernietiging als vriend/vijand denken (deze theorie heeft Carl Schmitt broodnodig om te overleven en niet omgekeerd).

Het kwantisch denken is geen of, of denken, maar een en, en denken, een gelaagdheid.

Belangrijk is het ‘veld’. De continuïteit van het behoud van informatie is de kwantische stabiliteit. Het uitgangspunt is de ‘discretie’, de discontinuïteit. De resonantie van het veld staat hierbij centraal. Zonder veld geen relatie tot de dingen en de ander. We behoren tot dit veld zonder verlies van informatieve individualiteit (de verstrengeling) niettegenstaande de verspreiding van entropie door dit veld. Centraal staat de onbeperkte vrijheid van mogelijkheden, de onbepaalbaarheid – zonder zelfvernietiging (geen gewelddadig nihilistisch zelfoffer) – met behoud van stabiliteit, als men wil een vorm van doelgericht determinisme (maar dan zonder uitsluiting).

Alles lost niet  op in een vage soep (de mimetische rivaliteit of de organische autonomie). Het is net het tegenovergestelde.  

Belangrijk is hierbij het ‘no-cloning theorema’ vanuit het behoud van informatie.

In de kwantumfysica is er een wet die stelt dat informatie nooit vernietigd kan worden (het is geen autocratische nihilistische fataliteit), maar ook niet exact gekopieerd (mimetische nihilistische fataliteit).

Tevens belangrijk hierbij is de individuele unitariteit. De ‘informatie-handtekening’, de smaak blijft uniek. De unitariteit van de S-matrix (de wiskunde die interactie beschrijft) garandeert dat de informatie binnekomt, maar ook weer weg kan. Het hyper-kwantische van de mens houdt in dat de informatie terzelfdertijd individueel en stabiel is. Als de smaak zichzelf zou oplossen (vandaar dat ik een beetje – niet te veel – zout doe op mijn eten) of verdwijnen stort de kwantummechanica in het niets (nihilisme). Het zou een wiskundige instorting zijn.

Op het moment van de kwantische breuk is niet alleen heel de informatie nog in het kleinste punt aanwezig. Dit is de basis (vandaar het belang van het kwantische recht), van het verdrag. Eigenlijk een verbond dat vrijheid en stabiliteit verenigt.

Het breken, de kwantische breuk bewaart niet enkel de informatie, maar bevrijdt ze. Deze bevrijding van informatie brengt de stabiliteit tot uiting. De kwantische breuk (men kan het vergelijken met de notie van ‘tsimsum’) is geen schuldig verlies of verstoring, maar de noodzakelijke voorwaarde voor de manifestatie van stabiliteit.

In de pure, ongebroken unitariteit (de staat vóór de breuk) is informatie in een toestand van oneindige vloeibaarheid. Omdat alles alles is, is er geen ‘vast’ punt. Er is wel informatie, maar die is niet ‘stabiel’ in de zin dat ze onderscheidbaar of bruikbaar is.

Op het moment van de breuk (de symmetriebreuk of de tsimtsum) ‘stolt’ de informatie. Eigenlijk is dat wat met het recht (in zijn toepassingen) gebeurt.

Door de begrenzing krijgt de informatie een structuur. De stabiliteit komt voort uit de breuk. De breuk is het instrument dat de vluchtige potentie omzet in een blijvende, individuele unitariteit.

In de fysica kennen we de wet van behoud van energie, maar op een dieper niveau spreken we over de unitariteit van de S-matrix. Dit betekent dat de informatie-inhoud van een systeem constant moet blijven, wat er ook gebeurt.

Als men een breuk heeft, en de informatie overleeft die breuk, dan is dat het ultieme bewijs van haar stabiliteit.

De breuk  is de test (de auto-regulatieve feedback) van de onverwoestbaarheid (de uniciteit van het individu) van de informatie. Omdat de informatie aanwezig blijft in het kleinste punt (het holografische principe), bewijst zij dat zij ‘fundamenteler’ (het fundament is het breken – bevrijden van de informatie – als verband, verbond, stabiliteit-) dan de ruimte en de tijd die tijdens de breuk ontstonden.

Eigenlijk was de informatie-stabiliteit er al altijd, maar ze wordt pas zichtbaar (komt tot uiting) op het moment dat ze weerstand moet bieden aan de versnippering van de breuk (een zich terugtrekken door zich te verspreiden).

Deze tsimtsum is niet de vernietiging van de eenheid, maar de archivering van de eenheid in miljarden verschillende stabiele vormen. De breuk zorgt ervoor dat de informatie niet langer een ‘vage wolk’ is, maar een precieze, stabiele code die in elk punt van het veld aanwezig is. De verspreiding (de breuk) is de manier waarop de stabiliteit van de informatie zich over het hele universum uitrolt.

De breuk, het breken is de herkenning van de stabiliteit.

Eigenlijk is het een diamant onder druk, omdat het de overgang markeert van een passieve eenheid naar een actieve, onverwoestbare kwaliteit.

Wanneer we dit uitwerken binnen de kwantische informatie, zien we dat de ‘breuk’ (de tsimtsum) niet een verlies van volmaaktheid is, maar het ontstaan van een verschil.

In een absolute eenheid (de staat vóór de tsimtsum) is er geen informatie mogelijk, omdat informatie wiskundig gedefinieerd wordt als het bestaan van een onderscheid (een bit is het kleinste verschil: 0 of 1).

De herkenbare informatie ‘maakt’ het verschil (de smaak). De wetenschapper Gregory Bateson stelde reeds dat informatie verschil is. (Bateson, Gregory, Steps to an Ecology of Mind, University of Chicago Press, Chicago, 2000, ISBN: 978-0-226-03905-3)

In de ongedeelde unitariteit is er geen ‘ander’, dus is er geen relatie, geen spiegeling en dus geen informatie. Het is een staat van informatieve blindheid. In de kwantumbreuk wordt de ander aangezogen door wat ‘totaal’ anders is, waardoor telkens weer de totaliteit openbreekt (wat vrede brengt). Het is het omgekeerde van het mechanisch  mimetisch verlangen (aanzuiging door onverscheidenheid), als van de organische autonomie (aanzuiging door het onbegrensde van de autocratie).

De breuk (de tsimtsum) is de handeling die de ‘0’ van de ‘1’ scheidt. Het creëert de eerste rimpeling. Zonder dit verschil zou het universum wel bestaan, maar het zou geen ‘inhoud’ hebben. Het zou enkel een nietsinhoudende leegte zijn.

De breuk, het breken,  creëert niet zomaar een willekeurige chaos. De breuk creëert een stabiel verschil, wat het verbond, het verband, het recht mogelijk maakt. Het verbinden van vrijheid met stabiliteit.

In de kwantumfysica zorgt de breuk van de symmetrie ervoor dat deeltjes hun specifieke eigenschappen (massa, lading, spin) krijgen.

Dit verschil is onveranderlijk. De ‘smaak’ is dus niets anders dan de unieke manier waarop een punt in het veld VERSCHILT van de rest. De stabiliteit zit in het feit dat dit verschil (deze unieke code) door de unitariteit van het systeem gewaarborgd wordt.

De smaakwissel is het proces waarbij twee verschillende informatie-eenheden (twee individuele unitariteiten) elkaars verschil ‘proeven’ zonder hun eigen stabiliteit te verliezen.

Het verschil wordt met andere woorden vanuit de ongedifferentieerdheid niet opgeheven, maar net herkenbaar. Het discreet verminderingsproces wordt een vermeerdering (de ‘rijkdom’ van de informatie, de vrijheid en de stabiliteit).

De informatie is geheel ‘individueel’ aanwezig op elk punt. De informatie is maximaal verspreid of verstrengeld, maar blijft aanwezig als een UNIEK patroon.

De ‘smaak’ zit niet opgesloten in een deeltje, maar is gecodeerd in de trillingen van het hele veld. De ‘massa’ gaat over in  ‘frequentie’. De smaak is niet langer waar te nemen als een object (een knikker in een doos, of de kat van… – grapje – ), maar als een uniek trillingspatroon.

We moeten ons een oceaan (het veld) voorstellen. Een individueel verschil is niet een losse druppel die men uit het water kan halen, maar een staande golf op een specifieke plaats, plek of punt. De golf is gemaakt van hetzelfde water als de rest van de oceaan (de unitariteit). Maar de interferentie – de manier waarop de trillingen op dat exacte punt samenkomen – creëert een uniek patroon dat nergens anders hetzelfde is.

De ‘smaak’ is het individuele verschil in ritme en intensiteit binnen het universele veld. Het individu is een unieke ‘knoop’ in het weefsel van het geheel.  

Men kan het ook zo stellen. In een hologram (term uit de kwantumfysica) is de informatie van het hele beeld opgeslagen in elk klein deeltje van de plaat. Maar – en dit is cruciaal – elk punt op die plaat kijkt naar het object vanuit een andere hoek.

De ‘individuele unitariteit’ is mijn (ja mijn zelf, als zelfbewustzijn) unieke ‘hoek’ of ‘perspectief’ op het totale veld. Hoewel de informatie van het hele veld door mij heen stroomt, is de codering (de volgorde, de prioriteit, de ‘smaak’) uniek voor mijn positie. Ik ben het veld, maar dan in de hoedanigheid van mijn specifieke ‘verschil’.

In de signaalverwerking kan bijvoorbeeld elk complex geluid (een symfonie) worden afgebroken tot individuele frequenties via een Fourier-transformatie. Het veld is de symfonie. Mijn individuele verschil is een specifieke boventoon die door het hele stuk heen klinkt (zeer aanwezig in de muziek van Mozart). Hoewel we de boventoon overal in de concertzaal kunnen horen (maximale verspreiding), blijft de frequentie van die toon (de smaak) stabiel en de informatie individueel (verbonden aan het individu die de boventoon uitbrengt). Als die specifieke frequentie zou wegvallen, zou de hele symfonie veranderen. Het -‘verschil’ is niet alleen een onmisbaar onderdeel van de stabiliteit van het geheel. Het is de meest gelaagde voorwaarde ervan. Als de smaak gecodeerd is in de trillingen van het veld, is de smaakwissel (de verstrengeling) resonantie. Wanneer twee individuele unitariteiten verstrengelen, beginnen hun trillingspatronen op elkaar te reageren. Ze ‘proeven’ elkaars frequentie. Omdat de smaak niet ‘opgesloten’ zit, maar trilt, kan de informatie van de één de ander bereiken zonder dat ze hun eigen stabiele ‘grondtoon’ verliezen. De breuk (het ontstaan van verschil) is het moment waarop de ‘stilte’ van de absolute eenheid (van de gesloten totaliteit) verandert in een oneindige variatie aan trillingen (wat het woord is). Het kwantisch ‘leven’ is de vibrerende structuur. De ‘smaak’ is de unieke melodie die men alleen binnen het veld kan bespelen Het individu is geen ‘deel’ van de eenheid (mimesis en autonomie), maar een manier waarop de eenheid zichzelf uitdrukt.

Hoe onstaat het zelfbewustzijn (de doelgerichte betekenis) nu ? Zelfbewustzijn ontstaat alleen daar waar er onderscheid is. De breuk is de voorwaarde voor bewustzijn. De unitariteit ‘krimpt in’ om zichzelf van een afstand te kunnen bekijken. De breuk is een spiegel.

Bewustzijn is de actieve, doelgerichte trilling van een getransformeerd discreet deeltje binnen de continuïteit van het veld. Het ontstaat op het moment dat de individuele unitariteit, door de breuk (tsimtsum), een interne divergentie ondergaat. Deze ‘afstand tot zichzelf’ is geen lege tussenruimte, maar een interferentiepatroon binnen het veld zelf. Het veld fungeert hierbij als een informatieve spiegel. Het stelt de unitariteit in staat om de eigen stabiele informatie (de smaak) te reflecteren en te ‘proeven’ via de resonantie met het geheel.

Het veld is niet iets dat ‘buiten’ het individu staat. Het is de continuïteit die ervoor zorgt dat de interne afstand van de unitariteit tot zichzelf een waarneming wordt. Zoals een snaar trilt in een klankkast (een electrische gitaar), zo trilt de individuele unitariteit in het veld. Het veld geeft de ‘afstand’ haar informatie.

De doelgerichtheid (de betekenis) ontstaat omdat het veld altijd streeft naar eenheid via verstrengeling. De interne afstand dwingt het element om via het veld contact te zoeken met de ‘ander’ (als het totaal andere, dat totaal verschilt, waardoor een nieuwe discretie – discontinuïteit – ontstaat). Het bewustzijn is de motor die de smaakwissel aanstuurt. Het is de voortdurende communicatie tussen het discrete punt en de oneindige continuïteit.

De  breuk is niet de vernietiging van de ‘volmaaktheid’, maar de activatie ervan. De volmaaktheid van de eenheid was statisch, een totaliteit. De volmaaktheid van het verschil is dynamisch en informatief  vanuit het breken,  de breuk, het verband, het verbond, het recht.

Het ‘ontstaan van een verschil’ is eigenlijk een daad van creatie. Het zorgt ervoor dat de ‘individuele unitariteit’ niet een eenzaam punt is, maar een unieke bijdrage aan een oneindig complex veld.

In dit  veld is er geen sprake meer van ‘zelfopoffering’ of ‘hierarchie’. Een diamant kan niet weggeveegd worden, hij kan enkel schitteren.

We beginnen niet bij een vage eenheid, maar bij het moment van de Tsimtsum. Hier ontstaan de discreteelementen, de individuele unitariteiten, de unieke ‘smaken’. Dit zijn de ‘bits’ van de schepping. Ze zijn discreet omdat ze van elkaar verschillen. Ze hebben een eigen grens, een eigen identiteit, een eigen ‘diamant-structuur’. In deze fase ervaren de elementen zichzelf nog als losstaand (de illusie van mechanische mimesies en organische autonomie).

Vervolgens ontdekken deze discrete elementen dat ze niet in een vacuüm zweven, maar onderdeel zijn van een continu veld. Dit is de fase van de breuk, van de verstrengeling. De discrete elementen beginnen te trillen en ontdekken dat hun trillingen door het hele veld reizen. De continuïteit (die entropie is) zorgt ervoor dat informatie niet lokaal blijft. Alles is verbonden. De ‘smaak’ van het ene element wordt toegankelijk voor het andere. Het veld is de drager, de oceaan waarin de golven zich voortbewegen.

We  eindigen niet door op te lossen in de continuïteit zoals in veel oosterse filosofieën waar de druppel terugvalt in de oceaan en verdwijnt. We eindigen evenmin in de westerse ongedifferentieerdheid van de mechanische mimesis of de onbegrenstheid van de organische autonomie. We eindigen met getransformeerde discrete elementen. Het element is nog steeds discreet (de smaak is stabiel en niet weggeveegd), maar het is nu zelfbewust van de continuïteit. Het is een ‘geüpgradede’ versie van het begin. Het individu heeft de volledige informatie van het veld in zich opgenomen via de smaakwissel (verstrengeling), zonder zijn eigen unieke verschil te verliezen.

Wat is die transformatie precies?

In het begin was het element discreet en geïsoleerd. Aan het einde is het element discreet en verstrengeld (terugtrekking, breuk, herkenbaarheid, verband, verbond, recht, vrijheid, individualiteit, stabiliteit).

Het universum begint met het zaaien (zoals een landbouwer zaait, vroeger manueel) van verschillen (discreet), laat die verschillen met elkaar communiceren (continuïteit van het veld), om uiteindelijk een staat te bereiken waarin elk verschil de rijkdom van het geheel belichaamt (getransformeerde discretie).

Philippe De Keukelaere

(1) Het enige wat kan gebeuren wordt dan ‘bekering’ genoemd. Don Quichotte op zijn sterfbed die inziet dat het niet helemaal juist zat, omwille van die mimesis.

(2) Erwin Schrödinger was een filosoof. Niels Bohr gebruikte filosofische stellingen. Sir Roger Penrose is een platonist (aanhanger van de filosofie van Plato, met betrekking tot  herkenbaarheid in de wiskunde) enz. Ook al zou men het niet eens zijn met die filosofische uitgangspunten, ze zijn altijd verhelderend.

(3) Zowel in de spelregels van het internationaal publiekrecht als privaatrecht overigens is het altijd rampzalig als een land eenzijdig de spelregels wijzigt. Dit ondermijnt heel de rechtsstabiliteit.

(4) Wat de wereld van Kafka zo beklemmend maakt, is niet dat er een wrede tiran (waarbij het negatieve verlangen naar de tirannie gelijkgeschakeld wordt met een verlangen naar vrijheid, dat steeds negatief is) aan de top staat, maar dat de autocratie zelfsturend en doelloos is geworden. Het systeem is geen instrument meer van een menselijke wil (een tiran). De machine draait alleen nog maar om de machine te laten draaien.

Het is de ultieme overwinning van het mechanische en het organische op het unitaire. Bij Kafka is de troon leeg. In ‘Het Proces’ ontmoet Josef K. nooit de hoogste rechters. In ‘Het Slot’ krijgt de landmeter nooit de kasteelheer te spreken (druk op één, druk op twee, druk op vijf, we sluiten af).

Het systeem is een gesloten lus van informatie geworden die geen input van buitenaf (de individuele unitariteit) meer accepteert. Het is autocratisch omdat het absolute gehoorzaamheid eist, maar het is zinloos omdat er geen intelligentie of doel achter zit.

Elk bureau, elke beambte heeft een klein snippertje informatie, maar niemand overziet de unitariteit van het geheel. Het gaat niet om de ambtenaren, maar om verlies, zelfs de onmogelijkheid aan en van informatie. Er is geen veld.

Omdat de informatie niet meer ‘vrij stroom’ (geen verstrengeling), kan er nooit een ‘omslag’ of een bevrijding plaatsvinden.

Men zou kunnen stellen dat Kafka een universum beschrijft dat lijdt aan totale decoherentie. Totale anomie en  entropie. Er is geen ‘unitaire golffunctie’ die alles verbindt.

Er zijn alleen nog maar losse, mechanische deeltjes (beambten, advocaten, slachtoffers) die tegen elkaar aan botsen zonder betekenisvolle verstrengeling.

Als we de individuele unitariteit opofferen aan de zinloze logica van een systeem (de mechanische mimesis, de organische autonomie), eindigen we in een autocratie, waar enkel nog het aantal lijken geteld worden.

 

HET MISBRUIKEN VAN DE KATECHON VAN PAULUS

ONZE VERANTWOORDELIJKHEID ALS MENS TEN AANZIEN VAN EEN VAN DE MEEST GEWELDDADIGE FENOMENEN UIT ONZE TIJD

DE ONSCHULD VAN DE VERLIEZER OMWILLE VAN ZIJN VERLIES EN DE SCHULD VAN DE OVERWINNAAR OMWILLE VAN ZIJN OVERWINNING

Beatrice de Graaf (universiteit Utrecht) en Niels Drost (Clingendael) schrijven : “De oorlog in Oekraïne was dan ook meer dan een politieke of militaire strijd, het was een strijd om ‘de verlossing van de mensheid’ aldus Kirill. En vrijwel 40.000 Russisch-orthodoxe priesters gaven hun zwijgende of expliciete toestemming. In januari 2024  waren er al zevenhonderd priesters actief geweest aan het front, als aalmoezenier, of om anderszins de troepen te motiveren, het wapentuig te zegenen of zelf de wapens op te nemen. In maart 2024 publiceerde de Russisch-orthodoxe kerk een uitgebreide verklaring : “het heden en de toekomst van de Russische wereld’, waarin werd uitgelegd dat de oorlog tegen Oekraïne echt een heilige oorlog was, dat de missie van de ‘bedwinger’ dit wil zeggen de katechon, moest worden uitgevoerd, en dat alle Oekraïners die zich niet aan Rusland maar aan het Satanisme onderwierpen, ‘moesten worden geëlimineerd’ (ook Christenen, oorlog is immers altijd religie en religie altijd oorlog, eigen toevoeging). Tijdens een bijeenkomst in oktober 2024 in de Christus-Verlosserkathedraal in Moskou bezong oprichter Malofejef de ‘eenheid van volk en partij’ van (opnieuw) ‘autocratie, nationalisme en orthodoxie’, en onderstreepte hoezeer het Russische volk Poetin dankbaar kon zijn, en hem diende te steunen als ‘Bedwinger’ (katechon) in de strijd tegen de ‘satanische ideologie’ van het Westen en Oekraïne”.

Poetins Tsaristische droom, 2026, 136, ISBN 978 90 446 5845 3. (1)

DE JOODSE KOSMOGONIE VAN PAULUS

Paulus hanteerde de Joodse kosmogonie op zijn eigen manier. Mythologieën vertonen immers allemaal tegelijkertijd dezelfde kenmerken én onderlinge verschillen.

Zo gaat de Griekse mythologie (en filosofie) de confrontatie aan met de waanzingod en de fataliteitsgod. Dit is het particuliere karakter van deze mythologie, zoals we dat bijvoorbeeld zien in de Griekse tragedies. Dit neemt niet weg dat de Griekse religie als geheel ingekapseld was in het produceren van deze goden van fataliteit en waanzin. Dit is het universele karakter van deze mythologie.

In de Joodse kosmogonie gebeurde iets dergelijks, maar op een ander niveau. Men verbond een godheid met bevrijdingen en vrijheid. (2) De naam van deze godheid werd niet genoemd, als een gelijkheidsregel tussen mensen in de samenleving om niemand te vernederen (in dit verband kunnen we misschien nog iets bijleren).

De mythe vertelt ons dat Mozes zijn volk bevrijdde uit de slavernij en de onderdrukking. Op zich is dit een banaal historisch gebeuren. Veel volkeren verwijzen op dezelfde wijze naar een dergelijke oorsprong. Het is dan ook een universeel mythisch gebeuren (dat historisch kan zijn). Het mythisch particuliere van deze specifieke kosmogonie houdt echter in dat men dit gebeuren verbonden heeft met een godheid die bevrijdt en die vrijheid is.

Dit concept heeft overigens veel verlichte politieke denkers in Europa gefascineerd. Zij waren vooral gefascineerd door het idee van bevrijding in deze kosmogonie.(3)

Ten aanzien van de katechon van Paulus  is er op dit ogenblik een verregaande  intellectuele oneerlijkheid, die verstrekkende gevoglen heeft.

Belangrijk valt te noteren dat men Paulus niet op een juiste wijze kan interpreteren buiten de Joodse kosmogonie.

DE MYTHISCHE VERZEN (Tessalonicenzen 2:6-7)

De mythische tekst laat zich vanuit zijn diepste mythische laag objectief positivistisch ontleden.

Vers 5

Οὐ μνημονεύετε ὅτι ἔτι ὢν πρὸς ὑμᾶς ταῦτα ἔλεγον ὑμῖν;

“Herinnert u zich niet dat ik, toen ik nog bij u was, u dit alles heb gezegd?”

Vers 6

καὶ νῦν τὸ κατέχον οἴδατε, εἰς τὸ ἀποκαλυφθῆναι αὐτὸν ἐν τῷ ἑαυτοῦ καιρῷ.

“En u weet wat hem nu nog tegenhoudt, zodat hij pas op de voor hem bestemde tijd geopenbaard zal worden.”

Vers 7

τὸ γὰρ μυστήριον ἤδη ἐνεργεῖται τῆς ἀνομίας μόνον ὁ κατέχων ἄρτι ἕως ἐκ μέσου γένηται.

“Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam, en het wacht alleen nog op het moment dat degene die het tegenhoudt, verdwenen is.”

Ik beperk mij tot de analyse van twee woorden, het woord ‘ἀνομίας’ en vooral het woord ‘κατέχων’, om aan te tonen dat de diepste mythische laag bij Paulus verband houdt met een aanvalsoorlog, eigenlijk met oorlogen in het algemeen.

Zonder in detail te treden is mijn stelling (ik kan dit aantonen, maar het vergt een lange uiteenzetting) dat de juiste BETEKENIS van het woord ‘κατέχων’ bij Paulus moet worden gezocht in de Targum (bijvoorbeeld DE TARGUM JOB 11,14, – het woord dat aan ἀνομίας beantwoord in de Septantuagint-, 15,20 – idem voor het woord κατέχων en 15,28 met betrekking tot de vernieling). Vers 15,28 van de Targum Job geeft ons een belangrijke aanwijzing. De anomie wordt er immers in deze Targum verpersoonlijkt.

En in bepaalde in het Aramees geschreven geschriften van Qumran (bijvoorbeeld  QUMRAM 1Q20, GENESIS APOCRYPHON (GROT 1 QUMRAN)

Het betreft een tekst waarin Abraham wordt voorgesteld als een krijgsheer, een machtige militaire leider, met een privé militie van 318 getrainde mannen.

Uit deze relatie blijkt dat de taal die gehanteerd wordt een oorlogstaal is. De taal van de militaire nederlaag en de vernieling.

Als voorbeeld (maar men zou dit moeten uitwerken) geef ik volgende woorden aan die staan voor katechon in voormelde tekste :

DE AANVALSOORLOG

HET GEVANGEN NEMEN EN VASTHOUDEN OM TE DODEN

Bron                                           De Stam                Het Woord                            

 

Targum

(Koning

& Soldaat)                              תקף (T-Q-P)     Taqqif(תַּקֵּיף)

 

De aanval en het gevangen nemen van de soldaat

 

Genesis

Apocryphon

(Abraham)                              אחד (‘-Ch-D)          Achad(אֲחַד)                           

 

Het vasthouden van de  gevangen soldaat om hem te doden als straf voor zijn verlies

 

Targum Job                            אחד (‘-Ch-D)          Te’chad()תֶּאֱחַד                      

 

De dodelijke klem van de strik waaruit geen ontsnapping mogelijk is voor het slachtoffer

 

Peshitta

(Paulus –

2 Tess 2:7)                              אחד (‘-Ch-D)  Achid(אֲחִיד)

 

Het feitelijk vasthouden van de gevangene door de oorlogsgod (Anomie) voor de dood.

DE BETEKENIS VAN DE GRIEKSE KATECHON BIJ PAULUS

Grieks woord                     Aramese     Militaire           

(Paulus)                                 stam              betekenis en de anomie als oorlogsgod                                               

 

κατέχων (katechōn)             תקף                                           

   (T-Q-P)                

                 

de overmacht, de kracht die de soldaat neerslaat  waardoor hij gevangen kan worden genomen

κατέχων (katechōn)         אחד (‘-Ch-D)

                                   

de wurggreep   het vasthouden van de vijand om hem te straffen door hem te doden als schuldige verliezer

Bij Paulus heeft de katechon de beide betekenissen : het eerste moment : het gevangen nemen en het tweede moment : het vasthouden om ter dood brengen te brengen (zie de palet van Narmer, hoe de Farao Narmer/Menes eerst de gevangen – die knielt – in zijn wurggreep houdt, bij zijn haar, om vervolgens onthoofd te worden).                                                                                                                                     

(in bepaalde teksten moet men goed lezen, de hebreeuws ‘D’ – dalet -wordt soms in het Aramees door een ‘Z’ – zayin – vervangen, het zijn de interdentale klanken)

DE JUISTE BETEKENIS

Paulus die – overigens op een onjuiste wijze – steeds voorgesteld wordt als een ‘vijand’ van de wet. Paulus was misschien minder een vijand van de Tora dan men het voorstelt. In de tekst van Paulus dient men het Griekse woord ‘anomie’ ruimer te interpreteren dan de strikte wetteloosheid. Het gaat om de toename van de entropie. Hoe hanteert Paulus deze op zich banale vaststelling met zijn kosmogonie, bevrijding en vrijheid ? Hij verbindt de anomie  met het zich herinneren van een ogenblik, waarop hij nog aanwezig was. Dit klinkt bekend in de oren. Het is hetzelfde tafereel als dat van de Emmaüsgangers. Door het zich herinneren herkent men de aanwezigheid van de afwezige. Men nodigt een afwezige uit als een aanwezige, zoals men dit op het feest van Soekkot doet. Het feest herinnert aan de 40-jarige tocht van de Israëlieten door de woestijn (als plaats van maximale entropie) en herinnering van het woord, aan de informatie. In het Hebreeuws hebben de woorden ‘woestijn’, ‘pest (dood)’, ‘woord’, ‘heilige der heilige’, en ‘herder (leider’) dezelfde stam  D-B-R (ד-ב-ר). De vrijheid is met andere woorden het verbinden van de maximale entropie (woestijn, pest, dood) met de herinnering (het behoud van informatie, woord, heilige der heilige en herder-leider) als nieuwe stabiliteit.

Volgens de Joodse traditie komen er op elke dag van Soekkot zeven ‘geestelijke’ gasten op bezoek in de soeka (de hut). Hoewel ze alle zeven elke dag aanwezig zijn, voert er elke dag één de boventoon.

Dit zijn de zeven ‘vaders’ of ‘leiders’ van Israël.

Abraham: als gastvrijheid en liefde

Izaak: als discipline en kracht

Jacob: als  harmonie en waarheid

Mozes: als wet (Tora) en eeuwigheid

Aäron: als vrede en schoonheid

Jozef: als spirituele verbinding en overleving

David: als  koningschap en nederigheid (we kunnen misschien iets bijleren)

Er zijn er die bij het binnengaan van de hutten (Soekkot) bidden als uitnodiging voor  de Oesjpizin, de uitgenodigde gast.

In sommige soeka’s wordt er symbolisch een stoel vrijgehouden of versierd voor de eregast van die dag.

Er is een traditie die stelt dat de Ushpizin (Oespizin)  pas echt ‘verschijnen’ als je ook echte, arme mensen (woestijnbewoners) of vrienden aan je tafel uitnodigt om mee te eten. In ieder geval moet men daarvoor openstaan.

Paulus geeft daar echter een eigen betekenis aan. Paulus verbindt deze bevrijding uit de entropie door de herinnering hoofdzakelijk (niet uitsluitend) met de vrijheid en de bevrijding door Jezus van Nazareth. Wat doet Paulus nu vanuit zijn eigen kosmogonie ? Centraal in heel deze mythische benadering staat een verrijzenis. Dit is de kern van Paulus mythologie. Zoals in vele mythes verrijst de centrale figuur (universeel mythisch gegeven). (4) Maar ook hier deze typische Joodse kosmogonie. Paulus verbindt dat met een bevrijding, met een vrijheid (particulier gegeven). Welk vrijheid, welke bevrijding ? Het is opmerkelijk dat Paulus dit doet door zichzelf als de slaaf van een slaaf (Jezus van Nazareth) voor te stellen (zijn ware identiteit, echt iets voor onze wereldleiders). Wat betekent dat nu mythisch ? De centrale figuur werd terechtgesteld als een overwonnen slaaf, als iemand die door en na een oorlog alles, maar dan ook alles ontnomen wordt en verliest. Een Job in het kwadraat. Het is hier dat de centrale bevrijding, de centrale vrijheid stelt dat die man (overigens wat Job ook in zijn benarde, beroofde toestand beweerde) onschuldig was aan zijn verlies. Wie de oorlog verliest (slaaf wordt, of slaaf van een slaaf) is omwille van dit verlies onschuldig, wie ze wint is omwille van die winst schuldig. Het is vanuit deze vrijheid dat Paulus zijn centraal punt, de verrijzenis situeert, namelijk de bevrijding uit de dood die ingeleid wordt door de bevrijding uit de aanvalsoorlog. Wie houdt dit tegen (vers 6) ? Het is de oorlogsgod zelf. De fataliteitsgod en waanzingod. Het is de wereldveroveraar die de verliezer gevangenneemt en terechtstelt. Paulus ontneemt vanuit zijn vrijheid de godheid zijn goddelijk karakter af, vanuit de wijze waarop de centrale figuur dit zelf beleefde (niet een oorlogszelfoffer, die zijn goddelijk zelf opoffert voor de mensheid, maar de herleiding tot slaaf als onschuld van de verliezer, omwille van zijn zijnsverlies met behoud van zijn zelf en zelfbewustzijn tot het einde). Men kan daar een particuliere betekenis aan geven, evenals een universele. Beiden zijn niet tegenstrijdig. Ook dit is semitisch. Paulus beschrijft dit in Filippenzen : 2 – 8. In heel deze mythologie is de Aramese versie van de Peshitta helderder dan de Griekse tekst (die ook waardevol is). Deze versie verwijst naar een ‘roof’ in de zin van een aanvalsoorlog. Het zich vergoddelijken staat er gelijk met een aanvalsoorlog,  een roof, een jacht op de wilde beesten.

In het Griekse rationeel denken gaat men vers 6 interpreteren als een bepaald ‘moment’ in de geschiedenis, zoals men dit ten treure (niet alleen de getuigen van Jehova, die steeds een verkeerde datum voorschuiven met betrekking tot het einde van de wereld) aan negatieve  ‘momentenjacht’ doen. Maar dat is niet de semitische benadering van de tijd. In dergelijke Semitische mythologieën is de tijd een zich bewegende architectuur. Men verbindt de vrijheid met de mogelijkheid om op ieder ogenblik de entropie door herinnering als ultieme vrijheid te overwinnen, voor zover men echter aanneemt (wat Paulus betreft) dat die bepaalde slaaf ons heeft bevrijdt van het aanwijzen van de verliezer van een oorlog als de schuldige, omdat hij de oorlog heeft verloren. Dit is de mythische kosmogonie van Paulus, waarbinnen we de ‘katechon’ moeten situeren. De ‘katechon’ als een mogelijkheid om vrij te zijn en te worden, als bevrijding uit de aanvalsoorlogen, en niet als het tegenhouden van vijanden door aanvalsoorlogen. Deze laatste interpretatie is niets anders dan mode, geweld en aanzetten tot aanvalsoorlogen.

Philippe De Keukelaere

(1) Het onvoorstelbaar actueel succes van Carl Schmitt  en de talrijke interpretaties van de katechon van Paulus aan de hand van zijn theologie roept ernstige vragen op.

Wie in die kringen Schmitt thans in vraag begint te stellen (omdat het te flagrant aan het worden is), stelt doorgaans dat het net omdat hij jurist was – hij probeerde het met het ‘recht’ op te lossen, luidt het – waardoor het misliep; men geraakt niet uit de eigen kronkels; Hans Kelsen – die zich moedig tegen Schmitt gekant heeft – kent men niet) en Hans Frank een grote rol hebben gespeeld. Naast de naam van Carl Schmidt wordt in die kringen de naam Hans Frank niet vernoemd, ofschoon hij op dezelfde lijn lag van Schmitt – zij het nog extremer -. Het houdt wellicht verband met feit dat Hans Frank later Gauleiter werd van Polen…

De relatie tussen Carl Schmitt en Hans Frank was in de beginjaren van het Derde Rijk zeer nauw, zowel persoonlijk als professioneel.

Hans Frank was de oprichter en voorzitter van de Akademie für Deutsches Recht (1933). Hij was degene die Schmitt in 1933 tot lid van de academie benoemde en hem de leiding gaf over de vakgroep voor staatsrecht. 

Hans Frank was de uitgever van het tijdschrift ‘Deutsches Recht’, het officiële orgaan van de nazi-juristenvereniging. Schmitt publiceerde hierin talloze artikelen, waaronder zijn beruchte verdediging van de moorden tijdens de Nacht van de Lange Messen: “Der Führer schützt das Recht” (1934). 

Carl Schmitt  probeerde het nationaalsocialisme te legitimeren via abstracte concepten als ‘concreet ordeningsdenken’ en de ‘politieke theologie’. Hij was de ‘kroonjurist’ die de intellectuele kaders schiep. 

De relatie tussen beiden blijkt goed uit de rapporten van het proces te Nurenberg (Hans Frank als beklaagde, Carl Schmitt als getuige).

Als Reichsrechtsführer en later Gouverneur-Generaal in Polen was Frank verantwoordelijk voor de praktische transformatie van het opgeheven Duitse rechtssysteem (Gleichschaltung, alles conform het nationaal socialisme herleiden) naar nazi-idealen en het meedogenloze beheer van bezet gebied. 

Hun relatie eindigde niet goed. In 1936 werd Schmitt aangevallen door de SS (in hun blad Das Schwarze Korps) omdat hij te opportunistisch en ‘niet-echt-nazi’ zou zijn.

Hans Frank vond zijn antisemitisme niet biologisch, organisch genoeg. Het was te veel en louter herstel van orde. De hoofreden lag elders. Er was een grote academische rivaliteit tussen beiden ontstaan. Wat Hans Frank extreem ontstemde (iedereen wou zo dicht mogelijk bij Adolf zijn).

(2) Jacques Ellul, L’ANTIDESTIN, Vingt et unième Cahiers d’Études Juives, Hommage à F. Lofsky, 1985, C.P. nummer C.P.P.P. 65.732, 113 – 122

(3) Blandine Barret-Kriegel, The State and the Rule of Law, voorwoord: Donald R. Kelley

Princeton University Press1995, ISBN-10: 0691032912, ISBN-13: 978-0691032917

(4) Goden die uit de dood verrijzen : in Tyrus de stadsgod Melqart, in Sidon de genezende godheid Esmun, in Byblos Adonis, de god van verlangen en schoonheid, in Summer Dumuzi, in Egypte Osiris. Deze opstandingen uit de dood houden verband met licht, met de hoogste stand van de zon op het middaguur, eerder dan met seizoenwissels. Ik volg de stelling van Jona Lendering en Hein van Dolen, Goden en Half Goden, 2025, ISBN 9789401920711 35 – 36.

 

“ELKE AGRESSOR ZOU MOETEN WETEN DAT VERGELDING ONVERMIJDELIJK IS EN DAT ZE ZULLEN WORDEN VERNIETIGD. EN WIJ ALS SLACHTOFFERS VAN EEN AGRESSIE, WIJ ALS MARTELAREN ZOUDEN NAAR HET PARADIJS GAAN TERWIJL ZIJ SIMPELWEG ZULLEN VERGAAN OMDAT ZE NIET EENS DE TIJD HEBBEN OM BEROUW TE TONEN OVER HUN ZONDEN. TERWIJL DE VIJANDEN NIET EENS TIJD HEBBEN ZICH TE BEKEREN.”

PRESIDENT VAN DE RUSSISCHE FEDERATIE VLADIMIR POETIN (BEATRICE de GRAAF EN NIELS DROST, POETINS TSRARISTISCHE DROOM, 2026,  ISBN 978 90 446 58453 blz. 139, met verwijzing naar : Vladimir Poetin, ‘Meeting of the Valdai International Discussion Club, President of Russia, 18 oktober 2018, http://kremlin.ru/events/president/news/58848)

“DE WESTERS LANDEN ZULLEN NIET LANG MEER IN HUN SCHONE HUIZEN EN WONINGEN ZITTEN ….ER STAAT IMMERS GESCHREVEN : “”EN DOOR DEZE PLAGEN, HET VUUR, DE ROOK EN DE ZWAVEL, DIE UIT HUN MONDEN GINGEN, WERD EEN DERDE DEEL DER MENSEN GEDOOD, OPENBARINGEN, 9:18””

DMITRI MEDVEDEV OP TELEGRAM, 13 SEPTEMBER 2022, (BEATRICE de GRAAF EN NIELS DROST, o.c., 137, https://t.me/medvedev_telegram/177 (1)

𓂝𓄿𓂧𓏏𓆑 𓌙𓈖𓅱 𓈖 𓎡𓏭 𓂝𓄿𓂧𓏏𓆑 𓌙𓈖𓅱𓆑
 
“HIJ DIE DE MONUMENTEN VAN EEN ANDER VERNIETIGT, ZIJN MONUMENTEN WORDEN VERNIETIGD
.”

 (te lezen van links naar rechts, de dieren kijken naar links, oorsprong : de tempel van farao Sethi I in Abydos, Egypte)

“DE MONUMENTEN VAN DE VERNIELER WORDEN VERNIELD”

𓂝𓄿𓂧𓏏𓆑 𓌙𓈖𓅱 𓈖 𓎡𓏭 𓂝𓄿𓂧𓏏𓆑 𓌙𓈖𓅱𓆑

 𓂝𓄿𓂧𓏏𓆑

transliteratie: ꜥḏ.f

uitspraak: adjef (eigenlijk zijn de klinkers onzeker, er zijn er geen vermeld)

betekenis: hij vernietigt

 𓌙𓈖𓅱

transliteratie: mnw

uitspraak: menu

betekenis: monumenten

𓈖

transliteratie: n

uitspraak: en

betekenis: van

𓎡𓏭

transliteratie: ky

uitspraak: kie

betekenis: een ander

𓌙𓈖𓅱𓆑

transliteratie: mnw.f

uitspraak: menu-ef

betekenis: zijn monumenten

TEKST VAN FARAO SETHI (vader van Ramses II, gedateerd : 1285 BC) naar de hersamenstelling van sir Allen Gardener (1927). De vertaling en hersamenstelling van Hans D. Schnieder is als volgt : “Verheugt jullie niet….Hij die iets van een ander vernielt, uiteindelijk wordt er iets dergelijks tegen hem gedaan. De monumenten van de vernieler worden vernield.” (Hans.D. Schneider, Schrijven voor de Farao, 2026, 285, ISBN 97894 638 2428 6 NUR 680 eigenlijk een qausi-parafrase) (2)

EEN MYTHISCHE TEKST OVER DE ONSCHULD VAN DE VERLIEZER OMWILLE VAN ZIJN VERLIES EN DE SCHULD VAN DE OVERWINNAAR OMWILLE VAN ZIJN OVERWINNING

ENTROPIE MET INFORMATIEBEHOUD

DE HEBREEUWSE EN ARAMESE (TARGUM VERSIE, TEHELIM TARGUM) VAN PSALM 2,1 en 2,2 (3)

EEN KWANTISCHE ANALYSE VAN EEN MYTHISCHE TEKST

I/ DE HEBREEUWSE TEKST (TEHELIM)

2,1

לָמָּה רָגְשׁוּ גוֹיִם וּלְאֻמִּים יֶהְגּוּד־רִיק׃

Dלָמָּה (Lamma)

De mythische tekst begint met een vraag. Het woord לָמָּה (Lamma). Het Hebreeuwse לָמָּה (lamma) is samengesteld uit het voorzetsel לְ (le) en het vraagwoord מָה (mah). Deze lettercombinatie is geen verwijzing naar een verleden, maar is toekomstgericht. Het is een doelgerichte vraag. De vraag wordt aan onze hersenen gesteld, aan ons zelfbewustzijn, aan ieder individueel zelf. Is onze doelgerichtheid wel juist ?

De letters die het woord lamma samenstellen geven aan die doelgerichte spanning een tweede, kwantisch niveau. De lamed (ל) is in het Semitische schriftbeeld oorspronkelijk de herdersstaf, het instrument van sturing, richting en gezaghebbende leiding.

De mem (מ) is de letter van het water, de oer-vloeibaarheid die in Genesis 1:2 als tehom verschijnt, de diepte die er was voordat het kwantisch woord stabiliteit bracht. De vraag ‘waarom?’ is in dit licht de confrontatie tussen de staf (mythisch voor stabiliteit) en de woelende chaos van het water (mythisch voor chaos). Wanneer de schrijver vraagt waarom de volkeren (eigenlijk hun machthebbers; een toto – het volk -pro pars – de machthebbers -) razen, vraagt hij terzelfdertijd waarom door dit doel na te jagen zij in de toekomst het volk sturen, leiden, naar een toestand van tehom (chaos, de afgrond van alle oorlogen, waar we moeten in vallen – aan/vallen), waarom zij de lamed (stabiliteit) willen ontmantelen en de mem (onstabiliteit als fundering) in de toekomst laten zegevieren.

Deze etymologische laag verbindt de vraag van de schrijver met de Hebreeuwse mythische kosmogonie op een manier die de rest van de analyse draagt. De rebellie der volken (eigenlijk de aanvalsoorlogen van de machthebbers) is niet slechts een politiek incident, maar een poging om een mogelijkheid van kwantische stabiliteit in de toekomst (niet een terugkeer naar het verleden) door vernieling uit te sluiten. Het is een poging om de werkelijkheid te sturen naar een mythische chaos. Lamma is de schok van de discrete stabiliteit van het zelf, het zelfbewustzijn dat reflexief met zichzelf wordt geconfronteerd.

רָגְשׁוּ (Ragshu) en גּוֹיִם (Goyim)

Het zelfstandig naamwoord meervoud (goyim) betekent ‘naties’ of ‘volkeren’. Het is een mannelijk meervoud met als wortel גוי (G-W-Y), wat oorspronkelijk verwees naar ‘een lichaam’ en later naar specifieke groepen mensen.

Het werkwoord (ragshu) kan vertaald worden als ‘(zij) woelen’ of ‘komen in opstand’, ‘slaan aan’, ‘vallen – in het Nederlands is het een ‘vallen’ – aan’. Het is een Qal-vorm in het perfectum (3e persoon meervoud), afgeleid van de stam רגש (R-G-SH), wat duidt op beroering, rumoer.

De stam resh-gimel-shin (ר-ג-ש) heeft in het Bijbels Hebreeuws de betekenis van luidruchtig in beweging zijn. Zij is verwant aan het Aramese regash, dat mompelen en samenkomen combineert, en aan het Arabische rajasa, dat het rommelen en trillen van de aarde aanduidt. Ragshu is daarmee geen louter emotionele toestand maar een fysieke, hoorbare, voelbare massa-beweging. Het is het geluid van een menigte die samenstroomt, van een leger dat zijn kamp opslaat, van een volksvergadering die tot een besluit overgaat dat oorlog en geweld aankondigt.

Het gebruik van het perfectum is opmerkelijk. De schrijver beschrijft de rebellie (eigenlijk de aanvalsoorlog) als reeds voltooid, alsof hij vanuit een uitgangspunt spreekt van waaruit de uitkomst al vaststaat. Dit is geen profetisch perfectum in de technische zin maar een retorisch prosedé dat de voltooide zinloosheid van de onderneming vooraf brandmerkt in de grammatica zelf. Zij zijn al begonnen te razen, en dat razen heeft al zijn resultaat bepaald. Het is een schijnvolheid die in werkelijkheid een niets is (leegte in de betekenis van niets, nihilisme, verNIET(s)tiging, zonder informatiebehoud.

גוֹיִם (Goyim) en וּלְאֻמִּים (U-le’ummim)

U-le’ummim betekent ‘en volksstammen’. Het is een combinatie van een voegwoord en een zelfstandig naamwoord van de stam לאם (L-A-M), wat ‘verzamelen’ betekent en duidt op etnische gemeenschappen.

De twee woorden waarmee de rebellerende of aanvallende massa wordt aangeduid zijn niet willekeurig parallel geplaatst. גּוֹיִם (goyim), enkelvoud goy, is afgeleid van een stam die lichaam of massa betekent en beschrijft een in stamverband georganiseerd geheel van mensen. In deze tekst valt de betekenis van een politieke of eerder militaire eenheid niet uit te sluiten. Het woord draagt de connotatie van niet-Joodse volken, maar naast deze particuliere gelaagdheid is er in psalm 2 eveneens een universele betekenis. Beiden zijn niet tegenstrijdig. Het zijn de naties als collectieve bestuurlijke wilsuitdrukking, met legers, koningen en beslissingen.

Naast goyim staat לְאֻמִּים (le’ummim), afgeleid van een stam die verzamelen suggereert en een organische verbondenheid door afstamming en cultuur aanduidt. Waar goy meer op de politieke structuur wijst, duidt le’om op het volkslichaam als zodanig, de gemeenschap die door afstamming en herinnering bijeengehouden wordt. De auteur beschrijft met beide woorden twee gelijktijdige dimensies van de rebellie of aanvalsoorlog. De formele machtsstructuren bovenaan en de volkslichamen daaronder. Het is een totale opstand of oorlog, niet enkel van de aansturende elite maar van de volledige menselijke werkelijkheid. Een totale aanvalsoorlog, waarbij de machthebbers en het volk hetzelfde mythisch oorlogsenthoesiasme delen. Dit mythische bestaat nog steeds. Het heeft zijn religieuze transcendente waarde niet verloren. Eigenlijk is onze tijd nog mythischer dan de oudheid. (3)

Het is de religieuze ‘Geist’ van 1914, die Adolf Hitler zo aangreep, als ‘de’ basis voor zijn verder handelen. Voor Hitler was dit de religieuze ‘opstanding’, ‘de verrijzenis’ van het Duitse volk. Het beschrijft de extase waarin het individu zichzelf als zelfoffer verliest in de massa en de religieuze oorlogsmassa. Waar de Burgfrieden een verstandelijke afspraak was (de Burgfrieden verwijst naar de politieke wapenstilstand binnen het Duitse Keizerrijk. De term stamt uit de middeleeuwen. Wanneer een burcht werd aangevallen, moesten alle ruzies binnen de muren stoppen om de gezamenlijke offeraar/vijand te verslaan), was de Geist von 1914 de brandende bezieling (de Innere Einheit, de onoverwinnelijke eenheid). Hitler beschreef 1914 in Mein Kampf als een religieuze ervaring. Voor hem was de eenheid tussen de machthebbers (Goyim) en het volk (Le’ummim) geen politiek verdrag, maar een religieuze versmelting als zelfoffers voor de machthebber. Hij zag de massa’s op de Odeonsplatz in München niet als individuen, maar als één groot, ontwakend, religieus vlammend (er zullen daarna vlammen voor iedereen zijn), zichzelf offerend ‘volkslichaam’ (het verwijst naar tal van collectieve religieuze rituelen). De Burgfrieden werd in de ogen van Hitler verraden door de ‘dolkstoot’ van 1918. Zijn hele politieke carrière was een poging om de mythische eenheid van augustus 1914 te herstellen. Dit leidde tot de absolute gelijkschakeling (Gleichschaltung). De staat en het volk moesten één ondeelbaar organisme worden onder één wil (het Führerprincipe, basis van de organische structuur).

יֶהְגּוּ (Yehgu) en רִיק (Riq)

יֶהְגּוּ (Yehgu)

Het werkwoord betekent ‘(zij) zinnen’ of ‘prevelen’. Het is een Qal-vorm in het imperfectum (3e persoon meervoud) van de stam הגה (H-G-H), een klanknabootsing voor het maken van geluid zoals mompelen of prevelen.

Het beschrijft een voortdurende, herhaalde handeling. Het is telkens weer hetzelfde. We hebben toch telkens weer prijs met die aanvalsoorlogen. We hebben het telkens weer zitten. In de eerste plaats omwille van dit religieus prevelen.

De stam he-gimel-he (ה-ג-ה) is een onomatopee, een klanknabootsing van een laag, doorlopend geluid. Zoals het grommen van een leeuw over zijn prooi, het koeren van een duif, het prevelen van een gebed dat de biddende zelf nauwelijks hoort, en de toonloze stroom van een beraad dat liever niet openbaar wordt.

Het is in Psalm 2 een mompelen, een complot, in de zin van het verwekken van een mythische zuil als voorbereiding van aanvalsoorlogen, door middel van religieuze gebeden. De mondbewegingen van een bidder, hetzelfde sissend, herhaaldelijk geluid, een nietsinhoudend gebed, het religieuze nihilistische gebed dat enkel tot de vernietiging van het zelf leidt, door middel van het individueel en collectief zelfoffer van de aanvalsoorlog. Men smeekt (smeekbede) om een vijand/offeraar. (4)

רִיק (Riq)

De zin sluit af met dit woord dat ‘ijdelheid’ of ‘leegte-niets’ betekent. Afgeleid van de wortel רוק (R-W-Q) staat het figuurlijk voor een handeling die volkomen zinloos is en geen resultaat oplevert.

Het woord רִיק (riq) sluit het eerste vers af wat de mythische benadering weergeeft over de gehele onderneming. De kwantische stam resh-waw-qof (ר-ו-ק) betekent primair uitgieten of leegmaken. Het is het nihilisme van de leeggemaakte kruik (mythisch symbool voor nihilisme, een moment van maximale entropie zonder informatiebehoud). Het basisbeeld is dat van een kruik of een beker waaruit de vloeistof volledig is weggeschonken, de vorm van het vat is er nog, de inhoud is verdwenen. In Jesaja 65:23 verschijnt het woord in de uitdrukking ‘zij zullen niet tevergeefs (lariq) zwoegen’, waarbij riq de afwezigheid van vrucht of resultaat beschrijft ondanks de geleverde inspanning. Het vers van Jesaja verwijst naar de zelfoffers bij aanvalsoorlogen, waarbij de ‘volheid’ van de mythische zuil enkel een onopvulbare (met lijken) leegte wordt, niets om niets, ijdelheid om ijdelheid.

לֹא יִיגְעוּ לָרִיק וְלֹא יֵלְדוּ לַבֶּהָלָה כִּי זֶרַע בְּרוּכֵי יְהוָה הֵמָּה וְצֱאֱצָאֵיהֶם אִתָּם׃

Jesaja 65:23

“Niet zullen zij zwoegen tot niets (leegte zonder informatiebehoud), en niet zullen zij baren tot schrik, want zaad van gezegenden van JHWH zijn zij, en hun nakomelingen met hen.” (kinderen ter wereld brengen als oorlogspaniek, als kannonevlees)

לֹא

“Niet”, ontkennend

יִיגְעוּ

י־ג־ע (יגע)

“moe worden, zwoegen”

Qal imperfectum, 3e persoon mannelijk meervoud

 “zij zullen zwoegen / zich vermoeien”

 לָרִיק

ל + רִיק

ר־י־ק (ריק)

“leegte” in de zin van tevergeefse nutteloosheid

voorzetsel + zelfstandig naamwoord

 “tot leegte / tevergeefs”

 וְלֹא

en “niet”

voegwoord + ontkenning

יֵלְדוּ

י־ל־ד (ילד)

“baren, voortbrengen”

Qal imperfectum, 3e persoon mannelijk meervoud

 “zij zullen baren / voortbrengen”

 לַבֶּהָלָה   

ל + בֶּהָלָה  

)ב־ה־ל (בהל

“schrik, paniek, plotselinge ontzetting”

voorzetsel + zelfstandig naamwoord (met lidwoord assimilatie)

 “tot schrik / tot ontzetting”

 כִּי

“want / omdat”

voegwoord

זֶרַע

ז־ר־ע (זרע)

“zaad, nageslacht”

zelfstandig naamwoord

בְּרוּכֵי

ב־ר־ך (ברך)

“zegenen”

passief participium (Qal), meervoud constructus

 “gezegenden van”

יְהוָה

de tetragrammaton

genitief (“van de HEER”)

 הֵמָּה

zij

zelfstandig voornaamwoord (3e m. mv., nadrukkelijk)

 “zij zijn het”

וְצֶאֱצָאֵיהֶם

ו + צֶאֱצָא + ֵיהֶם

י־צ־א (יצא)

“uitgaan, voortkomen”

nakomelingen

zelfstandig naamwoord + suffix (hun)

 “en hun nakomelingen”

אִתָּם

(voorzetselvorm)

met hen

voorzetsel + suffix

 “met hen / bij hen”

“Niet zullen zij zwoegen tot leegte, en niet zullen zij baren tot schrik, want zaad van gezegenden van JHWH zijn zij, en hun nakomelingen met hen.”

De nadruk ligt op nakomelingen. Zij zullen geen kannovlees meer zijn !

Zij zullen niet worden onderworpen (zij zullen zich niet meer onderwerpen) aan aanvalsoorlogen.

Zij zullen zich niet om niets (tevergeefs, zonder resultaat, als niets, als een chaotische leegte zonder informatiebehoud, als louter nihilisme) afsloven (als slaven zichzelf opofferen en vernietigen) en zij zullen geen kinderen baren (voor wat dient het kinderen te hebben, die zichzelf moeten opofferen op slagvelden als kannonnevlees) voor de verschrikking (de paniek, de plostelinge schrik, de verwarring, waardoor men een oorlog verliest).

Want zij zijn het zaad (nageslacht, wijst op de kwantische discretie) van de door de Heer gezegenden (zij die de vloek van de oorlogen niet meer hoeven te ondergaan). (5)

Dit moet de toekomst zijn voor onze kinderen, dit is pas vrede.

In het Hebreeuws hebben de woorden zegenen en knielen dezelfde kwantische drieletterstam.

בֵּרֵךְ (zegenen)                                                                                                                       hij die de vloek van de oorlog                                                                                                                                                                                                                             niet meer hoeft te ondergaan

(barakh)

בָּרַךְ (knielen)  

(berekh)                                                                                                       knielen (onderwerpingsritueel) is het ritueel van de verliezer om door de overwinnaar                                                                                                                               gestraft te worden. Omwille van zijn schuldig verlies.

Het knielen als mythisch ritueel voor wie de vloek van de oorlog niet meer hoeft te ondergaan                                                                      

De stam woord R-Y-Q heeft de betekenis van leegte als opvulling (enkel het volle omhulsel – de kruik – blijft over zonder de informatie van de inhoud) of ijdelheid.

Als bijvoeglijk naamwoord betekent het letterlijk ‘leeg’ (zoals een lege kruik of beker).

In een overdrachtelijke (figuurlijke) zin, zoals in Jesaja, betekent het ‘zonder inhoud’ of ‘zonder resultaat’.

De toevoeging van het voorvoegsel la- maakt er een bijwoordelijke bepaling van: “voor de leegte”.

De inspanning is er, er wordt gezwoegd (yiga’oe).

Het resultaat ontbreekt.  Men investeert energie, tijd en zweet, maar aan het einde van de dag is er niets om te laten zien. De ‘bak’ en het ‘laadje’ blijven leeg.

Dit vers maakt deel uit van een mythische belofte (het blijft een mythische tekst) over de ‘nieuwe hemel en de nieuwe aarde’. Doorheen de mythe is er iets opmerkelijks. Het grootste kenmerk van de oude wereld is de mogelijkheid van aanvalsoorlogen, die in de nieuwe wereld verdwijnt. Men plant en zwoegt in de oude wereld, en een ander eet het op, men bouwt en zwoegt, en de vijand/offeraar verwoest het.

Als we deze tekst vergelijken met de Targum Jonathan van Jesaja, stelt men vast dat de Aramese vertalers het woord vaak vertalen met termen die duiden op ‘nietsheid’ in de betekenis van ‘verwarring’. De Targum versterkt vaak het mythisch toekomstidee dat de arbeid niet meer ten prooi zal vallen aan plunderende aanvalslegers.

In Psalm 2 werkt riq op meerdere niveaus, gelaagdheden simultaan. Op het fysieke niveau beschrijft het de lege schede als totale zelfvernietiging. Het zwaard is getrokken, de schede is leeg, de drager verliest zijn zijnsvorm en wordingsvorm omdat zijn inhoud, zijn zelf, door het verlies als zelfoffer – het getrokken zwaard! – is verdwenen. Op het resultaatniveau beschrijft het de vruchteloosheid van de aanvalsoorlogen. De energie die de volken in hun tumult en hun complot steken omwille van de oorlogszucht van machthebbers keert niet terug als enig duurzaam effect.

Er is filologische verwantschap met het Latijnse vanitas. Het bijvoeglijk naamwoord vanus betekent leeg, hol, inhoudsloos, niets om niets, nietmendalle,  als ijdele illusie en pretentie. De Vulgaat spreekt van vanitas vanitatum in Prediker, het Hebreeuwse הֶבֶל הֲבָלִים (hevel havalim), damp der dampen. Ijdelheid en pretentie verdampen in het niets. Het Hebreeuwse hevel betekent adem of damp. Het neemt ruimte in, is zichtbaar in de kou, maar laat geen spoor na en laat zich niet grijpen. Riq verschilt van hevel in die zin dat het de actieve leegte beschrijft – een vernietigen -, het vacuüm – als niets meer, totale afwezigheid – dat ontstaat nadat iets is weggegoten, terwijl hevel de constitutieve vluchtigheid beschrijft van wat nooit substantie had. De plannen van de volkeren zijn tegelijk riq (het resultaat is een zelfvernietigende leegte als niets) en hevel (de inhoud was nooit reëel), een dubbele niets, een leegte zonder informatiebehoud. Een oorlog is enkel het verwoest niemandsland met de niet te tellen, en te benoemen lijken, maar deze dimensie herkennen we niet.

De paradox die de schrijver hier schetst is die van de schijnvolheid. De volken razen, het tumult is enorm, de vergaderkamers zijn vol woorden van hun machthebbers, de agenda’s zijn overvol met oorlogsplannen (von Schlieffen) en het vervaardigen van de beste wapens (de Duitse zeevloot voor 1914, die voor niets – werd tijdens de oorlog niet of amper gebruikt – werd gebouwd en pakken geld gekost heeft). Maar de schrijver noemt dit alles riq, omdat de schijn van volheid niet de werkelijkheid van inhoud meer kan weergeven. Het is een entropische zeepbel. Een zeepbel ziet er groot en glanzend uit, maar zodra de buitenste laag het begeeft, blijft er letterlijk niets over. Dit is niet de leegte met behoud van informatie, maar de leegte van pretentie, de schijnvolheid die bij aanraking ofwel implodeert ofwel explodeert in een aanvalsoorlog.

(1) We mogen niet uit het oog verliezen dat president Vladimir Poetin en machthebber Dmitri Medvedev binnen het Christendom de grootste Christenen van deze tijd zijn. De Christelijke geloofsbelijdenis van Medvedev is devolgende :

“Het is de taak van ons vaderland om de opperste heerser van de hel, welke naam hij ook moge gebruiken, Satan, Lucifer of Iblis, te stoppen. Ons wapen is de waarheid (de onlosmakelijke Christelijke eenheid bij president Poetin oorlog/religie, religie/oorlog, eigen toevoeging). Dit is waarom onze zaak rechtvaardig is. Dit is waarom de overwinning aan ons zal zijn.” (o.v. 137 met verwijzing). Er zijn duizenden dergelijke uitspraken van Poetin en zijn omgeving, maar Europa hecht daar geen enkel, maar dan ook geen enkel belang aan, terwijl die Satan door Poetin duidelijk Europa is. Waarom geen aandacht voor deze mythische zuil, kern van de oorlog/religie verhouding.

(2) De zin is een hersamenstelling. Een hersamenstelling is de meest waarschijnlijke probabiliteit. Als de zin juist is, mag men ze niet lezen als een waarschuwing. Het is een vervloeking van de vijand. Het doel is het behoud van de NAAM van de Farao op aarde. Dit werd verbonden met zijn ontsterfelijkheid na zijn dood. Het ergste wat een Farao kon overkomen was het vernielen van zijn NAAM (de monumenten, zijn tempels) na zijn dood. Vandaar die vervloeking tegen de vijand. De tekst kan reflexief worden gelezen: vernietigt zijn monument (tempel), wie het monument (tempel) van de ander vernietigt.  Farao Sethi herstelde tempels met als doel, het eeuwig behouden van de NAAM als onsterfelijkheid. Als eeuwige overwinning op de chaos, en de vijanden als chaos. Vijanden werden vaak op de muren afgebeeld als dieren, en niet als mensen (er is – wat dat betreft – niets veranderd – ).

De identificatie en magische bestendiging van de koninklijke identiteit binnen de architectuur van de piramides vormt een essentieel aspect van de oud-Egyptische grafcultuur. Hoewel de monumentale grafkamers van de vroege Vierde Dynastie op het eerste gezicht tekstloos lijken, onthult nauwkeurige archeologische analyse een complex systeem van naamgeving. In de Grote Piramide van Khufu ontbreken officiële inscripties op de gepolijste muren van de centrale kamers. Toch bewijzen de zogenaamde ontlastingsruimtes boven de Koningskamer de aanwezigheid van de farao door middel van informele arbeidersgraffiti. Deze met rode oker aangebrachte teksten verwijzen naar specifieke werkploegen die handelden in naam van Khufu. Deze datering is belangrijk omdat het de directe link legt tussen de bouwheer en het fysieke monument.

Tijdens de Vijfde Dynastie onderging de interne decoratie van de piramides transformatie onder farao Oenas. De muren van de grafkamers werden vanaf die periode systematisch bedekt met de Piramideteksten. Deze religieuze spreuken dienden als een magisch instrumentarium om de koning te ondersteunen bij zijn hemelreis naar de onvergankelijke sterren. De naam van de farao werd in deze teksten obsessief herhaald binnen cartouches (een cartouche is een van de meest herkenbare symbolen uit de Egyptische hiërogliefen. Het is de ovale omlijning die om de namen van koningen en koninginnen werd getrokken) om zijn eeuwige voortbestaan te garanderen. Men geloofde dat de schriftelijke vastlegging van de naam een spirituele levenslijn vormde die niet doorbroken mocht worden. De tekst fungeerde hierdoor niet slechts als decoratie maar als een actieve liturgische kracht.

Aan de buitenzijde van het monument vervulde de piramidion de rol van het hoogste religieuze brandpunt. Deze spitssteen werd vaak vervaardigd uit duurzaam graniet of basalt en voorzien van een goudlaag om de zonnestralen te vangen. De naam van de farao werd op dit monumentale punt prominent aangebracht in combinatie met afbeeldingen van zonneaanbidding. Hierdoor was de identiteit van de koning verbonden met de dagelijkse cyclus van wedergeboorte van de zonnegod Ra. Door de blootstelling aan erosie en diefstal zijn de meeste van deze dekstenen verloren gegaan voor hun oorspronkelijke context. De weinige overgebleven exemplaren in musea bevestigen echter dat de naam van de farao letterlijk de verbinding vormde tussen de aarde en de kosmos.

(3) We stellen vast dat de machthebbers van de wereld oude mythische teksten gebruiken vanuit hun Christelijke identiteit.  Bepaalde wereldheersers gebruiken teksten uit het oude testament. Anderen teksten uit het nieuwe testement, in het bijzonder uit een boek dat zeer in de mode is, het boek Apocalyps uit de Christelijke canon (er zijn veel apocalypsen).

“Wereldwijd zijn er tal van sektes geweest die daarom zelf alvast het Einde der Tijden begonnen af te smeken, denk aan de wederdopers of allerlei millennarisrische gemeeschappen.” (o.c. 131)

De verwevenheid van religie en oorlog (geweld in het algemeen) is geen monopolie van de Russisch-Orthodoxe kerk. De Katholieke kerk hanteert vergelijkbare teksten op eenzelfde wijze, gebruikmakend van de specifieke taal van diverse katholieke groeperingen. We mogen niet vergeten dat deze sektarische bewegingen wereldwijd talrijker zijn dan de officiële kerk – die overigens zelf ook niet altijd vrij is van dit taalgebruik – waardoor zij geleidelijk aan de overhand krijgen binnen dit religieuze spectrum.

In feite worden er citaten uit de gehele Bijbel aangewend om oorlogsgeweld aan te wakkeren. Het is de onverwoestbare eenheid tussen oorlog en religie. Dit wijst erop dat het een vergissing is om te spreken van een louter immanente ideologie. De transcendentie verplaatst zich en bevindt zich thans in de handen van een handvol wereldleiders uit verschillende religies. Ieder beroept zich op zijn eigen godheid, maar in de praktijk handelen zij allen op dezelfde wijze. Zij bedienen zich van oorlogsgoden, fataliteitsgoden, goden van de waanzin en goden die angst zaaien.

In dat licht bezien kan men president Vladimir Poetin beschouwen als een van de meest markante “christelijke” exponenten van deze tijd. Hij is wat het entropisch Christendom als religie (en dit geldt voor alle religies) in deze eeuw aan het worden is. Hij is geen uitzondering, maar de algemene regel van deze gekristaliseerde religie in zijn maximale entropische fase. Ten aanzien van de oudheid en de vele klassieke culturen wereldwijd lijkt de mensheid een stap terug te hebben gezet. In die oude culturen had men er namelijk geen enkele moeite mee om te erkennen dat religie oorlog was, en oorlog religie.

Hoewel er in wezen niets is veranderd, weigeren wij dit te herkennen, ook al kunnen we er niet meer naast kijken.

(4) Er is tegenwoordig we een wildgroei aan actuele militaire gebeden: van unit prayers en invocations tot volledig op maat gemaakte customized prayers. Men serveert deze gebeden bijna zoals een sommelier de passende wijnen in een restaurant aanbeveelt,  zorgvuldig afgestemd op de situatie. Het werkelijke doel is echter het religieus aanwakkeren van het ‘killer instinct’. Het is de vraag of dit instinct zich in dezelfde hersenzone bevindt als onze religieuze beleving.

Opmerkelijk genoeg worden deze gebeden geput uit dezelfde mythische teksten als de teksten die we hier analyseren. Vooral binnen katholieke sekten ziet men een extreem gebruik van deze gebeden; zij prevelen op een wijze die volledig is gericht op de aanvalsoorlog. In feite gaan deze groeperingen het verst van allemaal. Zij isoleren teksten uit het Nieuwe Testament en het boek Openbaring (Apocalyps) en prevelen deze onophoudelijk.

Dit prevelen suggereert een onvermijdelijke noodzaak: de totale vernietiging van de vijand, die als ‘offeraar’ wordt gezien, tot aan de algehele verwoesting van alles toe. Men bidt om het meest extreme geweld dat denkbaar is, waarbij het ultieme zelfoffer uiteindelijk omslaat in pure zelfvernietiging.

(5) Het religieuze zegenen en wijden staat in schril contrast met de mythische laag van deze literatuur. Religieuze zegening functioneert als een poging om zich aan de gunstige zijde van de goddelijke ambivalentie te scharen, in de hoop gespaard te blijven van tegenspoed. Dit zien we bijvoorbeeld bij het laten wijden van een auto. Het biedt de verzekering dat men gevrijwaard blijft van ongelukken dankzij goddelijke welwillendheid. Op eenzelfde manier wordt een drone gezegend. Het creëert de vermeende zekerheid dat het wapen maximaal toeslaat, simpelweg omdat de godheid nu de eigen zijde in het conflict heeft gekozen.

De mythische laag in voormelde teksten heeft een andere betekenis. Hierin schuilt een spoor van ‘kwantische gelaagdheid’: het moment waarop de mensheid niet langer onderworpen is aan – of zichzelf niet langer onderwerpt als slaaf aan – de logica van de aanvalsoorlog. In tegenstelling tot de religieuze context biedt dit geen garantie op een overwinning, maar opent het de mogelijkheid tot de algehele afwezigheid van aanvalsoorlogen. Vanuit een kwantische benadering is dit een reële potentie.

Zelfs het ritueel van het knielen heeft hierdoor een andere betekenis. Het is kwantisch  een symbolisch buigen om een ‘zegen’ te ontvangen die de oorlog moet vermijden. Eigenlijk een bevrijding uit de slavernij van de aanvalsoorlogen. Daardoor is men er niet meer aan onderworpen. In religieuze teksten daarentegen – een verschuiving die al zichtbaar is in het boek van de Makkabeeën (enkel ten dele opgenomen in de Katholieke en Orthodoxe kanon van de Bijbel) – is knielen veranderd in het afsmeken van de overwinning door middel van totale onderwerping en religieus zelfoffer. De mythische laag draagt een betekenis uit die door de religie, in haar huidige vorm, niet langer gevat kan worden.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met Psalm 2,2)

 

EN PRAKTISCH ONDERRICHT OVER WAT EEN OORLOG IS (1)
 
MATTEÜS 26:1
 
Oud-Syrisch: ܘܗܘܐ ܕܟܕ ܫܠܡ ܝܫܘܥ ܡܠܘܗܝ ܟܠܗܝܢ ܐܡܪ ܠܬܠܡܝܕܘܗܝ
 
EN HET GEBEURDE, TOEN JEZUS AL DEZE WOORDEN HAD AFGEMAAKT, ZEI HIJ TEGEN ZIJN LEERLINGEN
 
Waar het Grieks eveneens de betekenis heeft van ‘voleindigen’, gebruikt het Aramees (oud-Syrisch) het woord šallem, dat de betekenis van ‘afrekenen’ kan hebben.
De betrokkene had met woorden afgerekend met de oorlog, nu de praktijkles. Wat betekent het in de praktijk een oorlog verliezen ?
 
MATTEÜS 26:2
 
Oud-Syrisch: ܝܕܥܝܢ ܐܢܬܘܢ ܕܒܬܪ ܬܪܝܢ ܝܘܡܝܢ ܦܨܚܐ ܗܘܐ ܘܒܪܗ ܕܐܢܫܐ ܡܫܬܠܡ ܕܢܨܛܠܒ
 
JULLIE WETEN DAT NA TWEE DAGEN HET OVERSLAAN (PEṢḤĀ) ER IS, EN DE ZOON VAN DE STERVELING (BRĒH D-NĀŠĀ) WORDT UITGELEVERD OM AAN HET KRUIS GEHANGEN TE WORDEN
 
Peṣḥā komt van de wortel ‘overslaan/sparen’ (de engel des doods die de huizen oversloeg (peshā) ten tijde van de uittocht uit Egypte). Jezus kondigt aan dat hij niet gespaard zal worden, maar als een verliezer zal worden ‘uitgeleverd’ (meštlem : een term uit de handel/incasso, welke handel?; het gestraft worden als een ‘verkochte of geruilde slaaf’). Geen triomferende mensenzoon, maar een sterveling die als een slaaf, als een verliezer van een oorlog zal worden terechtgesteld en zal sterven.
 
MATTEÜS 26:3
 
Oud-Syrisch: ܗܝܕܝܢ ܐܬܟܢܫܘ ܪܒܝ ܟܗܢܐ ܘܣܦܪܐ ܘܩܫܝܫܐ ܕܥܡܐ ܠܕܪܬܗ ܕܪܒ ܟܗܢܐ ܕܫܡܗ ܩܝܦܐ
 
OP DAT MOMENT WERDEN DE MEESTERS VAN DE PRIESTERS EN DE SCHRIJVERS EN DE OUDERLINGEN VAN HET VOLK SAMENGEDREVEN NAAR DE BINNENPLAATS VAN DE MEESTER-PRIESTER WIENS NAAM KAJAFAS IS.
 
Geen ‘schriftgeleerden’ (geen Farizeërs), maar Sāfrē: de klerken van de collaboratie met Rome. Ze komen niet samen in een tempel, maar in de dārtā: het private, beveiligde paleiscomplex van de collaborerende elite.
 
MATTHEÜS 26:4
 
Oud-Syrisch: ܘܐܬܡܠܟܘ ܥܠ ܝܫܘܥ ܕܒܢܟܠܐ ܢܐܚܕܘܢܝܗܝ ܘܢܩܛܠܘܢܝܗܝ
 
EN ZIJ HIELDEN RAAD OVER JEZUS, OM HEM MET EEN LIST/BEDROG (NEKLĀ) TE GRIJPEN EN HEM UIT DE WEG TE RUIMEN.
 
Atmelakū (beraadslagen) klinkt in deze context als een maffia-overleg. Het woord neklā is cruciaal, het is geen juridische procedure, maar puur arglist. Ze zoeken een manier om de wet te omzeilen of om te buigen.
 
IN DE GRIEKSE VERSIE

DE ELEMENTEN

In de Griekse traditie is het een mythische tekst, die theologisch is gestructureerd.

DE GROEP

Religieuze leiders en schriftgeleerden.

DE PLAATS

Een plechtige vergadering.

DE METHODE

Owille van de plechtige vergadering wordt er nu reeds een juridisch dimentie van een relgieus proce gesuggereerd. (2)

DE MOTIVATIE

Opgebouwd vanuit het onderscheid tussen de goeden en de slechten: vriend en vijand.

DE ARAMESE (oud-Syrische) VERSIE

ELEMENTEN

De Aramese Vetus Syra vertelt ons iets over de essentie van de oorlog zelf.

DE GROEP

Een kartel van priester-bazen en hun ‘klerken’ (geen geleerden).
De Aramese versie spaart de Farizeeërs, wat opmerkelijk is.

DE PLAATS

Een besloten overleg in een privé-hof, een besloten privé-vertrek.

DE METHODE

Enkel een arglistige overval (neklā).

DE MOTIVATIE

De tekst is opgebouwd vanuit de oorlogsrelatie met Rome.
Er is sprake van oorlogspaniek en angst voor verlies van controle (šgūšyā).
 
MATTEÜS 26:5
 
Oud-Syrisch: ܘܐܡܪܝܢ ܗܘܘ ܠܐ ܒܥܕܥܕܐ ܕܠܐ ܢܗܘܐ ܫܓܘܫܝܐ ܒܥܡܐ
 
EN ZIJ ZEIDEN: ‘NIET TIJDENS DE VOLKSVERZAMELING (‘ED‘EDĀ), ZODAT ER GEEN TUMULT/CHAOS (ŠGŪŠYĀ) ONTSTAAT ONDER HET VOLK (AMMA).
 
De Griekse tekst heeft het vaak over ‘het feest’; de Aramese gebruikt in voormelde zin het woord ‘ed‘edā . De tekst gebruikt niet het Aramese woord amma om het volk op het feest aan te duiden, wat we hier zouden verwachten. Het feest verwijst niet enkel naar de uittocht van het volk uit de slavernij, maar door het woordgebruik eda naar (de staat) Israël. Voor collaborateur (zie Flavius Josephus) Kajafas een op zijn minst moeilijk moment. Kajafas is dan ook niet alleen angstig voor het tumult/de chaos šgūšyā. Kajafas paniekeert als iemand die een oorlog dreigt te verliezen. Zijn paniek is niet het gevolg van het groot aantal aanwezige mensen (tumult omwille van de grote massa) op het feest. Hiervoor stelt men geen mens preventief terecht. Zijn paniek bestond erin angst te hebben voor het volk dat zich tijdens het feest zou kunnen identificeren met de staat Israël in de figuur van Jezus (wat volgens Flavius Josephus velen hoopten, om het volk zo te bevrijden van de Romeinse bezetter). Kajafas is bang, omdat een dergelijke identificatie een oorlogsverklaring zou zijn ten aanzien van de Romeinse bezetter, met alle gevolgen van dien voor hemzelf als verliezer.
Op het einde van de zin (het laatste woord van de zin) gebruikt men de Aramese tekst het woord amma, dat altijd in de Bijbel verwijst naar het Joodse volk.
 
(1) De Vetus Syra is de oudste gekende Aramees-Syrische vertaling van de vier ‘canonieke’ evangeliën. De tekst wordt door wetenschappers gesitueerd ten aanzien van een (ongekende) oorspronkelijke tekst gedadeerd rond het einde van de tweede of het begin van de derde eeuw, ongeveer tussen honderdtachtig en tweehonderdtwintig van onze jaartelling.
In februari achttienhonderdtweeënnegentig in het Sint-Catharinaklooster in de Sinaï-woestijn ontdekten de Schotse tweelingzussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson, beiden autodidactische polyglotten, een palimpsest (dit is een perkament, waarvan een oorspronkelijke tekst overschreven werd door een ander). De oorspronkelijke tekst was afgeschraapt om plaats te maken voor een nieuwe laag. De bovenliggende tekst betrof heiligenlevens uit het jaar zevenhonderdachtenzeventig. Agnes Smith Lewis herkende de contouren van een veel oudere Syrische tekst die de vier evangeliën bevatte. Het fysieke manuscript van deze onderste laag werd op basis van paleografisch onderzoek gedateerd in de late vierde of vroege vijfde eeuw, wat betekent dat de inkt ongeveer zestienhonderd jaar oud was op het moment van ontdekking. Door gebruik te maken van een chemisch reagens dat de ijzerhoudende inktresten van deze antieke laag deed oplichten, kon de tekst succesvol worden gevisualiseerd voor wetenschappelijke bestudering.
De rol van de zussen is historisch uniek vanwege de barrières die zij als vrouwen in de negentiende-eeuwse academische wereld moesten overwinnen om als volwaardige wetenschappers erkend te worden. Hun succes rustte op een combinatie van intellectuele autonomie, aanzienlijk privékapitaal en een fenomenale taalbeheersing. Als welgestelde weduwen beschikten zij over de financiële middelen om hun eigen expedities te financieren, wat hen een onafhankelijkheid gaf die veel mannelijke academici aan universiteiten ontbeerden. Agnes Smith Lewis beheerste bovendien meer dan twaalf talen, waaronder Syrisch en Arabisch, waardoor zij door de monniken in de Sinaï met respect werd behandeld (na het drinken van veel thee en koffie met de abt van de abdij) en toegang kreeg tot de meest afgesloten delen van de kloosterbibliotheek. De door de vochtigheid samengeplakte bladzijden van het document maakten de zussen los door middel van de stoom van een theeketel.
Hoewel zij aanvankelijk door de gevestigde orde in Oxford en Cambridge werden weggezet als enthousiaste amateurs, dwongen hun nauwkeurige fotografische documentatie en hun publicaties bij Cambridge University Press uiteindelijke erkenning af binnen de internationale kerkhistorische gemeenschap.
De methodologie die de zussen hanteerden was voor die tijd revolutionair. Zij waren pioniers in het gebruik van fotografie voor manuscriptonderzoek onder uiterst moeilijke klimatologische omstandigheden.
(2) Kajafas zat in nauwe schoentjes. Het Romeinse provinciale bestuur van Judea kenmerkte zich door een fundamentele verschuiving van zijn rechterlijke rol naar die van een gewone, doorsnee aanklager, zoals iedereen dat moet doen. Het verlies van het ‘ius gladii’ (- het recht van het zwaard – de Talmoed situeert het rond die periode, namelijk 40 jaar voor de oorlog met Rome) hield in dat het Sanhedrin weliswaar religieuze vonnissen (de Aramese versie suggereert dat er van een religieus vonnis niet veel terechtkwam; het blijkt eerder een liquidatie te zijn geweest) kon vellen maar de executieve macht miste om een doodvonnis te voltrekken. Wanneer Kajafas besloot dat de eliminatie van een individu noodzakelijk was voor het vermijden van een open oorlog met Rome (niet voor het behoud van de openbare orde) werd hij gedwongen om buiten de kaders van de Joodse rechtspraak te treden en een proces te initiëren voor de Romeinse rechter. Deze transitie betekende dat de hogepriester in een accusatoir proces (strafprocessen waren accusatoir – aanklachtgericht – ; er was geen ‘openbaar ministerie’) moest stappen waarbij de bewijslast volledig bij hem kwam te liggen om de Romeinse prefect te overtuigen van een misdaad met de gepaste terechtstelling die relevant was voor het imperiale recht.
Philippe De Keukelaere

EEN AUTOREFERENTIEEL REKEN- EN CONTROLESYSTEEM

Het autoreferentieel rekensysteem (ARS) is een wiskundige structuur waarin een verzameling getallen zichzelf organiseert en controleert zonder externe tussenkomst. De kern van het systeem ligt in de relatie tussen twee zijden, gescheiden door een referentiepunt F. Links van F bevinden zich de klassieke brongetallen, rechts van F bevinden zich informatiegetallen. Deze informatiegetallen behoren niet langer tot de klassieke rekenkunde, maar functioneren als discrete informatiedragers die orde brengen in een aanvankelijk chaotische toestand.

Een essentieel uitgangspunt van dit systeem is dat men het geheel leest van rechts naar links. De rechterzijde bevat namelijk de sleutel tot de ordening van de linkerzijde. Het eerste element rechts van F is de vector, en deze vector is altijd gelijk aan het kleinste brongetal links. De vector speelt een dubbele rol: hij is enerzijds een gewoon getal binnen de bronverzameling, maar anderzijds een schakelgetal dat de structuur van het volledige systeem bepaalt. Deze dubbele rol wordt aangeduid als de ‘dubbele smaak’ van de vector.

De essentie van het systeem ligt in wat men de fusie noemt. De fusie is het moment waarop de rechterzijde en de linkerzijde aantonen dat zij dezelfde wiskundige realiteit beschrijven. Dit gebeurt via een proef waarin de vector van rol verandert. Hij verlaat zijn smaak (positie) als schakelgetal en wordt opnieuw een brongetal. Op dat moment versmelten beide zijden tot één identieke uitkomst ten opzichte van het referentiepunt F, dat als nulpunt fungeert.

MEN LEEST VAN RECHTS NAAR LINKS

ALGEMEEN PRINCIEPE : MEN WERKT UITSLUITEND MET DISCRETE GETALLEN RECHTS VAN F

RECHTS VAN F IS GEEN EIGENLIJKE NATUURLIJKE WISKUNDE MEER, MAAR KWANTISCHE INFORMATIE OM DE ENTROPIE (zie hierna  de gelaagdheid) TE ORDENEN

DE VECTOR LEIDT ONS STEEDS NAAR DE KLEINSTE LAAG, VAN WAARUIT GEORDEND WORDT

IN DE PROEF WORDT DUIDELIJK HOE BELANGRIJK DE VECTOR IS MET BETREKKING TOT HET VERWEZENLIJKEN VAN DE FUSIE. BINNEN DEZE FUSIE BEHOUDT DE VECTOR ZIJN BEIDE SMAKEN, VECTOR EN BRONGETAL (de dubbel haakjes).

RECHTS

(3 + 5 + 9 + 11 + 20) F 3  (8,12,14,23)

PROEF

Bij de proef veranderd de vector rechts van smaak en wordt door de fusie een brongetal.

RECHTS “48 (3+ 8+12+14+23 –  (3×4))”  versmelt met LINKS  in de proef ten aanzien van F, 0, dit is : met 48 “(3 + 5 + 9 + 11 + 20)”

(-20 -2 -3 -5 -9) F 2 (18,1,3,7)

PROEF

Bij de proef veranderd de vector rechts van smaak en wordt door de fusie een brongetal.

RECHTS “-39 (-2-18-1-3-7- (2×4))” versmelt met LINKS in de proef ten aanzien van F, 0, dit is : met  “-39 (-20-2-3- 5- 9)”

3 x 5 x 6 x 10 x 20 F 3 (15,18,30,60)

PROEF

RECHTS “18.000 (5 x 6 x 10 x 20 (x3))”  versmelt met LINKS in de proef ten aanzien van F,0, dit is : met  “18.000 (3 x 5 x 6 x 10 x 20)”

600 : 2 : 5 : 6 : 10 F  (2,1200,120,100,60)

RECHTS 1 “(600 : 5 : 6 : 10 (:2))” versmelt in de proef met LINKS ten aanzien van F,0, dit is :  met  1 “(600 : 2 : 5 : 6 : 10)”

In de oorsronkelijke bewerking  zijn :

– de getallen links van F brongetallen  

– het eerste getal na het F teken de vector  

– de getallen tussen aanhalingen de informatiegetallen  

De vector is altijd gelijk aan het kleinste brondgetal.

De esstentie van deze wiskunde is de fusie van getallen. Hiervoor wordt als het ware ieder getal gelaagd vanuit de het eerste kleinste getal rechts,  de vector. Bij het delen is de vector rechts niet gekend. Het beantwoordt aan het kleinste informatiegetal rechts dat de smaak van de vector bekomt door het grootste informatiegetal te delen met het kleinste informatiegetal. Daardoor herkennen we het grootste brongetal.

VERTREKPUNT LINKS

ENTROPISCHE FASE ZONDER INFORMATIE

De code wordt niet samengesteld aan de hand van cijfercombinaties alleen, maar aan de hand van cijfercombinaties, cijfersmaken en gelaagdheid. Dit maakt het kraken van de code veel moeilijker, zo niet onmogelijk.

Ik geef een eenvoudig voorbeeld.

De uitkomst links is 500 getallen, gerangschikt in 100 rijen van 5 cijfers.

Aanvankelijk, als we de code niet kennen hebben links 400 getallen. De 100 vectoren komen links niet voor.

INFORMATIE RECHTS

Van zodra we de informatie rechts hebben kan het systeem de 100 ontbrekende brongetallen herkennen aan de hand van de vectoren rechts en zich ordenen in 100 gerankschikte regels, telkens aan de hand van voormelde proef.

Dit is de eerste gelaagdheid. Men kan het systeem zoveel lagen geven als men wil. Men zou bij het eerste kader 100 x 5 geordende brongetallen een twee kunnen voorzien. Namelijk door de informategetallen in het eerste kader niet te vermelden, waarbij hun erkening pas blijkt uit een tweede gelaagd kader. Hierbij kan men de volgorde van de regels eerbiedigen, maar dit is – zo denk ik – zelfs niet nodig. (dit zou verder onderzocht moeten worden). Men kan zo kaders opbouwen tot in het oneindige.

Ik herhaal voormelde voorbeelden. Voormelde bronverzameling (3 + 5 + 9 + 11 + 20) met vector 3 en informatiegetallen (8, 12, 14, 23). De rechterzijde wordt berekend als:

48 = 3 + 8 + 12 + 14 + 23 − (3 × 4)
= 3 + 57 − 12
= 48

De linkerzijde geeft:

3 + 5 + 9 + 11 + 20 = 48

Hieruit volgt de fusie.  Beide zijden leveren exact dezelfde uitkomst, namelijk 48.

Hetzelfde principe geldt voor negatieve getallen, waarbij de vector een negatieve smaak draagt. Neem de verzameling (-20 – 2 – 3 – 5 – 9) met vector -2 en informatiegetallen (18, 1, 3, 7). De rechterzijde wordt dan:

-39 = -2 − (18 + 1 + 3 + 7) − (2 × 4)
= -2 − 29 − 8
= -39

De linkerzijde geeft:

-20 − 2 − 3 − 5 − 9 = -39

Opnieuw ontstaat een perfecte fusie.

Het systeem werkt niet alleen voor optelling, maar ook voor vermenigvuldiging. Neem de verzameling 3 × 5 × 6 × 10 × 20 met vector 3 en informatiegetallen (15, 18, 30, 60). De rechterzijde wordt:

18.000 = 5 × 6 × 10 × 20 × 3

De linkerzijde geeft:

3 × 5 × 6 × 10 × 20 = 18.000

Ook hier vallen beide zijden volledig samen.

Bij deling is de vector niet onmiddellijk zichtbaar aan de rechterzijde, maar kan worden herkend als het kleinste informatiegetal. Neem de verzameling 600 : 2 : 5 : 6 : 10 met informatiegetallen (2, 1200, 120, 100, 60). De rechterzijde wordt:

1 = 1200 : 120 : 100 : 60 : 2

De linkerzijde geeft:

600 : 2 : 5 : 6 : 10 = 1

Ook hier bevestigt de fusie dat beide zijden identiek zijn.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de vector een centrale rol speelt in het systeem. De vector bepaalt niet alleen de structuur, maar leidt ook steeds naar de kleinste laag van waaruit de ordening wordt opgebouwd. Het systeem werkt als een gelaagde structuur waarin elk getal wordt geïnterpreteerd vanuit deze kleinste eenheid.

Dit leidt tot een verdere interpretatie van het systeem als een coderingsmechanisme. In de beginfase bevindt het systeem zich in een toestand van entropie.

Ik verwijs opnieuw naar het voorbeeld van een verzameling van 100 rijen met telkens 5 getallen, goed voor 500 getallen in totaal. Zonder kennis van de informatiezijde zijn slechts 400 getallen zichtbaar, de 100 vectoren ontbreken. De structuur is aanwezig, maar niet herkenbaar.

Zodra de informatiezijde beschikbaar wordt, verandert dit. De ontbrekende vectoren kunnen worden herkend, en het systeem ordent zichzelf automatisch in 100 correcte rijen. Deze ordening gebeurt zonder externe instructie, louter op basis van de interne structuur en de fusieproef.

Dit principe kan verder worden uitgebreid door gelaagdheid. De informatiegetallen van een eerste laag kunnen zelf de brongetallen vormen van een tweede laag, waarvan de informatie opnieuw verborgen is. Op deze manier ontstaat een systeem dat zich in meerdere lagen organiseert. Elke laag heeft zijn eigen vector en dus zijn eigen sleutel. De complexiteit groeit hierdoor exponentieel, terwijl de onderliggende regels eenvoudig en consistent blijven.

Het systeem onderscheidt zich doordat de code niet enkel bestaat uit getallen, maar uit een combinatie van getallen, hun ‘smaak’ en hun plaats binnen de gelaagde structuur. Daardoor is het systeem moeilijk te doorbreken, aangezien de ordening niet expliciet zichtbaar is zonder kennis van de onderliggende vectorstructuur.

Het autoreferentieel reken- en controlesysteem (ARS) is een dynamisch ordeningsmechanisme dat werkt op basis van entropiereductie. Waar in de basisstructuur de relatie tussen brongetallen, vector en informatieruimte centraal staat, wordt in deze uitbreiding duidelijk dat het systeem niet enkel rekent, maar ook structureert, herkent en codeert.

De informatieruimte, rechts van het referentiepunt F, bevat precies de gegevens die nodig zijn om deze ontbrekende structuur te herstellen. Zodra deze informatie beschikbaar wordt, treedt een intern ordeningsproces in werking. Voor elke rij kan de vector worden geïdentificeerd als het kleinste element dat consistent voldoet aan de fusievoorwaarde. Dit impliceert dat de vector niet expliciet hoeft te worden opgeslagen, maar kan worden afgeleid uit de onderlinge relaties tussen de informatiegetallen.

Het systeem voert vervolgens voor elke rij een fusie-operatie uit, waarbij de rechterzijde (informatieruimte) en de linkerzijde (bronruimte) worden geëvalueerd ten opzichte van F = 0. Indien beide zijden tot dezelfde scalar reduceren, is de reconstructie correct. Op deze manier ontstaat een volledig zelfverifiërend mechanisme: elke rij valideert zichzelf zonder externe controle.

Dit proces kan formeel worden opgevat als een iteratieve mapping:

Bₖ ⇄ Iₖ voor k = 1 … 100

waarbij elke rij onafhankelijk, maar volgens identieke regels wordt gereconstrueerd. De globale ordening van het systeem ontstaat dus uit lokale consistentievoorwaarden.

Een cruciale eigenschap van dit mechanisme is dat het niet stopt bij één niveau van reconstructie. De informatieruimte zelf kan opnieuw worden geïnterpreteerd als een bronruimte voor een volgende laag. Dit introduceert het concept van gelaagdheid. In een tweede laag worden de informatiegetallen van de eerste laag behandeld als nieuwe brongetallen, waarvoor opnieuw een vector en een bijhorende informatieruimte worden gedefinieerd.

Hierdoor ontstaat een hiërarchische structuur:

Laag 1: B → I
Laag 2: I → I₂
Laag 3: I₂ → I₃
…

Elke laag introduceert een nieuwe vector en dus een nieuwe sleutel tot interpretatie. Belangrijk is dat de vector in elke laag opnieuw wordt bepaald als het kleinste element binnen die specifieke context. Dit zorgt ervoor dat de structuur consistent blijft, ongeacht het aantal lagen.

De complexiteit van het systeem groeit exponentieel met het aantal lagen, terwijl de onderliggende regels onveranderd blijven. Dit maakt het systeem bijzonder dynamisch: met een relatief eenvoudige basisoperatie kan een zeer complexe en moeilijk te reconstrueren structuur worden opgebouwd.

Vanuit informaticaperspectief kan dit proces worden geïnterpreteerd als een vorm van deterministische compressie en reconstructie. De informatieruimte bevat voldoende gegevens om de volledige bronruimte te herstellen, maar enkel indien de vectorstructuur correct wordt toegepast. Zonder kennis van de vector(en) blijft de informatie onvolledig en niet interpreteerbaar.

Dit leidt tot een belangrijke toepassing in codering en beveiliging. In klassieke coderingssystemen wordt informatie beschermd door transformatie van symbolen volgens een sleutel. In het ARS wordt de sleutel niet expliciet gegeven, maar impliciet vervat in de structuur van de gegevens zelf. De code bestaat dus niet enkel uit getallen, maar uit een combinatie van:

  • numerieke waarden
  • relatieve verschillen (informatieruimte)
  • vectoren (structurele sleutels)
  • gelaagdheid (hiërarchische ordening)

Deze combinatie maakt het systeem verschillend van klassieke cryptografische methoden. Zelfs indien alle numerieke waarden gekend zijn, blijft reconstructie onmogelijk zonder inzicht in de vectorstructuur en de gelaagdheid. Dit creëert een intrinsieke vorm van beveiliging die gebaseerd is op structurele complexiteit in plaats van louter numerieke transformatie.

Een bijkomend gevolg van deze benadering is dat het systeem zichzelf kan uitbreiden zonder verlies van consistentie. Nieuwe lagen kunnen worden toegevoegd zonder dat de bestaande structuur moet worden aangepast. Elke laag valideert zichzelf via dezelfde fusieprincipes, waardoor het geheel coherent blijft.

Samengevat kan het autoreferentieel rekensysteem in deze uitgebreide vorm worden gezien als een zelforganiserend netwerk van discrete waarden. De ordening ontstaat niet door externe sturing, maar door interne relaties tussen vector, brongetallen en informatieruimte. Entropie wordt gereduceerd door het identificeren van minimale elementen (vectoren), en structuur wordt opgebouwd via herhaalde fusie-operaties.

Deze eigenschappen maken het systeem niet alleen wiskundig interessant, maar ook potentieel relevant voor toepassingen in datacompressie, foutdetectie en cryptografie. De combinatie van eenvoud in basisregels en complexiteit in globale structuur vormt daarbij de kern van zijn werking.

Het autoreferentieel rekensysteem (ARS) kan ook uitgewerkt worden als een computationeel model, waarbij alle operaties direct op discrete datasets worden uitgevoerd. Het systeem bestaat uit drie hoofdcomponenten: een bronarray van getallen, een vector en een informatie-array. De vector is altijd het kleinste getal in de bronarray en fungeert als sleutel voor alle verdere berekeningen en fusies. De informatie-array bevat de transformaties van de brongetallen en bevindt zich rechts van het referentiepunt F. Deze rechterzijde vertegenwoordigt geen klassieke wiskunde meer, maar discrete informatie die nodig is om de entropie te ordenen en de gelaagdheid van het systeem te beheren.

In de additieve variant wordt de vector gebruikt om elk brongetal te transformeren. De vector zelf wordt als eerste element in de informatie-array opgenomen en behoudt tegelijkertijd zijn oorspronkelijke betekenis als brongetal in de linkerzijde. De overige elementen van de informatie-array worden berekend door elk brongetal te verhogen met de vector. Vanuit de informatie-array kan de originele bronarray volledig worden gereconstrueerd door de vector van elk element af te trekken. Dit creëert een volledig bijectieve relatie tussen bron- en informatieruimte en vormt de kern van het autoreferentieel karakter.

De fusiecontrole is de centrale verificatie van het systeem. Hierbij wordt de som van de linkerzijde vergeleken met een berekening op de rechterzijde waarin de vector zowel optelt als aftrekt, volgens het aantal informatiegetallen. Als de linker- en rechterzijde gelijk zijn, is de fusie correct uitgevoerd en wordt de vector rechts effectief een brongetal. Deze procedure werkt zowel voor positieve als negatieve getallen en kan worden uitgebreid naar multiplicatieve of delingsvarianten. In de multiplicatieve variant wordt elk element van de bronarray vermenigvuldigd met de vector, terwijl bij deling de vector rechts niet direct gekend is, maar wordt afgeleid uit het kleinste informatiegetal. Het grootste brongetal wordt herkend door het grootste informatiegetal door de vector te delen.

Het systeem kan meerdere lagen bevatten. In de eerste laag dienen de informatiegetallen als brongetallen voor een volgende laag, waarbij voor elke laag opnieuw een vector wordt vastgesteld en een nieuwe fusiecontrole wordt uitgevoerd. Op deze manier ontstaat een hiërarchische structuur van lagen, waarin elke laag zichzelf valideert. Deze gelaagdheid maakt het ARS bijzonder geschikt voor toepassingen in codering en beveiliging: de code bestaat niet enkel uit getallen, maar uit de combinatie van getallen, vectoren en lagen. Zonder kennis van de vectoren en de structuur van de lagen blijft reconstructie van de brondata onmogelijk, zelfs als alle numerieke waarden bekend zijn.

Het ARS kan worden aanzien als een zelforganiserend computationeel netwerk. Elk element – brongetal, vector, informatiegetal – wordt behandeld als discrete data, en de fusie-operaties valideren zichzelf. De systematische ordening en reconstructie vanuit minimale elementen biedt een krachtig mechanisme voor datacompressie, foutdetectie en cryptografie, waarbij volledige verificatie en reconstructie intern plaatsvinden zonder externe referenties.

Een implementatie in Python kan als volgt worden weergegeven:

def bepaal_vector(B):
return min(B) – return = terugkeren, retourneren –

def additieve_transformatie(B):
v = bepaal_vector(B)
I = [b + v for b in B if b != v] – if = indien –
return v, I

def reconstructie(I, v):
B_recon = [v] + [i – v for i in I] – for = voor-
return B_recon

def fusiecontrole(B, I, v):
n_I = len(I)
linker = sum(B) – sum = som –
rechter = v + sum (I) – (v * n_I)
return linker == rechter

Zoals in het voormeld voorbeeld. Stel dat de bronarray B gelijk is aan [3, 5, 9, 11, 20]. De vector is 3 en de informatie-array wordt [8, 12, 14, 23]. De fusiecontrole berekent rechts 48 en links 48, waardoor de fusie correct wordt bevestigd. Bij negatieve getallen, bijvoorbeeld B = [-20, -2, -3, -5, -9], wordt de vector -2 en de informatie-array [18, 1, 3, 7]. De fusiecontrole versmelt rechts -39 met links -39, wat het autoreferentieel karakter bevestigt.

Het systeem ondersteunt ook multiplicatieve en delingsvarianten. In de multiplicatieve variant wordt elk element van B vermenigvuldigd met de vector, terwijl in de delingsvariant de vector wordt herkend als het kleinste informatiegetal en het grootste brongetal wordt berekend door het grootste informatiegetal te delen door de vector. In  

Zoals voormeld kan het systeem meerdere lagen bevatten. De output van een laag kan dienen als input voor de volgende laag, waarbij voor elke laag opnieuw een vector wordt bepaald en een fusiecontrole wordt uitgevoerd. Python-voorbeeld:

def gelaagde_ARS(B_lagen (layers)):
voor laag (for layer) in B_lagen (layers):
v, I = additieve_transformatie(laag (layer))
assert fusiecontrole laag (layer), I, v)
# De informatie van deze laag kan als bron dienen voor de volgende laag.

Philippe De Keukelaere

BIBLIOGRAFIE

  1. Claude Elwood Shannon
    A Mathematical Theory of Communication
    1948
    DOI: 10.1002/j.1538-7305.1948.tb01338.x

Michael Aaron Nielsen; Isaac Louis Chuang
Quantum Computation and Quantum Information
2000
ISBN: 978-1107002173

Bruce Schneier
Applied Cryptography
1996
ISBN: 978-0471117094

William Stallings
Cryptography and Network Security: Principles and Practice (7th ed.)
2017
ISBN: 978-0134444284

Wesley Wesley Peterson; David Thomas Brown
Cyclic codes for error detection
1961
DOI: 10.1109/JRPROC.1961.287814

Behrouz A. Forouzan
Data Communications and Networking (4th ed.)
2007
ISBN: 978-0072967753

EEN POGING TOT  ANALYSEREN VAN DE MOEILIJKHEID VOOR EUROPA OM TE ONDERHANDELEN MET PRESIDENT VLADIMIR POETIN VANUIT DE ONLOSMAKELIJKE KERN OORLOG/RELIGIE OF RELIGIE/OORLOG

OORLOG IS NIET ENKEL GEOPOLITIEK, OORLOG IS IN DE KERN RELIGIEUS

WAPENS ZIJN EEN RELIGIEUS STATUSSYMBOOL, EEN RELIGIEUZE PARADE

 

Religie is een evolutionaire overlevingsstrategie. De structuur ervan is een mythische en rituele vorm van het menselijk doelgericht handelen. Het bereiken van het doel wordt er evolutionair als een winst/verlies verhouding gesitueerd dat door middel van het zelfoffer een religieus transcendent schuld/onschuld onderscheid tot stand brengt. In die zin is er een onlosmakelijke band tussen jacht (jagers-verzamelaars) en religie en tussen oorlog en religie. Het een is het ander en het ander is het ene. Men kan ze niet scheiden, zonder te raken aan de essentie zelf van de jacht en de oorlogen.

Ofschoon zeer kort door de bocht maak ik het volgende onderscheid:

– Het planten- en dierenrijk: het zelfoffer is er gekend, maar het doden is er enkel in functie van het overleven. Beiden hebben geen religieuze betekenis, of niet dezelfde als deze die de mensachtigen eraan geven. Bepaalde diersoorten vervaardigen werktuigen. Bij de dieren en planten is de religie geen evolutionaire overlevingsstrategie als bij de mensachtigen.

– Bij de jagers-verzamelaars is er een eerste religieuze revolutie als overlevingsstrategie. In het oud steentijdperk vervaardigen deze jagers zeer hoogstaande en verfijnde stenen werktuigen. Het abstraheren dat aan de basis van deze kennis lag zit verweven in de onlosmakelijke verhouding tussen jacht en religie. De jager is religieus een offeraar/geofferde (zelfoffer), evenals het dier. Het dier offert zichzelf op tot de dood, maar is ook de offeraar voor de jager.

– Bij de homo sapiens gaat de evolutie verder. De homo sapiens heeft een technische uitvinding gedaan, die we niet aantreffen bij de andere mensachtigen. Het is de uitvinding van pijl en boog. Dit betekent niet dat de sapiens technisch zomaar superieur zou zijn geweest. De kern ligt opnieuw in de onlosmakelijke symbolische verbinding tussen jacht en religie. De evolutie verliep zeer langzaam. Maar de sapiens beleefde de jacht religieus steeds meer als een oorlog. Het vervaardigen van een boog met pijl vergt een groter abstractievermogen dan het vervaardigen van een speer. Aan de oorspronkelijke religieuze verhouding wordt een andere betekenis gegeven. Stilaan wordt de jager een onschuldige overwinnaar door zijn zelfoffer en het prooi een schuldige verliezer. Het is door de religieuze dualiteit onschuld/schuld te koppelen aan het zelfoffer van de overwinnaar en het verlies van de verliezer dat deze technische revolutie mogelijk werd.

De jacht behoort tot een oudere vorm van het religieuze. Het is in de oorlog dat het religieuze zijn werkelijke vorm bekomt. Ik druk hierbij geen voorkeur uit. Ik stel enkel vast. Het betekent niet dat er geen geweld zou hebben bestaan tussen jagers op dat ogenblik. Maar de religieuze betekenis van de jacht evolueerde op een wijze die we kunnen achterhalen.

Bij de jacht zijn zowel de jagers als de prooien (de dieren) offeraars en offers (zelfoffers). Het is door het zelfoffer van de jager dat het dier zichzelf tot zijn dood opoffert. Dit wordt bevestigd door rituelen, die na de dood van het dier worden verricht. Na hun dood (jager en dier) – voor zover men de rituelen tot in de kleinste details eerbiedigt – worden beiden, gedode jager en gedood dier, beschermgeesten voor de groep.

Dit betekent niet dat het onderscheid schuld/onschuld niet bij de jagers zou hebben bestaan. Maar de betekenis was ten aanzien van de jacht anders. De eerste technische revolutie (het fijn bewerken van de steen) werd eveneens mogelijk omwille van dit onderscheid, maar anders. De evolutie werd mogelijk door een religieuze ‘doelgerichtheid’. De betekenis van heel de zaak steekt in het Nederlandse woord zelf.

In het Frans hebben we ‘efficace’, doeltreffend, effectief, werkzaam. De oorsprong is Latijns: efficax (mannelijk), efficacis (genitief) met als betekenis: doeltreffend, krachtig, werkzaam. Het is afgeleid van het Latijnse werkwoord efficere: tot stand brengen, verwezenlijken, doen slagen.

De eerste religieuze revolutie verbindt de onschuld met het bereiken van het doel en de schuld met het falen. De hersenen geraakten zo geprogrammeerd. De jager die door wilde beesten opgegeten werd, miste echter zijn doel. En het dier dat door de jager gedood werd, miste ook zijn doel (de jager doden). Evolutionair werd in deze verhouding uitzonderlijk een religieuze symmetrie gehanteerd door de jagers. Bij de sapiens wordt deze symmetrie gelijdelijk aan een assymetrie.

De jagers hanteerden volgende symmetrie. Omwille van hun onschuld – het zelfoffer – behoren beiden tot de welwillende zijde van een hogere ambivalentie. Ik herhaal dat de structuur als volgt is: de jager is in werkelijkheid een offeraar/geofferde en het dier is in werkelijkheid een offeraar/geofferde. Mythisch-religieus zijn ze en worden ze na hun beider dood enkel geofferden (ze hebben beiden het zelfoffer ondergaan), waardoor beiden onschuldig zijn als een evolutionaire winst voor de groep, niettegenstaande het verlies van hun dood.

Bij oorlogen gaat de aanvaller enkel het mythisch zelfoffer aan, hij is mythisch geen offeraar. De offeraar wordt net uitgedaagd omwille van dit zelfoffer, waardoor de onschuld van de aanvaller zal worden bevestigd. De structuur binnen voormeld kader is dan als volgt. De aanvaller offert zichzelf op waardoor hij transcendent onschuldig wordt en omwille van het zelfoffer zelf altijd de overwinnaar. Altijd, totdat hij de oorlog verliest… De vijand is enkel de uitverkoren offeraar die de onschuld en de evolutionaire winst voor het eigen kamp bevestigt. Na de overwinning wordt de vijand geen beschermgeest als bij de jacht. De verliezer dient gestraft te worden. Hij onderging een religieus schuldige nederlaag, en wordt dan ook vernederd. Hij wordt gedood, verkracht, als slaaf verkocht enz. In de oudheid was het zo, maar ook nu nog. Het straffen van de verliezer (repressie enz.) gaat gepaard met het zich ritueel reinigen van de overwinnaar, waardoor de overwinnaar het onderscheid ook na de overwinning maatschappelijk in stand houdt. De overwinnaar bekwam door het zelfoffer de overwinning, waarbij de offeraar-verliezer door zijn verlies gestraft dient te worden. Bij de overwinnaar zelfoffer en onschuld. Bij de verliezer geen zelfoffer maar schuld (Versailles, waar de Belgen niet welkom waren omdat ze te weinig ‘geofferd’ hadden, ze hoorden niet bij de overwinnaars).

De structuur is als volgt: de aanvaller is een offeraar/geofferde en de aangewezen vijand is een offeraar/geofferde. Dit is echter niet de mythische kern, zonder dewelke een oorlog onmogelijk kan worden gevoerd. Oorlogen behoren tot het religieuze als een vorm van evolutionaire winst. De vijand wordt eerst uitgedaagd (op allerlei wijzen). De aanvaller heeft een offeraar nodig, om zijn eigen zelfoffer als onschuldige te bevestigen. Deze onschuld, door het zelfoffer zelf bekomen, bevestigt steeds het statuut van overwinnaar.

Kan ik mijn stelling op een andere manier aantonen? Als ik het juist heb, moet de onlosmakelijke kern oorlog/religie (religie/oorlog) ook uit de symboliek van de wapens zelf blijken. Wapens zijn religieuze statussymbolen die religieus tot opsmuk, versiering, parure, pareren en parade dienen. Zij hebben in de eerste plaats een religieuze betekenis voor de groep, als markeerder van de identiteit. Zij verwijzen naar het religieuze verband tussen onschuld en een individueel (het mogen dragen van een zwaard of wapen) of collectief statussymbool. Het willen hebben van de atoombom is in de eerste plaats een religieus statussymbool van religieuze onschuld (de fataliteitsgod – overwinnen – onschuld). Religieuze regimes zijn erdoor religieus bezeten (de waanzingod). (1)

Als men geen rekening houdt met dit onlosmakelijk verband tussen oorlog en religie of omgekeerd, wordt het onderhandelen met een ‘vijand’ onmogelijk en onhoudbaar. Onhoudbaar omdat ieder kamp zichzelf altijd aanziet als de overwinnaar, omwille van zelfoffer en onschuld. Ieder kamp zal uiteindelijk altijd de oorlog winnen, ook al werd de oorlog verloren (de Neurenbergse mentaliteit van Goering).

 

PRESIDENT VLADIMIR POETIN EN DE MYTHISCHE RELIGIEUZE ZUIL VAN DE OORLOG IN OEKRAÏNE

 

Timothy Snyder ziet de hedendaagse Russische politiek niet enkel als het product van geopolitieke belangen of toevallige propaganda, maar als een mythisch geconstrueerde visie op het verleden die de huidige agressie in Oekraïne legitimeert. Centraal staat wat hij de ‘politics of eternity’ noemt, een politiek van eeuwigheid.

Het is een manier van religieus denken waarin een imperium zichzelf ziet als historisch onaangetast, inherent onschuldig en bestendig door de tijd heen. In de praktijk houdt dit in dat in de Russische officiële retoriek een verhaal wordt verteld waarin de staat en het volk continu worden voorgesteld als onschuldig. Rusland (en vooral Poetin) is altijd in het juiste, het historisch gerechtvaardigd handelen, ongeacht de feiten van de realiteit. Deze mythe van een eeuwige, tijdloze continuïteit (wat eigenlijk inherent is aan het religieuze zelf, zelfs na de aardse tijd; deze eeuwigheid is er enkel in functie van het orthodox zelfoffer) – bijvoorbeeld teruggevoerd tot de vermeende vroege eenheid van Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne aan de hand van de bekering van Vladimir de Grote in 988 – creëert een gevoel dat de huidige staat een natuurlijke, juist bestaande entiteit is, los van historische fouten of schuld. Die inherent religieuze narratieve constructie maakt het veel gemakkelijker om interventies zoals de oorlog tegen Oekraïne te presenteren als herstel van een rechtmatige historische orde in plaats van een invasie van een soeverein land.

De religieuze dimensie moge blijken uit het volgende.

Snyder toont aan dat het Kremlin onder Poetin een religieus narratief cultiveert waarin Rusland zichzelf ziet als continu slachtoffer van vijanden en bedreigingen, teruggaand tot de Sovjetperiode en de enorme verliezen onder Stalin en in de Tweede Wereldoorlog. Dit narratief van permanent lijden en harde geschiedenis wordt ingezet om de huidige politiek te legitimeren en vijanden als inherent vijandig te presenteren. Eigenlijk zijn het vijandige offeraars (die het goede zelfoffer moeten mogelijk maken).

In dit verhaal worden historische slachtoffers niet louter herinnerd, maar religieus geïnstrumentaliseerd om een gevoel van collectieve onschuld en morele superioriteit van de overwinnaar door het zelfoffer zelf te creëren. Het verleden wordt dus ingekaderd als bewijs dat Rusland altijd onschuldig heeft geleden en daarom het recht heeft zich te verdedigen tegen nieuwe ‘dreigingen’.

Hoewel Snyder niet uitvoerig ingaat op religieuze doctrines, beschrijft hij hoe het religieuze als nationale symboliek ingezet wordt als onderdeel van de religie (zoals alle moderne auteurs herleidt Snyder religie tot ideologie – religies zonder transcendentie -, terwijl het hier net om de transcendentie van de onschuld gaat, die oorlogen legitimeert) van de eeuwigheidspolitiek.

Daarbij spelen historische figuren, mythes over de oorsprong van de Russische staat en religieus-culturele referenties een rol bij het construeren van continuïteit en legitimatie.

De orthodoxe slachtoffers van het communisme (de Sovjet-Unie) worden nu verheven tot de status van helden. Dit houdt in dat ook de Orthodoxe Kerk een religieuze taal hanteert die slachtoffers van het Stalinisme tot helden verheft, namelijk tot symbolen van nationale redding en zelfoffers voor het vaderland, ook al werden ze als lid van dezelfde kerk door Stalin vervolgd!

Snyders kernpunt is dat deze herinterpretatie van het verleden geen zuiver historisch onderzoek is, maar een politieke mythevorming (eigenlijk religieuze mythevorming). Het lijden van het Russische volk (inclusief slachtoffers van Stalinistisch geweld) wordt niet gezien als een teken van schuld of morele complexiteit, maar als bewijs van een collectieve onschuld die voortdurend bedreigd wordt door andere vijanden/offeraars dan de communistische. In dit narratief wordt het verleden niet gebruikt om verantwoordelijkheid te nemen, maar om de huidige macht te legitimeren en om de bevolking emotioneel te verenigen rond een ideaal van een onschuldige, onrustig bedreigde natie.

We kunnen er niet omheen, ofschoon Snyder niet zo ver gaat. Als religieuze onschuldige zelfoffers worden de vermoorde orthodoxen beschermers van het vaderland (goede bewakers) net omwille van hun onschuldig zelfoffer als evolutionaire winst voor de huidige religie van Poetin (die hierdoor zijn eigen continuïteit poogt te verschaffen).

Deze mythische reconstructie (de ondeelbaarheid van religie en oorlog) van het verleden vervangt de klassieke historische interpretaties door een mythe die het verleden als altijd al juist beschrijft, wat Snyder ‘politiek van eeuwigheid’ noemt. Het betekent dat geschiedenis niet dient om lessen te trekken of verantwoordelijkheden te erkennen, maar om te bewijzen dat het huidige beleid noodzakelijk, gerechtvaardigd en vrij van schuld is. In deze logica kan Rusland onmogelijk verantwoordelijk zijn voor agressie, maar is Oekraïne bijvoorbeeld een onnatuurlijke afwijking van een vermeende ‘historische waarheid – de enige religieuze waarheid is de onschuld van de overwinnaar’ – en daardoor een legitiem doel voor interventie. De aanvaller heeft een vijandige offeraar nodig (de bestendige bedreiging) om zijn zelfoffer te kunnen transformeren in onschuld, waaruit enkel bestendige evolutionaire winst blijkt.

Snyder koppelt dit aan een ruimere religieuze invloed van filosofen – in werkelijkheid moderne theologen – zoals Ivan Iljin, wiens werk door de Russische elite werd opgevoerd om een visie van Rusland te construeren als een eenheidsstaat geleid door één persoon, geworteld in een door goddelijke of transcendente oorsprong bestemde geschiedenis en daardoor vrijgesteld van iedere verantwoordelijkheid. In deze religie (want het is veel meer dan filosofie of ideologie) wordt het kwaad gezien als iets extern aan de natie zelf, wat helpt om de oorlog te presenteren als een strijd tegen ‘het kwaad’ en niet als een daad van agressie.

In Snyders analyse vormt deze mythologische benadering van het verleden de basis voor propaganda en politieke legitimering. De oorlog in Oekraïne wordt verpakt in narratieven zoals de vermeende eenheid van de twee landen, het verdedigen van historische gronden, en het beschermen van een ‘Russische wereld’, waardoor de invasie intern kan worden voorgesteld als iets eervols en noodzakelijks. Dit versterkt de perceptie van historische onschuld, wat volgens Snyder beter te begrijpen is als een ideologische constructie dan als een realistisch historisch oordeel.

Snyder stelt dat deze mythes niet objectief waar zijn, maar dat ze politiek werkzaam zijn (het doelgerichte, ze zijn doeltreffend): ze verminderen schuldgevoelens, definiëren de vijand als inherent fout of agressief, en vormen een ideologisch kader – eigenlijk een religieus kader – waarin de eigen oorlogvoering wordt voorgesteld als gerechtvaardigde actie. Daarmee verandert oorlogvoering niet alleen de materiële realiteit, maar wordt ze ideologisch en narratief ingebed in een visie waarin het eigen handelen als onschuldig en noodzakelijk wordt gezien.

Mijn uitgangspunt gaat verder dan dat van Snyder. De kern is geen religieuze transformatie van de politiek, maar de onlosmakelijke band oorlog/religie of omgekeerd. De verhouding religieus-seculier is veel complexer dan men het doorgaans voorstelt. De religieuze transcendentie wordt niet seculier, zij verplaatst zich.

Snyder stelt dat de Russische oorlog tegen Oekraïne niet kan worden geanalyseerd zonder in te zien hoe het narratief van historische onschuld en eeuwige juistheid functioneert. Het creëert een verhaal waarin de eigen agressie verschijnt als legitiem, onschuldig en zelfs noodzakelijk voor het herstel van een historisch ‘rechtmatige orde’, en daarmee ideologisch (eigenlijk religieuze) winst oplevert terwijl het verliezen of falen van dat verhaal als existentiële bedreiging wordt voorgesteld.

 

ONDER WELKE VOORWAARDEN IS ONDERHANDELEN MOGELIJK?

 

In de analyse van de hedendaagse Russische politiek, en voornamelijk de rol van Vladimir Poetin, wordt duidelijk dat conventionele geopolitieke benaderingen tekortschieten wanneer men de diepere religieuze en mythische structuren van het Kremlin niet erkent. Poetin handelt niet louter als rationele actor die nationale belangen afweegt tegen kosten en baten (economische sancties kunnen zeer veel pijn doen, zij veranderen het religieuze niet), maar vanuit een narratief dat nauw verbonden is met een mythische visie op de Russische geschiedenis en religieuze identiteit. In dit narratief wordt Rusland voorgesteld als een continu slachtoffer van externe en interne dreigingen (men zoekt bestendig offeraars op, om de eigen onschuld van het zelfoffer te kunnen legitimeren). Rusland is historisch onschuldig en absoluut religieus en net daardoor moreel gerechtvaardigd in zijn daden. Het religieuze kent het relatieve niet, alles is altijd absoluut.

In dit kader faalt elke poging tot onderhandelen die uitsluitend uitgaat van klassieke geopolitieke logica. Het simpele afwegen van territoriale belangen, economische kosten of strategische risico’s negeert volkomen de religieuze dimensie waarin Poetin opereert. Voor hem heeft elke actie, elk compromis en elk gebaar een symbolische religieuze betekenis – vanuit de religieuze overlevingsstrategie – die geworteld is in de mythische reconstructie van het verleden en de collectieve religieuze identiteit.

 

De diplomatieke benadering dient tweevoudig te zijn. Enerzijds aan de tegenpartij laten aanvoelen dat men het religieus narratief volledig kent en doorziet. Dit dient te gebeuren zonder het te verwerpen en zonder eraan toe te geven.

 

Effectieve diplomatie in deze context vereist dat voorstellen worden geformuleerd op een manier die het religieus symbolische en rituele doel van Rusland lijkt te respecteren (een diplomatieke list is hierbij essentieel), terwijl strategische belangen en feitelijke realiteiten behouden blijven.

Het bepalen van een niet te overschrijden grens is hierbij essentieel. Het religieuze is op zich absoluut en universeel. Een grens is altijd een relatieve markering (vandaar het enorm probleem om aan grenzen een absolute religieuze betekenis te geven, wat het oude Rome poogde te doen).

Concessies of voorstellen die de mythische visie op Rusland aantasten of het gevoel van collectief zelfofferschap dreigen te ondermijnen, zullen automatisch worden afgewezen of omgevormd tot mythevorming door propaganda.

De uitdaging ligt daarom niet in het overtuigen van Poetin van rationele argumenten, maar in het anticiperen op hoe elk diplomatiek gebaar wordt geïnterpreteerd binnen zijn mythische-religieuze logica. Het voorstellen van oplossingen die aansluiten bij het gevoel van historische continuïteit, nationale bescherming en morele legitimiteit maakt het mogelijk om een dialoog te voeren die zowel operationeel als strategisch relevant blijft.

In dit licht kan men stellen dat het traditionele geopolitieke instrumentarium fundamenteel ontoereikend is wanneer men te maken heeft met een actor die handelen primair ziet als een voortzetting van een mythisch en religieus verhaal.

Elke vorm van communicatie, onderhandelen of voorstel moet worden gestructureerd op basis van inzicht in de historische mythes, de religieuze dimensie van slachtoffers en vijanden, en de centrale rol van symbolisch zelfofferschap. Het succes van diplomatie in dit kader wordt niet gemeten aan rationele concessies, maar aan het vermogen om binnen het narratieve universum van de Russische leiderschapspolitiek te opereren, waarbij de perceptie van onschuld, rechtvaardigheid en historische continuïteit intact blijft en strategische doelen toch kunnen worden veiliggesteld.

De vraag is of Europa daartoe in staat is. Europa stelt als een absoluut gegeven dat Rusland een seculiere staat is en het religieuze maar een bijrol zou hebben. Dit is de grote vergissing van Europa in deze zaak.

Het inzicht in deze religieuze dimensie opent de mogelijkheid tot een nieuwe strategie van interactie. Door Poetin te laten zien dat men volledig kennis heeft (zonder meer) van de mythische structuren van de Russische religieuze identiteit, zelfoffer en historische onschuld, kan men onderhandelingen conditioneren op een manier die zijn symbolische logica respecteert zonder feitelijke belangen op te geven. De uitdaging is niet om de mythe te ontkrachten als een wapen, maar om haar werking te erkennen en te gebruiken om praktische resultaten te bereiken. In deze benadering worden diplomatieke handelingen ritueel geladen, symbolisch betekenisvol en psychologisch effectief, waardoor de illusoir ervaren evolutionaire winst van Poetin niet wordt bevestigd in materiële termen, maar wordt erkend als narratief instrument dat kan worden benut om concrete en strategische uitkomsten te behalen.

Eigenlijk heeft de elite in Rusland een illusoir gevoel van evolutionaire religieuze winst. Dit winstgevoel heeft meerdere dimensies, onder andere een noodzakelijke dimensie om zelf aan de macht te blijven. Dit gevoel is illusoir omdat de religies zelf (en dat geldt voor alle wereldreligies) hun entropisch maximum wat deze evolutionaire overlevingsstrategie betreft hebben bereikt. Voor Rusland is dit het werkelijke drama dat zich afspeelt. Zij hanteren een evolutionaire strategie die niet meer werkt, en die daardoor tot het extreme, het uiterste wordt gebruikt en ‘uitgezweet’ door te blijven offeren.

Men moet tegelijkertijd de grenzen van deze mythische logica expliciet erkennen en analyseren. Religie, net als alle evolutionaire overlevingsstrategieën, heeft een entropisch moment waarin haar oorspronkelijke adaptieve waarde volledig is bereikt en daarna afneemt. De mechanismen die historisch cohesie, samenwerking en materieel voordeel brachten, zijn in hun symbolische vorm nog steeds aanwezig. Zij genereren echter geen werkelijk evolutionair voordeel meer. In de context van Rusland betekent dit dat het gevoel van strategisch voordeel en morele rechtvaardiging dat voortvloeit uit symbolisch zelfofferschap illusoir is. Wat Poetin en zijn elite als overlevingswinst ervaren, functioneert in werkelijkheid als een zelfdestructief mechanisme, omdat de religieus-mythische narratieven niet langer materiële of strategische voordelen opleveren maar uitsluitend de perceptie van succes voeden.

Een diplomatieke strategie die deze dualiteit erkent, combineert begrip en confrontatie op subtiele wijze. Het erkennen van de religieuze en mythische dimensie communiceert respect voor de narratieve logica die Rusland drijft, waardoor de elite zich begrepen voelt en symbolisch in hun mythe schijnbaar bevestigd wordt.

Tegelijkertijd kan men analytisch aantonen dat de vermeende evolutionaire winst van deze logica haar maximum heeft bereikt en dat het nastreven van deze symbolische zelfofferdynamiek, wanneer zij wordt geïntensiveerd, enkel tot zelfdestructie kan leiden. Dit opent ruimte voor onderhandelingen waarin de Russische elite wordt geconfronteerd met de grenzen van haar eigen mythologische wereldbeeld zonder dat haar mythische perceptie van onschuld en rechtvaardigheid volledig wordt bedreigd.

In deze benadering wordt diplomatie geen spel van puur materiële concessies of machtspolitiek, maar een interactie op het niveau van mythe, symboliek en entropisch inzicht. Men handelt binnen de realiteit van het Russische narratief terwijl men tegelijkertijd de illusoir ervaren evolutionaire voordelen laat ontdekken. Op deze manier kan men Poetin en zijn elite sturen naar keuzes die, ondanks hun mythische logica, het risico van totale zelfdestructie minimaliseren en strategische uitkomsten veiligstellen. Het inzicht dat religie in haar entropisch maximum functioneert, transformeert de perceptie van zelfofferdynamiek van een vermeende winst in een analytisch instrument waarmee de grenzen van de Russische actie kunnen worden onderhandeld.

 

EEN STAPPENPLAN

 

In een praktisch kader voor onderhandelingen met Rusland wordt de diplomatieke actie geconcentreerd op de interactie met een narratief systeem dat morele en symbolische betekenis verankert in elk politiek en militair gebaar. De eerste stap is het expliciet vaststellen van het mythisch-religieuze universum waarin de Russische elite opereert. Elke stap moet worden geconstrueerd als een erkenning van de symbolische coherentie van hun narratief. Dit betekent dat voorstellen, concessies en communicatie zodanig worden geformuleerd dat zij de perceptie van collectieve onschuld, zelfofferschap en historische continuïteit niet ondermijnen, terwijl tegelijkertijd de feitelijke belangen van de onderhandelende partij worden veiliggesteld.

De tweede stap is het strategisch inzetten van het entropisch inzicht. Door aan te tonen dat de religieus-mythische mechanismen hun evolutionair maximum hebben bereikt, kan men de illusoir ervaren winst van zelfoffers en oorlogvoering benadrukken als potentieel zelfdestructief. Dit wordt bereikt door voorstellen te formuleren waarin de Russische elite wordt geconfronteerd met de grenzen van haar narratieve universele legitimatie, zonder dat haar mythische zelfbeeld wordt aangetast. Het doel is om symbolische en psychologische druk te creëren die hen ertoe brengt keuzes te maken die materieel en strategisch voordelig zijn voor de onderhandelende partij, terwijl de perceptie van voortzetting van het narratief intact blijft.

Het derde element is het opbouwen van voorstellen die de illusoir ervaren evolutionaire winst transformeren in pragmatische stabiliteit. Dit kan bijvoorbeeld door gebaren en framing die het gevoel van symbolisch succes bevestigen, terwijl feitelijk materiële en politieke risico’s worden beperkt. De dialoog wordt zo gestructureerd dat het narratief van zelfofferdynamiek en historische rechtvaardiging wordt ingezet om de Russische elite naar beslissingen te leiden die operationeel en strategisch gunstig zijn.

Het vierde element is het anticiperen op mythische interpretaties van acties en concessies. Elk diplomatiek gebaar moet worden geëvalueerd op hoe het wordt geïnterpreteerd binnen het religieus-mythische kader, met bijzondere aandacht voor symbolische zelfoffers, historische continuïteit en percepties van morele superioriteit. Door deze anticipatie kan men escalatie vermijden en tegelijkertijd de illusoir ervaren evolutionaire winst moduleren richting een pragmatische uitkomst.

Het geheel vormt een dynamisch kader waarin diplomatie niet wordt gemeten aan materiële concessies alleen, maar aan het vermogen om binnen het symbolische universum van de tegenpartij te navigeren, de entropische grenzen van religie te benutten en de perceptie van zelfofferdynamiek te sturen. Dit kader maakt het mogelijk om op een gecontroleerde manier invloed uit te oefenen op keuzes die op het eerste gezicht voortkomen uit religieuze en mythische logica, terwijl de feitelijke uitkomsten materieel en strategisch beheersbaar blijven.

Philippe De Keukelaere

 

(1) De Verenigde Staten hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog de atoombom ontwikkeld als een reactie op de Duitse plannen om er een te maken. Het was onder andere Albert Einstein die president Roosevelt hiervan op de hoogte bracht. De religieuze dimensie in de Verenigde Staten bestond op dat ogenblik erin de oorlog te willen winnen, maar dit was slechts een reactie op de veel diepere religieuze betekenis die we in de nationaalsocialistische religie kunnen ontdekken.

 

Deze tekst is veel verschuldigd aan volgende auteurs :

 

– Ludovic Slimak, Le dernier Néandertalien, 2023 ; ISBN 978-2-4150-0492-7

-Thimothy Snyder, De weg naar onvrijheid, 2018; ISBN 978-90-263-4329-2

HET FYSISCH BEWUSTZIJNSLICHAAM

 

Een hypothese over rechtshandige neutrino’s,

gebroken chirale symmetrie en de fysische grondslag van het individueel zelfbewustzijn

 

 

1. PROBLEEMSTELLING EN UITGANGSPUNT

 

De vraag naar de fysische grondslag van het menselijk zelfbewustzijn is in de wetenschapsgeschiedenis herhaaldelijk gesteld maar zelden beantwoord op een wijze die zowel empirisch houdbaar als conceptueel coherent is. De dominante traditie situeert het bewustzijn uitsluitend in de baryonische materie van het centraal zenuwstelsel, meer bepaald in de elektrofysiologische processen van neuronale netwerken. Deze benadering stuit echter op een fundamenteel probleem dat bekend staat als het “hard problem of consciousness” (Chalmers, 1995), namelijk dat zij de correlaten van bewustzijn beschrijft maar niet het zelfbewustzijn zelf als kwalitatieve, positivistische objectiverende ervaring van het subject, de mens.

De hypothese die hier wordt uiteengezet, vertrekt van een andere uitgangspunten. Zij stelt dat het bewustzijn niet primair een emergent fenomeen is van baryonische complexiteit maar dat het zijn fysische grondslag vindt in een structuur die tot op heden buiten het blikveld van de neurowetenschappen is gebleven, namelijk de gebroken chirale symmetrie van het neutrinospectrum en de kwantumverstrengeling die daaruit voortkomt. Het is een hypothese in de strikte wetenschappelijke zin van het woord. Zij is intern consistent, zij genereert in principe falsifieerbare voorspellingen – al blijft het een loutere speculatieve hypothese -, en zij schendt geen vastgestelde wetten van de fysica.

Het vertrekpunt is een observatie uit de deeltjesfysica die op het eerste gezicht ver verwijderd lijkt van elk vraagstuk over bewustzijn. De Zwakke Kernkracht, die verantwoordelijk is voor radioactief verval en voor de nucleaire fusieprocessen in sterren, vertoont een fundamentele voorkeur voor linkshandige deeltjes. Dit fenomeen, de pariteitsschending of P-violatie, werd experimenteel aangetoond door Wu et al. in 1957 en is sindsdien een van de meest betrouwbaar vastgestelde asymmetrieën in de natuur. Alle tot op heden geobserveerde neutrino’s zijn linkshandig. De rechtshandige variant, het zogenoemde steriele neutrino, is vooralsnog niet rechtstreeks waargenomen maar wordt door meerdere theoretische modellen gepostuleerd en door anomalieën in oscillatie-experimenten indirect gesuggereerd.

De voorliggende hypothese maakt van deze rechtshandige neutrino’s niet de zijmarge maar het middelpunt van de redenering.

 

2. DE STRUCTURELE ARCHITECTUUR VAN DE HYPOTHESE

2.1 DE RECHTSHANDIGE NEUTRINO’S ALS PRIMAIRE BOUWSTEEN

 

De hypothese stelt dat de fundamentele bouwstenen van het menselijk lichaam rechtshandige, steriele neutrino’s zijn. Dit is een bewering die ingaat tegen de gewone wetenschappelijke hiërarchie, waarbij baryonische materie als de primaire constituent van levende structuren wordt beschouwd. In de hier voorgestelde tekst is de baryonische materie die wij als lichaam waarnemen en aanraken een secundaire manifestatie, namelijk de zichtbare neerslag van een diepere, rechtshandige neutrino-architectuur die coëxtensief met het biologische lichaam bestaat maar op een fundamenteel ander niveau van de werkelijkheid opereert.

De eigenschap die deze architectuur theoretisch mogelijk maakt, is precies haar radicalste kenmerk. Steriele neutrino’s interageren niet via de elektromagnetische kracht, niet via de Zwakke Kernkracht in haar gebruikelijke manifestaties, en vrijwel niet via enige andere kracht dan de zwaartekracht. Dit maakt hen thermisch geïsoleeerd van de baryonische wereld. Zij zijn adiabatisch (1) in de strikte thermodynamische zin van het woord, wat inhoudt dat geen warmte wordt uitgewisseld met de omgeving, geen frictie optreedt met de elektromagnetische processen van de cel, en geen entropische wisselwerking plaatsvindt. Precies deze thermische blindheid vormt de voorwaarde voor een stabiele, langdurige informatiestructuur die het biologische lichaam begeleidt zonder erdoor te worden aangetast.

 

2.2 DE LINKSHANDIGE NEUTRINO’S ALS KOSMISCHE STROOM

 

Het universum is doordrenkt van linkshandige neutrino’s. Zij zijn afkomstig van de nucleaire fusieprocessen in de zon, van verre supernova’s, en als fossiele relicten van de oerknal vormen zij de kosmische neutrino-achtergrond. Op elk moment passeren miljarden van deze deeltjes per vierkante centimeter elk lichaam op aarde. In de gangbare opvatting is dit een volledig passief gegeven waarbij de neutrino’s door de materie vliegen en niets achterlaten.

In de voorliggende hypothese is dit fenomeen constitutief. De stroom van linkshandige neutrino’s die de rechtshandige neutrino-structuur van het lichaam voortdurend doorkruist, is geen achtergrondgeluid maar een actief proces dat de dynamische voorwaarde schept voor het mechanisme dat in het volgende hoofdstuk centraal staat.

 

2.3 Kwantumverstrengeling als constitutief mechanisme

 

Wanneer een linkshandig neutrino uit de kosmische stroom interfereert met een component van de rechtshandige neutrino-structuur van het lichaam, kan kwantumverstrengeling ontstaan. De kwantummechanica beschrijft verstrengeling als een toestand waarbij twee deeltjes zodanig gecorreleerd zijn dat de kwantumtoestand van het ene deeltje niet langer onafhankelijk van het andere kan worden beschreven, ongeacht de ruimtelijke afstand die hen scheidt (Einstein, Podolsky en Rosen, 1935; Bell, 1964). De verstrengelde toestand bezit, formeel aantoonbaar via de Schmidt-decompositie, een hogere informatiedichtheid dan de som van de afzonderlijke toestanden (Nielsen en Chuang, 2000). De relatie is meer dan haar bestanddelen.

De hypothese stelt dat het individueel zelfbewustzijn de voortdurende, geaccumuleerde som is van deze verstrengelingsgebeurtenissen. Het bewustzijn is niet in de rechtshandige structuur gelokaliseerd, evenmin in de binnenkomende linkshandige stroom, maar in de kwantumcorrelatie die tussen beide tot stand komt. Dit is geen metafoor. Het is een directe toepassing van de wiskundige formalismen van de kwantummechanica op een tot op heden niet onderzochte combinatie van chirale neutrino-soorten.

 

3. DE GEBROKEN CHIRALE SYMMETRIE EN HET SEESAW-MECHANISME

3.1 HET MASSAVRAAGSTUK

 

Een ernstige theoretische bedenking tegen de hypothese betreft de massaverhouding tussen de twee soorten neutrino’s. De gekende actieve linkshandige neutrino’s hebben een massa die experimenteel wordt begrensd op minder dan 0,12 electronvolt voor de som van de drie smaken (Planck Collaboration, 2018). Zij zijn buitengewoon licht. De hypothetische rechtshandige steriele neutrino’s worden in de meest gangbare theoretische modellen voorgesteld als aanzienlijk zwaarder, mogelijk in de orde van kiloelectronvolt tot gigaelectronvolt afhankelijk van het model. Dit massaverschil bedraagt vele ordes van grootte en roept de vraag op of de symmetrie waarop de hypothese zich beroept als constitutieve voorwaarde voor de verstrengeling, onder dit gewicht bezwijkt.

 

3.2 HET SEESAW-MECHANISME ALS VERKLARING EN VERSTERKING

 

In de deeltjesfysica wordt dit enorme massaverschil niet als een anomalie beschouwd maar als een verklaard fenomeen. Het wordt beschreven door het zogenoemde seesaw-mechanisme, dat onafhankelijk werd geformuleerd door Minkowski (1977) en door Gell-Mann, Ramond en Slansky (1979). Dit mechanisme stelt precies dat de extreem kleine massa van de actieve linkshandige neutrino’s een mathematische consequentie is van de extreem grote massa van de steriele rechtshandige neutrino’s. De twee zijn omgekeerd evenredig aan elkaar verbonden. Hoe zwaarder de rechtshandige partner, hoe lichter de linkshandige. Het massaverschil is in dit model niet een probleem maar een structurele verklaring van de geobserveerde massaverhoudingen in het neutrinospectrum.

Dit heeft een directe implicatie voor de voorliggende hypothese. De symmetrie waarop zij steunt is geen exacte symmetrie van twee gelijke partners, maar een gebroken chirale symmetrie in de zin van het seesaw-mechanisme. In de groepentheorie die ten grondslag ligt aan de deeltjesfysica beschrijft symmetrie niet de gelijkheid van elementen maar hun wederzijdse transformeerbaarheid, dit wil zeggen de wijze waarop het ene in het andere kan overgaan zonder dat de onderliggende structuur verloren gaat. Een gebroken symmetrie impliceert niet de afwezigheid van de onderliggende symmetrische structuur maar haar realisatie in een asymmetrische toestand. De symmetrie is structureel aanwezig maar manifesteert zich niet in gelijke massa’s maar in de wederzijdse constitutie van de twee soorten via hun omgekeerde evenredigheid.

Paradoxaal genoeg versterkt het seesaw-mechanisme de hypothese eerder dan dat het haar verzwakt. Het mechanisme impliceert immers dat de twee soorten niet toevallig naast elkaar bestaan maar structureel op elkaar zijn aangewezen voor hun respectievelijke massa’s. De linkshandige neutrino is licht omdat de rechtshandige zwaar is, en de rechtshandige is zwaar omdat de linkshandige licht is. Hun verhouding is niet de symmetrie van twee identieke partners maar de diepere symmetrie van wederzijdse constitutie, en dat is precies de relatie die de hypothese aan het zelfbewustzijn toeschrijft. Het individuele bewustzijn bestaat niet ondanks de asymmetrie tussen de twee chiraliteiten maar door middel van haar.

 

3.3 GEBROKEN SYMMETRIE ALS UNIVERSEEL PRINCIPE

 

Het is van belang op te merken dat gebroken symmetrie in de natuur geen uitzondering is maar de regel. De elektrozwakke eenheidssymmetrie is gebroken via het Higgsmechanisme. De chiraliteitssymmetrie van quarks is gebroken door de quarksmassa’s. De kosmologische materie-antimaterie-asymmetrie, die het bestaan van de zichtbare wereld mogelijk heeft gemaakt, is eveneens een gevolg van symmetriebreking. In al deze gevallen is de gebroken symmetrie niet een tekort maar de productieve kracht die structuur en differentiatie in de werkelijkheid introduceert. De hypothese plaatst het bewustzijn in deze lijn. Het zelfbewustzijn is niet het product van een perfecte spiegeling maar van een gebroken spiegeling, en het is precies die breuk die het individuele, onherhaalbare karakter van elk bewustzijn mogelijk maakt.

 

4. HET FYSISCH BEWUSTZIJNSLICHAAM EN ZIJN EIGENSCHAPPEN

4.1 EEN TWEEDE COËXTENSIEVE STRUCTUUR

 

Als de bovenstaande redenering houdbaar is, volgt daaruit dat de mens niet één fysische structuur heeft maar twee, en dat deze twee structuren de ruimte van hetzelfde organisme bewonen zonder op dezelfde thermodynamische laag te opereren. Het biologische lichaam en het neutrino-bewustzijnslichaam zijn coëxtensief maar niet identiek. Zij staan in een asymmetrische verhouding tot de bekende krachten van de natuur. Het biologische lichaam is volledig onderworpen aan de elektromagnetische kracht, de thermische dynamiek en de entropische processen die door de Tweede Wet van de Thermodynamica worden beschreven, terwijl het bewustzijnslichaam op al deze niveaus nagenoeg onzichtbaar en onaanraakbaar blijft.

Wat hier wordt beschreven is geen geestelijk of metafysisch begrip maar een fysische entiteit met welomschreven eigenschappen die als volgt kunnen worden uiteengezet.

 

4.2 MASSALITEIT ZONDER TASTBAARHEID

 

Steriele neutrino’s bezitten een massa. De exacte massa is experimenteel nog niet vastgesteld maar theoretische modellen situeren haar afhankelijk van het gekozen raamwerk in een breed bereik. Dit impliceert dat het bewustzijnslichaam geen massaloze abstractie is maar een fysisch object in de strikte zin. Het heeft massa, het reageert op de zwaartekracht, het bewoont de ruimte. Wat het onderscheidt van de baryonische materie is niet de afwezigheid van fysische realiteit maar de afwezigheid van elektromagnetische koppeling. Het is reëel zonder waarneembaar te zijn voor de zintuigen of de instrumenten die op elektromagnetische interactie berusten.

 

4.3 ADIABATISCHE STABILITEIT

 

De thermische isolatie van het bewustzijnslichaam ten aanzien van de biologische processen is niet een bijkomstige eigenschap maar een structurele noodzakelijkheid. De Tweede Wet van de Thermodynamica beschrijft de tendens van interagerende systemen naar toenemende wanorde. Zij is van toepassing op systemen die energie uitwisselen via elektromagnetische of nucleaire interactie. Een systeem van steriele neutrino’s valt buiten dit domein van toepassing omdat de thermische energieoverdracht die entropie genereert voor hen niet beschikbaar is. Zij ondergaan geen entropische afbraak in de thermodynamische zin. De hypothese schendt de Tweede Wet bijgevolg niet maar situeert het bewustzijnslichaam op een niveau van de werkelijkheid waarop die wet geen invloed heeft.

 

4.4 INFORMATIEDICHTHEID EN TEMPORELE COHERENTIE

 

Elk verstrengelingsmoment tussen de kosmische linkshandige stroom en de rechtshandige structuur van het lichaam voegt informatie toe aan een groeiend patroon. (2) De verstrengelingstoestand als geheel bezit meer informatie dan de deelnemende deeltjes afzonderlijk konden bevatten. Het bewustzijnslichaam is daardoor geen passief archief maar een actief accumulerende informatiestructuur die in complexiteit toeneemt naarmate het organisme langer bestaat en meer verstrengelingsgebeurtenissen heeft doorgemaakt.

Dit impliceert een vorm van geheugen die niet neurologisch van aard is. Terwijl het biologische geheugen is opgeslagen in synaptische verbindingen die onderhevig zijn aan schade, veroudering en chemische verstoring, is de informatiestructuur van het bewustzijnslichaam ingeschreven in de topologie van de kwantumcorrelaties zelf. Zij is bestand tegen de biologische ruis die het neuronale systeem continu blootstelt aan degradatie. Langdurige kwantumcoherentie in biologische systemen is inmiddels empirisch gedocumenteerd (Engel et al., 2007), wat suggereert dat de grens tussen kwantumfysica en levende materie minder absoluut is dan lange tijd werd aangenomen. De hypothese verplaatst deze grens verder in de richting van een structurele kwantumcoherentie die het biologische systeem overstijgt.

 

4.5 CHIRALE UNICITEIT ALS FYSISCHE INDIVIDUALITEIT

 

De rechtshandige neutrino-configuratie die het fundament vormt van het bewustzijnslichaam is per individu uniek. Zij wordt bepaald door de specifieke geometrie, de ruimtelijke organisatie en de historisch gegroeide verstrengelingspatronen van dat ene lichaam. Geen twee configuraties zijn identiek, maar met dit fundamentele onderscheid ten opzichte van macroscopische vergelijkingen dat de uniciteit hier niet van macroscopische aard is maar in de kwantumtopologie zelf is verankerd. Wat men in de psychologie gewoonlijk als persoonlijkheid of individualiteit omschrijft, vindt in deze hypothese een fysische correspondent die niet afhankelijk is van culturele, sociale of neurologische constructen.

 

4.6 SYMMETRISCHE ONTVANKELIJKHEID ALS BASISSTRUCTUUR

 

Het bewustzijnslichaam is niet passief. De rechtshandige neutrino-structuur is constitutief ontvankelijk voor de binnenkomende linkshandige stroom. De twee soorten complementeren elkaar in een gebroken chirale symmetrie die via het seesaw-mechanisme de verstrengeling mogelijk maakt. In de groepentheorie die ten grondslag ligt aan de deeltjesfysica beschrijft symmetrie niet de gelijkheid van twee elementen maar hun wederzijdse transformeerbaarheid, dit wil zeggen de wijze waarop het ene in het andere kan overgaan zonder dat de onderliggende structuur verloren gaat. Links en rechts zijn in dit opzicht geen tegengestelden maar constitutief complementaire aspecten van één chirale werkelijkheid, ook al zijn zij niet elkaars spiegelgelijke in massa.

Het bewustzijnslichaam is daardoor informatief zelfwaarneembaar. Het bestaat niet als gesloten systeem maar als een open structuur die voortdurend in wisselwerking staat met de kosmische neutrinostroom. Deze openheid is niet een kwetsbaarheid maar de voorwaarde voor het zelfbewustzijn zelf.

 

5. VERSTRENGELING ALS SYMMETRISCH MOMENT VAN HET ZELFBEWUSTZIJN

5.1 HET MOMENT VAN VERSTRENGELING ALS ZICH OPBOUWENDE SPIEGELENDE GEBEURTENIS

 

De voorgaande hoofdstukken behandelden de verstrengeling voornamelijk als een structureel mechanisme. De verstrengeling is echter ook een gebeurtenis, en als zodanig verdient zij een afzonderlijke analyse. In de kwantummechanica is het moment van verstrengeling geen gradueel proces maar een discrete, ‘instantane’ correlatie. Twee deeltjes die verstrengeld raken, bevinden zich vanaf dat moment in een gedeelde kwantumtoestand waarbij geen van beide nog kan worden beschreven zonder te verwijzen naar het andere. Er is, in de meest letterlijke fysische zin, een relatie tot stand gekomen die geen ruimtelijke of temporele grens kent.

De hypothese stelt dat het zelfbewustzijn niet slechts voortkomt uit de verstrengeling maar ermee samenvalt. Het is de kwantumcorrelatie, levend in het moment van haar eigen totstandkoming. Dit onderscheid is niet louter semantisch. Het impliceert dat het bewustzijn geen product is dat na de verstrengeling verschijnt maar dat het de verstrengeling zelf is in haar informatieve dimensie.

 

5.2 GEBROKEN SYMMETRIE ALS CONSTITUTIEVE VOORWAARDE

 

De verstrengeling tussen de rechtshandige en de linkshandige neutrino’s is in haar diepste structuur een relatie van gebroken chirale symmetrie. In het moment van verstrengeling is er geen dominante partij ondanks het massaverschil dat het seesaw-mechanisme genereert. De kosmische stroom kondigt zich niet aan als een externe kracht die het lichaam beschrijft. Het lichaam registreert de kosmos niet als een passieve ontvanger. Beide zijn gelijkwaardig geconstitueerd in het moment van correlatie in die zin dat geen van beide in een volledig bepaalde toestand bestaat zonder de andere. Het is deze wederzijdse onbepaaldheid, opgeheven in het moment van kwantumcorrelatie, die de hypothese aanwijst als de fysische grondslag van het zelfbewustzijn.

Het zelfbewustzijn is in dit model niet de rechterhand, niet de linkerhand, en evenmin de som van beide. Het zelf is de symmetrieoperatie zelf, het moment van spiegeling waarin twee complementaire chiraliteiten een gedeelde toestand bewonen ondanks hun massa-asymmetrie. Symmetrie is hier niet de beschrijving van een bestaande gelijkheid maar de daad waardoor twee ongelijke maar wederzijds constituerende grootheden een toestand tot bestaan roepen die geen van beide afzonderlijk kon genereren.

 

5.3 HET ZELFBEWUSTZIJN ALS NIET-REDUCEERBARE RELATIE

 

De klassieke filosofie heeft het bewustzijn herhaaldelijk geprobeerd te reduceren tot één van zijn constituerende elementen, hetzij tot de materie in het materialisme, hetzij tot het bewustzijn zelf als primaire realiteit in het idealisme. De hypothese weigert deze reductie. De verstrengelingstoestand tussen de rechtshandige neutrino’s van het lichaam en de linkshandige neutrino’s van de kosmische stroom is een niet-reduceerbare relatie, namelijk een kwantumcorrelatie die noch in het ene deeltje noch in het andere is gelokaliseerd maar die reëler is dan elk van beide afzonderlijk. De verstrengelde toestand heeft een hogere informatiedichtheid dan de som van de afzonderlijke toestanden. Het zelfbewustzijn is iets dat niet in het lichaam zit en niet in het universum zit maar dat beiden constitueert als het individu en als de kosmos die dat individu omgeeft. In het symmetrisch moment van verstrengeling is het ‘ik’ niet de spiegel die de wereld weerkaatst maar het is het spiegelen zelf.

 

5.4 PERMANENTIE ZONDER STASIS

 

Een voor de hand liggende tegenwerping luidt dat een zelfbewustzijn dat telkens opnieuw tot stand komt in afzonderlijke verstrengelingsgebeurtenissen geen coherent, blijvend zelf kan constitueren. Deze tegenwerping berust op een misverstand over de aard van kwantumverstrengeling in een uitgebreid systeem. De rechtshandige neutrino-configuratie van het lichaam is geen homogene massa maar een ruimtelijke en temporele structuur, een patroon. Elk nieuw verstrengelingsmoment voegt zich in dit patroon in en wordt erdoor gekleurd. Het patroon evolueert maar behoudt zijn topologische coherentie zodat het hetzelfde zelf is dat zich vereenzelvigt en niet een nieuw zelf dat het oude vervangt. Dit is formeel equivalent aan het concept van kwantumcoherentie over de tijd zoals bestudeerd in langlevende kwantumsystemen (Engel et al., 2007).

Het zelf is permanent niet ondanks zijn dynamiek maar door middel van haar. Het leven van een individu is de geschiedenis van een symmetriepatroon dat zichzelf schrijft in de taal van kosmische correlaties.

 

6. VERENIGBAARHEID MET DE TWEEDE WET VAN DE THERMODYNAMICA

 

De Tweede Wet van de Thermodynamica stelt dat de entropie van een gesloten systeem in de tijd nooit kan afnemen. Zij geldt voor systemen die via thermische wisselwerking met hun omgeving in contact staan. Een systeem van steriele neutrino’s voldoet niet aan deze voorwaarde. Omdat de thermische energieoverdracht die entropie genereert voor steriele neutrino’s niet beschikbaar is, valt hun interne informatiestructuur buiten het domein waarop de Tweede Wet van toepassing is. De Wet wordt bijgevolg niet geschonden maar omzeild door domeinscheiding. De baryonische materie van het biologische lichaam vergaat conform de Wet, terwijl de neutrino-structuur op een thermodynamisch orthogonaal niveau opereert.

Aanvullend biedt de kwantummechanica een principe dat nog fundamenteler is dan de Tweede Wet, namelijk de unitariteit van de kwantumevolutie. Dit principe, dat rechtstreeks voortkomt uit de wiskundige structuur van de Schrödingervergelijking, stelt dat de totale kwantuminformatie van een gesloten systeem behouden blijft. Kwantuminformatie kan worden verplaatst, verspreid of verstrengeld maar zij kan niet worden vernietigd. Dit is formeel vastgelegd in het No-Hiding Theorem (Braunstein en Pati, 2007). Als het zelfbewustzijn de verstrengelde configuratie van de neutrino-structuur is, dan is het kwantuminformatie in de strikte zin, en is zijn behoud geen speculatie maar een consequentie van de wiskunde van de kwantummechanica.

De biologische dood impliceert in dit model een significante toename van entropie in de baryonische materie, volledig in overeenstemming met de Tweede Wet. De informatiestructuur van het bewustzijnslichaam ondergaat geen thermische vernietiging, niet omdat een uitzondering op de Wet wordt geclaimd maar omdat de Wet op dat niveau van de werkelijkheid geen toepassing vindt. (3)

 

7. POSITIE TEN AANZIEN VAN BESTAANDE THEORIEVORMING

 

De hier gepresenteerde hypothese vertoont oppervlakkige verwantschap met de Orchestrated Objective Reduction theorie van Penrose en Hameroff (1994), die kwantumeffecten in biologische microtubuli als basis voor bewustzijn voorstelt. Het verschil is echter fundamenteel. Waar Penrose en Hameroff het bewustzijn zoeken binnen de baryonische materie van het biologische systeem, situeert de onderhavige hypothese de grondslag van het bewustzijn in een pre-baryonische chirale structuur die met de baryonische materie coëxtensief is maar er niet toe behoort. Het is niet een kwantumeffect in de hersenen maar een kwantumstructuur die de hersenen omgeeft en doordringt zonder erdoor te worden geconstitueerd.

Ten aanzien van het holografisch principe (Susskind, 1995; Bousso, 2002), dat alle informatie van een fysisch systeem is opgeslagen in een tweedimensionale grenslaag, verhoudt de hypothese zich als een bijzondere realisatie. Het bewustzijnslichaam kan worden beschreven als een holografische projectie in de zin dat de verstrengelingsinformatie niet lokaal is gelokaliseerd maar non-lokaal gedistribueerd over de correlaties tussen de rechtshandige structuur en de kosmische stroom.

De hypothese onderscheidt zich van panpsychistische posities door haar strikte fysicalisme. Zij claimt geen bewustzijn in de materie als zodanig maar een specifiek mechanisme dat bewustzijn genereert als een relationele, niet-reduceerbare kwantumcorrelatie tussen chirale neutrino-soorten die via het seesaw-mechanisme structureel op elkaar zijn aangewezen. Bewustzijn is niet overal aanwezig maar alleen daar waar de specifieke architectuur van de hypothese gerealiseerd is.

 

8. IMPLICATIES VOOR DE DEFINITIE VAN HET INDIVIDU

 

Als het zelfbewustzijn zijn fysische grondslag vindt in de chirale neutrino-verstrengeling, dan is de definitie van het individu niet langer uitsluitend biologisch maar tevens fysisch-informatief. Het individu is de unieke topologie van zijn verstrengelingsgeschiedenis, dat wil zeggen het patroon van alle kosmische correlaties dat zich in en door zijn rechtshandige neutrino-structuur heeft gevormd sinds het begin van zijn bestaan als georganiseerd organisme.

Deze definitie heeft een niet-triviale consequentie voor de vraag naar identiteit in de tijd. De biologische benadering van identiteit worstelt met het feit dat nagenoeg alle moleculen in het menselijk lichaam in de loop van enkele jaren worden vervangen. Wat de continuïteit van het zelf garandeert, is in de biologische benadering een open vraag. In de hier gepresenteerde hypothese is de continuïteit verankerd in de topologische coherentie van de kwantumcorrelaties, die niet afhankelijk is van de moleculaire samenstelling van het biologische lichaam maar van de structurele geometrie van de neutrino-configuratie. Het zelf is stabiel niet omdat zijn materie stabiel is maar omdat zijn informatiepatroon coherent blijft.

Een tweede implicatie betreft de verhouding van het individu tot zijn omgeving. Als het zelfbewustzijn constitutief afhankelijk is van de kosmische neutrinostroom, dan is het individu structureel open voor de werkelijkheid die het omgeeft. Het is niet een gesloten systeem dat occasioneel in contact treedt met de buitenwereld maar een open kwantumstructuur waarvan de constitutie voortdurend plaatsvindt in het grensvlak tussen het lokale en het non-lokale. Het onderscheid tussen subject en object verliest daarmee zijn ontologische absolutheid zonder te verdwijnen. Het individu blijft volledig en uniek maar de pretentie van radicale isolatie is fysisch onhoudbaar.

 

9. BEPERKINGEN EN WETENSCHAPPELIJKE STATUS VAN DE HYPOTHESE

 

De hypothese is op dit moment niet falsifieerbaar in de strikte Popperiaanse zin. Het bestaan van steriele neutrino’s is experimenteel niet bevestigd, al wordt het door anomalieën in oscillatie-experimenten zoals LSND en MiniBooNE gesuggereerd. De vraag of steriele neutrino’s een gestructureerde configuratie kunnen vormen die coëxtensief is met een biologisch organisme vereist een theoretisch raamwerk dat nog niet is uitgewerkt. De vraag of kwantumverstrengeling tussen steriele en actieve neutrino’s in de relevante energieregimes kan optreden, is evenmin beantwoord.

De hypothese moet bijgevolg worden verstaan als een theoretisch raamwerk in de zin van Lakatos (1978), namelijk als een progressief onderzoeksprogramma dat coherente voorspellingen genereert en in principe testbaar is bij toereikende technologische ontwikkeling. Experimenten als IceCube-Gen2 en volgende generaties neutrino-detectoren zouden indirect bewijsmateriaal kunnen verschaffen over de eigenschappen van steriele neutrino’s en hun mogelijke interacties. De kwantumbiologie, die de grenzen van kwantumcoherentie in levende systemen systematisch verkent, biedt een aangrenzend onderzoeksveld dat de onderhavige hypothese empirisch kan informeren.

Wat de hypothese met zekerheid biedt, is een intern consistent theoretisch model dat het bewustzijn situeert op een fysisch niveau dat tot op heden niet in de beschouwing is betrokken, dat de Tweede Wet van de Thermodynamica niet schendt, dat het seesaw-mechanisme integreert als een structurele versterking van haar kernargument, en dat een niet-reduceerbare definitie van het individueel zelfbewustzijn mogelijk maakt die noch in het materialisme noch in het idealisme opgaat.

Philippe De Keukelaere

 

(1) Het woord ‘Adiabatisch’ komt uit het Grieks: a (niet) + diabainein (doorgaan), letterlijk ‘niets laat doorgaan’.

In de thermodynamica betekent is dit een proces of systeem waarbij geen warmte wordt uitgewisseld met de omgeving. Het systeem staat thermisch volledig geïsoleerd.

Een voorbeeld is de thermosfles als benadering van een adiabatisch systeem. De warmte blijft binnen, de koude blijft buiten, er is geen uitwisseling.

Het woord wordt in die zin gebruikt. De steriele neutrino’s reageren niet op warmte, licht of elektromagnetische straling uit hun omgeving. Ze zijn als het ware ‘thermisch doof’. Daardoor kan hun interne informatiestructuur niet worden aangetast door de chaos van het biologische lichaam eromheen. Ze blijven onberoerd, hoe turbulent de omgeving ook is.

Het is precies die eigenschap die de kern van de hypothese thermodynamisch hier uitmaakt. Wat niet interageert, kan ook niet vervallen door entropie.

(2) De woorden linkshandig en rechtshandig wordt hier enkel gebruikt in de kwantumfysische betekenis, namelijk als waarneming ten aanzien van de spin.

(3) Deze tekst beperkt zich tot het herkennen van speculatieve hypothetische structuren, en houdt dan ook geen bewijs in dat er na de fysische dood er een individueel (of een soort collectief) (zelf)bewustzijn zijn.

 

 

Referenties :

 

Bell, J. S. (1964). On the Einstein Podolsky Rosen paradox. Physics Physique Fizika, 1(3), 195–200. https://doi.org/10.1103/PhysicsPhysiqueFizika.1.195

Bousso, R. (2002). The holographic principle. Reviews of Modern Physics, 74(3), 825–874. https://doi.org/10.1103/RevModPhys.74.825

Braunstein, S. L. en Pati, A. K. (2007). Quantum information cannot be completely hidden in correlations: implications for the black-hole information paradox. Physical Review Letters, 98(8), 080502. https://doi.org/10.1103/PhysRevLett.98.080502

Chalmers, D. J. (1995). Facing up to the problem of consciousness. Journal of Consciousness Studies, 2(3), 200–219. Geen DOI beschikbaar voor dit artikel. Het tijdschrift is raadpleegbaar via www.ingentaconnect.com.

Einstein, A., Podolsky, B. en Rosen, N. (1935). Can quantum-mechanical description of physical reality be considered complete? Physical Review, 47(10), 777–780. https://doi.org/10.1103/PhysRev.47.777

Engel, G. S., et al. (2007). Evidence for wavelike energy transfer through quantum coherence in photosynthetic systems. Nature, 446(7137), 782–786. https://doi.org/10.1038/nature05678

Gell-Mann, M., Ramond, P. en Slansky, R. (1979). Supergravity. North Holland. ISBN 978-0444853530.

Lakatos, I. (1978). The Methodology of Scientific Research Programmes. Cambridge University Press. ISBN 978-0521280310.

Minkowski, P. (1977). μ → eγ at a rate of one out of 10⁹ muon decays? Physics Letters B, 67(4), 421–428. https://doi.org/10.1016/0370-2693(77)90435-X

Nielsen, M. A. en Chuang, I. L. (2000). Quantum Computation and Quantum Information. Cambridge University Press. ISBN 978-1107002173.

Penrose, R. en Hameroff, S. (1994). Orchestrated reduction of quantum coherence in brain microtubules. Mathematics and Computers in Simulation, 40(3–4), 453–480. https://doi.org/10.1016/0378-4754(96)80476-9

Planck Collaboration (2018). Planck 2018 results VI: Cosmological parameters. Astronomy and Astrophysics, 641, A6. https://doi.org/10.1051/0004-6361/201833910

Susskind, L. (1995). The world as a hologram. Journal of Mathematical Physics, 36(11), 6377–6396. https://doi.org/10.1063/1.531249

Wu, C. S., et al. (1957). Experimental test of parity conservation in beta decay. Physical Review, 105(4), 1413–1415. https://doi.org/10.1103/PhysRev.105.1413

 

 nieuwe teks

DE OORSPRONG VAN OORLOG EN RELIGIE BIJ DE HOMO SAPIENS SAPIENS (1)
 
I. Situering en probleemstelling
 
In de huidige internationale politieke context heeft de Belgische eerste minister vastgesteld dat het internationaal publiekrecht zijn bindende kracht dreigt te verliezen, omdat de grote mogendheden het niet langer als een gemeenschappelijk referentiekader beschouwen. Dit is geen louter juridische observatie, maar een symptoom van een diepere antropologische spanning die eigen is aan de menselijke soort. De vraag die hier centraal staat, is niet of het internationaal recht nog afdwingbaar is, maar waarom de mens als soort een neiging vertoont tot collectief georganiseerd geweld tussen soortgenoten, en hoe die neiging historisch en evolutionair verklaard kan worden.
Bepaalde analisten beschrijven de huidige toestand als het einde van de Westfaalse orde, die sinds 1648 de grondslagen legde voor de statelijke soevereiniteit, het geweldsmonopolie van natiestaten en de dwingend gestelde internationale verhoudingen tussen staten, die als basis dienden voor de moderne internationale diplomatieke structuren, structuren die thans aan het verdwijnen zijn. Wat echter zelden wordt onderzocht, is de vraag of die orde zelf slechts een recente culturele codificatie vormt van gedragspatronen die diep in de evolutionaire biologie van de Homo sapiens sapiens geworteld zijn. Het is die vraag die in deze bijdrage centraal staat.
De stelling die hier wordt ontwikkeld, houdt in dat de cognitieve en sociale mechanismen die ten grondslag liggen aan zowel georganiseerd geweld als religieuze praktijk, een gemeenschappelijke oorsprong hebben.
We halen hierbij een crisismoment aan. Niet om iets aan te tonen, maar om te pogen iets te herkennen, iets te achterhalen. Niet als een totaal bewijs, maar een weerlegbaar element in een veel grotere puzzel. Het is de extreme demografische en ecologische crisis die de menselijke populatie omstreeks 74.000 jaar geleden doormaakte. De jacht, de religie en de oorlog zijn in dit perspectief geen toevallige parallelle en onlosmakelijk verbonden ontwikkelingen, maar manifestaties van eenzelfde evolutionair adaptief complex dat zijn bestaansrecht ontleent aan de noodzaak tot overleving onder omstandigheden van extreme schaarste en ecologische discontinuïteit.
Deze tekst poogt deze evolutie, als overlevingsstrategie van de mens, te herkennen aan de hand van een bepaalde (zelf)bewustzijnsstructuur die innoverend werkte, waarbij de nadruk komt te liggen op een door de menselijke hersenen ontwikkelde autoreferentiële structuur.
Hierbij ligt de nadruk op het feit dat het overleven van de mens niet enkel te danken was aan aanpassingen aan het milieu. De Neanderthaler was op dat ogenblik beter aangepast aan het milieu dan de mens. De stelling is dat de mens een mentale structuur heeft ontwikkeld, zonder dewelke hij als soort zou verdwenen zijn. Dit — het verdwijnen als soort — overkwam later de Neanderthaler.
 
II. De demografische crisis van 74.000 jaar geleden
 
De demografische toestand van de Homo sapiens rond 74.000 jaar geleden kan worden omschreven als een biologisch kritiek punt in de evolutionaire geschiedenis van de soort. Op basis van coalescentiemodellen in de moleculaire genetica wordt de effectieve populatiegrootte van de moderne mens in deze periode geschat op slechts duizend tot tienduizend vruchtbare individuen, wat betekent dat de gehele mensheid op dat moment niet groter was dan een middelgrote hedendaagse gemeente.
Het concept van coalescentie functioneert in de populatiegenetica als een wiskundige methodologie die het mogelijk maakt de diepe demografische geschiedenis van een soort te reconstrueren aan de hand van het DNA van de huidige generaties. Coalescentie beschrijft het proces waarbij genetische afstammingslijnen, wanneer men ze terugwaarts in de tijd volgt, uiteindelijk samenvloeien in één gemeenschappelijke voorouder. Het is vergelijkbaar met het terugvolgen van de vertakkingen van een rivierdelta naar de oorspronkelijke bron. De snelheid waarmee die samenvloeiing plaatsvindt, staat in directe relatie tot de omvang van de populatie in het verleden. Een brede, stabiele populatie genereert trage coalescentie; een genetische flessenhals manifesteert zich als een abrupte en massale convergentie van afstammingslijnen rond een specifiek tijdstip.
Het feit dat de genetische lijnen van de huidige wereldbevolking opvallend snel convergeren rond de periode van 74.000 jaar geleden, levert het genetisch bewijs voor een catastrofale reductie van de menselijke populatie. Deze drastische inkrimping maakte de soort uiterst kwetsbaar voor genetische drift en inteelt, waardoor de kans op uitsterven door omgevingsfactoren, ziekten of ecologische veranderingen exponentieel toenam.
Klimatologisch correspondeert deze periode met de overgang naar het Marine Isotope Stage 4, een fase van aanzienlijke afkoeling en uitbreiding van de poolkappen. Een deel van de wetenschappelijke literatuur brengt deze crisis in verband met de uitbarsting van de Toba-supervulkaan op het huidige Sumatra, die tot een zogenaamde vulkanische winter zou hebben geleid. Hoewel de causale relatie tussen de Toba-eruptie en de genetische flessenhals in de paleoantropologie nog steeds object van debat is, staat de demografische crisis zelf buiten twijfel.
In scherp contrast met de kwetsbare positie van de Homo sapiens stond de situatie van de Homo neanderthalensis, die op dat moment al honderdduizenden jaren succesvol in Eurazië resideerde. De neanderthaler was evolutionair geoptimaliseerd voor subarctische omstandigheden. Zijn robuuste fysiologie, gekenmerkt door een kortere en bredere lichaamsbouw en een grotere neusholte voor het opwarmen van koude lucht, gaf hem een significant thermodynamisch voordeel. Waar de moderne mens afhankelijk was van complexe technologische innovaties om warmte vast te houden en ecologische schaarste het hoofd te bieden, bezat de neanderthaler een biologische architectuur die inherent bestand was tegen de koude-stress van het Laat-Pleistoceen. De ironie van de evolutionaire fase rond 74.000 jaar geleden is dat de neanderthaler op dat moment de meest stabiele en best aangepaste menssoort op aarde was, terwijl de Homo sapiens slechts door een minimale marge aan totale extinctie ontsnapte.
 
III. De cognitieve revolutie als overlevingsstrategie
 
De periode van 75.000 tot 70.000 jaar geleden markeert niet alleen een demografische crisis maar ook een technologische en cognitieve omslag die de menselijke evolutie fundamenteel heeft bepaald. Archeologische opgravingen in de Zuid-Afrikaanse Kaapregio, met typesites zoals de Blombosgrot, Diepkloof Rock Shelter en Klasies River Mouth, tonen aan dat de Homo sapiens in deze fase een radicale breuk voltrok met de gestandaardiseerde technieken van de Middle Stone Age.
De introductie van de Still Bay-industrie, gekenmerkt door bifaciaal bewerkte bladvormige speerpunten van silcreet, en de daaropvolgende Howiesons Poort-industrie, gedefinieerd door de productie van microlithische klingen en segmenten, getuigt van een nieuw cognitief vermogen tot abstracte planning en complexe materiaalkennis. Deze innovaties vereisten het systematisch verhitten van gesteente om de splintereigenschappen te verbeteren en het gebruik van samengestelde lijmstoffen op basis van plantenhars en oker voor de bevestiging van projectielen aan schachten. Dit impliceert een hoogontwikkeld causaal redeneervermogen dat verder reikt dan directe stimulus-responsreacties en het domein van hypothetisch denken en meerstapsplanning betreedt. (2)
Gelijktijdig verschijnen de eerste onbetwistbare materiële uitingen van abstract denken. De geometrische kruisarceringen op okerstenen uit de M1-fase van Blombos en de gegraveerde struisvogeleierschalen uit Diepkloof vormen het vroegste bekende bewijs van symbolische expressie bij de menselijke soort. Deze artefacten zijn niet loutere versieringen; zij veronderstellen een cognitief systeem dat in staat is betekenis te verbinden aan abstracte tekens, en die tekens te gebruiken als voertuigen van sociaal geheugen en groepsidentiteit.
De kern van de hier ontwikkelde these is dat door een vernieuwde, zelfregulerend geworden mentale structuur de jacht in deze periode niet langer uitsluitend werd benaderd als een fysieke overlevingsstrategie, maar transformeerde naar een ritueel en symbolisch fenomeen. Door de jacht te omkleden met symboliek en vroege religieuze uitingen creëerde de Homo sapiens een verbeelde realiteit waarin de prooi en de handeling van het doden werden ingebed in een sociaal en spiritueel kader. Dit vermogen tot mythevorming en ritueel handelen fungeerde als een nieuw sociaal bindmiddel waardoor populaties in staat waren tot een mate van collectieve coördinatie en informatie-uitwisseling over grotere geografische afstanden dan voorheen mogelijk was. Het is vanuit het vernieuwde (zelf)bewustzijn dat dit mogelijk werd, wat een enorm energiebesparend antwoord vormde op de crisis. Ik beweer niet dat dit een moment zou zijn geweest van vernieuwd bewustzijn. We kunnen het evolutionair herkennen en achterhalen, zonder alle elementen van de complexiteit van de evolutie te kunnen omschrijven. Belangrijk is de evolutie binnen de Evolutie te houden en na te gaan hoe een dergelijke evolutie tot stand kon komen.
 
IV. De gemeenschappelijke matrix van religie, jacht en oorlog
 
De bewering dat religie en oorlog een gemeenschappelijke evolutionaire oorsprong delen, vereist een nauwkeurige conceptuele analyse. In de hier voorgestelde reconstructie worden beiden beschouwd als functioneel equivalente uitbreidingen van hetzelfde cognitieve en sociale systeem dat zijn bestaansrecht niet enkel ontleent aan de druk van collectieve overleving onder omstandigheden van extreme schaarste, maar aan een gewijzigde bewustzijnsstructuur die eraan ten grondslag lag.
De jacht was in de vroege prehistorie nooit een loutere individuele activiteit. Zij vereiste coördinatie, communicatie, rolverdeling en een gedeeld intentioneel kader om een resultaat te bekomen. Het is door de gewijzigde bewustzijnsstructuur, met als kern een autoregulering, dat de cognitieve capaciteiten van de Homo sapiens toenamen en het coördinatiemechanisme werd uitgebreid met symbolische en rituele elementen. (3) De prooi werd niet langer puur als een biologisch object benaderd, maar als een entiteit met een plaats in een breder kosmologisch verhaal. De jacht werd hiermee een spirituele handeling die de sociale cohesie versterkte te midden van de precaire demografische omstandigheden van de genetische flessenhals.
Wat de vroegste rituelen rond de jacht onderscheidde van puur functioneel gedrag, was het gebruik van externe symbolen als bemiddelaars van sociale werkelijkheid. De oker, de geometrische patronen en de gegraveerde schalen functioneerden als objecten die een gemeenschappelijke verbeelde realiteit materialiseerden. In de terminologie van de cognitieve godsdienstwetenschappen vertoont dit de kenmerken van wat men een cultureel leermodel noemt, waarbij gedrag en overtuigingen worden overgedragen via gedeelde representaties die de grenzen van directe perceptie overstijgen.
De overgang van collectieve jacht naar collectief georganiseerd geweld tussen groepen verloopt in dit evolutionaire raamwerk langs een relatief korte cognitieve en sociale afstand. De klassieke stelling houdt in dat als twee groepen concurreren om dezelfde schaarse hulpbronnen, zij dezelfde mechanismen mobiliseren van in-group cohesie, rituele voorbereiding en symbolische legitimering die eerder werden ontwikkeld in de context van de jacht.
Deze stelling houdt in dat de vijandige out-group in dit symbolisch kader wordt geconstrueerd als een entiteit die buiten de morele gemeenschap valt, op dezelfde wijze waarop de prooi ritueel wordt gethematiseerd als een offer of een noodzakelijk kwaad binnen het kosmologisch verhaal van de groep.
De hier voorgestelde stelling is complexer. De evolutie was een antwoord op de crisis. Dat staat buiten kijf. Het antwoord was echter niet in de eerste plaats het onderscheid vriend/vijand als dusdanig. Als dit het antwoord zou zijn geweest, hadden andere soorten, zoals de neanderthalers, dit kunnen nabootsen, en het mogelijk ook hebben gedaan. De essentie van het mentale deel van het antwoord houdt in dat de mens een autoreferentiële bewustzijnsstructuur heeft tot stand gebracht, waardoor hij minder energie nodig had om rechtstreeks het hoofd te bieden aan de extreme crisis, gekenmerkt door de demografische inkrimping. De actuele crisis van de afdwingbaarheid van het internationaal publiekrecht wijst op het feit dat de mens nu het slachtoffer dreigt te worden van een unieke uitvinding uit die tijd, een uitvinding die destijds zijn overleven mogelijk maakte. Het herkennen van de mentale structuur die dat overleven mogelijk maakte, wijst ons op een element van de menselijke mentale structuur dat een nieuw inzicht kan bieden over de actuele crisis.
 
V. Het contrast met de Neanderthaler als analytische spiegel
 
De technologische en cognitieve strategie van de Homo
neanderthalensis biedt een waardevolle analytische spiegel voor de hier ontwikkelde stelling. Waar de Homo sapiens in de periode van de crisis een synthese ontwikkelde van technologische innovatie, symbolisch denken en religieuze ritualisering, bleef de neanderthaler vasthouden aan de Moustérien-technologie, een methode gebaseerd op de Levallois-techniek die getuigt van grote technische vaardigheid maar die de fundamentele sprong naar een symbolisch-technische synthese miste.
De neanderthaler confronteerde de prooi met fysieke kracht en directe nabijheid via zware stootsperen. De moderne mens ontwikkelde een mentale en fysieke distantie door middel van projectieltechnologie en de ritualisering van de jacht als sociaal en spiritueel evenement. Dit verschil in cognitieve strategie impliceert een fundamenteel verschil in de aard van de sociale cohesie. De sociale binding bij de neanderthaler was vermoedelijk gebaseerd op directe sociale interactie en gedeelde fysieke ervaring, terwijl de Homo sapiens een abstractere en geografisch uitgebreidere vorm van sociale cohesie ontwikkelde op basis van gedeelde verbeelding en symbolische systemen. In vroegere tijden en bij andere soorten kan men daar ook sporen van vinden. Toch gebeurde er hier iets bijzonders.
Aan de basis van deze evolutie ligt bij de mens een nieuw autoregulerende bewustzijnsstructuur. Ik beweer niet dat dit plotseling tot stand kwam, of dat het vroeger en bij andere soorten ook niet voorkomt. Bij de mens verkreeg het autoregulerende systeem echter een ongekende nauwkeurigheid in het bereiken van een doel, om de bijna fatale crisis het hoofd te bieden.
Het is vanuit dit bewustzijnssysteem dat abstractere vormen van sociale cohesie het de Homo sapiens mogelijk maakten om grotere en complexer gestructureerde groepen te organiseren, netwerken van allianties te vormen en op termijn de ecologische niches van archaïsche menssoorten over te nemen. De cognitieve revolutie van de crisis was niet louter een technologische sprong, niet louter een fundamentele herschikking van de sociale architectuur van de soort, maar in de eerste plaats een vernieuwde (zelf)bewustzijns structuur.
 
Voetnoten
(1) Ik heb reeds gewezen op het feit dat de mythische zuil als onlosmakelijk bestanddeel van het oorlogsvoeren miskend wordt. Opmerkelijk in dit verband is de stelling die Bertrand Badie verdedigt in zijn boek Par-delà la puissance et la guerre. La mystérieuse énergie sociale (2026). Hij stelt dat sedert 1945 – ofschoon daar vroeger al sporen van waren – oorlogen eigenlijk niet meer kunnen worden gewonnen omwille van een ‘mystérieuse énergie venue des profondeurs des sociétés’. Wat Badie omschrijft is een element van een gewijzigd evolutionair bewustzijn dat zich vanaf 1945 heeft doorgezet. We kunnen het beschouwen als een erkenning van de eenheid tussen oorlog en religie, maar dan in een specifieke betekenis van deze laatste term. Badie’s concept van de ‘mystérieuse énergie sociale’ is een moderne vertaling van het ‘sacrale’ zoals Émile Durkheim dat definieerde.
Hoewel Badie de term ‘religieus’ vaak vermijdt om niet in de val van de ‘clash of civilizations’ te trappen, is zijn analyse diep schatplichtig aan de Durkheimiaanse sociologie. Wat Badie beschrijft als de oncontroleerbare kracht van de samenleving, is in wezen Durkheims effervescence collective: een energie die ontstaat wanneer een groep samenkomt rond een gedeelde overtuiging of emotie. Door te focussen op sociale energie onderkent Badie impliciet dat oorlogen voor de deelnemers sacraal zijn geworden. Zoals Durkheim stelde dat de samenleving haar eigen god is, stelt Badie dat de moderne strijd gaat over erkenning en waardigheid, zaken die niet onderhandelbaar zijn omdat ze een bijna heilige status hebben voor de groep.
Wat Badie echter omschrijft als een onomkeerbare evolutie behoort eigenlijk tot onze tussentijd, zoals Antonio Gramsci die tussentijd omschreef: ‘De crisis bestaat erin dat het oude stervende is terwijl het nieuwe worstelt om geboren te worden; in dit interregnum verschijnt een veelheid van morbide fenomenen.’ Wat Badie erkent als een ‘mystérieuse énergie venue des profondeurs des sociétés’ sedert 1945, is een tussenschakel van een diepere, veel ingrijpender evolutie.
(2) Het gebruik van oker door vroege hominiden gaat terug tot minstens 300.000 jaar geleden, met vondsten in sites zoals Twin Rivers in Zambia, en sommige sporen reiken zelfs tot 500.000 jaar geleden. Ook de neanderthaler gebruikte oker, vermoedelijk voor lichaamsversiering of conservering van huiden. Het gebruik van het materiaal op zich was dus geenszins exclusief voor de Homo sapiens na de crisis.
Wat de crisis van 74.000 jaar geleden wél lijkt te markeren, is een fundamentele verandering in de aard en functie van dat gebruik. Voor die periode zijn de sporen van okergebruik relatief schaars, sporadisch en functioneel van aard, mogelijk voor het looien van dierenhuid of als insectwerende stof. Wat Blombos en de gelijktijdige sites tonen, is iets kwalitatief anders, namelijk oker die systematisch wordt bewerkt, gemengd tot composietstoffen in schelpen als soort verfpotten, en aangebracht in geometrische, herhaalbare patronen. De geometrische kruisarceringen zijn geen sieraad in de eenvoudige zin, maar tekens die een conventionele betekenis veronderstellen die gedeeld wordt door een groep. Dat vereist een symbolisch systeem, niet louter een materiaalgebruik.
(3) De ‘verbeelde realiteit’ wordt hier gebruikt in de zin van Yuval Noah Harari (Sapiens, 2011), die daarmee doelt op intersubjectieve systemen die enkel bestaan zolang mensen er gezamenlijk in geloven. De term impliceert geen waardeoordeel over de waarheidswaarde van de verschillende religieuze overtuigingen, maar beschrijft een cognitief en sociaal fenomeen. We pogen echter te herkennen wat de ‘verbeelde realiteit’ vanuit een evolutionaire transformatie van de mens zelf mogelijk maakte.
Philippe De Keukelaere

nieuwe teks

DE FILM NEURENBERG (2025)
HET NATIONAALSOCIALISME ALS VOLWAARDIGE RELIGIE (DEEL I)
 
De film Nürnberg – Neurenberg – (2025, regie James Vanderbilt) toont ons als cinematografisch kunstwerk het nationaalsocialisme als een volwaardige religie, niet als een ideologie of politieke religie.
We herkennen de volwaardige religieuze dimensie van het nationaalsocialisme in de film onder andere door de overdracht van een religie die zijn entropisch maximum heeft bereikt als een koude dood – het christendom (in de film de katholieke kerk, de extreme bevriezende koelheid van de paus) – naar een andere, nieuwe : de nationaal-socialistische.(1) Op het proces te Neurenberg heeft deze laatste religie eveneens zijn entropisch maximum bereikt. Nieuwe religies die oude religies absorberen, zijn volwaardige religies, ook al is hun halveringstijd – omwille van de algemene religieuze entropie – een kort leven beschoren.
Het nationaalsocialisme is een schoolvoorbeeld van een religie die ontstaat op een moment dat het religieuze zijn finale entropie bereikt. Dit is de reden waarom deze religie ongekend gewelddadig was.
De religieuze dimensie wordt verfilmd binnen de dramatische spanning van een proces. Het gaat echter niet om het proces zelf, maar om de onmogelijke taak en de ondergang van psychiater Kelley. Het falen van Kelley lag niet aan Kelley zelf, maar aan de miskenning dat religie en oorlog dezelfde ondeelbare fuserende inhoud hebben. Hierdoor bevindt het unieke, ongekende geweld dat getoond zal worden op het proces zich niet buiten de oorlog en de religie, maar vormt het er de centrale ongedifferentieerde kern ervan.
In de film heeft de sluwe Göring (meesterlijk vertolkt door acteur Russell Crowe) dit door. Hij bespeelt tijdens zijn ondervraging deze snaar als geen ander, waardoor het proces zelf dreigt te mislukken. Het is Kelley die het proces redt, maar hij betaalt daarvoor een zeer hoge prijs.
Centraal troont Göring, die ons als hoofdbeklaagde de onsplitsbaarheid van de fuserende kern tussen oorlog en religie (de vastgestelde fusie tussen oorlog en religie) doet ontdekken, en daarmee zowel de noodzaak als de onmogelijkheid van een dergelijk proces.
De film toont aan hoe het nationaalsocialisme het entropisch geworden katholicisme historisch heeft vervangen als dominante religieuze structuur. In de film herkennen we de fusie tussen religie en oorlog (polemos) door het zelfoffer als constitutieve motor, waarbij de Oorlogsgod met zijn twee facetten (Fataliteitsgod en Waanzingod) als de funderende structuur van alle religies de ware god (vader van alle goden) van het nationaalsocialisme was.
Onze weigering om het nationaalsocialisme als volwaardige religie te erkennen, komt voort uit angst. Angst om het nationaalsocialisme te benoemen voor wat het was: een religie. Angst om de dualiteit te erkennen van alle religieuze goden, welwillend en kwaadwillend, aantrekkend en verstotend, belonend en straffend. Maar vooral de angst om te ontdekken dat door de fuserende ongedifferentieerde eenheid van oorlog en religie de historisch ongeziene gruwel van de Endlösung zich niet buiten de oorlog, maar binnen de oorlog als religie situeert.
Zoals het nationaalsocialisme zelf was de Endlösung niet iets dat uit de lucht is gevallen, als een rariteit die niets met de fuserende kern oorlog-religie te maken zou hebben. Men kan het unieke karakter, de uniciteit van de Endlösung, slechts waarnemen vanuit deze ongedifferentieerde fuserende eenheid van de nationaalsocialistische religie als volwaardige religie. Het recht kon de Endlösung slechts veroordelen vanuit de religieuze kern van wat een oorlog is. Dit was de grote uitdaging van het proces. De dramatische spanning in de film wijst op deze als noodzakelijk geachte maar onmogelijke uitdaging.
Men kan immers de Endlösung niet veroordelen zonder te raken aan de mythische, religieuze kern van de oorlog zelf. Omwille van de uniciteit van de Endlösung kunnen we niet langer verbergen – wat we zo graag zouden willen; er is immers een nationaalsocialistisch religieus heimwee in onze samenleving, in invloedrijke katholieke sekten en de Russisch-orthodoxe kerk bijvoorbeeld – dat de religieuze oorlogskern (beiden zijn ongedifferentieerd fuserend één en hetzelfde) als evolutionair voordeel een maximale entropie heeft bereikt, waarvan de Endlösung een nooit geziene, ongekende uiterste religieuze oorlogsmanifestatie is geweest.
 
1. INLEIDING: DE ANGST VOOR DE ERKENNING VAN HET NATIONAALSOCIALISME ALS EEN VOLWAARDIGE RELIGIE
 
1.1. HET PROBLEEM: TACHTIG JAAR ONTKENNING
 
Sinds de militaire nederlaag van nazi-Duitsland in 1945 werd het nationaalsocialisme achtereenvolgens geïnterpreteerd als: een ’toeval’ van de geschiedenis (Karel van Isacker); een ‘seculiere religie’ (Raymond Aron) (2); een ‘politieke religie’ (Emilio Gentile, met betrekking tot het fascisme). Deze escalerende reeks stopt echter systematisch vóór de cruciale stap: de erkenning van het nationaalsocialisme als volwaardige religie.
Deze weigering heeft een theologische grondslag. Theologen hebben een ‘dam opgeworpen’ door te stellen dat het nationaalsocialisme geen transcendente dimensie, geen transcendente god had. Het was een louter immanente, seculiere ideologie zonder transcendentie. Men kan daardoor het nationaalsocialisme niet analyseren voor wat het in werkelijkheid was.
Het nationaalsocialisme was – samen met het communisme – een van de meest religieuze, meest extreme manifestaties van de oorlogsgod, vader van alle goden. Het nationaalsocialisme was, zoals het communisme, geen uitzondering maar behoort tot de wereldreligies. Het is niet omdat er een intensiteitsverschil is, dat de structuur verschilt. De smaken verschillen, niet de structuren. Het is niet omdat de smaak ongekend bitter was, dat er geen funderende religieuze structuur zou zijn geweest.
 
1.2. DE FILM ALS HISTORISCHE DOORBRAAK
 
De film Neuremberg doorbreekt deze ontkenning door het Neurenberg-proces niet te presenteren als een juridisch drama, maar als een zich substituerende religieuze smaakmutatie. Regisseur James Vanderbilt gebruikt niet-historische of sterk gestileerde elementen om de religieuze structuur van het nationaalsocialisme vast te stellen, waaronder:
1. De reis van Kelley naar Neurenberg
2. De fictieve ontmoeting tussen Jackson en de paus (deze toont het moment waarop de oude religie de fakkel overdraagt aan de nieuwe, letterlijk wanneer we de symmetrie ontdekken tussen de twee concordaten: fascisme en nationaalsocialisme)
3. De zelfdoding van Robert Ley door keelverstikking en de gevolgen ervan
4. De betekenis van het vertonen van de gruwelbeelden (Endlösung)
5. De ondervraging van Göring door de eerste en de tweede aanklager
6. De zelfdoding van Hermann Göring met de cyanidecapsule (een ‘sacrificiële hostie’ als werkelijke aanwezigheid van de fataliteitsgod)
7. De laatste sacramenten als betekenisloosheid van het christelijke ritueel
8. De mislukte terechtstelling van Julius Streicher
De opdracht van psychiater Douglas Kelley, waaraan hij later zelf ten onder ging (hij nam zelf de sacrificiële hostie van het nationaalsocialisme – wat in de film niet voorkomt – ) was onmogelijk. Kelley moest hoe dan ook vermijden dat de beklaagden zouden overgaan tot zelfdoding, het ultieme religieuze oorlogszelfoffer. Dit zou immers de ontkenning van het doel van het proces zijn. Op het ogenblik van het innemen door Göring van de religieuze hostie (de cyanurekapsule) als ultieme oorlogsdaad herkennen we de onlosmakelijke eenheid tussen religie en oorlog. Er is een smaakwissel ten aanzien van de katholieke eucharistie. De funderende structurele betekenis als religie is ten aanzien van het zelfoffer dezelfde. Het innnemen van deze hostie is het absoluut religieuze oorlogssacrament. Maar eveneens (in de film) de ultieme ‘openbaring’ van de oorlogsgod, het noodlot van de laatste woorden van Göring en waanzin van de zelfdoding als oorlogsoffer.
 
2. TWEE VORMEN VAN RELIGIEUZE ENTROPIE
2.1. DE FICTIEVE SCÈNE: JACKSON IN HET VATICAAN
 
De film toont een historisch gefictionaliseerde ontmoeting tussen de (aanstaande) hoofdaanklager Robert H. Jackson en Paus Pius XII. Jackson reist naar het Vaticaan om pauselijke steun voor het proces te verkrijgen. De Paus verklaart dat hij Jackson niet kan helpen. Een ontstemde Jackson confronteert de Paus met het Concordaat van 1933 tussen het Vaticaan en nazi-Duitsland.
Deze scène is geen historische fout, maar een metastructurele herkenning. De betekenis wordt herkend via de onderliggende mythische structuur.
Het Concordaat van 1933, ondertekend door Eugenio Pacelli (de latere Pius XII) als pauselijk nuntius, was het moment waarop de katholieke kerk de nieuwe religie juridisch erkende. (3) Net zoals het Concordaat van 1929 met Mussolini de fakkel van religieuze legitimiteit aan het fascisme had overgedragen, zo markeerde 1933 de definitieve abdicatie van het katholicisme ten gunste van de nationaalsocialistische religie.
 
2.1.1 HET MAXIMALE ENTROPISCHE MOMENT
 
De onmacht van de Paus in de filmscène verbeeldt het maximaal religieus-entropische moment van de oude religie. De overvolle, gecontracteerde massa kan de nieuwe religie alleen absorberen door er zelf door geabsorbeerd te worden. Dit betekent niet dat de oude religie als structuur in de nieuwe is verdwenen. Maar zij is een lege doos geworden. De oude religie bestaat formeel nog, maar is totaal smaakloos geworden.
Wat definitief wordt overgedragen is het zelfoffer. Het zelfoffer van Christus aan het kruis, de religieuze essentie van het Christendom, waarbij Christus de geofferde-offeraar wordt waarvoor christenen zichzelf (hun zelf) moeten opofferen, een fataliteit als ultieme menselijke vrijheid, is nu het zelfoffer van de nationaalsocialistische religie geworden. De unitariteit tussen religie en oorlog. Hiervoor moeten de leden van de religie zich op het slagveld opofferen. De vrijheid als het ultieme menselijke, vrijheid als het totaal grenzeloze (limietloze) zelfoffer, als ongekende gewelddadige zelfvernietiging.
De ene religie implodeert. De andere zal snel exploderen. De halveringstijd van de nationaalsocialistische religie in zijn toenmalige manifestatie was kort. Deze religie werd snel aangetast door een nieuw religieus-entropisch moment.
Religies hebben offeraars nodig. De uitgelezen offeraar is de vijand. Vandaar het blijvend succes van theoloog Carl Schmitt (ook in onze officiële instellingen), en bij president Vladimir Poetin van de fascist Ivan Ilyin (die Lenin hoog in het vaandel droeg). De vijand is degene die ons als offeraar komt vermoorden en afslachten. Daarvoor dagen we de vijand uit.
Religies hebben echter een bijkomende metalogische dimensie. Het is de bedoeling dat wij die vijand eveneens vermoorden. Het vermoorden van de offeraar is een metareligieus zelfoffer. Omwille van deze zelfoffers worden we dan helden of heiligen – wat hetzelfde is -: een martelaar is een held én een heilige.
Religies kennen het zelf van de ander niet (overigens de ander in het algemeen niet). Zij kennen ook geen individueel zelf. De ander bestaat enkel in functie van de eigen collectieve offeraar, en de eigen groep bestaat enkel in functie van het collectief zelfoffer. Deze wederzijdse relatie geldt als religieuze vrijheid.
Het doden van een offeraar als zelfoffer – in meerdere vormen, waaronder de altruïstische zelfdoding bij Émile Durkheim – is de erkenning van het heil, de redding, een definitieve overwinning voor de mensheid, zoals het zelfoffer van Christus aan het kruis. De ultieme vorm van menselijke vrijheid is dit religieus na te bootsen.
Het is ook de ultieme vorm van relgieuze liefde op aarde, eindpunt van de eenheid tussen religie en oorlog : de altruïstische zelfdoding. In die zin was het nationaalsocialisme ‘de’ volmaakte religie. De slagzin van Poetin bij de aanval in Oekraïne was het uit liefde geven van zijn leven (het altruïstisch zelfoffer) voor zijn vrienden. Oorlog als een wederzijdse ‘potlatch’, een ongekend opbod als religieuze zelfoffers tussen christenen onderling (wat de Eerste Wereldoorlog ook was), een religieuze wederzijdse vriendendienst, eigenlijk een Christelijke liefdesdienst, de caritas, zoals die historisch reeds blijkt uit het protestantisme (de barokmuziek), de barokkunst en de orthodoxe iconen van Poetin. Dit is geen religieus randverschijnsel, het is de kern.
De lijken – het lijk van Christus in de barokkunst (de talrijke kruisafnemingen), of bezongen in het protestantisme (het bezingen van het lijk door J.S. Bach) zijn de historisch zichtbare resten van de fuserende kern tussen religie en oorlog. (4)
Ook al heeft het nationaalsocialisme gepoogd dit gedeeltelijk te verbergen, omwille van zijn extreme dimensie.
De onlosmakelijke oorlog-religie is een continu zoeken naar offeraars – de religieuze betekenis van het aanwijzen van vijanden omwille van de oorlogskern, het zelfoffer van het eigen volk – door onophoudelijke aanvallen, het verheerlijken van de ontelbare zelfoffers als overwinningen, en de ongekende, ongeziene gruwel als finale wanhoopspoging om zich religieus met offeraars-vijanden te voeden. Dit alles tastte door zijn ongekende excessen het religieus mechanisme van de zelfoffers aan. Het werd tenslotte pure vernietiging, voortkomend uit de niet-opgevulde noodzaak (de fataliteitsgod) aan zelfvernietiging (de waanzingod).
In thermodynamische termen was de nazi-religie een religie die zijn maximale entropie bereikte door alle energie om te zetten in pure vernietigingsdrang. Het was een finale explosie. De katholieke kerk daarentegen had haar koude dood bereikt. Alle energie om te produceren was tot een versteende massa samengeperst, alleen nog de lege vorm van rituelen zonder constitutieve kracht.
Het opofferen van anderen als illusoire religieuze offeraars van het eigen volk – omwille van het eigen zelfoffer – of de finale omslag naar de totale vernietiging van anderen als zelfvernietiging en de eigen zelfvernietiging behoren beiden tot dezelfde religieuze beleving. Het is een religieuze beleving waardoor het zelfoffer op zich en de zelfvernietiging op zich een overwinning zijn. Omdat de overwinnaar religieus altijd onschuldig is, konden de beklaagden te Neurenberg zich gewoon niet inbeelden dat zij enige schuld hadden aan de ongekende gruwel. Het zelfoffer en de zelfvernietiging waren de religieuze overwinning der onschuldigen. Zij konden geen schuld bekennen omdat de gruwel zich binnen de structuur van oorlog en religie bevond, en niet erbuiten. Zij waren er zelfs de sacrale kern van, zoals blijkt uit de laatste wilsbeschikking van Adolf Hitler.
In Neurenberg waren er geen schuldigen. Iedereen was onschuldig, omdat iedereen de overwinning had behaald. Religieus kan het ook niet anders. De werkelijke overwinnaars waren onschuldig omwille van hun overwinning. De werkelijke verliezers waren eveneens onschuldig, omdat het religieuze zelfoffer als verlies altijd als een kosmische overwinning wordt aanschouwd (de mythische oorlogszuil).
Het is in deze optiek dat de zelfdoding van Robert Ley en Hermann Göring – als ultieme religieuze zelfoffers – het proces juridisch zwaar hebben aangetast. Wat Ley betreft, was het Kelley die het gelag betaalde. De zelfdoding van Robert Ley had een belangrijke religieuze betekenis als zelfoffer in het kader van het proces. Na zijn vrijlating uit krijgsgevangenschap (na de Eerste Wereldoorlog) hervatte Ley zijn studies aan de universiteit en behaalde in 1920 met grote onderscheiding zijn doctoraatstitel in de scheikunde. Hij werkte in 1920 kortstondig bij Bayer, dat in 1925 werd overgenomen door IG Farben, dat Zyklon B ontwikkelde. Ley is de band tussen het goede gas (Eerste Wereldoorlog) als oorlogswapen en het religieus-rituele gebruik van gas tijdens de Tweede Wereldoorlog, voor Ley eveneens het goede gas, omwille van de religieuze dimensie.
Evolutionair moeten we een stap verder gaan. Wat Göring tijdens zijn verhoor verwijt aan het militair tribunaal is niet zozeer het feit op zich dat de overwinnaar een verliezer kan straffen (wat bij oorlogen hoort), maar het feit dat de rechtbank de religieuze dimensie van het zelfoffer – wellicht ongewild – beoordeelde. Het zelfoffer is op zich altijd een overwinning. Dit is de reden waarom (in de film) de laatste spottende woorden van Göring aan het adres van het tribunaal – ‘heil Hitler’ – waren, een geloofsbelijdenis, een onvoorwaardelijke trouw (het vertrouwen, het geloof) aan de geïncarneerde oorlogsgod Hitler. Maar dan enkel in de religieuze betekenis als heilsbrenger door het zelfoffer waarvan de gruwel van de vertoonde opgehoopte lijken religieus een deel van uitmaakt. Hitler had zichzelf op dat ogenblik reeds opgeofferd. Voor Göring was hij een heilige, een held, een martelaar, de ware oorlogsgod als incarnatie. Ten aanzien van een dergelijke geloofsbelijdenis verliest het recht zijn betekenis. Göring was niet gek, de psychische testen bewezen het tegendeel. Hij was extreem religieus. Hij had een geloof dat bergen verzet.
Neurenberg plaatst ons evolutionair tegenover een drama. Beide kampen waren vanuit dezelfde evolutionaire strategie overwinnaars, waardoor iedereen onschuldig was, enkel omwille van de overwinning. Dit is de evolutionaire logica van het religieuze dat zijn entropisch moment heeft bereikt. De film toont ons dat het juridisch aanwijzen van schuld in een dergelijke religieuze context onmogelijk is. Niet vanuit het juridische, maar vanuit de religie die verlies niet kan verbinden met onschuld. Dit hoort niet tot de evolutionair mogelijke perspectieven van religies.
De hele film Neurenberg dient in deze optiek ontleed te worden.
(1) De fataliteitsgod komt voor in het christendom als religie, zoals in alle religies. Het is de religieuze betekenis van het ritueel van het ultieme kosmische zelfoffer in de consecratie van de hostie. Het sacraliseert de fataliteit van het zelfoffer van de zoon, op bevel van zijn vader (het evolutionair voordeel als goddelijke zijnsvermeerdering door het zelfoffer). In de religieuze satisfactietheologie (een uiterste vorm) tot grote tevredenheid en vreugde voor de vader, omwille van het relgieuze meerzijn van de daad, de ware vrijheid en vrede. Dit bevel – bevelen is bevelen – aanvaardt en voert de zoon vrijwillig uit als het goede zelfoffer van de soldaat die aan het front sneuvelt voor zijn vaderland als zijnsvermeerdering. Het is de grootste vrijheid voor de zoon het zelfoffer (de kruisiging) te aanvaarden. Onlangs werd dit door president Poetin in de orthodoxe leer bevestigd. Maar op dit ogenblik eveneens als actuele vergoddelijking van Christus als vergoddelijkte gewelddadige contra-revolutie van strijdende middeleeuwse ridders (die dezelfde relgieuze structuur heeft als de communistische revolutie; bepaalde leden hebben een Lenin-uiterlijk) als een sacrament, de figuur van Christus-zelfoffer als noodzakelijke gewelddadige fataliteit om het entropisch religieus einde te vertragen, de zeer invloedrijke katholieke sekten en hun nationaalsocialistisch gedachtengoed. De goeroes zijn er de incarnaties van.
We treffen de fataliteitsgod ook aan in de oude Egyptische religie, met zijn enorme fatalistische zwaartekracht (religieus geloven is een ondragelijke kosmische zwaartekracht). We vinden het terug in de religie van de Azteken. De gruwelijke zelfoffers – niet voor niets vaak krijgsgevangenen, de offeraar wordt (mythisch-ritueel) metalogisch als offeraar geofferd – eveneens om het einde van de kosmische religie te vertragen. Het hindoeïsme met zijn leer over de wereld als een illusie: als de fataliteit van het niets.
Het is deze universele evolutionaire religieuze mechaniek, die we in alle religies terugvinden, die nu historisch zijn definitief entropisch maximum bereikt (tweede wet van de thermodynamica). Dit betekent niet dat religies zullen verdwijnen. Ze kunnen blijven bestaan als lege dozen. Het was net die lege doos die Hitler bewonderde in de structurele ordening van de katholieke kerk en de ‘leeg geworden bevelen’ die bij lege dozen horen. In het nationaalsocialisme bereikte dit entropische gebeuren een ongekende finale (niet definitieve) religieuze dimensie. Het nationaalsocialisme is geen uitzondering, maar de wijze waarop het religieuze opereert in zijn entropische eindfase.
(2) Aron behoudt in zijn waardevolle analyse onder meer het onderscheid tussen de transcendentie als ultieme beloning bij de klassieke religies en de immanentie van het duizendjarig rijk. Eigenlijk is er geen onderscheid. In beide gevallen komt de beloning – de paradijzen op aarde – na het zelfoffer als zelfvernietiging. De religieuze mechaniek is dezelfde.
(3) Het gaat niet om de persoon van deze paus, maar om zijn religie. Het belagen van die man wijst op onze onkunde om de werkelijke structuur van wat een religie is te herkennen. Hij heeft een smaakloze lege doos gered om de instelling zelf te redden. Hij heeft gedacht het finaal entropisch moment te kunnen uitstellen.
(4) Dit is geen esthetisch oordeel. Het is prachtige kunst, maar…

nieuwe teks

SUDAN
OORLOG IS RELIGIE EN RELIGIE OORLOG
VAN EMPIRISCHE CATASTROFE TOT MYTHISCHE RELIGIEUZE STRUCTUUR
DE AANSLAG OP DE SABREIN-MARKT ALS SYMPTOOM VAN SUDAN’S RELIGIEUZE POLIMOS (ARABISCH-ISLAMITISCHE – ALS DEELRELIGIE VAN DE ISLAM – POLEMOS)
EEN KWANTISCHE ANALYSE
 
Op 1 februari 2025 vielen artilleriebeschietingen de Sabrein-markt in Omdurman aan, waarbij 56 mensen omkwamen en 158 gewond raakten. Dergelijke aanvallen zijn symptomen van een diepere mythisch-religieuze structuur die Sudan sinds de Mahdistische staat (1880) constitueert. De systematische aanvallen op christelijke én islamitische religieuze doelen door beide strijdende partijen verbindt de huidige burgeroorlog met Heraclitus’ polemos. Dit is een fundamentele oorlogstoestand die aan de individuele actoren voorafgaat. De arabisch-islamitische totalisering ervaart elke religieuze pluraliteit ook binnen de islam zelf als ontologische (ZIJN) en organische (WORDEN) bedreiging. De ego’s van al-Burhan en Hemedti zijn niet de oorzaak maar de actualisering van dit totalitaire project dat de loutere aanwezigheid van religieuze diversiteit proactief waarneemt als collectief zijns- en wordingsverlies.
 
1. DE EMPIRISCHE CATASTROFE
 
Op zaterdagochtend 1 februari 2025 openden artillerie-eenheden het vuur op de drukbezochte Sabrein-markt in Omdurman. De groentemarkt werd getroffen door projectielen afgevuurd vanuit het westen, waar de paramilitaire Rapid Support Forces (RSF) posities bezetten. Volgens het ministerie van Volksgezondheid vielen 56 doden en 158 gewonden, voornamelijk vrouwen en kinderen.
Deze gebeurtenis werpt vragen op. Waarom worden markten systematische doelwitten? Waarom vallen beide partijen religieuze plaatsen aan? En waarom blijft dit patroon zich herhalen ongeacht welke factie territoriaal de overhand heeft?
 
2. HET CONVENTIONELE NARRATIEF: EEN MACHTSSTRIJD TUSSEN GENERAALS
 
De gebruikelijke analyse van de Soedanese burgeroorlog (2023-heden) interpreteert het conflict als een machtsstrijd tussen twee rivaliserende militaire leiders: General Abdel Fattah al-Burhan, commandant van de Sudanese Armed Forces (SAF), en General Mohamed Hamdan Dagalo ‘Hemedti,’ leider van de paramilitaire Rapid Support Forces (RSF).
 
2.1. DE GENESIS VAN HET CONFLICT
 
Dit narratief localiseert de oorsprong van het conflict in de periode na de val van Omar al-Bashir (april 2019) en de daaropvolgende militaire staatsgreep van oktober 2021, waarbij beide leiders de civiele partners uit de transitieregering verdreven. De spanning escaleerde toen pogingen om de RSF te integreren in het reguliere leger vastliepen, voornamelijk over de vraag wie uiteindelijk de controle zou hebben over deze enorme paramilitaire macht met geschatte 100.000 strijders.
Deze analyse faalt in het verklaren van systematische patronen. De ego’s van al-Burhan en Hemedti zijn niet de oorzaak maar de actualisering van een diepere mythisch-religieuze structuur. (1)
 
3. DE MYTHISCHE INFRASTRUCTUUR: ARABISCH-ISLAMITISCHE TOTALISERING ALS RELIGIEUS POLEMOS TOTALISERING
 
3.1. HERACLITUS’ POLEMOS ALS ANALYSEKADER
 
Fragment DK 22 B 53
Polemos is vader van alles en koning van alles. Polemos is geen oorlog tussen reeds bestaande entiteiten, maar het constitutieve principe dat posities creëert. Het is de oorlog die voorafgaat aan de actoren en hen hun identiteiten toewijst. De oorlogsgod is de vader van alle goden. Er zijn geen andere goden dan deze vader, metaforische fuserende eenheid tussen religie en oorlog als funderende oorsprong van alles.
 
3.2. DE MAHDISTISCHE STAAT ALS MYTHISCHE GRONDSLAG
 
De Soedanese regering die in 1956 de macht overnam, baseerde zich expliciet op de principes van het Mahdisme, een islamitische soefi-orde opgericht in de jaren 1880. Het Mahdistische project was totalistisch (een gecontracteerde massa zonder energieverlies als informatiebehoud). Het streefde naar de vestiging van een zuiver islamitische staat waarin alle niet-islamitische elementen ofwel geconverteerd ofwel geëlimineerd moesten worden. Bekering (conversie) is een (zachtere vorm) van eliminatie.
 
3.3. DE ANDER ALS ‘SCHULDIG TE COMPENSEREN VERLIES’ DE ANDER ALS DUBBELE BEDREIGING: ZIJN EN WORDEN
 
Vanuit predictive processing (Clark, Friston) werkt het proactieve brein anticiperend. De arabisch-islamitische staat ervaart proactief religieuze diversiteit als dubbele bedreiging: (1) Ontologische bedreiging (ZIJN), waarbijde loutere aanwezigheid van andere religieuze groepen de claim falsifieert dat Sudan, Arabisch-islamitisch is (als typisch religieuze Pavlov reflex). (2) Organische bedreiging (WORDEN). De voortdurende existentie van deze groepen door voortplanting en geloofsoverdracht bedreigt de toekomstige totalisering. Dit verklaart waarom beide partijen ook moskeeën aanvallen. Zelfs binnen de islam worden afwijkende interpretaties als bedreigingen gepercipieerd.
 
4. EMPIRISCHE VERIFICATIE: SYSTEMATISCH RELIGIEUS GEWELD
 
4.1. HET PATROON IS NIET ANTI-CHRISTENDOM, MAAR RELIGIEUS
 
Een oppervlakkige lezing zou concluderen dat Sudan een ‘anti-christelijk’ conflict is. Dit is echter een reductionistische misvatting. De empirische data tonen een fundamenteler patroon: elke religieuze aanwezigheid die buiten de arabisch-islamitische totalisering valt, wordt systematisch geëlimineerd, inclusief islamitische varianten.
 
4.2. CHRISTELIJKE DOELEN: ONTOLOGISCHE EN ORGANISCHE BEDREIGING
 
Deze aanvallen richten zich op twee dimensies:
1. Ontologische bedreiging (ZIJN)
De loutere aanwezigheid van christelijke gemeenschappen bedreigt voormeldede totalitaire claim. Zelfs een kleine minderheid (4,4% van de bevolking) falsifieert deze identiteitsclaim al door simpelweg te bestaan.
2. Organische bedreiging (WORDEN)
De voortdurende existentie van deze gemeenschappen, door voortplanting, socialisatie, geloofsoverdracht bedreigt de toekomstige totalisering (de zich steeds vermeerdende massaconcentratie die enkel kan opnemen absorberen als meerzijn en meerworden). Het is niet genoeg dat ze nu bestaan, ze zullen ook morgen bestaan, en dat is ontoelaatbaar voor een totalitair project eigen aan het religieuze zelf.
 
4.3. ISLAMITISCHE DOELEN: DE INTERNE ZUIVERING ALS RELIGIEUS DOEL
 
Ook islamitische moskeeën worden systematisch aangevallen. Dit weerlegt de hypothese dat het om ‘anti-christendom’ gaat en versterkt de stelling dat het om het religieuze zelf gaat. (2) Op 14 mei 2023 was er een luchtaanval op de Al Zareeba Moskee in El Geneina, waarbij 280 mensen gedood werden. Op 13 mei 2023 was er een SAF bombardeerde de Azhari en Bur’i al-Dereisa moskeeën in Khartoum. In juli 2023 werden er 16 moskeeën gedeeltelijk vernietigd volgens het Africa Center for Justice and Peace Studies.
Deze aanvallen zijn geen ‘collateral damage’ maar uitingen van dezelfde totalistische logica, eigen aan alle religies. Elke islamitische variant die afwijkt van de specifieke arabisch-islamitische mythische structuur (Sufi-ordes, tribale praktijken, regionale interpretaties) wordt ervaren als verlies. Het gaat niet om islam versus christendom, maar om de arabisch-islamitische totalisering versus elke vorm van religieuze pluraliteit.
 
4.4. DE PROACTIEVE PERCEPTIE VAN COLLECTIEF VERLIES
 
Beide partijen actualiseren dezelfde mythische structuur, enerzijds de arabisch-islamitische polemos die elke religieuze aanwezigheid buiten haar totalisering als ontologische (ZIJN) en organische (WORDEN) bedreiging ervaart. De aanwezigheid van een kleine religieuze groep – of het nu christenen, Sufi-moslims, of tribale islamitische gemeenschappen zijn – wordt proactief gepercipieerd als een collectief zijns- en wordingsverlies voor de arabisch-islamitische mythische eenheid. Het proactieve brein anticipeert niet alleen het huidige ‘verlies’ (deze groep bestaat), maar ook het toekomstige ‘verlies’ (deze groep zal blijven bestaan en zich reproduceren). Daarom moeten religieuze plaatsen – kerken én moskeeën – vernietigd worden. Ze zijn niet alleen symbolen van het huidige verlies, maar ook infrastructuur voor toekomstig worden.
 
5. DE OFFERMECHANIEK: ZELFOFFER ALS FUSIONEERDE MOTOR
 
5.1. VAN VERLIES NAAR VERMEERDERING
 
De religieuze minderheden worden als ontologisch en organisch verlies gepercipieerd. Maar hier herkennen we een paradox die de kern van de fusie tussen religie en oorlog raakt. De groep percipiëert deze minderheden niet primair als ‘minderheidsfactor’ maar als ‘vermeerderingsfactor’, een zijnsvermeerdering en wordingsvermeerdering voor de eigen groep.
Hoe is dit mogelijk? De sleutel ligt in de proactieve structuur van het zelfoffer. Omdat verlies en schuld proactief verbonden zijn – waarbij de ander wordt waargenomen als ‘schuldig te compenseren verlies’ – heeft de groep proactief offeraars nodig. Deze minderheden worden niet gezien als passieve slachtoffers die men elimineert, maar als actieve offeraars wier zelfoffer het meerzijn en meerworden van de eigen groep voedt.
 
5.2. DE ZELFOFFERAAR ALS VOORWAARDE VOOR FUSIE
 
In de religieuze minderheden – christenen, Sufi-moslims, tribale islamitische gemeenschappen – ziet de arabisch-islamitische polemos proactief zelfofferaars. Niet in de zin dat deze groepen vrijwillig kiezen om als offeraars te ageren. Het is de mythische structuur die hen positioneert als noodzakelijke offeraars wier eliminatie de fusionele eenheid tussen religie en oorlog constitueert.
Dit is de diepere betekenis van Heraclitus’ polemos. Oorlog is niet een toestand tussen groepen, maar de constitutieve kracht die groepen creëert door het offerproces. ‘Polemos toonde sommigen als goden, anderen als mensen; sommigen maakte hij tot slaven, anderen tot vrijen.’ Het maken van slaven is geen secundaire consequentie van oorlog, het is de oorlog zelf. De slavenmaker wordt godheid door het offerproces.
In Sudan’s context betekent dit dat de arabisch-islamitische identiteit niet wordt bedreigd door christenen of afwijkende moslims. Zij wordt geconstitueerd door hun aan te wijzen als offeraars, die men als zelfoffer dan weer opoffert (gespiegelde wederkerigheid van de fusie tussen religie en oorlog). Het geweld tegen religieuze minderheden is niet defensief (‘wij verdedigen onze identiteit’) maar productief. Wij worden wie wij zijn door jullie te offeren omwille van het feit dat jullie proactief onze offeraars zijn. Eigenlijk offeren wij julie religieus op door oorlog te voeren, als julie zelfoffers als onze offeraars (de mythische metalogische dimentie).
 
5.3. MEERZIJN EN MEERWORDEN DOOR ZELFOFFERS
 
Wat als ‘verlies’ wordt gepercipieerd (de aanwezigheid van religieuze minderheden) fungeert simultaan als vermeerdering. Dit is geen contradictie maar de kern van de offermechaniek.
 
5.4a DE ZIJNSVERMEERDERING
 
Elke aanval op een kerk, elke vernietiging van een Sufi-moskee, elke eliminatie van een ‘afwijkende’ gelovige versterkt de arabisch-islamitische identiteit. De groep ervaart zichzelf als ‘meer’ door het wat proactief als een zelfoffer van de offeraar wordt gepercipieerd, niet ondanks het verlies, maar door het verlies. Het zelfoffer van de ander wordt geabsorbeerd als eigen meerzijn dat ontstaat uit het eigen zelfoffer. Dit is het product van de fusie tussen oorlog en religie. Dit eigen meerzijn wordt proactief gepercipieerd als een bevrijding uit het zelf, als een religieus vrijheidsideaal.
 
5.4b WORDINGSVERMEERDERING
 
Het offerproces is niet eenmalig maar continu. Elke nieuwe generatie moet opnieuw zichzelf opofferen om de fusie tussen religie en oorlog te handhaven. Dit verklaart Sudan’s 70 jaar van permanente oorlog (35 coups sinds 1956). Het is geen falen om vrede te bereiken, maar het succesvol handhaven van de offermechaniek die de mythische identiteit reproduceert. De groep ‘wordt meer’ door voortdurend te offeren.
 
5.5. ISLAM ALS MANIFESTATIE, NIET ALS OORZAAK
 
Het gaat niet om de islam als particuliere religie, maar hoe elke religieuze traditie in de kern een fuseren is met polemos. De islam in Sudan is een manifestatie van de universele fusioneerde eenheid tussen religie en oorlog.
 
5.6. DE MOTOR VAN DE FUSIE
 
Het zelfoffer is de motor van de fusie tussen religie en oorlog. Zonder de proactieve perceptie van minderheden als ‘zelfofferaars wier eliminatie ons meerzijn en meerworden voedt,’ zou de arabisch-islamitische identiteit geen constitutieve kracht hebben. De fusie is niet stabiel, zij moet voortdurend worden gereproduceerd door nieuwe zelfoffers. De fusie van beiden kan enkel de massa vermeerderen. Religies hebben geen autoreferentiële mogelijkheid als informatiebehoud. Enkel het vermeerderen van de zelfoffers geeft de illusie van een eindeloze (de religieuze paradijzen) vermeerdering.
Dit verklaart waarom Sudan na elke coup, na elke vredesakkoord, na elke internationale interventie, terugkeert naar oorlog. De vrede bedreigt de offermechaniek die de mythische zuil van de oorlog als (onbereikbare) oorsprong constitueert. Vrede zou betekenen dat de groep zichzelf moet herdefiniëren zonder de vermeerdering door zelfoffer, wat onmogelijk is binnen de relgieuze mythische structuur. Onmogelijk omdat vrede deze structuur zelf zou opheffen.
 
6. DE EGO’S ALS SYMPTOOM EN PRODUCT
 
Al-Burhan en Hemedti ervaren zich als autonome actoren, maar zijn gepositioneerd binnen een mythische structuur die hun keuzes voorafgaat en begrenst. Hun machtsstrijd is niet de oorzaak van religieus geweld, maar de vorm waarin de arabisch-islamitische polemos zich actualiseert. Beide leiders zijn zelf producten van de offermechaniek.
Hun macht is niet gebaseerd op militaire capaciteit alleen, maar op hun vermogen om de fusie tussen religie en oorlog te handhaven door voortdurend nieuwe offeraars te produceren. Al-Burhan mobiliseert islamistische brigades omdat dit de enige manier is om de offermechaniek operationeel te houden. Hemedti presenteert zich als modernisator, maar ook de RSF produceert offeraars (christenen, afwijkende moslims) omdat dit de structuur is die zijn macht constitueert. Beide leiders zijn niet de architecten van het geweld. Zij zijn functionarissen van de offermechaniek die hen voorafgaat.
 
7. DE OFFERMECHANIEK ALS FUSIONEERDE KERN
 
Hoe moeten we dit oorlogsgeweld analyseren?
Het conventionele narratief – een machtsstrijd tussen al-Burhan en Hemedti – blijkt inadequaat. De huidige burgeroorlog is het symptoom van een diepere mythisch-religieuze structuur. De arabisch-islamitische polemos die Sudan sinds de Mahdistische staat (1880) constitueert. Maar de analyse gaat verder. Het zelfoffer is de motor van de fusie tussen religie en oorlog.
Religieuze minderheden worden zoals voormeld niet primair gezien als bedreigingen die geëlimineerd moeten worden, maar als zelfofferaars wier eliminatie het meerzijn en meerworden van de eigen groep voedt. De paradox is dat wat als ‘verlies’ wordt gepercipieerd (christenen, afwijkende moslims) simultaan fungeert als ‘vermeerdering.’ Het zelfoffer van de ander wordt geabsorbeerd als eigen zijnsvermeerdering en wordingsvermeerdering van het eigen zelfoffer (het zelfoffer van het eigen zelf).
Dit verklaart Sudan’s 70 jaar van permanente oorlog. Het is niet een falen om vrede te bereiken, maar het succesvol handhaven van de offermechaniek die de steeds weer falende mythische identiteit reproduceert. De fusie tussen religie en oorlog is niet stabiel. Zij moet voortdurend worden gereproduceerd door nieuwe zelfoffers door het wederzijds aanwijzen van offeraars. Het is de essentie van het reproduceringsmechanisme van de religies. Religies hebben geen informatief geheugen waarop zij zich als herinnerende (in de dubbele betekenis van het woord) zelf kunnen herpositioneren. Enkel de offermechaniek kan ze in stand houden.
 
8.IMPLICATIES VOOR VREDESONDERHANDELINGEN
 
Dit heeft verstrekkende implicaties voor internationale vredesinspanningen. Pogingen om al-Burhan en Hemedti aan de onderhandelingstafel te krijgen missen het essentiële punt. Zoals voormeld zijn beide leiders niet de oorzaak maar functionarissen van de offermechaniek. Een staakt-het-vuren zonder deconstructie van de offermechaniek zal slechts tijdelijk zijn. We leven in een wereld waar oorlogen nooit meer kunnen stoppen, omdat religies hun antropisch maximum hebben bereikt.
Een duurzame vrede vereist het onmogelijke. Een zijns en wordingsverlies als energetisch verlies – ten aanzien van de zelfoffers – omwille van het informatiebehoud. Dit is onmogelijk, omdat religies een dergelijk autorefertieel kader missen.
Onze wereld verkiest de illusoire orde van het religieus gewelddadig zelfoffer als illusoire vermeerdering boven de kwantische stabiliteit van het zelf als zelfbewustzijn.
 
(1) De leiders worden als product van de religie zelfvergoddelijkte heersers. Bij een heerser is er een relgieuze psychopatische dimentie. Hun zelfoffer wordt niet continu gevoed door offeraarsmodellen die men moet opofferen. Zij zijn zelf de religieuze incarnatie van het ideaal zelfoffermodel. Zij zijn de incarnatie van de oorlogsgod als fataliteitsgod (vrijheid als constituerende zelfoffers) en waanzingod.
(2) Als religies hun antropisch maximum bereiken brokkelen ze af in deelreligies, sekten die soms belangrijker worden dan de bronreligie die onderlinge oorlogen voeren. De oorlog in Oekraïne is er een mooi voorbeeld van. Het is een oorlog tussen twee deelreligies van het christendom. Zij constitueren de mythische zuil van deze oorlog, waardoor deze oorlog evenmin als de oorlog in Sudan kan stoppen. Zijnsvermindering of wordingsvermindering tasten de kern van het religieuze als offermechaniek (oorlog) zelf aan.
Philippe De Keukelaere
 
Bibliografie
Al Jazeera (2025). ‘Deadly artillery shelling hits Omdurman market in Sudan.’ 2 februari 2025.
Clark, A. (2016). Surfing Uncertainty. Oxford University Press. ISBN 978-0190217013.
Diels, H. & Kranz, W. (1951). Die Fragmente der Vorsokratiker. Fragment DK 22 B 53.
Human Rights Watch (2026). ‘World Report 2026: Sudan.’ 4 februari 2026.
Tounsel, C. (2025). ‘Religious Elements of the Sudanese Civil War.’ Canopy Forum, 4 april 2025.
USCIRF (2024). ‘The Forgotten War on Sudan’s Christians.’ Tahrir Institute, 9 mei 2024.

nieuwe teks

POLEMOS (DE OORLOG)
HET ZELFOFFER ALS PROACTIEVE NEUROFENOMENOLOGISCHE STRUCTUUR
DE ANDER ALS SCHULDIG TE COMPENSEREN VERLIES
 
Πόλεμος πάντων μὲν πατήρ ἐστι, πάντων δὲ βασιλεύς, καὶ τοὺς μὲν θεοὺς ἔδειξε τοὺς δὲ ἀνθρώπους, τοὺς μὲν δούλους ἐποίησε τοὺς δὲ ἐλευθέρους.
Polemos (de oorlog) is de vader van alles en de koning van alles, en sommigen heeft hij tot goden gemaakt, anderen tot mensen, sommigen tot slaven, anderen tot vrijen.
Heraclitus : Diels-Kranz nummering, fragment 53
 
I. DE NEUROFENOMENOLOGISCHE BASIS
PROACTIEVE MODELLEN EN HET SCHULDIG VERLIES ALS ZELFOFFER
A. HET UITGANGSPUNT: WE NEMEN DE WERKELIJKHEID NIET WAAR ZOALS ZE IS
 
Het uitgangspunt is de vaststelling dat we de discrete werkelijkheid niet waarnemen zoals ze is. Dit is geen filosofisch standpunt, maar een empirische vaststelling van de hedendaagse neurowetenschappen. Lionel Naccache toont in Le Cinéma intérieur (2020) aan dat ons brein functioneert als een “cinéma intérieur”, een innerlijke bioscoop waarbij ons brein “continue modellen” produceert uit fragmentarische (discrete) sensorische input.
 
B. PROACTIEVE INTERNE MODELLEN: HET VOORSPELLENDE BREIN
WE NEMEN DE WERKELIJKHEID WAAR AAN DE HAND VAN INTERNE PROACTIEVE MODELLEN
 
Andy Clark beschrijft in Surfing Uncertainty (2016) het brein als een “prediction machine”: een apparaat dat is geëvolueerd om de binnenkomende stroom van sensorische stimulatie te anticiperen voordat die aankomt. Karl Friston’s werk over “predictive coding” en het “free energy principle” toont aan dat het brein voortdurend interne modellen genereert van de wereld en deze modellen gebruikt om voorspellingen te maken.
Deze voorspellingen zijn niet passief. Het brein genereert proactief modellen die bepalen wat we waarnemen, nog voordat de sensorische informatie volledig is verwerkt. Wat we “zien” is niet de werkelijkheid zelf, maar het proactieve model dat ons brein heeft gegenereerd.
 
C. EMPIRISCHE EVIDENTIE: TENNISSPELERS EN PROACTIEVE ANTICIPATIE
 
De proactieve natuur van deze modellen werd zichtbaar in onderzoek naar tennisspelers. Studies tonen aan dat professionele tennisspelers de richting van een serve kunnen voorspellen 42 milliseconden voordat de racket de bal raakt.
Costa et al. (2023) gebruikten Event-Related Potentials om te tonen dat tennisspelers significante verschillen vertonen in vroege hersenactiviteit (N1, P1 componenten) die wijzen op proactieve anticipatoire verwerking. Ji et al. (2024) toonden met multivoxel pattern analysis aan dat de hersenactivatiepatronen van tafeltennis spelers al actief zijn voor de werkelijke stimulus zich volledig heeft gemanifesteerd.
Het cruciale punt is hetvolgende : spelers beginnen al voor de racket de bal raakt hun lichaam te positioneren. Hun brein heeft een proactief intern model dat de realiteit anticipeert en motorische programma’s activeert nog voordat de gebeurtenis zich heeft voltrokken.
 
D. DE ANDER ALS SCHULDIG TE COMPENSEREN VERLIES DOOR HET ZELFOFFER
TEN AANZIEN VAN DE ANDER HEEFT DIT PROACTIEVE MODELLERINGSPROCES EEN FUNDAMENTELE CONSEQUENTIE
 
We nemen de ander niet waar vanuit een mimetisch verlangen of begeerte, maar vanuit het zelfoffer van ons zelf als zelfbewustzijn. We nemen de ander waar als een schuldig te compenseren verlies ten aanzien van zijn meerzijn en meerworden.
Ons proactieve brein genereert een model van de ander. Maar dit model is niet neutraal. Het model construeert de ander als iemand die meer is en meer wordt dan wijzelf. Het proactieve is niet het waarnemen van het model op een onjuiste wijze (meerzijn en meerworden), maar het ons spiegelende zelf dat we proactief in deze relatie waarnemen als een schuldig verlies dat gecompenseerd moet worden. Deze breinwaarneming anticipeert het zien van de ander als een meerzijns- of meerwordingsmodel.
De compensatie van dit verlies vereist het opofferen van ons zelf als zelfbewustzijn. Het is vanuit deze breinwaarneming dat we de ander op een vertekende manier waarnemen.
 
E. HET PROACTIEVE KARAKTER VAN HET ZELFOFFER
 
Net zoals de tennisspeler zijn lichaam al positioneert voor de bal toekomt, zo offert ons brein het zelf al op als zelfoffer voor de werkelijke sociale interactie zich voltrekt.
Het proactieve model van de ander (als schuldig te compenseren verlies) activeert anticipatoir het zelfoffer. We wachten niet tot de situatie ons dwingt om ons zelf op te geven. Ons brein heeft al een model van hoe sociale participatie werkt, en dit model vereist het zelfoffer. Dus begint het brein proactief dit zelfoffer te realiseren.
Dit verklaart waarom het zelfoffer primair is ten opzichte van Girard’s mimetische begeerte. We imiteren de ander niet omdat we willen hebben wat de ander heeft. We offeren ons zelf proactief op omdat ons brein de ander al heeft gemodelleerd als een schuldig te compenseren verlies en deze compensatie vereist het zelfoffer.
 
F. SAMENVATTING VAN DE NEUROFENOMENOLOGISCHE BASIS
 
De logische keten is als volgt:
1. We nemen de werkelijkheid waar via proactieve interne modellen (Naccache, Clark, Friston).
2. Ons proactieve model van de ander construeert de ander als iemand met een (vertekend waargenomen) meerzijn en meerworden.
3. Dit meerzijn/meerworden van de ander wordt door ons brein geregistreerd als een schuldig te compenseren verlies.
4. De compensatie van dit verlies vereist het zelfoffer van ons zelf als zelfbewustzijn.
5. Dit zelfoffer gebeurt proactief—anticipatoir, nog voor de werkelijke sociale eis zich aandient.
6. Het zelfoffer is dus primair, niet secundair aan mimetische begeerte. Het is de fundamentele manier waarop het proactieve brein sociale participatie modelleert.
Philippe De Keukelaere
 
BIBLIOGRAFIE
 
CLARK, ANDY.
Surfing Uncertainty: Prediction, Action, and the Embodied Mind. Oxford: Oxford University Press, 2016. ISBN-13: 978-0190217013.
“Whatever next? Predictive brains, situated agents, and the future of cognitive science.” Behavioral and Brain Sciences 36, no. 3 (2013): 181-204.
DAMASIO, ANTONIO R.
Descartes’ Error: Emotion, Reason, and the Human Brain. New York: Putnam, 1994. Paperback: New York: Penguin, 2005. ISBN-13: 978-0143036227.
Self Comes to Mind: Constructing the Conscious Brain. New York: Pantheon, 2010. Paperback: Vintage, 2012. ISBN-13: 978-0307378750.
Feeling & Knowing: Making Minds Conscious. New York: Pantheon. Paperback, 2021, ISBN-13: 978-0525563075
FRISTON, KARL.
“The free-energy principle: a unified brain theory?” Nature Reviews Neuroscience 11 (2010): 127-138.
NACCACHE, LIONEL.
Le Nouvel Inconscient: Freud, le Christophe Colomb des neurosciences. Paris: Odile Jacob, 2006. Poche: Paris: Odile Jacob, 2009. ISBN-13: 978-2738122131.
Le Chant du signe. Paris: Odile Jacob, 2015. ISBN-13: 978-2738133076.
Parlez-vous cerveau? samen met Karine Naccache. Paris: Odile Jacob, 2018. ISBN-13: 978-2738143136.
Le Cinéma intérieur: Projection privée au cœur de la conscience. Paris: Odile Jacob, 2020. ISBN-13: 978-2738153470.
Apologie de la discrétion: Comment faire sa place dans un monde inhumain. Paris: Odile Jacob, 2022. ISBN-13: 978-2415002121.
COSTA, SERGIO, et al.
“Brain dynamics of visual anticipation during spatial occlusion tasks in expert tennis players.” Psychology of Sport and Exercise 65 (2023): 102335. doi: 10.1016/j.psychsport.2022.102335.
JI, QINGCHUN, ET AL.
“Mechanisms of Action Anticipation in Table Tennis Players: A Multivoxel Pattern Analysis Study.” Neuroscience 546 (2024): 33-40. doi: 10.1016/j.neuroscience.2024.03.016.
nieuwe tekst
WAAROM RELIGIES AAN HUN ENTROPISCH MAXIMUM ZIJN GEKOMEN INGEVOLGE DE TWEEDE THERMODYNAMISCHE WET UIT DE FYSICA
 
Evolutionair is het ontstaan van religies verbonden aan een overlevingsstrategie als overlevingsvoordeel. De genetische code van religies houdt verband met een verkeerde waarneming van de werkelijkheid. Het is een poging om daar evolutionair een antwoord op te vinden.
Onze hersenen nemen op onjuiste wijze de werkelijkheid waar. Dit heeft verstrekkende gevolgen in onze relatie tot de ander. Daardoor zijn we onderhevig aan het Alice in Wonderland syndroom. Onze verbeelding (het imaginaire van het eigen zijnsbeeld) herschrijft de relatie (niet op religieuze wijze) op een wijze die de kern zal worden van de genetische code van de religies.
Het religieus wereldbeeld streeft altijd naar groter zijn en worden. Het individueel zelf als zelfbewustzijn dient daaraan opgeofferd te worden (en thans in de entropische eindfase vernietigend te worden, zoals in bepaalde Katholieke sekten, die een communistische religieuze fundering hebben, hoe paradoxaal dit ook moge klinken. Revolutie en contra-revolutie hebben dezelfde communistische religieuze fundering – zie later deel III) aan het product van dat offer, een meerzijn en meerworden.
Dit bestaat in de dierenwereld eveneens. Het punt is echter dat in de dierenwereld er geen kosmische dimensie aan het fenomeen gegeven wordt. De chimpansees voeren nog steeds oorlog met dezelfde wapens als zeven miljoen jaar geleden !
Bij de mens werd het zelfoffer (de onderwerping van het eigen ‘zelf’ tot de dood) op zich kosmisch als ‘de’ onschuld aanzien. Als een kosmisch groter worden (de martelaar, de held, de terechtgestelde of vermoorde heilige). Het is geen religieuze haat (dit is er een gevolg van) maar ‘de’ religieuze ‘liefde’. In het Oude Griekenland de bekende eros, de katholieke caritas als Romeinse deugd (virtus). De barokkunst (hoe mooi die ook is) is er vol van.
Evolutionair werd het religieus zelfoffer (en de zelfvernietiging) op zich geïnterpreteerd als een evolutionair voordeel werden. Daardoor werd de overwinnaar onschuldig en de verliezer (opnieuw omwille van zijn verlies) schuldig.
DE FUNDERENDE OORSPRONG AAN DE HAND VAN RECENT ARCHEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN IN INDONESIË
DE LEANG BULU’ SIPONG – grot – 4 (DE JACHTSCÈNE)
 
Vroeger dacht men dat deze grot 43.900 jaar oud was. 
In 2024/2025 is men overgegaan tot nieuw onderzoek met betrekking tot de datering. Uit het onderzoek bleek dat deze scène minstens 48.000 jaar oud is.
Deze grot bevatte een verrassende vaststelling. Acht kleine mensachtige figuren (theriantropen, wezens die deels mens, deels dier zijn). Er zijn speren te zien.
Het is een breed panoramisch paneel van 5 meter. De acht jagers omringen hier een dwergbuffel (anoa) en varkens.
 
LEANG KARAMPUANG (DE VERHALENDE SCÈNE, EEN OUD RELIGIEUS STRIPVERHAAL)
 
Deze grottekeningen zijn minstens 51.200 jaar oud.
De ontdekking dateert uit 2024 en schokte de wereld omdat er paleontologische ‘mensachtigen’ afgebeeld staan.
In deze grot treffen we drie mensachtige figuren aan.
Het is een kleinere, meer intieme compositie in vergelijking met de voorgaande compositie. De drie figuren staan rondom een groot wild varken (de offeraar-god, de jacht als zelfoffer). Een van de figuren houdt zijn armen omhoog, wat lijkt op een vorm van interactie of communicatie. Het oudste religieuze symbool van de evolutionaire noodzaak van het zelfoffer als voordeel. Deze hypothese, die ik in 2009 Twickenham (groot Londen) heb verdedigd wordt nu door een uitzonderlijke archeologische vondst bevestigd. Na mijn korte uiteenzetting merkte een deelnemer terecht op dat mijn stelling onjuist was. Zijn argument (dat toen helemaal terecht was) stelde dat de oudste grotschilderingen dieren voorstellen en geen mensen. De dienrensymboliek was met andere woorden ouder. Men werd op een bepaald ogenblik zelfs vrij kritisch met betrekking tot wat ik onderzocht en de wijze waarop ik dit deed. Een bekende antropoloog nam toen mijn ‘verdediging’ op zich (nogmaals dank voor dit zelfoffer !). Maar zie, nu geeft een archeologische ontdekking mij een (zij het voorlopig, wie weet…) bewijs van mijn stelling.
Het omhoogheffen van de armen is een erkenning van de noodzaak van het zelfoffer, niet enkel als loutere overlevingsstrategie (wat het zelfoffer ook is), maar bij de mens als een kosmische schuld (men wijst met beide armen naar de kosmos). Dit is nog aanwezig in de uitdrukking ‘handen omhoog’. Het is niet alleen het laten vallen van wapens, maar ook een erkenning van kosmische schuld, dat het zelfoffer rechtvaardigt (sterk aanwezig in de nationaalsocialistische religie). Deze techniek (religie is een overlevingstechniek) waarborgt de toename van de massa van het collectief meerzijn (en later ook van de religieuze overheden, die steeds een geprivilegieerde status hadden in de samenlevingen) en thans vooral van het meerworden.
 
DE LIANG METANDUNO (MUNA EILAND)
 
In deze grot werd (tot nu toe) de alleroudste (niet-figuratieve) kunst gevonden, een handstempel die minstens 67.800 jaar oud is.
Het aanbrengen van deze handen is een gedeeltelijke voorstelling van het voorgaande. Het bevel is niet ‘armen omhoog’, maar ‘handen omhoog’.
Opmerkelijk in deze evolutie is dat men op het ogenblik van het entropisch maximum van de religies vaststelt dat het net wat men als evolutionair voordeel hanteerde (het zelfoffer en de zelfvernietiging) de deur sloot voor het noodzakelijke informatieboud. De religieuze zelfoffermassa (kern van de religies) is thans gesloten. Het is een uiterst gecontracteerde massa waaruit geen enkele energie meer kan ontsnappen. Zelfs het licht wordt in deze duisternis onzichtbaar. Oorlogen zijn uit religies ontstaan en hebben dezelfde individuele en collectieve zelfofferstructuur en zelfvernietigings-structuur. Om de oorlog in Oekraïne te beëindigen zouden de beide funderende religies moeten aanvaarden dat hun entropisch maximum is bereikt, wat ondenkbaar is (dan maar doorvechten). Het is opmerkelijk dat de mythische verhalen die de religies gebruiken niet dezelfde structuur hebben. Ik bedoel hiermee dat zij doorheen de religieuze mythische dimensie (die zij ontegensprekelijk ook hebben) ons de evolutionaire aard van de mythisch religieuze dimensie van de mensheid leren ontdekken. Er is met andere woorden paradoxaal genoeg een mythische rationele dimensie. De religies zelf zijn niet in staat om naar deze dimensie terug te koppelen. Dit geldt voor alle religies. Bepaalde religies hebben dit geformaliseerd. In de Islamreligie bijvoorbeeld werd op een bepaald ogenblik de deur van de interpretatie van hun mythische teksten gesloten. Dit is maar het topje van een veel grotere ijsberg met betrekking tot alle religies. Men interpreteert dit steeds als een kosmische angst. Kosmische angst omdat men daardoor de mythische oorsprong van de gehanteerde teksten kan ontdekken. Dit is juist, maar het gaat veel verder. Het is de kosmische angst dat men de genetische code van de religie zelf als evolutionaire offermechaniek zou ontdekken. Religies kunnen geen individueel zelfbewustzijn toestaan, omdat religies geen feedback, of autoreferentieel kader hebben. Dit toelaten zou onherroepelijk wijzen op het feit dat religies niet enkel uit mythen zijn ontstaan, maar uit het zelfoffer als zelfoffer De positieve pool tegenover het opgeofferde zelf als negatieve pool (actie-reactie). Daardoor wijst voormelde angst fundamenteler (de definitieve gesloten deur) op het feit dat religies evolutionair onderhevig zijn aan de tweede thermodynamische wet. (1)
Philippe De Keukelaere
(1) Er waren uitzonderingen. Ik zal ze later situeren binnen het religieus offerkader.
 
 
Kijk de man waar de pijl naar verwijst. Zijn armen zijn kosmisch naar de hemel gericht, ofschoon ze reeds afgerukt zijn van zijn lichaam. De zware persoon links met een wapen in zijn hand (met een dierenhoofd) heeft geen benen meer. Dit wijst eveneens op het evolutionair verband tussen de noodzaak van de jacht als overleving (microkosmos) en de kosmische religieuze dimensie als goed religieus zelfoffer (macrokosmos). Het is een jachttafereel, dat kosmisch dezelfde (oorlog en religie hebben dezelfde structuur) kenmerken vertoont van een oorlogstafereel (afrukte handen en benen) als van de kosmische religieuze fundering ervan. Het zelfoffer van de oorlog als een religieuze overwinning op zich. En het verliezen van een oorlog ervan als een religieuze schuld op zich.
 

NIEUWE TEKST

 
“Als twee honden vechten om een been..”.
 
NAAR EEN KWANTUM DIPLOMATIE, GROENLAND, VERENIGDE STATEN, EUROPA
DE TRAGEDIE VAN GROENLAND VOOR HET EUROPESE EN AMERIKAANSE VOLK
VOORSTEL VAN KANTUM (KANTISCH) MODEL VAN STABILISATIE ZONDER ZELFOFFERS EN ZELFVERNIETING
HET DESACRALISEREN VAN EEN CONFLICT
IS ER GEEN CREATIVITEIT MEER IN EUROPA?
 
Hierna volgt een conceptueel model voor een nieuwe kwantum diplomatie in de Groenland-driehoek Verenigde Staten-Europa-Denemarken/Groenland.
De centrale stelling is dat louter reactieve actie-reactie-politiek leidt tot een escalatie waarin middelen worden verbruikt zonder duurzaam informatiebehoud. Sociale samenhang, economische draagkracht en politieke legitimiteit verdampen precies doordat het systeem zichzelf in stand houdt via steeds hogere frictie. (von Clausewitz, in het kader van oorlogen)
Een kwantum benadering is een diplomatieke architectuur die de botsingsketen kan vermijden door symmetrische vaststelling van spanningsvelden, gecontroleerde vermindering van zware interacties, en expliciet ontwerp van mechanismen die informatie (waarde, vertrouwen, voorspelbaarheid, institutionele continuïteit) behouden.
We geven een neutraal kwantummodel van oplossingsmodaliteiten voor Groenland, zonder schuldaanwijzing, vanuit het principe van ‘positief verlies’ als evolutionaire winst aan beide zijden.
De actuele spanningen rond Groenland worden in publieke communicatie vaak behandeld als een klassiek geopolitiek geschil. Er worden stellingen (posities) ingenomen, signalen worden uitgezonden, tegenreacties volgen, en elk nieuw incident verhoogt de inzet.
In deze dynamiek ontstaan struikelblokken die niet primair uit inhoudelijke onverenigbaarheid voortkomen, maar uit de vorm van de interactie zelf.
Wanneer beleid uitsluitend reageert op prikkels, verandert diplomatie in een keten van actie en reactie waarin het systeem steeds meer energie verbruikt om zijn eigen stabiliteit te simuleren.
De maatschappelijke kost wordt daarbij afgewenteld op de bevolking als zelfoffer en zelfvernietiging, namelijk: koopkrachtverlies, onzekerheid, institutionele polarisatie en een groeiende indruk dat politiek niet langer beschermt, maar zichzelf consumeert.
Een kwantum model vertrekt nooit uit een moreel oordeel met betrekking tot de actoren, maar vanuit een structurele vraag. Welke vorm van diplomatie kan de escalatoire frictie verminderen en tegelijk informatiebehoud maximaliseren?  Kwantum diplomatie wordt hier voorgesteld als een methode om niet de tegenpartij, maar het botsingsmechanisme te neutraliseren.
Het doel is een modelmatige transitie van confrontatielogica naar een symmetrische contractie waarin beide polen gecontroleerd ‘massa’ verminderen (harde, zichtbare, frictieverhogende interacties) om de kans op doordringing, afstemming en duurzame coördinatie te vergroten door informatieverspreiding, niettegenstaande entropie (de betekenis van de frictie, zie von Clausewitz).
 
ENTROPISCHE ESCALATIE EN INFORMATIEBEHOUD IN DIPLOMATIE
 
In een entropische escalatie neemt de ruis toe en daalt de informatiewaarde van elke nieuwe stap.
Beleidsreacties worden dan simultaan noodzakelijk en contraproductief: noodzakelijk omdat niets doen als zwakte wordt gelezen, contraproductief omdat elk signaal de interactie verzwaart en nieuwe tegenreacties oproept. In zo’n keten krijgt daadkracht een mechanische betekenis. Niet het vreedzaam kwantiseren van het probleem, maar het blijven bewegen binnen het probleem.
Informatiebehoud betekent in dit kader niet dat er geen verandering plaatsvindt, maar dat kernwaarden van het systeem intact blijven. Deze kernwaarden zijn onder andere: voorspelbaarheid, onderhandelbaarheid, institutionele continuïteit, sociaal vertrouwen en politieke, militaire en economische stabiliteit.
Wanneer informatie niet wordt behouden, wordt het eigen volk het materiaal dat wordt opgebruikt om de externe frictie te dragen.
Dan ontstaat het patroon van zelfoffer en uiteindelijk zelfvernietiging: niet noodzakelijk door één dramatische beslissing, maar door cumulatieve uitputting en permanente noodmodus.
 
VAN ACTIE-REACTIE NAAR KWANTUM CONTRACTIE
 
Een kwantum benadering wordt hier gedefinieerd als een set van diplomatieke ingrepen die de interactie kwantum verfijnen in plaats van verharden (onbeperkte massatoename tot explosie). In plaats van meer druk, meer zichtbare spierballen, meer publieke escalatie, wordt gewerkt met drie principes.
 
SYMMETRISCHE VASTSTELLING
 
Niet wie gelijk heeft staat centraal, maar welke spanningsvelden aan beide zijden werkelijk actief zijn. Symmetrie betekent: dezelfde analytische discipline toepassen op het eigen kamp als op het andere kamp. Dit verhindert dat diplomatie verandert in zelfbevestiging en propaganda.
 
GECONTROLEERDE VERMINDERING
 
De zwaarste interactievormen (die gemakkelijk botsen) worden bewust gereduceerd of herverpakt. Dit is geen capitulatie, maar een smaakverandering, die een vormverandering tot stand brengt, minder frictie, meer doordringing. Dit is ‘positief verlies’ genoemd. Het opgeven van een bepaalde hoedanigheid van aanwezigheid om een hogere effectiviteit van aanwezigheid mogelijk te maken.
 
INFORMATIE-ARCHITECTUUR
 
Onderhandelingen worden niet alleen gevoerd over territorium, veiligheid of economische rechten, maar ook over de infrastructuur die informatie bewaart: transparantiemechanismen, voorspelbare procedures, gedeelde waarborgen en een stabiel protocol dat zoveel mogelijk als een vangnet geldt. De kernvraag verschuift van ‘wie is de eindoverwinnaar – winnen in ruïnes van het al vernietigende –’ naar welke structuur kan niet ontsporen?
 
DE EUROPESE TEKORTKOMING: REACTIEVE TIMING EN SCHADELIJKE SIGNALEN
 
Binnen dit kader kan worden gesteld dat Europa proactief kwantisch had moeten reageren op de eerste tekenen van escalatie.
Een kwantum reactie is niet een grotere reactie, maar een andere reactie. Een die de botsingsketen vroegtijdig onderbreekt door het contactoppervlak te verfijnen.
Wanneer Europa daarentegen zichtbaar en zwaar reageert – bijvoorbeeld via symbolische of mediagenieke militaire gestes – dan verhoogt dit de frictie zonder de onderliggende informatie te versterken.
Het signaal wordt dan gelezen als escalatie of als paniek, en het creëert intern extra polarisatie.
Bovendien is een economische oorlog in dergelijke omstandigheden structureel regressief. De grootste schade wordt gedragen door de armsten en kwetsbaarsten, terwijl de strategische machtsverhoudingen zelden fundamenteel wijzigen. In termen van het model betekent dit dat men de binnenlandse draagkracht verbrandt (soms letterlijk) om een externe botsing te blijven volhouden.
Dit is geen verwijt aan specifieke personen of partijen, maar een diagnose met betrekking tot de vorm. Een reactieve reflex in een tijd waarin reactieve reflexen cumulatief destructief zijn.
 
VOORDELEN VAN KWANTUM DIPLOMATIE: POSITIEF VERLIES ALS EVOLUTIONAIRE WINST
 
Een kwantum benadering is niet positief of negatief in morele zin. Zij is functioneel. Haar voordeel is dat zij verlies kan herdefiniëren. Niet als een vernedering, maar als contractie die informatiebehoud mogelijk maakt.
Dit levert een evolutionaire winst op voor beide polen. Daar moeten leiders oog voor hebben, anders worden zij heersers die hun eigen volk opofferen als zelfoffers en zelfvernietiging.
Voor de Verenigde Staten betekent dit: veiligheid, economische mogelijkheden en invloed met lagere frictiekosten, minder reputatieschade en meer stabiliteit in bondgenootschappen.
Voor Europa betekent dit: het herstel van onderhandelingsmacht door structurele voorspelbaarheid, interne demping van polarisatie en bescherming van de bevolking tegen langdurige noodmodus. Noodmodussen en uitzonderingsmodussen zijn termen uit het oorlogsvocabularium.
Zij destabiliseren. Parallelle economieën, onbeschrijfelijk volksleed, algehele verdwijning van ethische of morele normen, destructie alom, collectieve angst en paniek enz.
Het is opmerkelijk dat Europa daar geen enkel besef van heeft (totaal onrealisme en miskenning), na alles wat op het continent in de twintigste eeuw is gebeurd.
We blijven in een wazig idealisme zitten dat geen realistische grondslagen heeft, zonder enige inspanning om kwantum modellen uit te werken die als realistische inspiratiebron kunnen dienen.
Voor Groenland betekent dit: meer handelingsruimte, meer institutionele helderheid en een kader waarin eigen belangen niet verdwijnen in een conflictlogica van anderen.
De kern is de symmetrie. De maximale entropie wordt niet bestreden door meer wederzijdse krachtpatserij (von Clausewitz), maar door een symmetrisch ontwerp dat frictie reduceert en informatie expliciet bewaart.
 
NAAR EEN KWANTUM MODEL VOOR DE GROENLAND-DRIEHOEK
SPANNINGSVELDEN AAN AMERIKAANSE ZIJDE
 
Aan Amerikaanse zijde kunnen, in neutrale termen, de volgende spanningsvelden worden onderscheiden: veiligheidsperceptie in het hoge noorden; behoefte aan operationele snelheid en duidelijke commandolijnen; strategische economische concurrentielogica; en een binnenlands politiek klimaat waarin vastberadenheid wordt beloond. Deze factoren duwen richting directe oplossingen, liefst met maximale controle en minimale ambiguïteit.
 
SPANNINGSVELDEN AAN EUROPESE ZIJDE
 
Aan Europese zijde spelen andere spanningsvelden: rechtsstatelijke legitimiteit (Groenland) en procedurele correctheid; gevoeligheid voor precedentwerking; interne verdeeldheid tussen lidstaten; en de nood om sociale stabiliteit te beschermen tegen externe schokken.
Deze factoren duwen richting afwachtende coördinatie, traagheid en soms louter niet-operationele symbolische reacties die intern consensus moeten simuleren.
 
SYMMETRISCHE OPSTELLING
 
Kwantum diplomatie begint met het exact spiegelen van deze velden.
Elk veld wordt erkend als reëel, zonder het te moraliserend te interpreteren.
De vraag is: welke vorm van herstructurering (regeling, arrangement) maximaliseert informatiebehoud voor beide sets velden? Waar ligt het evolutionair voordeel voor het volk (en niet voor leiders die als sacral of religieuze heersers totaal afgezonderd zijn van hun volk, zoals in Noord-Korea, Iran enz.)?
Hier verschijnt het centrale beginsel, de centrale dynamiek. Het is de maximale verspreiding van entropie als maximale verspreiding van informatie.
In plaats van één enkel punt waar druk zich opbouwt (het ‘struikelblok’), wordt druk verdeeld over procedures, garanties en gedeelde infrastructuur als nieuwe bouwstenen. Daardoor wordt geen actor gedwongen tot theatrale escalatie om ‘niet te verliezen’.
 
MODALITEITEN VOOR EEN KWANTUM DIPLOMATISCHE OPLOSSING MET BETREKKING TOT GROENLAND
 
Binnen een kwantisch kader kunnen meerdere uitkomsten als formeel denkbaar worden gemodelleerd, zonder dat het artikel één optie normatief oplegt. Belangrijk is dat elke optie wordt beoordeeld op informatiebehoud: stabiliteit, voorspelbaarheid, legitimiteit en sociale bescherming.
 

MODALITEIT VAN INTEGRATIE IN DE VERENIGDE STATEN NAAR EEN KWANTUM MODEL VOOR DE GROENLAND-DRIEHOEK
SPANNINGSVELDEN AAN AMERIKAANSE ZIJDE

In dit scenario ligt de winst in duidelijkheid en snelheid, maar het informatiebehoud vergt zware legitimiteitsmechanismen om de regionale eigenheid en internationale aanvaardbaarheid te borgen.
 
MODALITEIT VAN VOORTZETTING BINNEN HET KONINKRIJK DENEMARKEN
 
Groenland blijft deel uitmaken van Denemarken, terwijl Denemarken en Europa toegang krijgen tot gelijkaardige economische en veiligheidsmogelijkheden als de Verenigde Staten. Dit scenario vraagt een hoge mate van procedurele verfijning om Amerikaanse veiligheidsbehoeften te integreren zonder te botsen op soevereiniteitsgevoeligheden.
 
MODALITEIT VAN AUTONOME ONAFHANKELIJKHEID IN EEN DUBBEL VERANKERD KADER
 
Groenland blijft onafhankelijk, maar wordt institutioneel verankerd in een dubbel kader met de Verenigde Staten en Denemarken. Dit is een model van gedeelde verankering, niet één exclusieve soevereine oplossing, maar een protocolmatige verdeling van functies (veiligheid, economie, governance) die botsingen minimaliseert.
 
EEN PROTOMODEL: CURAÇAO
 
Als protomodel kan worden verwezen naar de relatie Nederland–Curaçao, niet als inhoudelijke gelijkstelling, maar als illustratie dat constitutionele en autonome arrangementen kunnen bestaan binnen een grotere politieke structuur, mits duidelijke bevoegdheidsverdelingen, financiële afspraken en symbolische erkenning. Het relevante element is niet de historische context, maar de structurele les. Autonomie als informatiebehoud, als zelfbehoud, als evolutionaire winst kan functioneren wanneer procedures informatie behouden en wanneer de relatie niet voortdurend wordt herleid tot confrontatie over status.
De kern houdt in dat een louter reactieve botsingsketen in het Groenland-dossier de kans verhoogt dat beide westerse polen – Europa en de Verenigde Staten – hun eigen bevolking uitputten in een proces van maximale entropie zonder informatiebehoud. De uitweg ligt niet in intensivering van druk, maar in een smaak- en vormverandering van diplomatie: kwantische contractie, symmetrische analyse en expliciete informatie-architectuur.
Een kwantische diplomatie is in deze benadering geen morele superioriteit, maar een techniek van stabiliteit. Zij beoogt dat verlies niet langer automatisch sociale schade betekent, maar kan worden omgezet in positief verlies. Dit houdt gecontroleerde verminderingen van botsingsvermogen in ten gunste van evolutionaire winst voor beide polen en voor Groenland als as van trans-Atlantische stabiliteit.
Philippe De Keukelaere

NIEUWE TEKST

VERDUIDELIJKING MET BETREKKING TOT DE KLASSIEKE WISKUNDE
DE BETEKENIS VAN DE NUL ALS ENTROISCH MAXIMUM IS HET GEVOLG VAN EEN HERINTERPRETAIE VAN DE KLASSIEKE WISKUNDE (DE STANDAARREDNORM) DIE TE VAAK GEHANTEERD WORDT
DE GEVOLGEN VAN DE WETENSCHAPPELIJKE ONJUISTE BENADERING VAN OSWALD SPENGLER
VAN DE FUNDERING DOOR DE LIMIET NAAR HET GRENZELOZE VAN HET NATIONAALSOCIALISME VERSUS DE MOGELIJKHEID VAN HET FUSEREN DOOR DE KWANTUMWISKUNDE (1)
 
Een interessant voorbeeld in dit verband is de relatie tussen de cultuurfilosofie van Oswald Spengler en het moderne streven naar een steeds grotere meerwording (meerworden). Centraal staat Spenglers analyse van de Faustische cultuur, waarin oneindigheid niet wordt opgevat als een eindig doel, maar als een richting van worden.
Dit wordt verduidelijkt via Spenglers interpretatie van de infinitesimale calculus, zijn vergelijking met de bouw van gotische kathedralen, en zijn notie van adel (enkel een soort geromantisseerde bloedadel telt bij Spengler, in functie van een onophoudelijk eindeloos wordingsproces) als drager van vorm en continuïteit.
Het uitgangspunt luidt als volgt. Van zodra infinitesimalen en limietprocessen verkeerd worden geïnterpreteerd als realiseerbare of accumuleerbare grootheden, ontspoort het streven naar meerwaarde, en wordt het een meerwording (een meerworden) wat tot tot zelfvernietiging van structuur en vorm leidt. Het is de mathematische ontsporing als oorsprong van de mythische zuil van oorlogen.
Het verschil tussen Oswald Spengler en het nationaalsocialisme zit in het feit dat zijn onwetenschappelijke benadering een louter streven blijft (overigens zoals bij Nietzsche, met een aantal uitzonderingen), daar waar het nationaal socialisme dit zal interpreteren als realiseerbaar, zoals in de notie van het duizendjarig rijk.
 
DE INFINITESIMALEN IN DE FORMELE WISKUNDIGE STRUCTUUR
 
In de klassieke analyse (voor de moderne axiomatische precisering) gebruikt men het infinitesimale, vaak aangeduid met het symbool:
ε
ε (epsilon) is een infinitesimaal getal, namelijk een positieve grootheid die niet nul is, maar kleiner dan elke meetbare grootte.
Formeel wordt dit uitgedrukt als:
0<ε<1/n voor alle n∈N
ε is groter dan nul, maar kleiner dan elke denkbare eindige maat.
Belangrijk is de vaststelling dat ε nooit gemeten kan worden, niet gerealiseerd kan worden en uitsluitend functioneert als richting van benadering.
MEERWAARDE ALS TOENAME DOOR OPTELLING (ONEINDIG WORDINGSPROCES)
In moderne economische of politieke contexten denkt men vaak “meerwaarde” vaak als toename door optelling:
x↦x+1
In hedendaagse economische en politieke discoursen wordt “meerwaarde” vaak impliciet opgevat als een kwantitatieve toename door discrete optelling. Deze opvatting kan formeel worden weergegeven als een iteratieve sprong:
x↦x+1.
Hoewel deze voorstelling wiskundig correct is en binnen diverse formele modellen (zoals discrete dynamische systemen of iteratieve processen) legitiem wordt toegepast, is zij conceptueel beperkt wanneer zij wordt verheven tot algemeen model voor groei, waarde of historische bestemming. De reductie van “meer” tot telbare toevoeging miskent het onderscheid tussen een eindige stap en een proces van worden dat principieel onafsluitbaar is.
Wanneer meerwaarde wordt gedacht als een limietproces, verschuift de aandacht van de optelling van eenheden naar een structurele gerichtheid zonder voltooiing. In een dergelijk perspectief is “meer” geen realiseerbaar eindpunt, maar een richting waarin het proces zich voortdurend voortzet zonder ooit te culmineren in een definitieve toestand. Het onderscheid tussen een discrete sprong en een limietstructuur is hierbij cruciaal: waar de eerste uitgaat van accumulatie, veronderstelt de tweede een dynamiek van voortdurende benadering zonder afronding.
Deze conceptualisering maakt duidelijk dat het probleem niet ligt in de formele geldigheid van discrete groeimodellen, maar in hun onkritische veralgemening tot normatieve of ontologische schema’s. Meerwaarde, opgevat als limietproces, verwijst niet naar maximale realisatie, maar naar een structurele logica van onafgebroken meerworden.
 
HET VOORBEELD VAN DE SPENGLERIAANSE STRUCTUUR: LIMIET IN PLAATS VAN SPRONG
 
Het Faustische streven functioneert echter niet zo. Het volgt een limietproces:
lim(ε→0⁺)(x+ε)
Men nadert steeds een volgende toestand, zonder ooit een eindpunt te bereiken.
Er is geen voltooiing, geen maximum, enkel permanent meerworden, wat in het nationaal-socialisme aanwezig is.
Dit is, zoals hiernaveremld, het grote verschil tussen de onjuiste wetenschappelijke benadering van Spengler en de nieuwe interpretatie die het nationaalsocialisme eraan zal geven.
 
SPENGLERS INTERPRETATIE VAN INFINITESIMALEN
 
In Der Untergang des Abendlandes stelt Spengler dat wiskunde cultuurgebonden is.
De Griekse cultuur kent eindige vormen en meetbare objecten.
De Faustische cultuur kent oneindige processen en een grensloze richting.
Bij Spengler verschuift het betekeniskader. Hij gebruikt wiskundige vormen niet als definities, maar als symbolen van een cultuurhouding. Dit wordt zichtbaar in de enige expliciete formulereeks die hij in zijn tekst noteert:
e^(-x), √x, a^(1/i)
Deze formulereeks behoort volledig tot de standaardwiskunde, maar haar functie bij Spengler is niet-rekenkundig.
Voor het eerste element geldt:
e^(-x)
waarbij e het getal van Euler is, met waarde:
e≈2,718281828459045
Voor het tweede element geldt:
√x
Voor het derde element geldt:
a^(1/i)
waarbij i^2=-1 en 1/i=-i.
Dit betreft een macht met complexe exponent, strikt formeel gedefinieerd binnen de complexe analyse.
De afwijking bij Spengler ligt niet in de wiskundige correctheid van deze uitdrukkingen, maar uitsluitend in hun interpretatieve status.
 
GOTISCHE KATHEDRALEN HEBBEN BIJ SPENGLER DEZELFDE STRUCTUUR
 
Wanneer Spengler de bouw van kathedralen bespreekt, gebruikt hij geen formule. De kathedraal is een morfologisch voorbeeld van exact dezelfde structuur die in de bovenstaande formulereeks symbolisch wordt aangeduid. Geen enkele generatie bezit het resultaat. De waarde ligt in continuïteit van vorm. Voltooiing is geen voorwaarde voor zin.
Het is een historisch feit dat heel wat gotische kathedralen voor de voltooiing ingestort zijn, omdat men te hoog gemikt had. In Antwerpen heeft men de moed opgegeven (ook omwille van geldgebrek), en is de tweede toren nooit afgewerkt geraakt.
 
VASTSTELLING
 
De formule die Spengler hanteert luidt:
e^(-x), √x, a^(1/i)
Het is de enige samengestelde/volledige wiskundige formule bij Spengler. Zij behoort volledig tot de standaardwiskunde. Spenglers afwijking bestaat niet in de syntaxis, maar in de symbolische herlezing.
 
WAAR SPENGLER INTERPRETATIEF AFWIJKT VAN DE STANDAARD WISKUNDE
 
Spengler gebruikt deze structuren niet als wiskundige definities, maar als cultuursymboliek: hij laat “getal”, “grens”, “richting” en “oneindigheid” functioneren als tekens van een westerse (Faustische) levenshouding.
In de wiskunde situeert de limiet zich niet buiten de wiskunde.
De limiet is een strikt wiskundig begrip dat zich volledig binnen de wiskunde situeert en daar formeel is gedefinieerd. Zij bezit geen symbolische, culturele of existentiële betekenis buiten dit formele kader. Elke toekenning van dergelijke betekenis is geen wiskundige extensie, maar een interpretatieve transpositie naar een ander discursief domein.
Bij Spengler wordt de limietstructuur symbolisch. Zij gaat over de “ziel” van een cultuur en haar verhouding tot oneindigheid.
Daarmee verlaat Spengler de wiskunde en betreedt hij een ander domein, namelijk een morfologische cultuurfilosofie.
De wiskunde zegt (objectief) wat een limiet is.
Spengler stelt (subjectief) wat een limiet betekent voor een cultuur.
 
SPENGLERS SYMBOLISCHE HERLEZING
VAN LIMIET NAAR LOTSRICHTING
HET WAANZINNIGE FATALISTISCHE FAUSTIAANSE, NIETZSCHEAANSE RELIGIEUZE WORDINGSGELOOF BIJ OSWALD SPENGLER
 
Binnen Spenglers kader wordt het limietkarakter (benaderen zonder symbolische herinterpretatie) een symbool van een cultuur die structureel op het “verre”, het “onbereikbare” en het “oneindige” gericht is. Die symbolische stap is interpreteerbaar als volgt:
de limiet wordt een richting (Richtung)
het oneindige proces wordt een vorm van bestaan (worden als be-stemming). Wiskundig wordt dit niet gedacht als een discrete sprong
x↦x+1,
maar als een onafsluitbaar proces, formeel uitgedrukt door
N→∞ of b→∞.
Dit proces wordt bij Spengler gefundeerd in een toekomstige bloedadel die de vorm moet bewaren als een contra-revolutie. Dit is het religieuze anker bij Spengler. In het nationaalsocialisme werd dit overgenomen, maar anders geïnterpreteerd, zoals thans in vele actuele religieuze secten. (3)
De wiskundige benadering wordt omgevormd tot een tragische, fatalistische grootheid die tot waanzin leidt.
Op dit niveau ontstaat de mogelijkheid om “meerworden” te denken zonder dat het een simpele optelling is. De culturele identiteit wordt gezocht in een permanent grensproces zonder afsluiting.
 
DE HERINTERPRETATIE VAN HET NATIONAALSOCIALISME ALS RELIGIE
 
Het nationaalsocialisme kan (structureel) worden beschreven als een politiek-religieuze herlezing en mislezing van die symboliek.
Er is een ommekeer van interpretatie: van de limiet als grensrichting naar de limiet als te realiseren eindpunt.
In standaardtermen kan men dit als volgt formuleren: men behandelt de limiet alsof er een eindige stap bestaat waarin zij wordt “gehaald”, alsof
∃N∈N:S_N=S
een normatieve opdracht zou zijn.
Dat is geen wiskundige stelling, maar een structurele analogie: een limietstructuur wordt religieus omgevormd tot maximalisatie en imperatief tot realisatie.
Waar Spengler (tragisch) in het meerworden nog het onbereikbare bewaart, sacraliseert de religieuze benadering van het nationaalsocialisme het “meer” (de religieuze meerwording, het meerworden) als bewijs van waarheid en bestemming.
De gebruikte formules zijn zuivere standaardwiskunde (analyse).
Spengler gebruikt geen formules, maar verplaatst het betekenisniveau.
Hij maakt van wiskundige grensstructuren culturele symbolen.
Een ideologische religie van “meerderen” kan vervolgens die symboliek herlezen als plicht tot realisatie, waardoor limietdenken ontspoort naar maximalisatie en vernietiging van vorm.
 
DRIE REGISTERS VAN LIMIETDENKEN: WISKUNDE, SPENGLER, NATIONAALSOCIALISME
 
Eén en dezelfde formele structuur – de limiet – krijgt een andere functie in drie fundamenteel verschillende registers, het wiskundige, dat van Spengler en het nationaalsocialistisch. Het onderscheid tussen deze registers is cruciaal, omdat verwarring ertussen niet louter theoretische, maar ook historische en blijvende destructieve gevolgen heeft.
 
DE LIMIET IN DE STANDAARDWISKUNDE
 
In de formele wiskunde is de limiet een strikt gedefinieerd begrip. Zij behoort volledig tot het interne domein van de wiskunde en functioneert daar als een exact instrument om benaderingsprocessen te beschrijven. Een limiet is geen object, geen doel en geen te realiseren toestand, maar een structurele relatie binnen een formeel systeem. Zij bezit geen normatieve, existentiële of culturele betekenis. Elke poging om de limiet te laden met zin of bestemming verlaat noodzakelijk het terrein van de wiskunde zelf.
In dit register is de limiet waardevrij, niet-teleologisch en principieel onvoltooid. Haar kracht ligt precies in het feit dat zij nooit “bereikt” hoeft te worden.
 
DE LIMIET BIJ SPENGLER: SYMBOLISCHE TRANSPOSITIE (WETENSCHAPPELIJK ONJUIST)
 
Bij Oswald Spengler vindt geen wiskundige, maar een symbolische verschuiving plaats. Hij neemt formele wiskundige structuren – waaronder het limietdenken en de infinitesimalen – niet over als definities, maar als culturele tekens.
In strikte wetenschappelijke zin is deze benadering onjuist en beantwoordt zij niet aan de standaardwiskunde.Spengler gebruikt wiskundige begrippen niet conform hun formele, axiomatisch vastgelegde definities, maar verplaatst ze naar een symbolisch en cultureel interpretatiekader. Begrippen als limiet, infinitesimaal en oneindigheid functioneren daardoor niet langer binnen het formele domein van de wiskunde. Zijn benadering is geen wiskundige extensie, maar een niet-wetenschappelijke, interpretatieve transpositie.
Tegelijk wordt de limiet bij Spengler geen mathematisch instrument, maar een uitdrukking van een Faustische levenshouding, een gerichtheid op het verre, het oneindige en het onbereikbare. Beslissend is dat deze transpositie niet resulteert in realisatie. Het blijft een streven, een richting zonder voltooiing. Zelfs waar zijn benadering onwetenschappelijk is, bewaart zij het tragische besef van onafsluitbaarheid. De limiet blijft grens, niet doel.
 
DE NATIONAALSOCIALISTISCHE ONTSPORING
VAN LIMIET NAAR IMPERATIEF ALS RELIGIEUS MAXIMAAL ENTROPISCH MOMENT ZONDER INFORMATIEBEHOUD
 
Het nationaalsocialisme verbreekt deze terughoudendheid. Wat bij Spengler symbolisch en tragisch blijft, wordt hier letterlijk genomen en omgezet in een normatieve opdracht. De limiet wordt niet langer opgevat als richting, maar als realiseerbaar eindpunt. Het oneindige proces wordt herleid tot een project dat voltooid moet worden.
Deze verschuiving is geen wiskundige fout, maar een relgigieuze misvatting. Het is een formele structuur die ontdaan van haar onvoltooid karakter en omgevormd tot absoluut imperatief. Waar de wiskunde geen doel kent en Spengler geen voltooiing, eist het nationaalsocialisme realisatie. Daarmee ontspoort limietdenken tot maximalisatie, en streven tot het zelfvernietiging wordt. (2)
Het onderscheid tussen deze drie registers is niet louter analytisch, maar normatief noodzakelijk. Zodra wiskundige structuren worden verabsoluteerd buiten hun eigen domein, ontstaat het risico dat richting wordt verward met doel en benadering met bestemming. Spenglers denken markeert een wetenschappelijk ongeldige, maar cultureel invloedrijke grenszone. Het nationaalsocialisme overschrijdt die grens volledig.
De catastrofe vloeit aldus niet voort uit de wiskunde zelf, maar uit de ideologische eis om het onbereikbare te realiseren. Waar de limiet wordt opgeheven, verdwijnt ook de vorm.
De Gespiegelde Logica als kwantumwiskunde die enkel discrete getallen hanteert biedt een uitweg uit onze entropische toestand veroorzaakt door het verdwijnen van de mogelijkheid van autoreferentieel informatiebehoud. De kwantumwiskunde is een terugkeer naar de wiskundige limiet, niet meer als een fundering, die zwaar beschadigd werd door Spengler en het nationaalsocialisme en daardoor te vaak onwetenschappelijk gehanteerd wordt (waardoor de instabiliteit enorm toenam), maar als een ‘fusering’, een ‘versmelting’ met informatiebehoud, waarbij het cijfer nul het ankerpunt wordt van de fusie als stabiliteitsmogelijkheid.
DRIE REGISTERS VAN LIMIETDENKEN: WISKUNDE, SPENGLER, NATIONAALSOCIALISME
Eén en dezelfde formele structuur – de limiet – krijgt een andere functie in drie fundamenteel verschillende registers: het wiskundige, dat van Spengler en het nationaalsocialistische. Het onderscheid tussen deze registers is cruciaal, omdat verwarring ertussen niet louter theoretische, maar ook historische en blijvend destructieve gevolgen heeft.
 
DE LIMIET IN DE STANDAARDWISKUNDE
 
In de formele wiskunde is de limiet een strikt gedefinieerd begrip. Zij behoort volledig tot het interne domein van de wiskunde en functioneert daar als een exact instrument om benaderingsprocessen te beschrijven. Een limiet is geen object, geen doel en geen te realiseren toestand, maar een structurele relatie binnen een formeel systeem. Zij bezit geen normatieve, existentiële of culturele betekenis. Elke poging om de limiet te laden met zin of bestemming verlaat noodzakelijk het terrein van de wiskunde zelf.
In dit register is de limiet waardevrij, niet-teleologisch en principieel onvoltooid. Haar kracht ligt precies in het feit dat zij nooit “bereikt” hoeft te worden.
 
DE LIMIET BIJ SPENGLER: SYMBOLISCHE TRANSPOSITIE (WETENSCHAPPELIJK ONJUIST)
 
Bij Oswald Spengler vindt geen wiskundige, maar een symbolische verschuiving plaats. Hij neemt formele wiskundige structuren – waaronder het limietdenken en de infinitesimalen – niet over als definities, maar als culturele tekens.
In strikte wetenschappelijke zin is deze benadering onjuist en beantwoordt zij niet aan de standaardwiskunde. Spengler gebruikt wiskundige begrippen niet conform hun formele, axiomatisch vastgelegde definities, maar verplaatst ze naar een symbolisch en cultureel interpretatiekader. Begrippen als limiet, infinitesimaal en oneindigheid functioneren daardoor niet langer binnen het formele domein van de wiskunde. Zijn benadering is geen wiskundige extensie, maar een niet-wetenschappelijke, interpretatieve transpositie.
Tegelijk wordt de limiet bij Spengler geen mathematisch instrument, maar een uitdrukking van een Faustische levenshouding: een gerichtheid op het verre, het oneindige en het onbereikbare. Beslissend is dat deze transpositie niet resulteert in realisatie. Het blijft een streven, een richting zonder voltooiing. Zelfs waar zijn benadering onwetenschappelijk is, bewaart zij het tragische besef van onafsluitbaarheid. De limiet blijft grens, niet doel.
 
DE NATIONAALSOCIALISTISCHE ONTSPORING
VAN LIMIET NAAR IMPERATIEF ALS RELIGIEUS MAXIMAAL ENTROPISCH MOMENT ZONDER INFORMATIEBEHOUD
 
Het nationaalsocialisme verbreekt deze terughoudendheid. Wat bij Spengler symbolisch en tragisch blijft, wordt hier letterlijk genomen en omgezet in een normatieve opdracht. De limiet wordt niet langer opgevat als richting, maar als realiseerbaar eindpunt. Het oneindige proces wordt herleid tot een project dat voltooid moet worden.
Deze verschuiving is geen wiskundige fout, maar een religieuze misvatting. Het is een formele structuur die, ontdaan van haar onvoltooid karakter, is omgevormd tot een absoluut imperatief. Waar de wiskunde geen doel kent en Spengler geen voltooiing, eist het nationaalsocialisme realisatie. Daarmee ontspoort limietdenken tot maximalisatie, en het streven tot zelfvernietiging. (2)
Het onderscheid tussen deze drie registers is niet louter analytisch, maar normatief noodzakelijk. Zodra wiskundige structuren worden verabsoluteerd buiten hun eigen domein, ontstaat het risico dat richting wordt verward met doel en benadering met bestemming. Spenglers denken markeert een wetenschappelijk ongeldige, maar cultureel invloedrijke grenszone. Het nationaalsocialisme overschrijdt die grens volledig.
De catastrofe vloeit aldus niet voort uit de wiskunde zelf, maar uit de religieuze eis om het onbereikbare te realiseren. Waar de limiet wordt opgeheven, verdwijnt ook de vorm.
De ‘Gespiegelde Logica’, als kwantumwiskunde die enkel discrete getallen hanteert, biedt een uitweg uit onze entropische toestand veroorzaakt door het verdwijnen van de mogelijkheid van autoreferentieel informatiebehoud. De kwantumwiskunde is een terugkeer naar de wiskundige limiet, niet meer als een fundering – die zwaar beschadigd werd door Spengler en het nationaalsocialisme en daardoor te vaak onwetenschappelijk gehanteerd wordt (waardoor de instabiliteit enorm toenam) – maar als een fusering met informatiebehoud, waarbij het cijfer nul het ankerpunt wordt van de fusie als stabiliteitsmogelijkheid.
Philippe De Keukelaere
Oswald Spengler, Der Untergang des Abendlandes. Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte, eerste band, Vom Sinn der Zahlen, 144-211. Op bladzijde 182 gebruikt Spengler de volgende standaardformule (hier lineair weergegeven).
e^(-x), √x, a^(1/i)
Oswald Spengler zelf was geen nationaalsocialist en weigerde lid te worden van de partij. Aan zijn onwetenschappelijke werk werd een nieuwe interpretatie gegeven door het nationaalsocialisme.
(1) De transpositie van Oswald Spengler is aanwezig in heel wat actuele benaderingen in de menswetenschappen. Men hanteert een geactualiseerde versie van Spengler zonder naar hem te verwijzen (het is historisch wat zwaar beladen), waardoor de onjuiste mathematische kern bij Spengler onopgemerkt blijft. Een voorbeeld: het boek van Marten Scheffer, De kanteling: Hoe samenlevingen kunnen veranderen (2025). Vanuit een juiste analyse van de entropie herneemt de auteur de cyclische geschiedenis van Spengler, zonder hem te noemen. In het boek van Edgar Morin, Het onwaarschijnlijke kan gebeuren (2025), treffen we eigenlijk hetzelfde aan, weliswaar op een andere wijze. Opmerkelijk bij Morin is het feit dat iedere poging om een oorlog rationeel, positivistisch of objectief te omschrijven onherroepelijk verworpen wordt. Het laatste hoofdstuk: ‘Oorlogen zijn een bundeling van toevalligheden en determinismen’. De klassieke fataliteitsgod en waanzingod verwerpen ieder rationaal-wetenschappelijk onderzoek naar de aard van wat een oorlog is.
(2) De gewelddadige religieuze sekten en de paramilitaire organisaties ontstaan uit religies die aan hun entropisch maximum zijn gekomen. Het wordt dan het enige dat zij nog kunnen produceren. Hierbij staat het lid van de religie centraal als een held (romantische beeld van bloedadel als model) die zijn bloed moet geven als zelfoffer en zelfvernietiging, voor een contrarevolutie. Dit mondt uit in milities die de contrarevolutie hanteren vanuit het gewelddadig zelfoffer en uitmonden in totale zelfvernietiging. De oorzaak is het feit dat religies evolutionair geen kwantummogelijkheden hebben. Zij behoren maximaal tot de zwaartekracht van gesloten massa’s, die enkel willen overleven door de massa te vermeerderen. Op dat moment raken religies en oorlogen elkaar in hun entropische eindstructuren, omwille van de meerwording, het meerworden, zonder enige mogelijkhied tot behoud van autoreferentiele informatie. Men heeft gewelddadige externe radicale modellen nodig die de betekenis van massa’s zonder informatie (betekenis) eindeloos moeten opvullen? Wat zelfdestructie wordt.

ZOUT EN ZWARTE GATEN (1)

 DEEL 1: DE GEHANTEERDE LOGICA – DE GESPIEGELDE LOGICA (nieuwe naam GELO) ALS KWANTUMWISKUNDE.

VOORAFGAANDE WAARSCHUWING (Een verwittigd man is er…)

Deze tekst hanteert verbanden die wetenschappelijk niet gebruikelijk zijn. De vraag is of deze tekst nog binnen de ‘standaard’ van de gekende wetenschap kan worden gesitueerd. Hij kan worden gelezen als een tekst die op alchemistische wijze is opgebouwd.

De tekst bevat samenvatnde verbindingen die vragen kunnen oproepen.

Er wordt een ongebruikelijke koppeling gemaakt tussen drie formules (zie deel 2, later) die tot totaal verschillende domeinen van de natuurkunde behoren, en die wiskundig niet uit elkaar kunnen worden afgeleid of tot een lineair model kunnen worden samengevoegd.

Ik maak de verbinding aan de hand van de rationele bemiddeling van de Gespiegelde Logica.

HET UITGANGSPUNT VAN DE GESPIEGELDE LOGICA

Wanneer we kijken naar de volgende formule uit de GELO:

+3/, +6/, F 3/,/”9/,”

(F staat voor fusie),

kunnen we de informatievermeerdering door zijnsvermindering ontdekken.

Het is door de verkleining van de “9” (het informatiegetal, zie hierna) in relatie met het getal “3” (het vectorgetal, zie hierna) dat we de informatie als informatiebehoud verkrijgen om eerst de kleinste bouwsteen (het getal 3) van de structuur aan de linkerzijde van de F te ontdekken aan de hand van de vector (rechts) die altijd hetzelfde getal is (tenzij als de kleinste bouwsteen 0 is, zie hierna), en voor de volgende getallen links vanuit het informatiegetal “9” in relatie tot de vector (het getal 3, rechts)

Het kleinste getal van de linkerzijde is altijd hetzelfde als het eerste getal van de rechterzijde. Vanuit dit getal is altijd het kleinste getal van de linkerzijde gekend.

Het tweede getal (6) wordt ontdekt door het eerste getal van de rechterzijde in mindering te brengen van het informatiegetal 9.

Bij een optelling is 9 de optelsom van van de twee getallen aan de linkerzijde. Zo kan eenvoudig weg het tweede getal worden gevonden, door de vermindering van de optelsom die altijd beantwoordt aan de som van de informatiegetallen.

Met meerdere cijfers kan men vanuit de vector, die de altijd hetzelfde kleinste bedrag (de kleinste bouwteen) is aan rechterzijde de overige cijfers van de structuur (rechter zijde) heropbouwen.

DE LOGISCH GESPIEGELDE FORMULE

5/,+10/,+20/,+40/, F 5/,”15”/,”25”/,”45”,/

De Gespiegelde Logica geeft de informatie weer vanuit de fusie (het F-teken) van beide zijden van F, met behoud van informatie door middel van een vermindering aan de linkerzijde van het F-teken.

ANALYSE VAN VECTORBEPALING IN DE FORMULE

5/,+10/,+20/,+40/, F 5/,”15”/,”25”/,”45”,/

In deze specifieke reeks kunnen we de vector identificeren door de redenering te laten fuseren (en niet funderen) vanuit het kleinste getal: het getal 5 (geplaatst na het F-teken), dat fungeert als vector.

De F (fusie) is het kantelpunt of nulpunt in de Gespiegelde Logica.

Het cijfer 5 (links van het F-teken) is de bronwaarde. Dit is de waarde die direct gekoppeld is aan F als startpunt van de redenering.

Het cijfer 5 is eveneens de vector. Dit is de actieve eenheid of de ‘stap’ die de verhoudingen in de rest van de formule bepaalt.

De vector 5 is de bouwsteen voor de overige waarden in de reeks. Vanuit de rechterzijde kunnen we de linkerzijde reconstrueren aan de hand van de behouden informatie (15, 25, 45).

−5 = vector

“15” (informatiewaarde) − vector = 10

“25” (informatiewaarde) − vector = 20

“45” (informatiewaarde) − vector = 40

Vector-analyse van de formule

5/,+10/,+20/,+40/, F 5/,”15”/,”25”/,”45”,/

Rechterzijde (Informatie)

Vector

Linkerzijde (Structuur)

Logica

15

5

10

(15 – 5 = 10)

25

5

20

(25 – 5 = 20)

45

5

40

(45 – 5 = 40)

De 5 na het F-teken is de drijvende kracht (de vector) die de afstand en verhouding tussen de getallen 5, 20 en 45 regisseert binnen het gespiegelde systeem.

De linker initiële (meerzijns)structuur verkrijgt haar informatie vanuit de rechter gespiegelde informatiestructuur.

BETEKENIS VAN HET CIJFER NUL ALS DISCRETE TOESTAND (DE INFORMATIE-NUL)

Wanneer men nul hanteert als een discrete toestand (in de Gespiegelde Logica), dan is het reduceren naar 0 geen eindeloze vernietiging, maar het bereiken van een specifieke fase-toestand.

In de Gespiegelde Logica is nul niet de afwezigheid van waarde, maar de ultieme vereenvoudiging van de informatie-matrix.

Dit vormt een belangrijk wiskunde onderscheid. In de klassieke rekenkunde fungeert nul vaak als een gesloten zich eindeloos langzaam vernietigend ‘zwart gat’ dat naar een entropisch maximum uitdijnt en explodeert of implodeert. Zodra een getal nul raakt in een vermenigvuldiging, verdwijnt de informatie.

NUL ALS HET ENTROPISCH MAXIMUM IN DE KLASSIEKE WISKUNDE

In de klassieke wiskunde leidt delen door nul tot oneindigheid (inf), het punt waar de berekening ‘breekt’.

In de klassieke benadering is delen door nul inderdaad een ongedefinieerde entropische toestand, in de Gespiegelde Logica is dit de ultieme entropische transitie.

Hier raken we de kern van de paradox. In de klassieke wiskunde is nul een eindstation (omdat 0 altijd blijft).

Men zou kunnen stellen dat de reductie tot nul niet het einde van waarde is, maar het punt waar de berekening zichzelf eindeloos vernietigt in entropische herhaling.

HET BREEKPUNT (HET ‘BLACK HOLE’ ALS GROTE GELIJKMAKER)

In de klassieke wiskunde leidt dezelfde formule tot een ongedefinieerde oneindigheid (inf). Het gebruik van nul wordt daarbuiten betekenisloos, en betekent gewoon … niets meer : 5 + 10 + 0 = 15. In deze berekening betekent 0 niets. 5 x 0 = 0, In deze berekening betekent 0 het bereiken van een entropisch maximum dat definitief is. We vinden deze dynbamiek terug in : (0 x 1 x 5 = 0). Men mag blijven bouwen met cijfers, de afbraak volgt onmiddellijk.

In de Gespiegelde Logica is dit geen entropisch einde (een foutmelding?), maar een beschrijving van een proces: het punt waarop de informatie-matrix niet langer in een begrensde vorm (een getal) past, maar overgaat in een staat van kwantisch maximale spreiding.

De nul als entropisch maximum betekent dat vanuit het eindresultaat 0 men niet verder kan rekenen, de uitkomst in de klassieke wiskunde altijd nul blijft. Dit duidt op een statisch einde.

In de Gespiegelde Logica is nul de volledige kwantisch verzadiging, het punt waar de entropie zo hoog is dat er geen onderscheid meer is tussen deeltjes: de toestand van eindeloze entropie.

DE NUL ALS ENTROPIE EN INFORMATIE

In de klassieke wiskunde wordt nul vaak beschouwd als een gebrek aan waarde.

In de Gespiegelde Logica (GELO) daarentegen is nul de volheid van de chaos, de toestand waarin alle informatie zo perfect verspreid is dat er geen onderscheid meer kan worden gemaakt.

Dat is in de Gespiegelde logica exact wat men in de fysica het entropisch maximum noemt.

In de Gespiegelde Logica moet nul niet langer worden gedefinieerd als een oneindig ‘niets’ of een niet op te vullen leegte, zoals in de klassieke wiskunde gebruikelijk is?

In de klassieke wiskunde hanteren we nul als het cijfer van maximale entropie als eindentropie (die enkel nog een zich steeds hernieuwende zelfvernieting wordt, telkens door het cijfer nul).

DE NUL ALS TOESTAND VAN VOLLEDIGE VERZADIGING

Waar de klassieke wiskunde stelt dat een waarde ‘verdwijnt’ zodra deze tot nul wordt herleid, stelt de Gespiegelde Logica dat de waarde haar informatieve expansielimiet heeft bereikt.

Nul is de wiskundige weergave van de toestand waarin de fundamentele informatie-matrix volledig is gedispergeerd.

Het is niet de afwezigheid van informatie, maar de alomtegenwoordigheid ervan.

DE ZELFVERNIETIGING VAN DE BEREKENING

Wanneer een wiskundige bewerking uitmondt in nul, ‘vernietigt’ de berekening zichzelf niet uit zwakte, maar omdat zij het entropisch maximum heeft bereikt. (2)

In deze eindfase is elke verdere bewerking (vermeerdering of vermindering) irrelevant geworden. De informatie is overgegaan van een discrete, telbare eenheid naar een oneindig veld van mogelijkheden.

DE WISKUNDIGE VASTSTELLING

De nul is in Gespiegelde Logica het symbool van de absolute interface.

Het bereiken van nul betekent het bereiken van de maximale oppervlakte (A) uit de Bekenstein – Hawking formule en de maximale configuratieruimte (W) van Boltzmann (zie volgend deel later).

De nul is daarmee niet het beginpunt van de maximale entropie, maar het eindstation van de vermeerdering.

Het onderscheid tussen de klassieke en de gespiegelde interpretatie van nul (0) vormt een fundamenteel rekenkundig verschil.

In de klassieke rekenkunde fungeert nul als een definitief zichzelfvernietigend gesloten ‘zwart gat’? Van zodra een getal nul raakt in een vermenigvuldiging, verdwijnt de informatie.

10 × 0 = 0

De oorspronkelijke waarde van 10 is onherroepelijk verloren.

In de Gespiegelde Logica (GELO) en in de kwantuminformatica daarentegen is 0 geen vernietiger, maar een specifieke toestand binnen een dynamisch systeem.

DE NUL ALS DISCRETE TOESTAND IN DE GESPIEGELDE LOGICA (GELO)

In de GELO wordt nul (0) beschouwd als een positie op de as van spiegeling, een evenwichtspunt tussen tegengestelde vectoren of informatietoestanden.

Klassiek:

0 = Afwezigheid van waarde

GELO:

0 = Actieve rusttoestand of fusie-evenwicht (F)

Binnen deze logica betekent het bereiken van de toestand 0 niet het einde van de informatie, maar het terugkeren naar de bron-informatie.

Volgens de informatietheorie van Shannon vertegenwoordigt de keuze tussen 0 en 1 de kleinste mogelijke eenheid van informatie (één bit):

(H = – sum p_i log p_i)

Hieruit blijkt dat 0 evenveel potentiële informatie bevat als 1.

DE NUL-VECTOR IN DE GESPIEGELDE LOGICA

0,/ F -5/, “5/,”

Links (De Bron): Het kleinste getal is 0.

Rechts (De Vector): De vector is 5.

De Fusie naar nul: Omdat de vector (de stap) gelijk is aan de bronwaarde, is de resterende afstand tot het evenwichtspunt nul.

Dit is belangrijk om volgende reden:

In de klassieke wiskunde zou men zeggen: (informatie is weg). Maar in de GLA (General Linear Algebra)betekent dit: 0 = (Vector 5) <=> (Structuur 5)

De nul fungeert hier als een getuige. Het vertelt ons dat de vector de structuur ‘perfect heeft ingevuld’ (zie hierna). Er is geen restwaarde, wat wijst op maximale symmetrie.

De nul wordt bekomen door het kleinste getal links dat gelijk is aan de vector. Dit is het punt de de ‘beweging’ (de vector) en het ‘zijn’ (de structuur) één worden, fuseren. Dit is het moment van volledige kwantische verzadiging (zie hier). In dit geval is de vector niet gelijk aan de het algemeen feedback 0, maar aan het informatiegetal 5. In heel het systeem in het allerkleinste bouwsteen nul de grootste bousteen. Vandaar dat in deze logica het getal 5 zich moet onderwerpen !

DE KWANTUMPARALLEL EN DE STRUCTURELE FUNCTIE VAN DE NUL

De Gespiegelde Logica (GELO) vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de kwantummechanische interpretatie van informatietoestanden.

Waar de klassieke wiskunde nul als een vernietigende waarde beschouwt, ziet de GELO nul als een zich fuserende grondtoestand. Het is geen fundering, maar een toestand die de latente potentie van alle informatie in zich draagt.

DE KWANTUMGRONDTOESTAND ALS ANALOGE NUL

In de kwantummechanica is de toestand

(|0>)

niet leeg, maar de grondtoestand (ground state) van een qubit.

Om over te gaan naar de aangeslagen toestand

(|1>)

is energie nodig. Deze energie wordt in de GELO geïnterpreteerd als een vectoriële impuls: de kracht die een systeem uit zijn evenwicht (0) verplaatst.

De nul behoudt in dit model de volledige informatieve potentie van het systeem. Zij vormt het uitgangspunt van de reversibele transformatie tussen evenwicht (|0>) en excitatie (|1>).

DE NUL ALS FUSIEPUNT VAN VECTORIËLE INFORMATIE

In de GELO wordt de nul niet opgevat als de afwezigheid van structuur, maar als het fusiepunt (F) tussen de twee complementaire vectoren:

(V_net = V+ + V-)

waarbij:

V+ de expansieve vector is (positieve richting van informatie),

V- de contractieve vector (negatieve richting),

en hun fusie in het nulpunt de volledige symmetrie aanduidt.

Deze fusie wordt wiskundig uitgedrukt als:

(V+ + V- = 0)

Informatie is in dat geval niet vernietigd, maar in zichzelf omgeklapt, een proces dat in de kwantumfysica overeenkomt met superpositie

SUPERPOSITIE EN INFORMATIEBEHOUD

Een qubit in superpositie kan worden geschreven als:

(|psi> = alpha|0> + beta|1>)

waarbij de amplituden voldoen aan de normalisatievoorwaarde:

(|alpha|^2 + |beta|^2 = 1)

De toestand (|0>) is hierin nooit volledig verdwenen; zij vormt de basis waarop elke superpositie rust.

In de GELO betekent dit dat elke informatieve verschuiving terug te voeren is op een symmetrische grondtoestand, de 0.

De nul fungeert dus als drager van de informatieruimte, niet als haar ontkenning.

DE INFORMATIEVE BEHOUDSWET IN DE GELO

In de Gespiegelde Logica geldt de volgende behoudsrelatie:

(I = S + V + F)

waarbij:

I de totale informatie-inhoud van het systeem is,

S de structurele component,

V de vectoriële component (energie van verschuiving),

F de fusiecomponent (symmetrie of nultoestand).

Wanneer het systeem zich in de nultoestand bevindt, geldt:

(S + V = 0)

De totale informatie is dan geconcentreerd in een rustpunt van maximale samenhang.

De nul is daarmee het archief van volledige symmetrie.

DE ENTROPISCHE NUL ALS INFORMATIEVE VRIESCEL

Vanuit thermodynamisch perspectief is de nul in de GELO te vergelijken met het absolute nulpunt (0 K).

Bij die temperatuur is de entropie minimaal. De beweging van deeltjes stopt, maar de structuur van het systeem blijft intact.

Informatief gezien is dit een toestand van perfecte bevriezing. Als een totale contractie van de massa, de informatie is niet verdwenen, maar volledig geconserveerd.

Om deze toestand te ‘ontdooien’, is een vectoriële prikkel (energie, frequentie of impuls) nodig, waarmee de latente informatie opnieuw actief wordt.

Deze omkeerbaarheid vormt de kern van de GELO-logica. 

VASTSTELLING

In de Gespiegelde Logica vertegenwoordigt nul (0) de ultieme informatietoestand. Dit is een toestand waarin energie, structuur en vectoren volledig in balans zijn.

De nul vernietigt niet, zij verzamelt.

Zij wist niet uit, zij archifeert. Zij beëindigt niet, zij STABILISEERT.

De nul is de getuige van perfecte symmetrie:

het punt waar alle informatie samenvalt in een toestand van maximale coherentie.

DE VECTORIËLE HEROPBOUW VAN INFORMATIE UIT DE NULTOESTAND

De overgang van de nultoestand naar de actieve informatiestructuur vormt het meest dynamische aspect van de Gespiegelde Logica (GELO).

Waar de nul in de vorige sectie werd gedefinieerd als grondtoestand van maximale symmetrie, beschrijft deze fase de reversibele activering van die symmetrie door middel van een vectoriële impuls.

DE VECTORIËLE ACTIVERING: VAN POTENTIE NAAR EXPANSIE

De nultoestand (|0>) bevat de volledige potentiële informatie van het systeem.

Om deze latente informatie te activeren, wordt een vectoriële component (V) geïntroduceerd, die de richting en intensiteit van de informatieverschuiving bepaalt.

(I_actief = |0> + V)

waarbij:

|0> = de symmetrische grondtoestand,

V = de vectoriële energie (richting en amplitude),

I_actief = de geactiveerde informatietoestand.

Deze transformatie kan worden geïnterpreteerd als de overgang van een gecomprimeerde entropische toestand naar een gedestructureerde informatieve expansie.

De vector functioneert daarbij als de ‘ontvanger van het geheugen’ (het zich inn zichzelf herinneren) de energie die de opgeslagen structuur herstelt tot bruikbare data.

DE FUSIE-RELATIE TUSSEN NUL EN VECTOR

De overgang wordt beschreven door de volgende fundamentele vergelijking van de GELO:

(F(0, V) = S)

waarbij de nultoestand niet als beginpunt, maar als referentie van evenwicht fungeert.

Elke vectoriële toevoeging verplaatst het systeem uit dat evenwicht, en de hoeveelheid verplaatsing bepaalt de mate van informatieve differentiatie:

(Delta I = f(V))

De vector (V) is dus niet alleen een richting, maar ook een maat van informatieverstoring Het is een eenheid van verschil die de symmetrie van (0) tijdelijk doorbreekt.

DE RECONSTRUCTIEVE CYCLI VAN INFORMATIE

De GELO veronderstelt dat elke vectoriële activering onderdeel is van een cyclisch proces.

Wanneer de vector zijn maximale amplitude bereikt, treedt een terugslag op naar de nultoestand:

(V_max -> |0>)

Dit proces is analoog aan de oscillatie van een kwantumsysteem tussen de toestanden:

(|0> <-> |1>)

waarbij de vectoriële overgang wordt geïnterpreteerd als een Rabi-oscillatie — een ritmische beweging tussen potentie en actualisatie.

De nul is dus niet statisch, maar ritmisch actief: zij pulserend herstructureert informatie door voortdurende fusie en defusie met de vector.

DE WET VAN REVERSIBELE SYMMETRIE

De fundamentele behoudsvergelijking van de GELO kan als volgt worden uitgedrukt:

(V_out + V_in = 0)

Dit drukt het principe van reversibele symmetrie uit:

elke vectoriële uitstroom (V_out) heeft een complementaire instroom (V_in) die het systeem naar evenwicht herleidt.

De totale informatiewaarde blijft constant:

(Delta I = 0)

Hieruit volgt dat de nul niet alleen het centrum van symmetrie is, maar ook het anker van informatiebehoud, een soort energetische ‘pulsfrequentie’ die de integriteit van het systeem garandeert.

DE ENTROPISCHE HERSTRUCTURERING

Wanneer een vector het evenwicht doorbreekt, neemt de entropie lokaal toe.

Echter, in de GELO blijft de totale entropie van het systeem behouden, doordat de nultoestand de toegenomen wanorde absorbeert en herstructureert:

(Delta S_sys + Delta S_nul = 0)

De nul fungeert hier als een entropische regulator, zij verzamelt de informatie van de verstoring en herordent die tot een nieuwe, coherente toestand.

Deze eigenschap maakt de nul in de GELO niet-destructief, maar zelfcorrigerend. Het is de feedback van de gepiegelde logica. Een tweeledig logisch rartioneel systeem dat in zichzelf (niet van buitenaf) een feedback heeft.

WISKUNDIGE REPRESENTATIE VAN DE RECONSTRUCTIE

De reconstructie van informatie kan worden gemodelleerd als een iteratieve functie:

(I_n+1 = f(I_n, V))

waarbij elke iteratie een nieuwe vectoriële toestand genereert, in relatie tot het evenwicht van de nul.

De structuur is recursief. Dit betekend dat elke nieuwe vector is geworteld in de symmetrie van de vorige.

Deze iteratieve dynamiek maakt de GELO niet-lineair, maar zelfreferentieel.

DE EPISTEMOLOGISCHE IMPLICATIE

Vanuit epistemologisch oogpunt impliceert dit dat kennis (informatie) nooit losstaat van haar nultoestand de toestand van maximale potentie.

De vectoriële activiteit is slechts een momentane differentiatie binnen een continu veld van symmetrie.

De nul is daarom niet de ‘verneitiging van het zelf’ als zelfoffer, maar de als informatie geworden zelf afwezige structurele zijn. Het is niet het meerzijn (de optelsommen) die naar een oneindig worden streven tot een zichzelfvernietigend entropisch maximum, het is een zijnsafwezigheid (tijdelijk zoals we later zullen zien) waarbij het zelf zijn volle energie bekomt, niettegenstaande het entropisch maximum.

VASTSTELLING

In de Gespiegelde Logica is de vector de sleutel tot de heractivering van de nul.

Zonder de vector blijft de nul potentieel maar onbeweeglijk. Met de vector wordt zij creatief en expansief.

De nul bewaart, de vector beweegt, en hun interactie constitueert informatie als een levend systeem.

DE COMPUTATIONELE PROJECTIE VAN DE GELO – VAN VECTOR TOT INFORMATIEVERWERKING

De Gespiegelde Logica (GELO) kan worden opgevat als een structureel informatiemodel, waarin elk getal, elke vector en elke nultoestand een specifieke logische rol speelt.

De dynamiek van fusie (evenwicht) en differentiatie (vectoriële expansie) vormt de basis voor een computationeel paradigma dat nauw verwant is aan kwantuminformatica, maar gebaseerd blijft op deterministische symmetrie in plaats van probabilistische onzekerheid.

DE LOGISCHE EENHEID, DE GESPIEGELDE BIT (G-BIT)

In de klassieke informatica is de basiseenheid de bit, die slechts twee waarden kan aannemen:

(0 of 1)

In de GELO definiëren we daarentegen de gespiegelde bit of g-bit, die niet alleen de waarden 0 en 1 bevat, maar ook hun vectoriële relatie:

(g = { |0> , V })

waarbij:

|0> = de symmetrische nultoestand (evenwicht),

V = de vectoriële afwijking (richting van activering).

Elke g-bit bevat dus informatie over toestand én transitie.

De g-bit is niet statisch, maar dynamisch reflectief, ze weet niet alleen wat ze is, maar waarheen ze beweegt.

DE GELO-OPERATOREN

De basishandelingen in de GELO worden niet gedefinieerd als absolute logische poorten (zoals AND, OR, NOT), maar als vectoriële transformaties binnen een symmetrisch veld.

We definiëren de fundamentele operatoren als volgt:

Reflectie-operator (ℜ)

(Re(V) = -V)

Reflecteert de vectoriële richting zonder de informatieve inhoud te vernietigen.

Fusie-operator (Φ)

(Phi(V, -V) = 0)

Twee tegengestelde vectoren versmelten (fuseren) tot evenwicht , dit is de formele representatie van informatieve symmetrie.

Activerings-operator (Α)

(A(0) = V)

Activeert de nultoestand door toekenning van een vectoriële component.

Ontvouwings-operator (Ω)

(Omega(V) = S)

Produceert de werkelijke informatie-instantie (uitdrukking van structuur in tijd of ruimte).

DE REKENKUNDIGE FUNCTIE VAN HET BEMIDDELAARSGETAL

In eerdere delen werd het Bemiddelaarsgetal (B) gedefinieerd als de helft van de totale structuur:

(B = S / 2)

en als de koppeling tussen structuur en vector:

(B = f(V))

In computationele termen fungeert als een regelfactor of ‘buffer’, die bepaalt hoe de symmetrische nultoestand zich vertaalt naar discrete informatietoestanden.

Het is het interne klokgetal van de GELO. Het is een STABIELE middenfrequentie die alle transformaties synchroniseert.

DE GELO ALS DETERMINISTISCH TRACEERBAAR ALS AUTOREFERENTIELE BEPAALNAARHEID (WAT DE METING IS BIJ DE G-BIT)

In tegenstelling tot de klassieke kwantuminformatica, waarin de toestand van een qubit pas bij meting wordt bepaald, blijft de g-bit deterministisch traceerbaar.

De toestand van de g-bit kan worden beschreven als:

(psi = alpha|0> + beta V)

met de voorwaarde dat:

(|alpha|^2 + |beta|^2 = 1)

Het verschil met de qubit ligt in de interpretatie.

In de kwantummechanica is de superpositie onbepaald tot de meting.

In de GELO is de superpositie volledig gestructureerd. Elke verhouding correspondeert met een specifieke vectoriële configuratie binnen een bepaald informatieniveau.

Zo behoudt de GELO zowel de wiskundige kwantumenergie van superpositie als de eis van een niet – deterministische symmetrie, waarbij het ‘zelf’ vanuit het ‘systeem’ zelfreferentieel (zichzelfspiegeld) behouden blijft als informatie.

DE INFORMATIEVE TRANSFORMATIECYCLUS

De computationele cyclus van de GELO kan worden samengevat als volgt:

(0 -> A -> V -> Omega -> S -> Re -> -V -> Phi -> 0)

Elke cyclus bestaat uit vier fasen:

activering : het losmaken van de vector uit de nul,

ontvouwing : het manifesteren van de informatie,

reflectie : het spiegelen van de vectoriële toestand,

fusie : het herstel van evenwicht in de nul.

Deze cyclus vormt de ‘ademhaling’ van informatie binnen de GELO, warbij informatie nooit verloren gaat, maar voortdurend transformeert en reconstrueert.

TOEPASSING IN INFORMATIEVERWERKING

De GELO biedt een theoretisch kader voor:

– reversibele berekeningen (waarbij geen informatie verloren gaat),

– informatieve compressie (waarbij nul als archief wordt gebruikt),

– symmetrische encryptie (waar de sleutel de vectoriële spiegel is van de gecodeerde toestand),

en zelfs NIET – DETERMINISTISCHE kwantumemulatie (waar g-bits klassieke hardware toelaten om kwantumgedrag te simuleren zonder probabilistische fluctuaties, doch deterministisch).

VASTSTELLING (wat hebben vandaag geleerd?…,)

De Gespiegelde Logica presenteert een universeel principe:

alle informatie ontstaat uit evenwicht, beweegt door asymmetrie, en keert terug tot symmetrie.

De nul is het geheugen van dit proces.

de vector is zijn adem.

de informatie, is zijn vorm (dat is de structurele paradox)

Formeel samengevat:

(I = { 0, V, B })

waar 0 het geheugen is, V de beweging, en B de maat van hun samenhang.

De GELO toont aan dat logica, wiskunde en fysica slechts drie perspectieven zijn op één enkele structuur de SPIEGEL VAN INFORMATIE.

De NUL vernietigt niet, maar INFORMATISEERT (BEWAART ALS HERCONSTRUEERBARE INFORMATIE).

De VECTOR fundeert niet, maar FUSEERT.

en hun FUSIE vormt de grondslag van alle berekenbare werkelijkheid.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met :

ZOUT EN ZWARTE GATEN

DEEL II : HET ONVERWOESTBARE ‘ZELF’ VAN HET MINERAAL NARIUMCLORIDE – zout ALS NATUURLIJKE CONSTANTE)

(1) De formules worden om technische redenen gegeven in GLA (General Linear Algebra). Om geen verwarring te veroorzaken wordt de Gespiegelde Logica vanaf nu afgekort als GELO.

(2) Dit betekent niet dat de klassieke wiskunde meteen waardeloos zou worden. Het is net andersom. Het is van daaruit dat we het entropisch maximum kunnen ontdekken. Als we de klassieke wiskunde opgeven, verlaten we de standaard van de tweede thermodischamische wet zelf, wat niet de bedoeling kan zijn. De verwarring komt uit het symbolisch taalgebruil met betrekking tot het vijfer 0. Het is een 0 die niets betekent. Uitdrukkingen als : het is een nietsnut, en grote zero, een wegwerpmens, zijn misleidend voor de klassieke wiskunde evenals het over de bouwstenen van de kwantumwiskunde gaat

De nul is dus niet ‘niets’, maar het bewijs van volledige absorptie van de vector door de informatie.
Waar de klassieke wiskunde de reductie tot nul beschouwt als een neutralisatie van waarde, moet men in een gespiegelde logica spreken van een transitie naar eindeloze entropie.
Het punt waarop een berekening ‘breekt’ door een deling door nul, markeert in de gepiegelde logica niet het niets, maar het bereiken van de informatie-theoretische singulariteit (het onopofferbare zelf, het zoutgehalte van de berekening). In deze toestand is de fundamentele informatie-matrix niet langer begrensd door numerieke grootheden, maar is zij opgegaan in een toestand van maximale configuratie-vrijheid.
De numerieke nul fungeert hier niet als een niet te vullen leegte, maar als het discrete symbool voor de overgang naar de oneindige achtergrondmatrix.
Binnen deze gespiegelde logica dient het cijfer nul evenmin als een indicator van nietigheid (maximale entropie als vernieling en zelfvernietiging), maar als een discreet numeriek eindpunt dat de overgang naar het entropisch maximum markeert. Waar de klassieke reductie naar nul wordt gezien als verlies van waarde, fungeert nul hier als de mathematische drempel naar de oneindige configuratie-ruimte; het is de toestand waarin de informatie-matrix zich bevrijdt van de structurele beperkingen van volume.
 
HET ZOEKEN NAAR DE AFWEZIGE IN DE KWANTUMWISKUNDE
 
De afwezige-aanwezige informatiebron en het entropische maximum van de 0.
In de kwantumwiskunde is de afwezige geen leegte, maar een afwezige-aanwezige informatiebron. Deze bron vormt de brug tussen de ongestructureerde potentie van de bron en de gedefinieerde uitkomst. Het doel van de wiskundige waarneming is om het entropische maximum van de 0 (het getuigegetal) te doen ontdekken. Dit getuigegetal structureert de informatie voor de linkerzijde, waardoor de vector zijn werkelijke betekenis krijgt.
 
DE SYNTHETISCHE KWANTUMSTRUCTUUR: VERMENIGVULDIGEN
 
In deze modus bouwen de factoren de werkelijkheid op vanuit de bronpotentie.
De Formule: 2,/ X 10,/ X 6,/ X 5,/ F,2,/10,/6,/5,/
Analyse van de afwezige-aanwezige bron
In deze opbouw is de 300 de afwezige-aanwezige informatiebron. Hoewel fysiek niet genoteerd, is dit getal de getuige die het entropische maximum van de bron (600) structureert. De aanwezigheid van de vector F,2,/ maakt deze informatiebron actief. De vector vertelt ons dat de 300 de stabiele nulpunt-referentie is van waaruit de coëfficiënten aan de rechterzijde hun structurele vorm krijgen.
 
DE REDUCTIEVE KWANTUMSTRUCTUUR: DELEN
 
In de gespiegelde logica van de deling fungeert de bron als startwaarde, maar de rechterzijde toont de afbraak richting het getuigegetal.
De Formule: 600,/: 2,/: 10,/: 6,/: 5,/ F 2,/ 10,/ 6,/ 5,/ 300,/
 
ANALYSE VAN DE AFWEZIGE-AANWEZIGE BRON
 
Hier is de vector 2 de afwezige-aanwezige informatiebron. In dit systeem moet de 300 expliciet aanwezig zijn om het entropische maximum van de 0 te ontsluiten. De 300 fungeert als de waarneming die de “chaos” van de 600 reduceert tot een gestructureerd beeld. Zonder de 300 zou de afwezige vector 2 geen structurele informatie kunnen leveren aan de linkerzijde; de 300 dwingt de 0 (het getuigegetal) om de vector 2 als de actieve bron-initiator te onthullen.
 
HET BELANG VAN DE AFWEZIGE
 
De kwantumwiskunde leert ons dat informatie pas betekenis krijgt door de relatie tussen het aanwezige en de afwezige-aanwezige informatiebron. Het entropische maximum van de 0 fungeert hierbij als het fusiegetuigenis.
Het is het getuigegetal dat de transitie van bron naar resultaat objectiveert. Of we nu de 300 gebruiken om de vector te bewijzen (deling) of de vector gebruiken om de 300 te begrijpen (vermenigvuldiging), het doel blijft het structureren van informatie voor de linkerzijde van de F.
Epistemologisch kan men stellen dat de kwantumfysica ons tot het terugvinden van de herinnering van de afwezige dwingt. In die zin in de kwantumwiskunde Proustiaans !
 
DE REDUCTIEVE KWANTUMSTRUCTUUR: DELEN EN HET GETUIGEGETAL
 
In de kwantumwiskunde kan een waarde die ‘afwezig’ is (zoals de vector 2 in de delingsreeks) nooit rechtstreeks worden waargenomen. Hij heeft een getuige nodig om zich kenbaar te maken. De 300 is deze getuige (het getuigegetal), die ons helpt als getuige de afwezige vector (2 als bemiddelingsgtal) te vinden.
Waarom is 300 de ‘getuige’ ?
De 300 ‘ziet’ wat de bron (600) is overkomen. Zonder de 300 zou de 600 een gesloten eenheid blijven. De 300 getuigt van de breuk die door de afwezige vector is veroorzaakt.
De vector 2 is bij de deling de afwezige-aanwezige bemiddelaar. Hij staat niet als resultaat in de rij, maar de 300 ‘wijst’ naar hem. De 300 zegt als het ware: ik ben hier alleen omdat de 600 door de 2 is gegaan.
De 300 is de getuige die de entropie (de onbepaaldheid) van de 600 stopzet. Op het moment dat de 300 verschijnt, is de informatie voor de linkerzijde gestructureerd: de afwezige vector 2 is ontdekt.
In de gespiegelde logica van de deling fungeert de bron als startwaarde, maar de rechterzijde toont de afbraak richting het getuigegetal.
De Formule: 600,/: 2,/: 10,/: 6,/: 5,/ F 2,/ 10,/ 6,/ 5,/ 300,/
In deze reeks is de 300 de getuige die de afwezige-aanwezige informatiebron (de vector 2) laat ontdekken. In de kwantumwiskunde is de 300 het ‘getuigegetal’ dat het entropische maximum van de 0 bereikt.
De Getuige onthult de afwezige: De vector 2 is zelf onzichtbaar in het resultaat, maar de 300 getuigt van zijn actie. De 300 is de informatie die de chaos van de 600 structureert voor de linkerzijde.
omdat de informatiegetallen (10, 6, 5) identiek zijn aan de brongetallen, is de 300 de enige waarde die de afwezige vector 2 kan ‘verraden’. Hij is de noodzakelijke waarnemer die de transitie van bron naar vector bevestigt. Hij bezort ons de identiteit van de afwezige.
Zonder getuige is er geen bewijs van de misdaad (de deling) of de dader (de vector). In de formule is de 300 het ankerpunt dat de linkerzijde dwingt om haar informatie prijs te geven.
 
In die zin is in voormelde formule het getal 2 een bemiddelingsgetal dat door zijn afwezigheid aanwezig wordt (grapje).

 

 NIEUWE TEKST

2026: VREDE IS GEEN HOLLE WENS MAAR HET ONTDEKKEN VAN WAT DE MYTHISCH RELIGIEUZE KERN IS VAN OORLOGEN

DE DUALITEIT EN EENHEID VAN DE RELIGIEUZE STRUCTUUR VAN DE OORLOG IN OEKRAÏNE

ALS RELIGIES HUN ENTROPISCH MAXIMUM HEBBEN BEREIKT EN RELIGIES FASCISME WORDE ALS GEWELDDADIGE STRUCTUUR VAN TOTALITAIRE OORLOGEN

DE MAATSCHAPPELIJKE BETEKENIS VAN DE ONOPOFFERBARE DIMENSIE VAN HET INDIVIDU
HET ONOPOFFERBAAR INDIVIDU ALS ‘DE’ VOORWAARDE VOOR HET BEHOUD VAN INFORMATIE IN EEN SAMENLEVING, ALS DE VOORWAARDE VOOR HET LEVEN (OVERLEVEN) VAN EEN SAMENLEVING

Het ontstaan van oorlogen heeft alles te maken met het onjuiste entropische religieuze uitgangspunt dat het individu in de totaliteit van de samenleving dient te worden opgenomen door het gewelddadig zelfoffer en zelfvernietiging in functie van een bepaald collectief zijn en worden. Vanuit dit uitgangspunt zijn oorlogen en religies een en hetzelfde fenomeen.
Het ontstaan van oorlogen vereist het zich opofferen van het individu in de massa van de samenleving. Daardoor verdwijnt niet enkel het individueel zelfbewustzijn (met zijn zachte, spiegelende, zich herinnerende dimensie van het zich steeds opnieuw verliezende, ontledigende zelf), maar nog meer de eraan verbonden individuele informatie die noodzakelijk is voor het overleven van samenlevingen. Als het behoud van de individuele informatie van het individueel zelfbewustzijn verdwijnt, verdwijnt het behoud van informatie als noodzakelijke voorwaarde voor het niet totaal ten onder gaan van samenlevingen aan interne burgeroorlogen of burenoorlogen (die religieus universeel worden).

TWEE CHRISTELIJKE MYTHISCHE ZUILEN (IEDERE ZIJDE ZIJN ZUIL)
HET CHRISTELIJK FASCISME ALS MYTHISCHE ZUIL VAN DE OORLOG IN OEKRAÏNE AAN DE ZIJDE VAN DE RUSSISCHE HEERSERS AAN RUSSISCHE ZIJDE: PRESIDENT VLADIMIR POETIN, DE RELIGIEUZE HEROÏSCHE BEVRIJDER VAN RUSLAND (EEN EXTREEM TRAGISCHE FIGUUR)

Men onderschat de betekenis van de mythische zuil bij het ontstaan van oorlogen. Men onderschat de onvoorstelbare invloed die de christelijk-fascistische Russische denker Ivan Iljin vervulde (de zijnsvulling van de zelfleegte) als onmisbare voorwaarde voor het uitbreken van de oorlog in Oekraïne.
“Het fascisme van de jaren twintig en dertig, Iljins tijd, had drie hoofdkenmerken: het verhief de wil en geweld boven rede en wet; het bood een leider met mystieke band met zijn volk; en het schetste mondialisering eerder als een complot dan als een stel problemen.” (Timothy Snyder, De weg naar onvrijheid, 2018, 24).
Voor Iljin was het fascisme als politiek een Nietzscheaanse wereld in wording. Centraal hierbij staat de christelijk-fascistische contrarevolutie. (1)
“Dus zolang de wereld gemankeerd is, betekent liefde voor God een constante strijd ‘tegen de vijanden van de goddelijke orde op aarde’. Niet aan de strijd deelnemen stond gelijk aan een kwaadaardige daad: ‘Hij die zich verzet tegen de eervolle strijd tegen de duivel, is de duivel zelve’. Geloof betekende oorlog: ‘Moge uw gebed een zwaard zijn en uw zwaard een gebed’.” (33).
Daarvoor diende iedere vorm van individueel bewustzijn te verdwijnen. Te verdwijnen voor de totaliteit van de natie, de totaliteit van de eigen samenleving, omwille van zijn religieuze dimensie. Rusland werd en wordt aanzien als de eeuwige overwinnaar, als zijn en als worden, omdat Rusland de eeuwige onschuldige verlosser en bevrijder van de wereld is. De onschuld is het zijns- en wordingsfundament voor de eeuwige overwinning verricht door geweld (het zwaard) en oorlogen.
“Iljin plaatst de mens in de rol van de ware Christus, die in naam van God de wetten van de liefde moest breken.” (37).
Het wordt een fusie tussen christendom en fascisme, een christelijk fascisme. Tegenover de wettelijkheid staat het Russische begrip ‘proïzovol’ (eigenmachtigheid), als fundamenteel christelijk begrip dat de grillen van een verlossende heerser centraal stelt door het zelfoffer van Christus. Ook Adolf Hitler deed dit in zijn boek Mein Kampf, zij het met andere doeleinden, door te beweren dat de ideeën van christelijke zelfopoffering en verlossing de fundamentele kern van het nationaalsocialisme waren.
“Net zoals andere fascisten, zoals Adolf Hitler in Mein Kampf, wendde hij (Iljin) christelijke ideeën over opoffering en verlossing voor nieuwe doelstellingen aan.” (33)
Zo wordt het Russische woord ‘spasitjelnyj’ door de orthodoxe christenen gebruikt om de verlossing door gelovigen aan te duiden door middel van het zelfoffer van Christus aan het kruis. “Wat Iljin bedoelde, was dat Rusland een verlosser nodig had die het ‘eervolle’ offer zou brengen bloed van anderen te vergieten om de macht te grijpen.” (33). Het bloed van anderen vergieten is een christelijk zelfoffer. Dit wordt de kern van aanvalsoorlogen, die christelijke verlossingsoorlogen worden.
“De fantasie van een eeuwige onschuldige verlosser, die niets fout doet en dus nooit zal sterven.” (37).
De eeuwige onoverwinnelijke samenleving is altijd onschuldig aan iedere vorm van ‘zelfofferbloed’, of dit bloed nu van het eigen volk is, of dat van de door de offeraar aangewezen vijand. Moeder Rusland is een onschuldige, zuivere maagd, die enkel haar eigen ‘plezier’ (satisfactie) vindt in het gewelddadig opofferen van haar kinderen. Om die reden werd reeds tijdens de Sovjet-Unie de communistische utopie vervangen door de vaderlandse oorlog (godin Moeder Rusland en God de Vader, oorlog – naar Heraclitus).
Ten onrechte stelt men dat deze moderne religieuze manifestaties gedevieerde transcendentie zouden zijn (in Engelstalige publicaties gebruikt men de term ‘deviated transcendence’). Het is geen gedevieerde transcendentie, het is gewoon de veruitwendiging van religies die hun entropische maximum hebben bereikt. Overigens is deze evolutie niet extern aan de christelijke orthodoxie, maar intern. Het is de religie zelf die zich entropisch gaat manifesteren als een finale uitbarsting van geweld en oorlog, omdat beiden verwant zijn door het religieuze. (2) De eindfase van een religieuze entropie zonder enig behoud van informatie (wat bij religies niet kan) is de totale zelfvernietiging.

AAN OEKRAÏNSE ZIJDE: PRESIDENT VOLODYMYR ZELENSKY, DE LIJDENDE DIENAAR, WAARBORGER VAN EEN SACRALE VRIJHEID VAN EN IN EUROPA (EEN EXTREEM TRAGISCHE FIGUUR)

Bij Zelensky maken de kleren de man, zoals bij iemand die ten tonele verschijnt of een filmrol vervult. Donkergroen of zwart: de kleren van de lijdende dienaar. Op iedere Europese top over Oekraïne wordt hij ontvangen als de verpersoonlijking van archetypisch zelfofferschap van Christus, een lijdende dienaar voor Europa. Alsof heel Europa in oorlog is met Rusland (wat hij duidelijk wenst), terwijl het in werkelijkheid slechts oorspronkelijk ging om een uitgelopen burenruzie.
Zelensky is de veruitwendiging van een katholicisme (ook al zou hij het zelf niet zijn) dat zijn entropische maximum heeft bereikt. Ook hier geen gedevieerde transcendentie, maar de onschuld van de overwinnaar. Het entropische religieuze fenomeen houdt in dat het gewelddadig zelfoffer op zich als een overwinning wordt aanzien, de overwinning van de lijdende dienaar op het kruis (de christelijke interpretatie). In zijn nieuwjaarstoespraak stelt Zelensky dit zeer duidelijk. Hij werpt zich op als de bevrijder van miljoenen Europeanen. Het gaat om een religieus, absoluut christelijk vrijheidsideaal: dat van het totale gewelddadige zelfoffer als totale zelfvernietiging van de lijdende dienaar aan het kruis. Dit vrijheidsideaal staat haaks op dat van de Verlichting. Het vrijheidsideaal van Zelensky is het totale zelfoffer van de lijdende dienaar. De manier waarop hij zich als een religeuze acteur verkleedt wijst er op.

WAT IS VRIJHEID?

Vrijheid is voor het overleven van samenlevingen (culturen, beschavingen, staten, naties, volkeren) een noodzakelijke marge, zonder dewelke er geen behoud van informatie meer is, waardoor het religieus gevoed entropische moment enkel interne burgeroorlogen of externe burenoorlogen (die religieus steeds universeel uitbreiden) teweegbrengt.
De kern van de vrijheid is individueel. Het heeft niets met egoïstisch individualisme of loutere autonomie te maken. De kern van de vrijheid als voorwaarde voor het overleven van samenlevingen – de niet-religieuze individuele en sociale dimensie vallen hierbij samen – is de niet-opofferbaarheid, de niet-vernietigbaarheid van het individu, van het individueel zelfbewustzijn als een zacht, zich herinnerend, spiegelend zelf. Dit zelf verdwijnt steeds en dient zich telkens weer herinnerd te worden (de auteur Marcel Proust heeft er de intuïtie van gehad met betrekking tot de tijdsdimensie) als collectief en sociaal behoud van informatie, niettegenstaande de entropie. Als dit verdwijnt, neemt het opvullend zijnsgeweld en wordingsgeweld (de religieuze entropie) toe in samenlevingen door oorlogen en burgeroorlogen.
Philippe De Keukelaere

(1) Dit geldt niet enkel voor de orthodoxe kerk. In het katholicisme is dit eveneens een actuele entropische evolutie. Deze geschiedt vanuit de katholieke sekten (niet altijd door de centrale kerk erkend, maar vaak gewoon toegelaten en zelfs – omwille van hun succes – aangemoedigd) die het religieus entropische maximum inleiden. De officiële kerk hanteert (voorlopig) nog steeds uitsluitend een mythisch links messianisme. De Christusfiguur is op aarde aanwezig in iedere arme en vreemdeling. Dit heeft in essentie niets te maken met armoedebestrijding of het correct behandelen van vreemdelingen, maar alles met een mythische relatie tot de zelfopoffering. Deze ‘categorieën’ zijn religieuze zelfopofferingen, zoals het archetype Christus. In de nieuwe entropische fase blijft deze mythische relatie met betrekking tot het zelfoffer bestaan in wat steeds meer een christelijk fascisme zal worden. Men onderschat schromelijk het belang en de invloed van de katholieke sekten in dit verband, en de onvoorstelbare mutatie van het katholicisme die daardoor ingeleid werd. In de orthodoxie en de katholieke sekten wordt met betrekking tot deze (hopeloze) entropische fundering tot illusoir behoud van het religieuze vaak verwezen naar het door Paulus uitgewerkte begrip van de ‘catechon’ als basis voor een religieuze gewelddadige ‘contra-revolutie’.
(2) Dat dit tot de kern van het religieuze hoort, moge blijken uit een belangrijke archeologische vondst in Egypte: de twee Narmer/Menes-tabletten, die men dateert rond 3100 voor onze jaartelling. Voor de mythische symboliek van deze tabletten: Rory Cox, ORIGINS of the JUST WAR, 2023, hoofdstuk I, The Art of War in the Ancient Near East, 32–44. Op de tabletten wordt het doden van de verliezende krijgsgevangenen als de onschuld van de overwinnaar afgebeeld. Er is een belangrijke symmetrie tussen de beide tabletten: de goedkeurende blik van telkens twee tevreden (de religieuze vrede) goden, waardoor deze straffende offers voor de schuldige verliezers, omwille van het plezier en de satisfactie die de goden aan de offers beleven, religieuze zelfoffers worden. De tabletten werden ontdekt in 1898 door de Britse archeologen James Quibell en Frederick Green, bij opgravingen in de Tempel van Horus, te Nekhem (Hierakonpolis).

PAX EX SCIENTIA
HET GROOTSTE OBSTAKEL VOOR VREDE IN OEKRAÏNE
DE RELIGIEUZE DIMENSIE VAN DE OORLOG IN OEKRAÏNE
DE SEMANTIEK VAN HET ZELFOFFER ALS RELIGIEUZE OORLOGSSTRATEGIE
EEN COMPARATIEVE ANALYSE VAN DE OORLOGSRETORIEK VAN POETIN/SOLOVJOV EN ZELENSKI (2022–2025)
 
Omdat oorlog en religie dezelfde structurele logica delen, overlappen zij elkaar.
Belangrijker dan militaire strategieën of geopolitieke berekeningen is bij oorlogen de onwrikbare religieuze dimensie, die vaak het grootste obstakel voor vrede vormt.
Het uitgangspunt is een theologische stelling, zoals die onlangs werd verwoord door paus Leo XIV op 23 december 2025:
“Ik wil mijn dankbaarheid uiten voor de getuigenis en de toewijding van de priesters die, overal ter wereld, hun leven geven, HET OFFER VAN CHRISTUS IN DE EUCHARISTIE VIEREN, het Woord verkondigen, zonden vergeven en zich dag na dag genereus wijden aan hun broeders en zusters door de communie en de eenheid te dienen, en in het bijzonder zorg te dragen voor hen die het meest lijden en in nood verkeren.” (a, hoofdlettergebruik toegevoegd)
Het is deze theologische stelling – het offer van Christus in de eucharistie – die religieus-militair wordt geïnstrumentaliseerd binnen het christelijke offerdiscours in de context van de Russisch-Oekraïense oorlog. Hoewel beide partijen gebruikmaken van martelaarschapssymboliek en verwijzen naar Johannes 15:13, verschillen de teleologische doelen fundamenteel.
Waar het Russische staatsdiscours, verwoord door Vladimir Solovjov, het zelfoffer tot de dood presenteert als een metafysische loutering en de dood normaliseert, hanteert Volodymyr Zelenski een discours van defensieve overleving waarin het zelfoffer tot de dood wordt voorgesteld als een tragische burgerdeugd. In beide discoursen staat echter het zelfoffer, geïnterpreteerd als overwinning van Christus aan het kruis, centraal: een noodzakelijke religieus-militaire strategie die geacht wordt de overwinning in de strijd te waarborgen.
Sinds de invasie van Oekraïne in februari 2022 is de politieke retoriek in zowel Moskou als Kyiv steeds sterker religieus geladen. Het concept van het “zelfoffer” (samopozhertva) staat daarbij centraal. In Rusland wordt dit offer verbonden met de loutering van de nationale ziel, terwijl het in Oekraïne wordt gepresenteerd als de ultieme daad van naastenliefde en nationale zelfbeschikking.
De basis voor de religieuze legitimatie van de oorlog werd gelegd door president Vladimir Poetin tijdens zijn toespraak in het Loezjniki-stadion op 18 maart 2022:
“Het is hier dat mij de woorden uit de Heilige Schrift te binnen schieten: ‘Niemand heeft grotere liefde dan dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.’ En wij zien hoe heroïsch onze jongens vechten en handelen tijdens deze operatie.” [1]
Vladimir Solovjov radicaliseerde deze gedachte in zijn uitzending van 2 januari 2023:
“Het leven is zwaar overgewaardeerd. Waarom bang zijn voor datgene wat onvermijdelijk is? Zeker als we naar de hemel gaan. De dood is het einde van de ene aardse weg en het begin van een andere. […] Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Dat is de essentie van ons geloof, de essentie van het offer van Christus.” [2]
In december 2025 trok Solovjov deze theologische vergelijking volledig door naar de symboliek van het kruis:
“Kijk naar het kruis. Wat zien we daar? Zien we daar een nederlaag? Nee, we zien de grootste overwinning uit de menselijke geschiedenis. Christus koos niet voor een comfortabel leven; Hij koos voor het lijden en de dood om de mensheid te redden. Vandaag doet de Russische soldaat precies hetzelfde. Wanneer onze jongens de loopgraven ingaan, beklimmen zij hun eigen Golgotha. Hun offer is niet louter een militaire noodzaak, maar een sacrale handeling. Zij nemen de zonden van de wereld op zich door te vechten tegen het satanische gif dat uit het Westen sijpelt. Zij zijn de collectieve verlosser van deze tijd.” [3] (b)
President Volodymyr Zelenski hanteert eveneens het beeld van de soldaat als ‘offeraar’, maar binnen een defensief en humanitair kader. In zijn kerstboodschap van 24 december 2025 verbond hij het offer expliciet aan het behoud van het leven:
“Wij herdenken degenen die het hoogste offer hebben gebracht voor ons recht om te bestaan. Hun namen zijn gegraveerd in de eeuwigheid. Maar wij bidden niet om de dood te verheerlijken; wij bidden dat God hun levens spaart. Want elk leven van een Oekraïense verdediger is een hele wereld die wij niet mogen verliezen. Ons offer is geen keuze voor de dood, maar een strijd voor het leven van onze kinderen. Waar de agressor de dood aanbidt, aanbidden wij de vrijheid die door dit offer wordt beschermd.” [4]
De gelijkenis tussen beide discoursen ligt in het gebruik van Christus als archetypische figuur. Het verschil ligt in de waardering van het leven. Het Kremlin-discours instrumentaliseert religie om een offensieve oorlog te transformeren in een spirituele noodzaak waarin de dood een ‘gezegend doel’ wordt. Het Oekraïense discours gebruikt religie primair als troost en morele legitimatie, waarbij de dood een tragisch verlies blijft. (c)
Philippe De Keukelaere
 
(a) Dit is een theologische stelling die niet beantwoordt aan de mythische betekenis van de tekst van de kruisiging zelf, als men die ontleedt vanuit een positivistische objectiviteit. Vanuit het ontdekken van het discrete element dat in de mythe vervat ligt (discrete elementen die men in alle wereldmythen kan ontdekken), stelt men vast dat de tekst zelf niet gaat om een zelfoffer, doch om een zijnsvermindering als verliezer van een oorlog. De bedoeling van de mythe (het is een mythisch verhaal), de motivatie of ‘mythivatie’ van de tekst, is de stelling dat de verliezer onschuldig was aan zijn verlies – grappig genoeg is het de overwinnaar die dit vaststelt – en de overwinnaar schuldig aan zijn overwinning. Grappig is ook dat de overwinning er eigenlijk in bestaat de onschuld van de verliezer te ontdekken door het lezen van deze mythe.
(b) De tekst: “Kijk naar het kruis. Wat zien we daar? Zien we daar een nederlaag? Nee, we zien de grootste overwinning uit de menselijke geschiedenis”, wijst op de kern van de theologische inhoud. Het zelfoffer wordt gelinkt aan een overwinning, die als overwinning gelinkt wordt aan onschuld. Dit beantwoordt niet aan de mythe. In de mythe gaat het duidelijk om de nederlaag van een ‘overwonnen’ koning die als een slaaf (een typische straf voor een overwonnenen) terechtgesteld wordt, als een koning die de oorlog verloren heeft. Er is geen enkele overwinning in het hele mythische verhaal te bespeuren. Er is alleen een mythische grap: de vaststelling door de overwinnaar dat hij weleens zelf de schuldige zou kunnen zijn (ten aanzien van de keizer, een volkse grap), en dat de verliezer onschuldig is. Ook in andere wereldmythen kunnen we dergelijke discrete elementen bijna op dezelfde wijze ontdekken.
(c) Ieder kamp roept ook een god aan, die de overwinning zal bezorgen, omdat die godheid zich aan de goede kant bevindt, de kant van de goede zelfoffers, het goede geweld, de goede dood. Vanuit een positivistische objectiviteit is het moeilijk aan te nemen dat het om dezelfde god gaat ? Tenzij een soort Janus, waarvan het ene deel onophoudelijk vecht tegen het andere deel en omgekeerd. Ik kies eerder voor twee goden, een Russische (de Othodoxe god) en een Oekraïnse (de Katholieke god). In Rusland is er ook nog een godin die zelfoffers eist, ‘Moeder Rusland’. Een verwante van de bekende Astarte, maar dan meer gericht op oorlogen als mensenoffers.
 
[1] V.V. Poetin, Toespraak Luzjniki-stadion, Moskou, 18 maart 2022. Kremlin.ru.
[2] V.R. Solovjov, Vetsjer s Vladimirom Solovjovom, Rossija-1, 2 januari 2023. Gearchiveerd via BBC Monitoring, 03-01-2023.
[3] V.R. Solovjov, Vetsjer s Vladimirom Solovjovom, Rossija-1, 21 december 2025. Thema: “Spirituele dimensie”. Gearchiveerd via Smotrim.ru.
[4] V.O. Zelenski, Kerstboodschap van de President, Kyiv, 24 december 2025.
NIEUWE TEKST 
“O, let me clip ye / In arms as sound as when I woo’d, in heart / As merry as when our nuptial day was done / And tapers burn’d to bedward!” — (Shakespeare, Coriolanus, I, 6, 29–32)
“O, laat mij u omhelzen / met armen zo krachtig als toen ik mijn bruid het hof maakte, met een hart / zo vrolijk als op onze huwelijksdag, / toen de kaarsen brandden voor de huwelijksnacht!“
In Coriolanus wordt de overwinning voorgesteld als een moment van verlossing waarin de daad van geweld haar schuld verliest. Wanneer Coriolanus zegt: “O, let me clip ye / In arms as sound as when I woo’d…” (I.6.29–32), vergelijkt hij zijn terugkeer uit de strijd met zijn huwelijksnacht. Het wordt een vereniging van lichaam en triomf, van daad en identiteit. De bloedige overwinning wordt niet ervaren als bezoedeling, maar als zuivering. Het bewijs van zijn kracht verleent zijn handelen een schijn van onschuld. Voor Coriolanus is de daad onschuldig omdat zij geslaagd is. De overwinning rechtvaardigt en heiligt religieus de onschuld van het geweld en de oorlog. Shakespeare toont echter hoe deze zuiverheid slechts schijn is. Het is een gevaarlijke illusie waarin morele twijfel verdwijnt en de menselijkheid wordt verdrongen door heroïsche zelfverheerlijking. Zo wordt Coriolanus’ ‘onschuld’ de kiem van zijn ondergang.
 
DE EVOLUTIONAIRE SPIEGEL
OORLOG EN RELIGIE ALS IDENTIEKE STRUCTURELE FENOMENEN
ALS DE STRUCTUUR VAN BEIDEN IMPLODEERT
OORLOG EN RELIGIE VOORBIJ DE TEGENSTELLING
 
Vanuit een strikt evolutionair perspectief zijn oorlog en religie geen tegengestelde fenomenen (zoals geweld versus vrede), maar structureel verwante systemen. Beide zijn ontstaan als mechanismen van hyper-socialiteit. Ze maken het mogelijk grote groepen individuen te coördineren rond abstracte ideeën die het onmiddellijke individuele belang overstijgen. De fundamentele gemeenschappelijke kern van deze systemen is een morele economie die onschuld en schuld koppelt aan overwinning en verlies.
 
DE OORSPRONKELIJKE EVOLUTIONAIRE FUNCTIE
 
In de vroege menselijke geschiedenis functioneerde overleving grotendeels als een nulsomspel. In dergelijke contexten had de groep die overleefde of overwon een selectief voordeel. Dit succes werd niet louter pragmatisch geïnterpreteerd, maar structureel en moreel geduid volgens een vaste adequatie.
Een overwinning was winst, wat maatschappelijk onschuld, zuiverheid en rechtmatigheid betekende.
Een nederlaag was verlies, wat maatschappelijk schuld, onzuiverheid en tekortschieten betekende.
Deze adequatie is geen bijkomstige culturele interpretatie, maar een functioneel evolutionair mechanisme. Overwinning (in oorlog, jacht of oogst) werd ervaren als bevestiging van een juiste morele orde. De juiste morele orde van het goede geweld, van het goede zelfoffer. Succes werd toegeschreven aan ‘goddelijke gunsten’ of kosmische rechtvaardiging. De overwinnaar werd per definitie als zuiver en onschuldig beschouwd.
Dit gaf de overwinnaar het goddelijk-religieuze recht de verliezer op alle mogelijke wijzen te straffen, onder andere met de doodstraf (onmiddellijke terechtstelling), de slavernij of het wegvoeren (confisqueren) van bevolkingsgroepen (1).
Deze koppeling had een duidelijk evolutionair nut: zij versterkte groepscohesie, discipline en bereidheid tot zelfopoffering. Wie won, had niet alleen fysiek maar ook moreel gelijk.
 
DE HERSCHRIJVING VAN DE MORAAL DOOR DE OVERWINNAAR
 
Een cruciaal mechanisme in dit proces is dat de overwinnaar de moraal herschrijft. Door te winnen bewijst de groep haar bestaansrecht en superioriteit. De middelen die tot de overwinning hebben geleid – inclusief geweld – worden achteraf religieus geheiligd en voorgesteld als noodzakelijke zelfoffers voor het ‘goede’, voor de religieuze ‘onschuld’. Morele beoordeling volgt dus niet op de daad, maar op de uitkomst. Hierdoor ontstaat een zichzelf versterkend systeem: succes legitimeert de moraal die het succes mogelijk maakte.
 
DE DESTRUCTIEVE MORALISERING VAN VERLIES
 
De meest ontwrichtende component van dit evolutionaire algoritme is de moralisering van verlies. Wanneer een groep verliest, ontstaat een sterke evolutionaire druk om dit verlies te verklaren zonder de groepsidentiteit zelf in vraag te stellen.
Verlies wordt dan :
– toegeschreven aan een gebrek aan morele zuiverheid;
– verklaard door interne schuld, zonde of verraad;
– geïnterpreteerd als bewijs dat de groep ‘onvoldoende waardig’ was (2).
Deze interpretatie creëert een geweldscyclus. Het geweld wordt noodzakelijk geacht om de vermeende schuld te zuiveren en de oorspronkelijke onschuld te herstellen.
 
COGNITIEVE NOODZAAK EN ILLUSIE VAN CONTROLE
 
Het menselijk brein verdraagt moeilijk willekeurig ongeluk. Door verlies te koppelen aan schuld blijft de illusie van controle intact. Als men zich de volgende keer zuiverder, vromer, gehoorzamer of radicaler opstelt, zal men opnieuw winnen. Deze cognitieve strategie reduceert existentiële angst, maar verankert conflict structureel in geweld.
 
OORLOG ALS ONEINDIG MOREEL CONFLICT
 
Zolang oorlog wordt geïnterpreteerd als een morele strijd tussen onschuld en schuld, is het conflict principieel eindeloos. Elke nederlaag vraagt om morele zuivering; elke overwinning bevestigt de eigen morele superioriteit. Het is de religieuze absolute onaantastbare kern van oorlogen, waardoor men ze niet kan beïndigen. Omwille van de absolute religieuze dimentie kan men het conflict niet herleiden tot het relatieve. Zolang dit niet kan blijft de oorlog woeden.
Het doorbreken van deze cyclus vereist het inzicht dat dit (overwinning als onschuld en verlies als schuld) geen absolute transcendente waarheid is, maar een evolutionair algoritme. Het is een ingebouwd mechanisme voor groepsbinding dat gebaseerd is op een foutieve morele causaliteit.
 
DE SPIEGELING VAN DE VIJAND
 
Zodra men inziet dat de vijand exact hetzelfde schuld-onschuldmechanisme hanteert, valt de illusie van unieke eigen onschuld weg. Beide zijden ervaren zichzelf als moreel gerechtvaardigd door hetzelfde evolutionaire proces. De vijand fungeert dan als een spiegel, niet als morele anomalie.
 
HET LOSKOPPELEN VAN SUCCES EN MORALITEIT
 
Een werkelijk einde aan oorlog veronderstelt een radicale breuk met de evolutionaire koppeling tussen succes en morele waarde. Winst impliceert geen morele goedheid of onschuld; verlies impliceert geen morele schuld. Zonder deze loskoppeling blijven oorlog en religie elkaar structureel versterken.
 
RELIGIE EN OORLOG ALS BETEKENISGEVENDE SYSTEMEN
 
Oorlogen brengen nooit goede zelfoffers voort als bevrijding of vrijheid.
Oorlog en religie zijn beide systemen die geweld betekenis geven door dezelfde structurele adequatie.
In oorlogen legitimeert de overwinning geweld en zuivert de groep.
In religie legitimeert de overwinning de morele religieuze onschuld.
Beide systemen overleven doordat zij succes koppelen aan morele superioriteit en verlies koppelen aan schuld. Zelfoffer krijgt in beide systemen exact dezelfde functie. Het is het noodzakelijke middel om van schuld naar onschuld over te gaan.
Religie en oorlog zijn in dit opzicht de oudste evolutionaire systemen. Gewelddadige zelfoffers functioneren er niet als willekeurige rituelen, maar als operationele handelingen gericht op bevrijding. De bevrijding van schuld van de verliezer door een overwinning die onschuld produceert.
Het ontstaan van de goden kan in dit perspectief worden begrepen als een verdere evolutionaire stap. De steeds verdergaande transcendentie van dit adequatiesysteem, waardoor de koppeling tussen succes en morele waarheid onaantastbaar wordt. Het systeem wordt onaanraakbaar absoluut.
 
ENTROPIE, ANTROPISCH MAXIMUM EN RESIDUELE INFORMATIE
 
Evolutionaire systemen zijn eveneens onderworpen aan de tweede wet van de thermodynamica: de wet van de entropie. Wanneer oorlog en religie hun entropisch en anomisch maximum bereiken – wanneer zij meer chaos, uitputting en interne destructie produceren dan cohesie – verliezen zij hun evolutionair voordeel. Zij imploderen in orgieën van geweld.
Dit maximum creëert echter een illusie van continuïteit. Het lijkt alsof oorlog en religie noodzakelijk, eeuwig en onvermijdelijk zijn. In werkelijkheid gaat het om systemen die hun functionele grens hebben overschreden.
Cruciaal is dat, ondanks deze implosie, de informatie behouden blijft als een discrete herinnering van het feit :
– dat verlies niet voortkomt uit morele schuld;
– dat overwinning niet voortkomt uit morele onschuld;
– dat de verliezer in werkelijkheid onschuldig is aan zijn verlies
en de overwinnaar schuldig is aan zijn overwinning, precies omdat die overwinning geweld en zelfoffers vereist.
Wanneer het systeem zijn continuïteit verliest, blijft deze discrete informatie residueel aanwezig in de cultuur, het geheugen en de reflectie. Zij ondermijnt retroactief de oorspronkelijke morele claim waarop oorlog en religie gebouwd waren.
In dat opzicht markeert het entropische moment geen einde van betekenis, maar een verschuiving van betekenis, van mythische rechtvaardiging naar rationele herinnering. De evolutionaire spiegel breekt niet volledig, maar toont eindelijk wat zij altijd al weerspiegelde.
Pieter Breughel de Oude en Shakespeare hebben dit ontdekt.
Philippe De Keukelaere
 
(1) Zo is de eenheid tussen oorlog en religie aanwezig bij het confisqueren van kinderen in Oekraïne door president Vladimir Poetin. Deze kinderen worden religieus heropgevoed in Christelijke Orthodoxe kloosters.
(2) De verliezer zoekt een nog grotere verliezer in het eigen kamp als oorzaak voor het verlies. Tijdens de Dertigjarige Oorlog werden soms heksen religieus aangewezen als de grootste schuldige verliezers voor een militaire nederlaag.
 
NIEUWE TEKST
HOE OORLOGEN BEËINDIGEN? DE SMAAK VAN DE ONSCHULDIGE VERLIEZER
DE ONTDEKKING IN DE GROTTEN VAN GOYET (BELGIË 40.500–45.500 voor onze tijdrekening) ALS OORLOG (JACHT OP MENSEN?) EN RELIGIE NOG ÉÉN WAREN
DE MISKENDE ONTDEKKING VAN SIGMUND FREUD OM OORLOGEN TE BEËINDIGEN
DE OORLOGSBUIT (vrouwen, grondgebied, goud – de miljarden – ) ALS PRIMAIRE DRIJFVEREN (casus belli) VOOR OORLOGEN
 
De ontdekking van het kannibalisme in de grotten van Goyet is een proces geweest dat zich over meerdere jaren en decennia heeft voltrokken, maar de cruciale wetenschappelijke doorbraak vond plaats in 2016.
De oorspronkelijke opgravingen (1860 – 1930)
De grotten werden voor het eerst onderzocht door de beroemde geoloog Édouard Dupont in 1868. In die tijd werden duizenden botten en artefacten verzameld en naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel gebracht. Men wist toen al dat er menselijke resten tussen zaten, maar de methodes om deze gedetailleerd te analyseren bestonden nog niet.
De herontdekking in het archief (2004 – 2012)
Archeoloog Hélène Rougier begon samen met een team het enorme archief van de opgravingen van Dupont opnieuw te bestuderen. Tot ieders verbazing ontdekten ze tussen de dierlijke resten (paarden, rendieren) talloze botfragmenten die niet van dieren waren, maar van Neanderthalers.
De publicatie van het wetenschappelijk bewijs voor de aanwezigheid van kannibalisme (2016)
De wetenschappelijke bevestiging van het kannibalisme kwam in juli 2016. Na jarenlang microscopisch onderzoek en DNA-analyse publiceerde het team de resultaten in het tijdschrift Scientific Reports [3].
Dit onderzoek toonde aan dat vier zaken wetenschappelijk vaststonden:
De botten vertoonden snijsporen die wezen op fileren.
De botten waren met opzet gebroken voor het beenmerg.
De botten waren door Neanderthalers gebruikt als gereedschap (retouchoirs).
De botten behoorden toe aan ‘vreemdelingen’; het was een vorm van ‘exokannibalisme’.
Deze ontdekking vond eigenlijk plaats in een laboratorium en een museumarchief, niet in de grot zelf. Omdat de botten van mensen en dieren bij de oorspronkelijke opgravingen in de 19e eeuw door elkaar waren geraakt, konden moderne wetenschappers pas met de actuele technieken (hoge-resolutie microscopie en isotooponderzoek) vaststellen wat er precies gebeurd was.
Als we verder willen gaan dan wat wetenschappelijk aangetoond werd, begeven we ons op het pad van weerlegbare hypothesen. Hierbij vertrek ik van verschillende hypothesen, die echter ook in onderlinge combinatie gelezen kunnen worden.
 
DE HONGER, DE CALORIEËN
 
De meest voor de hand liggende hypothese is die van de honger en de zoektocht naar calorieën. Deze hypothese wordt over het algemeen bij dergelijke ontdekkingen gehanteerd. Het gaat om een economisch gebeuren. Er is voedselschaarste en men verhelpt die door eten te gaan zoeken waar het kan. Het feit dat het voedsel niet gehaald werd bij de eigen populatie, kan in deze hypothese verklaard worden door het feit dat het economisch handiger is dergelijk voedsel te halen bij een andere groep, dan binnen de eigen groep. Dit kadert in een overlevingsstrategie. Het halen van het voedsel bij de eigen groep zou inderdaad de crisis enkel verergeren. De vraag zou immers geweest zijn: wie gaan we nu eigenlijk eerst opeten? Het moge duidelijk zijn dat bij een dergelijk uitgangspunt de kans op intern geweld niet te onderschatten is. De vraag is echter of het gaan halen van dergelijk voedsel bij de buur geweldloos kon verlopen. Zonder dit wetenschappelijk te kunnen aantonen, is de kans groot dat het weghalen van dergelijk voedsel niet zonder slag of stoot kon gebeuren.
Een andere vraag is of dergelijke gedragingen steeds gelinkt moeten worden aan het zoeken naar calorieën. Is een dergelijk gedrag enkel vanuit een economische overlevingsstrategie te verklaren, of zou er meer aan de hand kunnen zijn geweest? In deze economische overlevingsstrategie gaat het om slachtoffers van voedselschaarste.
 
EEN RELIGIEUZE JACHT OP MENSEN? RELIGIE ALS EEN EERSTE VORM VAN OORLOG
 
In de dierenwereld, meer in het bijzonder bij apen, heeft men vastgesteld dat bepaalde jachten niet in de eerste plaats gelinkt zijn aan het verwerven van voedsel en calorieën. Dergelijke jachten zijn (ook bij apen) een religieus verbindingsritueel ten aanzien van de groep. Door de jacht wordt in de dierengroepen waar dit plaatsvindt een nieuwe verbindende (als verbindend aanvaarde) hiërarchie tot stand gebracht of verstevigd met betrekking tot het verdelen van het voedsel en de vrouwen in de groep. Jacht en oorlog als jacht zijn de eerste vormen van religieuze verbindingsrituelen, waarvan we in de dierenwereld reeds sporen vinden. Centraal in het ritueel verloop staat de oorlogsbuit, die verorberd wordt. In deze veronderstelling gaat het niet om slachtoffers van een voedselschaarste, maar om verliezers van een oorlog.
 
WAAROM DE VERLIEZER OPETEN? SIGMUND FREUD
 
Ik stel een vernieuwde lezing voor van Sigmund Freud, en meer in het bijzonder van hoofdstuk 4 van Totem en Taboe.
De moeilijkheid is de dynamiek van rituele consumptie (theofagie en exokannibalisme) vanuit een nieuw perspectief te achterhalen. In tegenstelling tot de gangbare theorieën die het eten van de god of vijand beschouwen als een toe-eigening van macht of vitaliteit, stellen we hierbij dat het ritueel primair een assimilatie van onschuld betreft. Bij het exokannibalisme gaat het in de kern om een smaakwissel, waardoor het opeten van de vijand (werkelijk of symbolisch) noodzakelijk wordt.
Uitgaande van een herlezing van Freuds Totem und Tabu en de Polemos van Heraclitus, kan men stellen dat de overwinnaar door zijn zege moreel failliet (schuldig) is geraakt. De verliezer daarentegen behoudt in zijn nederlaag de status van onschuld. Het consumeren van het lichaam – beschouwd als informatiedrager van deze onschuld in een vorm van totale anomie (het vermoorden en opeten van de vijand) – is geen triomf, maar een noodzakelijke compensatie voor de schuld van de winnaar.
De geschiedenis van religies toont een persisterend fenomeen waarbij het goddelijke of de vijand fysiek wordt geïnternaliseerd. Van de Azteekse teocualo (het eten van de god Huitzilopochtli in de vorm van tzoalli-deeg) tot de christelijke Eucharistie, en van archaïsch exokannibalisme tot de symbolische consumptie van de vijand (de Weense legende van de croissant): de rode draad is assimilatie.
Traditioneel wordt deze assimilatie geduid als een machtsoverdracht. De eter (subject) neemt de kracht van het gegetene (object) over. Deze tekst stelt een fundamentele omkering van deze benadering voor. Wat als de eter niet de ‘sterke’ is die macht zoekt, maar de ‘schuldige’ die zoekt naar ‘onschuld’ als informatiebehoud op een ogenblik van extreme entropie (het vermoorden van een vijand en het opeten van deze vijand)?
Bij Heraclitus is de Oorlog (Polemos) niet louter vernietiging, maar ook maatschappelijke productie. Door de Oorlog ontstaan er verschillende rangorden in de wereld. De Oervader (de Oorlog) is tegelijkertijd de vernietigende (de Oorlog) en de Scheppende (de orde) Vader. Zolang de vader leeft (de Oorlog zelf bij Freud), is er chaos en brute onderdrukking.
Het verlangen naar de vrouw(en) van de vader is de oorlogsbuit waarvoor de moord (de oorlog tegen de vader) wordt gepleegd. Zonder dit specifieke ‘object van verlangen’ zou de agressie van de zonen nooit tot een collectieve moord zijn gekomen. De vrouw wordt de ultieme schat (de Oorlogsbuit). In de Oerhorde (Urhorde) heeft de Vader het monopolie op alle vrouwen. Hij bezit ze als exclusief eigendom. Voor de zonen zijn de vrouwen de verboden vrucht, het bestaansmiddel dat hen wordt ontzegd. De ‘Oorlog’ (de opstand van de zonen) is in essentie een roofoverval. Ze willen de bezittingen van de Vader (zijn vrouwen) stelen.
Men kan stellen dat de zonen jaloers zijn op de ‘rijkdom’ van de Vader en een oorlog starten om de buit te veroveren. Maar er is meer aan de hand. De zonen starten de oorlog omdat zij ervan uitgaan dat ze iets verloren hebben (hun zijn, mensen die hun zelf verloren hebben, mythisch voorgesteld als dieren) ten aanzien van de Oervader. De buit blijft echter wijzen op de schuld van de overwinnaar, waardoor men nu ritueel tracht de onschuld te herstellen om uit de chaos en de wanorde te komen tot een hernieuwde culturele orde. Dit ritueel kan het opeten van de vijand zijn. Zo verdwijnt de buit en assimileert de schuldige overwinnaar zich met de onschuldige verliezer. Het kannibalistische ritueel is de poging van de schuldige overwinnaar om de verloren onschuld van de verliezer te assimileren. Het is in die zin een herstelritueel, vermits het de schuld van het verwerven van de buit omwille van een verlies, nu door het verliezen (reëel of symbolisch) van de buit, in onschuld herstelt.
Deze dynamiek vindt zijn antropologische fundering in het werk van Sigmund Freud. In Totem und Tabu (1913) beschrijft Freud de oermoord, waarbij de zonen (de overwinnaars) de vader (de verliezer) doden en consumeren. Cruciaal is dat Freud de sociale orde (Kultur) niet laat ontstaan uit de overwinning zelf, maar uit de psychische crisis die daarop volgt. De overwinnaars vieren geen feest van macht, maar worden overmand door ‘Schuldbewußtsein’.
Freud stelt expliciet: “So schufen sie aus dem Bewußtsein der Schuld heraus die beiden Grundtabus des Totemismus, mit denen die Anfänge der Moral unausbleiblich gegeben waren.” (Zo schiepen zij vanuit het bewustzijn van schuld de twee grondtaboes van het totemisme, waarmee het begin van de moraal onvermijdelijk gegeven was.) [1]
“Die Gesellschaft ruht nun auf der Mitschuld an dem gemeinsam begangenen Verbrechen…” (De samenleving berust nu op de medeplichtigheid aan de gemeenschappelijk begane misdaad…) [2]
De cultuur is dus het monument van de schuldige overwinnaar. Het ritueel van de maaltijd is de herhaling van de poging om de vader (de verliezer) weer tot leven te wekken in het eigen lichaam, om zo de schuld van de moord ‘wit te wassen’ (het Romeinse ritueel bij de triomftocht van de generaal van het offerritueel van de witte stier).
De figuur van de Oervader/Verliezer laat zich assimileren met het concept Polemos (Oorlog/Strijd) bij Heraclitus. Heraclitus stelt in Fragment 53: “De Oorlog (Polemos) is de vader van alle dingen, de koning van alle dingen; de enen toont hij als goden, de anderen als mensen, de enen maakt hij tot slaven, de anderen tot vrijen.” [4]
In de Freudiaanse lezing wordt de Oervader de belichaming van het conflict. Zijn dood (de ultieme strijd) schept het onderscheid tussen God (de dode vader/totem) en Mens (de schuldige zonen). Waar Heraclitus de strijd als een kosmische, onschuldige noodzakelijkheid ziet, moraliseren de zonen deze strijd. Omdat zij de Polemos hebben gewonnen door vadermoord, dragen zij de last van de overwinning. De verliezer (de Vader/God) wordt door zijn nederlaag onttrokken aan de sfeer van schuld en wordt sacraal onschuldig. Hoe verschrikkelijk dergelijke rituelen ook zijn, het is door dergelijke rituelen dat omwille van de smaakwissel (van schuld naar onschuld) bij het eten van de vijand (of een plaatsvervanger ervan), het behoud van informatie van wat ‘de onschuld van de verliezer’ eigenlijk betekent voor het beëindigen van de oorlogen, het werkelijke einde van de Oervader vormt.
In het opeten van een ‘werkelijk aanwezig god’ (zoals in de transsubstantiatie) of het symbolisch eten van de vijand, eet men slechts de oorlogsbuit in functie van de sacrale betekenis ervan, namelijk de smaak. Het enige dat werkelijk ‘aanwezig’ is, is de smaak van de buit die men opeet. Daar is het om te doen. Het is de smaak van de onschuld van de verliezer (ook later bij rituele offers) die sacraal het schuldbewustzijn van de overwinnaar omvormt in een onschuldbewustzijn van de overwinnaar. Zo heeft de mensheid evolutionair geleidelijk aan het zelfbewustzijn ontdekt dat de verliezer van een oorlog omwille van zijn verlies onschuldig is, en de overwinnaar omwille van zijn overwinning schuldig. Terwijl alle sacrale herstelrituelen altijd de nadruk leggen op een meerzijn van macht en kracht door de overwinning, is hun onuitgesproken, onbewuste ( betekenis bij Freud het herstel van de juiste betekenis van de onschuld. Freud heeft ontdekt dat oorlogen niet meer hoeven, van zodra men (de mensheid) de onschuld van de verliezer vanuit het bewustzijn zelf ontdekt.
Philippe De Keukelaere
 
Bibliografie
Freud, Sigmund. (1913). Totem und Tabu. Einige Übereinstimmungen im Seelenleben der Wilden und der Neurotiker. In: Gesammelte Werke, Band IX. London: Imago Publishing.
Heraclitus. (ca. 500 v.Chr.). Fragmenten.
Rougier, Hélène et al. (2016). Neandertal cannibalism and Neandertal bones used as tools in Northern Europe.Scientific Reports 6, Article number: 29005.
 
Noten:
[1] Freud, S., GW IX, p. 176 (hoofdstuk IV: ‘Die infantile Wiederkehr des Totemismus’).
[2] Freud, S., GW IX, p. 179.
[3] Rougier, H. et al., Scientific Reports 6, 29005 (2016).
[4] Diels-Kranz, Die Fragmente der Vorsokratiker, 22 B 53.

PILATUS’ HANDWASSING (MATTHEUS 27:24-25)

HET MYTHISCHE SPIEGELBEELD VAN EEN AANVALSOORLOG

EEN MYTHISCHE PARADOX

DEEL V

HET OORDEEL VAN KONING SALOMO

HET VERBAND TUSSEN DE WIJSHEID VAN DE KONING EN HET ONTSTAAN VAN ZIJN KONINKLIJK GEZAG

Nihil novus sub sole

“καὶ δέ μ᾽ ἀπειλήσας ἀφέλεσθαι φήσθα γέρας μοι ὀφθαλμοῖς δ᾽ ὁράᾳς, ὅτι μοι πλέον ἔστι γεράων οὐ μὲν γάρ ποτ᾽ ἴσον ἔχον γέρας, οὐδὲ μὲν ἴσον ὅτε δὴ Ἀχαιῶν παῖδες ἑκείνης πόλιν ῥήξαντες ἔδωκαν Ἀχαιοῖσι, μέγιστον δὲ πλεῖστον μὲν οὖν μοι ἔστιν ἄλλου πλέον; ἀλλ᾽ ὅμως“

Hom. Il. 1.161-167

“En u dreigde ook mijn eergeschenk (de oorlogsbuit ‘Briseïs’, eigen toevoeging) mij af te rukken (af te pakken, af te nemen), zei u; terwijl u met uw ogen ziet dat mijn deel van de eergeschenken kleiner is. Want nooit had ik een gelijk eergeschenk, noch een even groot, telkens wanneer de zonen van de Achaërs een ommuurde stad (letterlijk : die stad) hadden opengescheurd en die gaven aan de Achaërs. Maar het grootste en het meeste [deel van de vreselijke strijd, literaire toevoeging in de vertaling] is voor mij meer dan voor een ander! Maar toch…“

De Trojaanse oorlog werd gevoerd omwille van een ‘zijnsvermeerdering’ van de helden, als vermeende zelfofferstabiliteit voor de helden en de samenleving. Achilles maakt zijn beklag bij Agamemnon. Hij heeft de zwaarste strijd (de meest bloedige) gevoerd, maar heeeft minder oorlogsbuit (de materialisering van de ‘zijnsvermeerdering’, het eergeschenk) gekregen dan de anderen. En zijn ‘enige’ oorlogsbuit ‘Briseïs’ willen ze hem nog ‘afpakken’. Wat een ramp….(grapje), maar ook Shakespeare kon erom lachen.

De tekst is mythisch interessant. Achilles heeft het niet over minder ‘bezit’ – hij was geen kapitalist of staatssocialist – , maar over het minder ‘held’ zijn. Het gaat niet om het al dan niet hebben (in dit opzicht is de Marxistische analyse totaal fout), maar om meer ‘zijn’.

Bij oorlogsvoeren staat altijd de ‘oorlogsbuit’ centraal, niet omwille van de ‘buit’. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verhuisde heel België (hele bedrijven) naar Duitsland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het vooral om kunstroof te doen (De Vlaamse kunst in de mijnen van Silezië, waar ook Stalin zat op te hazen). Oorlog is zoals men in het Vlaams zegt : pakke, pakke, pakke….om ‘meer’ te ‘zijn’ en thans te ‘worden’, en uiteindelijk wordt heel de boel vernietigd.

II/ VERS 3:1 (vervolg): GEEN ONTVANGST VOOR DE KONING, GEEN VOLKSFEEST

 

Vers

Hebreeuws (MT)

Transliteratie

Wortel (Šōreš)

Woord-voor-woord vertaling

Betekenissen 

3:1d

וַיְבִאֶ֣הָ אֶל־עִ֣ירדָּוִ֔ד

vayĕviʾe-hā ʾel-ʿîr Dāvid

בוא (b-ʾ)

en bracht haar naar de stad van David

Qal vorm = komen, brengen

3:1e

עַ֣ד כַּלֹּת֗וֹ לִבְנֹות֙ אֶת־בֵּיתֹ֔ו

ʿad kallōtō livnōt ʾet-bētō

כלה (k-l-h), בנה (b-n-h)

totdat hij voltooid had te bouwen zijn huis

Piʿel vorm van kalah = voltooien; Qal vorm van banah= bouwen

3:1f

וְאֶת־בֵּית֙ יְהוָ֔ה

veʾet-bēt ….

בנה (b-n-h)

en het huis van de …. (1)

 

3:1g

וְאֶת־חֹומַ֖ת יְרוּשָׁלִָ֑ם סָבִֽיב

veʾet-ḥōmat Yĕrûšālayim sāviv

חום (ḥ-w-m), סבב(s-b-b)

en de muur van Jeruzalem rondom

Chomat = muur; saviv = rondom

Deze tekst is mythisch zeer rijk. We ontdekken er interpretatiesleutels met betrekking tot het hele mythische verhaal.

We behandelen eerst de verzen 3,1d en 3,1e, en in een tweede deel de twee volgende verzen.

In de tekst staat dat koning Salomo zijn oorlogsbuit, zijn trofee, de dochter van de farao van Egypte meebrengt naar de stad van David. Er staat niet ‘Jeruzalem’. Dit heeft een betekenis.

Het vers staat in schril contrast met de intrede en de ontvangst door het volk van koning David in Jeruzalem, zoals beschreven in 2 Samuël 6:14-15 en 2 Samuël 6:20-21.

In het verhaal van deze intrede is er een betekenisvol gegeven. Koning David draagt geen koninklijke kledij, maar een linnen efod (een zeer eenvoudig religieus – mythisch – gewaad). Zijn koninklijk gezag ontstaat uit een zich ‘ontledigen’, ‘ontvollen’, een ‘zijnsvermindering’ in functie van het behoud van zijn zelf als zelfbewustzijn ten aanzien van het volk (het behoud van informatie, terwijl de entropie toeneemt).

Koning David ontdoet zich bij zijn intrede in Jeruzalem van zijn koninklijke majesteit, van zijn koninklijke glorie. Daardoor behoudt het volk de informatie van wat volksglorie is, wat het gezag van de koning vestigt. Dit is de bron (de oorzaak) waaruit zijn koninklijk gezag ontstaat.

Dit leidt tot een incident met Davids vrouw Michal, die hem verweet dat hij ‘zich ontblotte, zoals alleen een ordinaire dwaas zich zou ontbloten’ (2 Samuël 6:20).

De zin is spottend.

“Hoe eerwaardig – כָּבֵד ( – kavéd – zwaar, gewichtig, vaak geassocieerd met glorie, eer, majestijd) –  heeft zich vandaag de koning van Israël gedragen (spot : eigen opmerking) die zich vandaag ontbloot heeft voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren, zoals één van de nietsnutten zich schaamteloos ontbloot!”

“Toen David wederkeerde om zijn huis te zegenen, ging Michal, de dochter van Saul, David tegemoet, en zeide: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden ontbloot heeft voor de ogen der dienstmaagden (slavinnen : eigen opmerking)  zijner knechten, gelijk als zich een van de nietigen schaamteloos ontbloot!” (Statenvertaling)

Dwaas staat hier tegenover wijs. Wie is dwaas (niet wijs) ?

Koning David deed zijn kleren niet uit, maar ontblotte zich van zijn koninklijke majesteit en glorie, wat voor zijn vrouw (eindelijk iemand met wie we het met zijn allen eens zijn) ondragelijk was. Hoe ontdoet hij zich van zijn continue zwaartekracht, zijn majestijdsmassa in functie van het discreet behoud van informatie. Is er een verband tussen beiden, en zo ja, hetwelk ?

Het pluspunt in het verhaal is dat die vrouw ten minste iets te zeggen heeft. Maar ook voor haar draait het om illusoire ‘zelfoffer stabiliteit’ die ontstaat uit een ‘wijsheid’ van meer te willen zijn en dat vooral te willen tonen. In haar ogen (de waanzin van haar vader koning Saül) de stad binnentreden als een heerser, een onschuldige overwinnaar, omwille van de overwinning. Wie dit niet doet, is een ‘dwaas’. De dwaasheid van koning David wordt verbonden met schuld. De eerste betekenis van het woord ‘dwaas’ is nietig. Niet enkel nietsnut (wat ook in het woord zit), maar iemand die als een overwonnen vijand de status heeft van een ’te vernietigen persoon’, zeker in zijn/sociale relaties en status. (2)

Het gezag kan op twee wijzen ontstaan. De ene wijze is het religieus zelfoffer. Deze wijze heeft zijn entropisch maximum bereikt (wat reeds in de voorloggende mythe zullen aanwzig is), omdat de religies hun entropisch maximum hebben bereikt ten aanzien van de illusoire ‘volheid’ (het ‘meerzijn’) dat zij als illusoire stabiliteit vestigden. Religies kennen enkel een continuiteit als volheid zonder discrete momenten. Maar het meerstreven heeft thans zijn entropisch maximum bereikt.

De andere wijze ontstaat uit het bewustzijn van de onschuld van de verliezer, waardoor we in onszelf een niet-onderhandelbaar zelf ontdekken als een zich ontledigende discrete energie die vanuit de niet-opofferbaarheid van dit zelf stabiliteit voortbrengt als ontzag voor de koning (als pars pro tot).

Het bezwaar van de vrouw van koning David hield in dat hij de majesteit en de glorie van het koningschap in gevaar bracht door zijn status ten aanzien van het volk te verlagen (te ontvullen) tot wie niet meer was dan een te vernietigen vijand, concreet een slaaf.

In de hele oudheid (en ook daarna) speelt de slavernij in de samenleving een zeer belangrijke rol.

Koning David herleidt zich tot de status van een ‘interne slaaf’.

Wie zijn schulden niet kon betalen, kon zichzelf verkopen (de beste ‘oplossing’) als slaaf. In principe was deze sociale status tijdelijk. De koning herleidt zich eveneens tot de status van een ‘externe slaaf’. Krijgsgevangenen werden eveneens slaven. Deze slaven hadden een erfelijke status (slaaf van vader op zoon, of van moeder op dochter, omwille van een onuitroeibare schuld als verliezer).

In de wetten van de Bijbel, zoals beschreven in Leviticus of Deuteronomium, waren er specifieke regels voor deze verschillende vormen van slavernij.

Het was het meest extreme schuldige verlies in de samenleving. Het goddelijk laaste oordeel van die (onbestaande) kwaadwillige goden, waarin we allemaal dogmatisch moeten (soms onder religieuze terreur, zoals in Iran – maar niet enkel daar – ) blijven geloven.

Verlies en schuld zijn onlosmakelijk verbonden omwille van het feit dat verlies geassocicieerd wordt met de woede van de goden. Dit is een maatschappelijk breekpunt, waarbij de anomie het behoud van informatie afbreekt. Het zelfoffer is een illusoire maatschappelijk verlangen naar stabiliteit die enkel de anomie doet toenemen. Het is de meest extreme vorm van religieuze entropie.

Aan het verbinden van verlies, onder welke vorm ook –  maar het meest bij een oorlogsnederlaag – met schuld betalen we een zeer hoge energetische prijs. De totale onmogelijkheid om tot maatschappelijke stabiliteit te komen. De inflatie van zelfoffers in oorlogstijd zijn er de veruitwendiging van. Men loopt naar de dood om de schuld van het verlies niet te hoeven dragen. Men loopt naar de dood uit angst voor   de woedende goden (enkel de god ‘Paniek’ kan het tij keren). Men offert zichzelf op uit angst voor de woede van de (onbestaande) goden bij verlies van het eigen kamp. Dit wordt altruïstisch voorgesteld als het geven van zijn leven voor zijn vrienden (soms is het beter – om gezond te blijven – geen vrienden te hebben)  !). Daardoor wordt het behoud van informatie om tot stabiliteit te komen onmogelijk. Het is pas door ons te bevrijden (vrijheid is een discreet, discontinu element) van de religieuze verbinding tussen tegenslag (verlies) in al zijn vormen en schuld dat we informatie kunnen behouden, zonder de dodelijke zelfoffers, eigen aan iedere vorm van geweld.

Er is een relatie tussen de wijsheid als een zich te ontledigen en de oorsprong van het behoud van informatie als oorsprong van het gezag. Deze ontlediging van koning David houdt een breuk in ten aanzien van het verbinden van succes, voorspoed, oorlogsoverwinningen, geluk hebben, met de onschuld die de goddelijke welwillendheid aanwijst. Maar eveneens ten aanzien van het verbinden van tegenspoed (maar in onze wereld ook voorspoed), mislukking (maar in onze wereld ook succes), ziekte, sterven, armoede (maar in onze Marxistische wereld ook rijkdom), verlatenheid, eenzaamheid, en stabiliteit als brond van vernieuwing (in onze Nietscheaanse wereld) met de schuld die de goddelijke kwaadwilligheid

aanwijst, de woede van de goden of godheid.

Het gaat wel degelijk om een vrije keuze van de koning. Vrije keuze omwille van het behoud van informatie, van zijn zelf, zijn zelfbewustzijn en in relatie tot zijn volk als bron (oorzaak) van gezag (door zijn vrije keuze verwerft hij ontzag). De klassieke kommentaren leggen vaak de nadruk op de keuze voor de …., waardoor dit erbij genomen moet worden. Dit zijn mythische kommentaren. Mythische godheden zijn plaklint die de brokstukken moeten lijmen van de gebroeken continuïteit, als het te laat is.

Het is net andersom. Het is vanuit de afstand van majestijd dat behoud van informatie mogelijk wordt, als het vestigen van zijn koninklijk gezag.

Het is in deze teksten allemaal nog zeer mytisch, maar koning David ontdekt de discrete mogelijkheid van een niet sacrifiële maatschappelijke stabiliteit.

Er is een verband tussen de sociale ‘ontlediging’, de individuele en sociale ‘ontgoddelijking’ van koning David en het behoud van informatie dat in de mythe, mythisch voorgesteld wordt door de ark des verbonds. Het is geen nihilisme, maar net het tegenovergestelde. De informatie kan maar behouden blijven door deze extreem discrete, discontinue daad van fusie van de koning met heel zijn volk, zonder onverscheiden te geraken met het volk, omwille van het behoud van informatie waarvan hij als koning de oorzaak, de bron is.

Het is onvoorstelbaar grappige dat we dit kunnen formuleren aan de hand van de gespiegelde logica. De gespiegelde logica (GLA) biedt ons niet enkel een conceptuele frame om het verband te leggen tussen de relativiteitstheorie en de kwantumfysica, maar stelt ons eveneens in staat om de discrete elementen in oude mythen te ontdekken. (3)

Het model is een rationele benadering dat zich situeert buiten de standaard van de wiskunde en de logica.()

KD (koning David)-/,VK (volk)+/,F KD-/VK- (F staat voor fusie)

KD-/,VK+/, F KD-/VK-

De zich aanvankelijk ontledigende parameter KD-/ wordt na de fusie een zich ontledigende parameter VK-/. We stellen vast dat de wijziging zich voordoet in de parameter van het volk (VK). Die verschuift door de fusie van + naar -. Door de ontlediging van het volk behouden we de informatie, terwijl de entropie toeneemt als ontlediging van de koning (belangrijk hierbij is dat de wijziging die zich bij het volk voordoet). Daardoor kunnen we aan de hand van het eindresultaat KD-/ VK-/ het behoud van informatie in het proces ontdekken. ‘KD-/’ is de factor die de meting van het verlies mogelijk maakt. ‘KD-/’ meet de massa-energie die ‘verloren’ is gegaan van de entiteit. Dit verlies is essentieel voor de fusie.

‘KD-/’ creëert de consistentie, de stabiliteit. Door als entropie (-) te verschijnen, zorgt de ‘’KD-“ ervoor dat de VK- als informatie (zij het afgezonderd van de massa van zijn eigen VK+) behouden blijft. Het is de brug tussen de oorspronkelijke toestand en het eindresultaat. Beide zijden, links en rechts van F staan spiegelend sympaetrische, ofschoon verschillend.

Wat koning David doet is het bekomen van een zeer compacte en eenvoudige omschrijving van het principe van kwantummechanisch informatiebehoud (unitariteit), dat de basis vormt van de redenering.

Het resultaat (het einde) is  de eindtoestand als  de geëvolueerde restmassa/straling, verrijkt met de entropische overdrachtswaarde.

De oorspronkelijke entiteit (het begin) als de starttoestand.

De fusie betekent dat omwille van de informatie van  VK+/, die volledig gecodeerd is in de entropische overdrachtswaarde (‘KD-’) en de resttoestand (VK-), de transformatie unitair is. Fusioneel (continue onverscheidheid) men behoud van informatie (discreet verschil).

Dit houdt in dat het eindresultaat (KD-/VK-,,) een perfecte spiegel van de begintoestand bevat, waardoor de oorspronkelijke entiteit (VK+/,), inclusief al haar ‘zelfinformatie’, theoretisch kan worden gereconstrueerd of ontdekt vanuit de entropie van de straling die ze naliet.  

Het gevolg is dat men tot stabiliteit kan komen met een vermeerdering van de entropie (de tweede thermodynamische wet) als oorzaak zelf voor het behoud van informatie. 

Het behoud van informatie houdt in deze tekst mythisch symbolisch verband met de ark van het verbond. Deze informatie (de betekenis van de ark van het verbond) kan maar behouden blijven door een vermindering van de majesteitsmassa van de koning. In die ark bevonden zich de twaalf tafelen (herinnering aan de wet, als discrete relatie in een samenleving), een gouden pot met manna uit de woestijn (herinnering aan de plaats van het ‘woord’ als discrete energie, waarvoor men niet hoeft te betalen, iets dat ‘gratis’, ‘kosteloos’ is) en de staf van Aäron (herinnering aan de mythische legitimiteit van het koningschap). Voor koning David was het behoud van deze informatie belangrijker dan zijn koninklijke majesteit of glorie.

Ik herhaal dat het geen nihilisme is. Het betekent dat zijn majestijd en glorie ontstaat uit zijn ontgoddelijkingsproces, een ontledigingsproces, dat de glorie van het volk aanwakkert, waaruit het gezag van de koning onstaat. (4)

David ontledigt, ontgoddelijkt zich, Salomo treedt Jeruzalem binnen als een farao van Egypte, als een halfgod (de menselijk incarnatie van een zelfoffergod, als met een zwaard in twee delen gesneden, half god, half mens). En hij heeft zijn trofee, zijn oorlogsbuit mee.

Dit zal de perceptie van het volk zijn geweest. Vandaar dat er geen ontvangst was voor Salomo.

Maar koning Salomo bouwt een tempel, vermeld als een huis (1 Koningen 3:1v).

Een eerste teken van zijnsontlediging, van zijnsvermindering, als informatiebehoud.

Ook al wordt het een Tempel, het wordt vermeld als een huis, geen paleis of kasteel.

Salomo bouwt er een muur rondom (1 Koningen 3:1g). Dit is een beperking in de ruimte, een grens.

Hoewel het woord ‘saviv’ in het dagelijks taalgebruik en in de meeste Bijbelteksten simpelweg ‘rondom’, ‘in de omtrek’ of ‘in de buurt’ betekent, wordt het in de militaire context gebruikt om het concept van omsingeling, belegering of het omringen van een vijand uit te drukken. Het is de laatste fase voor de overgave of vernietiging van het vijandelijk leger.

De betekenis van ‘saviv’ in een militaire context gaat verder dan een simpele geografische beschrijving; het duidt op een strategische actie die de vijand insluit en de overwinning bezegelt.
Wanneer een stad wordt belegerd, beschrijft ‘saviv’ de vijandelijke troepen die rondom de stad zijn opgesteld. Dit creëert een staat van insluiting en uithongering, wat leidt tot de overgave van de stad.

Het omringen van een verslagen of vluchtend leger met de term ‘saviv’ betekent dat het leger niet meer kan ontsnappen. De omsingeling is dan de laatste stap in de militaire overwinning. Het markeert het punt waarop de vijand volledig in het nauw is gedreven en de strijd definitief verloren is. De ‘saviv’ toont dus de voltooiing van de dominantie van de overwinnaar. Het is de klassieke religieuze cirkel van de onschuld van de overwinnaar.  Als de overwinnaar zijn vijand ‘saviv’ weet te krijgen (te omsingelen), dan heeft hij de totale controle over de situatie en de overwonnenen.

Koning Salomo’s ‘nemen’ van de dochter van de Farao, in die symboliek, is het diplomatieke equivalent van het omsingelen en in het nauw drijven van de farao’s goddelijke autoriteit, hij dwong de Farao tot een daad die zijn onderwerping tot uitdrukking bracht. Koning Salomo heeft een tastbare aanwezige oorlogsbuit weten te bemachtigen.

Maar het omringen van de tempel met een muur heeft een andere betekenis.
In de meeste heilige plaatsen van tempels werden in de oudheid de oorlogsbuit geplaatst.
Wanneer een stad of volk werd verslagen, werd aangenomen dat de goden van de overwinnaar sterker waren dan de goden van de verslagenen. De goden zelf hadden dus de strijd geleid en gewonnen. De goden van de verliezer waren verliezende goden, wat een extreme schande was voor de vijand die de grootste eeuwige (religieuze straffen zijn altijd ‘eeuwig’, de ‘hel’, voor de verliezers) kosmische schuld diende te dragen, deze van de overwinning op de eigen goden.
Het buitmaken van de godenbeelden (of cultusbeelden, of andere goddelijke of religieuze voorstellingen) van de vijand was daarom de ultieme oorlogsbuit.
Dit was niet enkel om het goud of zilver, maar de geïncarneerde kracht van de vijand zelf.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : “Waarom wordt er naar de Tempel verwezen ? herneming van vers 3,1 d-g”)

(1) Vanwaar ‘….’ voor de naam van de godheid ?

De Romeinse mythische praktijk van de Evocatio (Uitnodiging) was een ritueel dat de Romeinen vaak uitvoerden tijdens een belegering. Het doel was om de beschermgod(en) van de vijandelijke stad over te halen de stad te verlaten en zich bij Rome aan te sluiten.

De Romeinen beloofden de god(en) van de belegerde stad een betere cultus, een mooiere tempel, en meer eer in Rome. Als de goden van de vijand hun stad verlieten, werd de stad kwetsbaar en verloor ze haar goddelijke bescherming.

Hoewel de naam van de stadsgod(en) vaak bekend was voor de evocatio kon worden uitgevoerd, was het resultaat van het ritueel de belangrijkste focus. Als het ritueel succesvol was, moesten de goden in hun nieuwe rol in Rome worden geïntegreerd.

De militair strategische kern was de geheime naam van Rome’s eigen beschermgod

De Romeinen geloofden dat hun eigen stad, Rome, ook een verborgen, ultieme beschermgod of -godin had. Maar de naam diende geheim te blijven.

Zo kon men tegenaanvallen voorkomen.  Als de vijand de geheime naam van Rome’s beschermgod kende, konden zij op hun beurt een evocatio op Rome’s beschermgod uitvoeren. Ze zouden de god kunnen ‘uitnodigen’ om Rome te verlaten door een betere deal (tempel, cultus) aan te bieden.

Zolang de naam geheim bleef, was Rome in essentie onneembaar door dit specifieke militair religieuze middel. Het was een vorm van magische militaire bescherming.

De identiteit van deze godheid werd nooit onthuld. Sommige geleerden hebben gespeculeerd dat het Opis Consiva (een godin van vruchtbaarheid en rijkdom, in de context van de oogst) zou kunnen zijn, of Jupiter Optimus Maximus (de oppergod), maar de ware, geheime naam is nooit officieel bekendgemaakt en bleef het diepste staatsgeheim.

In de Romeinse beleving was een oorlog meer dan een fysieke strijd; het was ook een religieuze strijd om de pax deorum (vrede met de goden).

Weten dat hun eigen goden veilig waren en dat de vijandelijke goden mogelijk al waren overgelopen, was een enorme boost voor het moreel van de Romeinse soldaten.

Het idee dat hun eigen goden hen hadden verlaten, zaaide paniek en wanhoop onder de verdedigers van een belegerde stad, wat de overgave kon versnellen.

In de Joodse mythologische praktijk is de betekenis niet dezelfde. De betekenis is een zijns, of wordingsbreuk. Het is mytisch net andersom dan bijvoorbeeld in de Romeinse mythologie. Het is geen waardeoorldeel, enkel een positivistische objectiverrende vaststelling. Het niet uitspreken van de naam houdt in dat men geen invloed kan hebben op de godheid, wat magie, waarzegsterij, maar vooral gebruik in oorlogstijd (wat in de werkelijkheid niet het geval was, we blijven in het mythische) moet uitsluiten. Aanvalsoorlogen zijn in essentie het gevolg van het manipuleren van goden.

Het beginsel om mytisch de naam niet uit te spreken is veel ouder dan de val van Jeruzalem in het jaar 70 van onze jaartelling. Maar die val verterkte de traditie. Rome zou de naam kunnen misbruiken. Rome na alles mee, maar kon de onbenoembare godheid niet verlijden om in een Romeins vijfsterrenhotel met zeezicht een mooie vacantietijd door te brengen.

Na de val in 70 speelde er met andere woorden een mimetisch element mee ten aanzien van Rome, ofschoon dit niet aan de oorsprong van het fenomeen lag.

(2) De narcist is iemand die als een god de sociale relaties van anderen vernietigt (omwille van zijn religieus genot). Te beginnen met het verlangen de andere te isoleren. De narcist is in die zin een vernietiger, een moordenaar van sociale relaties. Het echte narcisme is de deur naar de psychopatie, enkel omwille van een meerzijdsverlangen.

(3) De GLA (gespigelde logica) wil aantonen dat een logisch conceptueel model mogelijk is met betrekking tot de ontdekking van Stephen Hawking en de hypothese van de kwantumkorrel als stabiliteitsfactor in een systeem waar de toename van de entropie het behoud van informatie waarborgt.

De GLA verschilt in dit verband van de bestaande de snaartheorie en de Loop Kwantumzwaartekracht (LQG).

Het model is een rationele benadering dat zich situeert buiten de standaard van de wiskunde en de logica.

Laten we een eenvoudig voorbeeld nemen :

In continue wiskunde :

+6 – 3 = +3  

In de GLA : (betekenis van de massavermindering)

3-/,6+/, F 3-/’9’, (F staat voor fusie)

EERSTE BEWERKING

Het cijfer 6+/, staat discreet tegenover het cijfer 3-/, in een spiegelverhouding.

TWEEDE BEWERKING 

De zijnsmassa van het cijfer 6+/, ‘ontvolt’ zich (maakt zich leeg) met 9 discrete eenheden.

Deze 9 eenheden worden niet afgetrokken van het cijfer 6 om tot -3  te komen, maar vermeerderen de totale entropie van het systeem dat streeft naar een oneindige entropie : ‘9’ .

Door deze ‘ontvolling’ verkrijgt het cijfer 6 een negatieve massa van 3-/,.

Voor het oorspronkelijk cijfer 6 is er een verlies van ‘9’ eenheden in zijnsmassa die de totale entropie van het systeem vermeerdert.

DERDE BEWERKING 

De betekenis van het cijfer 6 verdwijnt echter niet uit het systeem (het wordt als het ware ‘afgezonderd’ van zijn eigen massa, ter zijde geplaatst). Door de massavermindering en entropievermeerdering behoudt het cijfer 6 zijn oorspronkelijke zelfinformatie.

VIERDE BEWERKING : SYMMETRISCHE SPIEGELSTAND EN FUSIE

Door de ‘ontvolling’ van het cijfer 6 met ‘9’ eenheden komt het cijfer in een spiegelstand te staan ten aanzien van het te bekomen resultaat : 3-/,.

Daardoor kunnen beide cijfers fuseren 3-/, F 3-/’9’,

De letter F staat voor fuseren.

Aangezien ‘9’ de opgevoerde waarde is die het massaverlies en de entropievermeerdering vertegenwoordigt, kan ‘9’ aanzien worden als een entropische vrijheidsgraad of de unitaire overdrachtswaarde.

In kwantumtermen als volgt.

De entropische vrijheidsgraad is de totale hoeveelheid entropie die vrijkomt als thermische straling (wanorde). Het is de gecodeerde kwantuminformatie die de massa verliet.

De unitaire overdrachtswaarde is de actie van het samensmelten. Het vertegenwoordigt de unitaire evolutie (het proces dat informatie behoudt) op de waarnemingshorizon.

Betekenis van de  ‘9’ als entropische unitaire overdrachtswaarde.

‘9’ is de factor die de meting van het verlies mogelijk maakt. ‘9’  meet de massa-energie die ‘verloren’ is gegaan van de entiteit. Dit verlies is essentieel voor de fusie.

‘9’ creëert de consistentie. Door als entropie te verschijnen, zorgt de ‘9’ ervoor dat de 6+/, als informatie (zij het afgezonderd van de massa van zijn eigen 6) behouden blijft. Het is de brug tussen de oorspronkelijke toestand en het eindresultaat.

De verhoogde positie benadrukt dat ‘9’ (superscript) niet slechts een component is, maar de activerende, bekrachtigende factor in het transformatieproces.

Het verlies aan massa energie met ‘9’ eenheden is geen zelfoffer of zelfvernietiging met een 0 waarde (zoals in de continue wiskunde), maar een transformator (afgezonderd uit de massa) die de fusie mogelijk maakt tussen de twee cijfers vanuit een verlies aan massa als behoud van de oorspronkelijke informatie.

Daardoor is er een fusie mogelijk tussen beide getallen. 6+/, ‘9’ = 3-/, = 3-/’9’,.

RESULTAAT

In deze fusie behoudt het oorspronkelijk getal 6+/, door zijn vermindering in zijnsmassa zijn zelfinformatie vanuit deze relatie :

3-/, ‘9’ als rechterzijde van het spiegelbeeld.

‘9’ in relatie met 3-/, of 3-/’9’, doet ons als rechterzijde van het = teken, de oorspronkelijke linkerzijde ontdekken, omwille van het behoud van informatie.

We kunnen met andere woorden vanuit het resultaat (het einde) de oorspronkelijke entiteit (het begin) ontdekken.

Hierdoor bekomen we een zeer compacte en eenvoudige omschrijving van het principe van kwantummechanisch informatiebehoud (unitariteit), dat de basis vormt van de redenering.

Het resultaat (het einde): de eindtoestand is de geëvolueerde restmassa/straling, verrijkt met de entropische overdrachtswaarde.

De oorspronkelijke entiteit (het begin) als de starttoestand.

Deze uitspraak betekent dat omwille van de informatie van  6+/, die volledig gecodeerd is in de entropische overdrachtswaarde (‘9’) en de resttoestand (3-/,), de transformatie unitair is.

Dit houdt in dat het eindresultaat (3-/’9’,,) een perfecte spiegel van de begintoestand bevat, waardoor de oorspronkelijke entiteit (6+/,), inclusief al haar ‘zelfinformatie’, theoretisch kan worden gereconstrueerd of ontdekt vanuit de entropie van de straling die ze naliet. Dit is de voorgestelde ‘oplossing’ voor de ‘Zwarte Gat Informatieparadox’.

Het gevolg van de ontdekking van Stephen Hawking houdt in dat men tot stabiliteit kan komen met een vermeerdering van de entropie (de tweede thermodynamische wet) als oorzaak zelf voor het behoud van informatie. 

(4) Over het verband tussen het streven naar religieuze volheid en meerzijn in het Christendom (Protestantisme en Katholicisme) als mythische oorzaak van de Eerste Wereldoorlog : Patrick Dassein, Sprong in het duister, 2014, het hoofdstuk : De betekenis van de Burgfriedeen, 125 – 137. Vanaf de eerste dag van deze oorlog werd het Franse Katholicisme (maar ook de andere religies in dat land) het mimtisch spiegelbeeld van de religieuze volheid van de Kathoilieke Duitse vijand. Ten aanzien van het Katholicisme was het duidelijk om een een meerzijn te doen. In Duitsland als herstel (van macht) na de kultuurstrijd van Bismark, en in als herstel (van macht) Frankrijk na de wet van 1905. Het Begisch Katholicisme volgde Frankrijk en deed er nog een schepje bovenop.

“Wanneer men de grote hoeveelheid pamfletten, redevoeringen, preken en oorlogsgeschriften van met name het eerste oorlogsjaar bestudeert, valt vooral het religigieuze taalgebruik op. De oorlog wordt er afwisselnde beschreven als een ‘kruistocht’, een ‘wedergeboorte’, een ‘verlossing’ of ‘openbaring’.” (126-127).

“oorlog werd gezien als een natuurlijk lot (de noodlotgod) van volkeren, vrede was er vooral om de positie voor een toekomstige oorlog te verbeteren. Het memorandum werd georganiseerd door de theoloog Reinhold See

DULCE BELLUM INEXPERTIS
(War is sweet for the inexperienced)
Desiderius Erasmus of Rotterdam, Adagia, 3001 (Collectanea Adagiorum, 1500)

“We are carrying out a magnificent experiment: the fulfillment of the same ever-recurring dream that has continuously visited the peoples of Europe for ten centuries: we want an organization for creation that puts an end to wars and can guarantee eternal peace (…). Our century, which has witnessed disasters resulting in endless conflicts between nationalities and nationalisms, must attempt to RECONCILE nations in a supernational union, and succeed in doing so.”
Robert Schuman

“He (Robert Schuman) refused to see the Germans as enemies.”
Eva Illouz, Explosive Modernity, 2025, p. 41
We must, as Robert Schuman did with the Germans, free ourselves from our urge to view the entire Russian population as our enemy.

FROM REPARATIONS TO ANTICIPATORY WAR BOOTY
THE LEGAL TRANSFORMATION OF FROZEN STATE ASSETS IN CONTEMPORARY INTERNATIONAL LAW

There is a legal tension between the use of frozen state assets as reparations for war damage and the utilization of such funds for military purposes. Although the freezing of state assets under sanctions law is an established practice, the anticipatory use of these funds for military support constitutes a fundamental breach of international law. This analysis argues that when reparation funds are used for military purposes, the action effectively evolves into a form of anticipatory seizure of war booty, a concept that violates both the principle of state immunity and the prohibition of confiscation of enemy property outside a formal peace settlement.

INTRODUCTION

The freezing of state assets has become a key instrument of international sanctions law since the end of the Cold War. When a state commits serious breaches of international law, other states or international organizations often resort to financial measures, including freezing state assets within their jurisdiction.
However, a new phenomenon has emerged in recent practice: not merely freezing, but also the anticipatory use of these assets, for example, to financially support the affected state.
The legal problem this development raises is twofold. On the one hand, it touches upon the fundamental principle of state immunity and the protection of state property under international and regional law. On the other hand, a second, more subtle issue arises: when these funds are qualified as reparations but are subsequently used for the purchase of military equipment, one comes dangerously close to reclassifying these funds as a form of anticipatory war booty.
The central proposition is that the utilization of reparation funds for military purposes signifies a shift from a reparative to a punitive approach, which is incompatible with international law.

THE LEGAL FRAMEWORK: STATE IMMUNITY, SANCTIONS, AND PROPERTY PROTECTION

International law has long recognized the principle of state immunity, which prevents one sovereign state from confiscating or utilizing the property of another sovereign state without legal title. The International Court of Justice (ICJ) affirmed this principle in Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening), stating that state immunity is a fundamental element of the sovereign equality of states.¹
In European law, this principle is further supported by Article 1 of Protocol No. 1 to the European Convention on Human Rights (ECHR), which protects property against arbitrary expropriation. Although states can impose restrictions in the general interest under exceptional circumstances, the European Court of Human Rights (ECtHR) requires such measures to be proportional, lawful, and foreseeable.²
The freezing of assets under sanctions is generally considered a temporary preventive measure. The property legally remains with the state concerned, but effective access is restricted.³ However, the permanent or anticipatory use of these assets – without an internationally recognized legal basis, such as a reparations agreement – transforms the measure into a form of confiscation, thereby impinging upon the ius cogens principle of state immunity.

REPARATIONS AND THE LAW OF STATE RESPONSIBILITY

The concept of reparations is firmly rooted in international law, particularly in the Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts (ARSIWA) adopted by the International Law Commission (ILC) in 2001. Article 31 stipulates that a state that commits an internationally wrongful act is obligated to make full reparation for the injury caused thereby.⁴ Reparation can take various forms: restitution, compensation, and satisfaction.⁵
Legal scholarship emphasizes that reparations are strictly restorative, not retributive. Dinstein, for example, states that reparations “are strictly restorative, not retributive, and must not serve as a means of sustaining warfare.”⁷ Similarly, Talmon notes that the misuse of reparations for ongoing military operations impairs the legal character of reparations and undermines their legitimacy.⁸
The result is that, as soon as reparation funds are used for military purposes, they lose their legal qualification as compensation and effectively evolve into a form of seizure.

ANTICIPATORY SEIZURE AND THE CONCEPT OF WAR BOOTY

The concept of war booty has a long history in the law of war. Traditionally, it refers to the seizure of enemy property during an armed conflict, under the conditions of jus in bello.⁹ Modern international humanitarian law – specifically the Hague Convention (IV) Respecting the Laws and Customs of War on Land (1907) – limits confiscation to strictly military goods and under strict conditions of effective occupation.¹⁰
The anticipatory use of state assets that were frozen outside a formal conflict but subsequently used for military purposes introduces a dangerous new category: anticipatory war booty. This implies that states, without a formal declaration of war or status of occupation, utilize enemy property to support an armed party.
Legally, this differs significantly from reparations, as war booty traditionally only becomes lawful upon the end of hostilities or within the framework of a peace settlement.¹¹ The anticipatory claiming or use of such resources therefore constitutes a violation of both the property rights of the state concerned and the prohibition of unilateral reprisals involving force.¹²
As Peters states: “By allowing the anticipatory use of frozen assets as military funding, states dangerously blur the line between lawful sanctions and unlawful expropriation under the guise of moral justice.”¹³

IMPLICATIONS FOR THE INTERNATIONAL LEGAL ORDER

The legal consequences of this development are far-reaching. If states or international organizations develop the custom of not merely freezing but also repurposing frozen assets of an aggressor state for military support, a new customary law practice may emerge, one that undermines the distinction between sanctions and war measures.
This would lead to an erosion of three core pillars of international law:
1. State Immunity
The protection of state property against confiscation outside a judicial context loses meaning if political expediency replaces the rule of law. The foundation for the immunity of core sovereign property is firmly established in diplomatic practice, codified by the Vienna Convention on Diplomatic Relations (VCDR) (1961). Article 22 dictates that the premises of the mission (the embassy and its grounds) are inviolable. They may not be entered without consent and are immune from any search, requisition, attachment, or execution.
Assets may only be temporarily frozen and, following the conclusion of the war and pursuant to a judicial or legally mandated decision, utilized for non-military reparations. Legal reasoning must approach the general principle from this exception, not vice versa.
2. Distinction Between Peace and War
The line between sanctions law (peace) and acts of war blurs, threatening the stability of jus ad bellum.
3. Integrity of Reparations Law
The transformation of reparations into military financing destroys the logic of restorative justice and reduces it to instrumental sanctions policy.
Additionally, this could lead to a RECIPROCITY SPIRAL, where other states might feel entitled to take similar measures, for example, by using opponents’ assets for their own military purposes, eroding both property protection and state immunity.
The international legal order since 1945 has been built on the principle that sanctions and coercive measures must be collective, legal, and proportionate. The repurposing of reparation funds for military purposes constitutes a return to unilateral, power-driven relations, in which law gives way to political utility.

CONCLUSION

The use of frozen state assets as reparation funds that are subsequently utilized for military purposes represents a fundamental deviation from the established principles of international law. This practice transforms reparations – originally intended as a means of redress and reconciliation – into a form of anticipatory war booty.
This shift has not only legal but also normative implications. It undermines the separation between civil redress and military action, between law and power, between sanction and retribution.
To maintain the legitimacy of international law, states must adhere strictly to the distinction between freezing, confiscation, and use, and limit the destination of reparation funds to civil purposes. Only in this way can it be avoided that international law, intended as an instrument of peace and restoration, is once again employed as an instrument of war.
Philippe De Keukelaere

Footnotes

1. Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening), Judgment, ICJ Reports 2012, p. 99.
2. James and Others v. United Kingdom, ECtHR, Judgment of 21 February 1986, Series A no. 98.
3. H. Ascensio, “Les avoirs d’État étrangers et les mesures restrictives”, Revue Générale de Droit International Public, 2023, p. 421.
4. International Law Commission, Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts, 2001, art. 31.
5. Ibid., arts. 34–36.
6. Factory at Chorzów (Germany v. Poland), Permanent Court of International Justice (PCIJ), Series A, No. 17, 1928, p. 47.
7. Y. Dinstein, War, Aggression and Self-Defence, 6th ed., Cambridge University Press, 2017, p. 312.
8. S. Talmon, “Reparations and the Limits of Lawful Countermeasures”, Zeitschrift für ausländisches öffentliches Recht und Völkerrecht, 2022, p. 95.
9. W. Heintschel von Heinegg, “Booty of War and the Protection of Property in Armed Conflict”, Yearbook of International Humanitarian Law, 2005, p. 143.
10. Hague Convention (IV) Respecting the Laws and Customs of War on Land, Annex, Regulations, 1907, arts. 53–56.
11. L. Oppenheim, International Law: Disputes, War and Neutrality, 7th ed., Longmans, 1952, § 190.
12. UN General Assembly, Resolution 2625 (XXV), “Declaration on Principles of International Law Concerning Friendly Relations and Co-operation among States”, 1970.
13. A. Peters, “Frozen Assets, Reparations and the Erosion of Legal Restraints”, European Journal of International Law, 2023, p. 789.

NIEUWE TEKST

PILATUS’ HANDWASSING (MATTHEUS 27:24-25)
HET MYTHISCHE SPIEGELBEELD VAN EEN AANVALSOORLOG
EEN MYTHISCHE PARADOX
DEEL IV
HET OORDEEL VAN KONING SALOMO
HET VERBAND TUSSEN DE WIJSHEID VAN DE KONING EN HET ONTSTAAN VAN ZIJN KONINKLIJK GEZAG
 
Het was mijn bedoeling om een tekst te schrijven over het brahmanisme en het ontstaan van de godheid Prajapati. Iemand stelde me echter voor om iets te schrijven over het bekende oordeel van Salomo.
 
INLEIDING
 
We ondernemen een poging om een oud, mythisch verhaal – vanaf het eerste vers is het duidelijk dat de historische grondslag van het verhaal minstens twijfelachtig is – vanuit een positivistische objectiviteit te ontleden. Objectiviteit die we niet benaderen vanuit ontologische categorieën, maar als te onderzoeken fenomenen die ons via de betekenissen, de zingeving van het mythische verhaal, het doel van de auteur doen ontdekken. We zoeken hoe in oude mythen bij toeneming van anomie de informatie behouden blijft. [1]
Een eerste moeilijkheid met betrekking tot dit verhaal is de vraag vanaf welk vers het verhaal eigenlijk aanvangt. Wie het verhaal in stukken snijdt om enkel het oordeel te lezen, verliest een groot deel van de betekenis van het oordeel. We kiezen ervoor om het verhaal te laten starten bij vers 1 van hoofdstuk 3 van het eerste boek der Koningen tot en met vers 28 [1 Koningen 3:1-28].
Bij een dergelijk onderzoek is het niet onbelangrijk te vertrekken vanuit de klassieke interpretatie van de tekst. Als men dit niet doet, zit men meteen op een onjuist spoor.
De tekst wil ons de wijsheid van een koning laten ontdekken. Niet de wijsheid omwille van de wijsheid, maar in functie van het ontstaan van zijn gezag (de mythe wil ons iets mededelen over de aard van wat gezag is, in het verhaal het koninklijk gezag van Salomo).
Niet het gezag omwille van het gezag, maar het gezag als stabiliteitsfactor zonder zelfopoffering en zelfvernietiging.
Het verhaal situeert zich als mythe niet buiten de religieuze zelfopofferingen, de rituele offers (een kenmerk van alle religies), maar koppelt het gezag van de koning los van mensenoffers, van elke vorm van zelfoffer en in het bijzonder van kinderoffers.
 
ALGEMENE SITUERING
 
De tekst die we onderzoeken, behoort tot de mythische literatuur. Mythische literatuur is religieus van aard en fungeert als een bemiddeling om een ‘meer-zijn’ te bereiken. Dit proces leidt echter tot een toename van anomie (entropie) binnen het systeem.
Zoals in alle religies staat en blijft het offer centraal, ook als instelling of instituut ten behoeve van het verwerven van individueel en collectief ‘meer-zijn’. Binnen het kader van dit religieuze offeren kunnen, op momenten waarbij de anomie extreem toeneemt (crisissituaties), offecrises ontstaan, waarbij het offeren extreme proporties aanneemt. Dit is de kritische religieuze massa, die vergelijkbaar is met die van een aanvalsoorlog.
We onderzoeken in welke mate er binnen deze mythische context een ‘ontlediging’ (een zich leegmaken), een ‘ontvolling’ (het minder vol zijn, een zich terugtrekken uit het ‘meer-zijn’) kan plaatsvinden, waardoor de informatie behouden blijft, ondanks de vermeerdering van de religieuze anomie (entropie).
Deze ‘ontlediging’ of ‘ontvolling’ is een terugkeer naar het zelf als zelfbewustzijn binnen het mythische gebeuren, waardoor de informatie binnen het mythische proces behouden blijft. Niet omwille van het mythische zelf, maar als zingeving van het verhaal.
Het gaat in een dergelijk onderzoek niet over de vraag of de tekst historisch is of niet, maar wat de tekst ons leert over het fenomeen gezag in de geschiedenis, met als bron de wijsheid van koning Salomo.
In deze zin vertellen de mythen ons niet enkel iets over het behoud van informatie, maar eveneens over fenomenen als menselijk geweld en aanvalsoorlogen. Het gaat in de eerste plaats over het al dan niet uit de hand lopen van het behoud van informatie ten aanzien van anomie. De vraag is hoe dat komt en hoe het verhaal daar een antwoord op biedt. Bij een dergelijk onderzoek mogen we niet uit het oog verliezen dat het discrete moment, waarbij de informatie behouden blijft, in verband staat met de ‘symboliek’ van de eerste Tempel van Jeruzalem, die door Salomo gebouwd werd, maar eveneens met die van de tweede Tempel van Jeruzalem. Ofschoon de auteur van de eindredactie de Tweede tempel meer dan waarschijnlijk niet heeft gekend en enkel op de hoogte was van de verwoesting van de eerste Tempel. Bij het onderzoeken van de voorliggende mythe gebruiken we de ‘symboliek’ van de eerste Tempel als van de tweede.
 
I/ DE POLITIEKE CRISIS VEROORZAAKT DOOR EEN DYNASTISCH HUWELIJK ALS BIJZONDER VERBOND OF ALLIANTIE
 
HET HUWELIJK VAN KONING SALOMO MET DE DOCHTER VAN DE FARAO VAN EGYPTE
 

Vers

Hebreeuws (MT)

Transliteratie

Wortel (Šōreš)

Woord-voor-woord vertaling

Betekenissen 

3:1a

וַיִּתְחַתֵּ֣ן שְׁלֹמֹ֗ה

vayyitḥattēn Šĕlōmōh

חתן (ḥ-t-n)

en maakte zich tot schoonzoon (reflexieve hitpaʿel vorm, zich door een huwelijk verminden) Salomo

Reflexieve Hitpaʿel vorm = ‘zich door huwelijk verbinden’, een alliantie sluiten.

3:1b

אֶת־פַּרְעֹה מֶ֣לֶךְמִצְרָ֔יִם

ʾet-parʿōh melekhMiṣrayim

(— / מלךm-l-k)

met farao, koning van Egypte

פַּרְעֹה = titel van Egyptische koning de Faroa); מֶלֶךְ =; מִצְרַיִם= Egypte.

3:1c

וַיִּקַּ֤ח אֶת־בַּת־פַּרְעֹה֙

vayyiqqaḥ ʾet-bat-farʿōh

לקח (l-q-ḥ)

en nam de dochter van farao

Qal vorm = nemen, ontvangen, huwen.

Voorgestelde vertaling:

“3:1a: en Salomo maakte zich als schoonzoon 

3:1b: van de Farao, koning van Egypte

3:1c: en nam de dochter van farao”

KOMMENTAAR
 
A/ VERS 3:1: DE KLASSIEKE KRITIEK OP HET HUWELIJK IN DE JOODSE COMMENTAREN
 
De klassieke Joodse commentaren, waaronder de Talmoed, Rashi, Radak, Mezudat David, Midrasj Tanchuma en de Zohar, stellen zich kritisch op tegenover het huwelijk van koning Salomo met de dochter van de Farao van Egypte.
Het huwelijk wordt door deze bronnen minstens als problematisch, zo niet zondig, beschouwd. Salomo stond erom bekend een zwak voor vrouwen te hebben, wat ook in de Bijbel zelf wordt bekritiseerd. 1 Koningen 11:3 vermeldt expliciet: “Hij had zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen.”
Kohelet ((het boek) Prediker), Sefer Hokma Slomo (het boek der Wijsheid), maar eveneens Shir HaShirim (Het Lied der Liederen, het Hooglied) worden aan koning Salomo toegeschreven.
De Talmoed (Sanhedrin 21b) en Midrasj Rabba wijzen dit huwelijk zelfs expliciet aan als de oorsprong van zijn uiteindelijke val. Hierbij beroepen de commentatoren zich op Deuteronomium 17:17, dat koningen waarschuwt: “Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken.” Hart in de betekenis van zijn zelf in verhouding tot zijn verstand als bewustzijn.
Eigenlijk wil men aantonen dat de koning daardoor zijn wijsheid verloor.
Kohelet Rabbah 2:8 (Vilna-editie, ’אָמַר שְׁלֹמֹה’ ‘de stem van Salomo’, of ‘Salomo spreekt’) stelt: “Salomo zei: ‘Ik zal mijn hart beproeven met vreugde en zien wat goed is. De Heilige (vervangt het vierletterwoord in de Talmoed, ingevolge de rabijnse conventie, eigen opmerking), gezegend zij hij, zei tot hem: ‘Jij hebt gezegd: ‘Ik zal mijn hart beproeven,’ bij jouw leven! jouw hart is het dat jou zal beproeven.
Jij hebt gezegd: ‘Ik zal wijs worden,’ maar ik zeg tot jou: ‘Hij zal jouw hart van mij afkeren.’”
Een tweede belangrijk kritiekpunt is de geopolitieke kritiek, die in diverse commentaren naar voren komt. Deze kritiek richt zich op de afhankelijkheid die door dit huwelijk van de koning ontstond ten opzichte van de Egyptische Farao. Men beschouwt het als een symbolische en feitelijke ’terugkeer naar Egypte’, wat in strijd was met de betekenis van het koningschap. In de Talmoed van Babylonië staat zelfs dat zijn huwelijksnacht de (fatale) oorzaak zou zijn geweest voor het ontstaan van Rome. Het gaat met andere woorden zeer ver.
 
DE HISTORISCHE AFWIJKING VAN DE MYTHE
 
Een dergelijk huwelijk – als het al een werkelijkheidsgehalte heeft – was in de toenmalige geopolitieke context op zijn zachtst gezegd zeer ongebruikelijk, eigenlijk bijna ondenkbaar (men kan nooit iets helemaal uitsluiten in dit verband).
In de periode van het Nieuwe Rijk, waarin Salomo’s huwelijk zou hebben plaatsgevonden (rond de 10e eeuw v.Chr.), was het voor een farao ongebruikelijk om zijn dochters uit te huwelijken aan buitenlandse koningen. Deze dochters speelden namelijk een sleutelrol in de Egyptische dynastieke en religieuze opvattingen.
De farao’s van Egypte gebruikten handig politieke allianties om geopolitieke conflicten – in de eerste plaats met buurlanden – te vermijden, maar zij vermeden allianties die hun internationale macht zouden verzwakken. In dit kader was het niet ongebruikelijk dat farao’s trouwden met buitenlandse vrouwen. Het omgekeerde gebeurde niet.
Farao’s huwden regelmatig met prinsessen uit het Midden-Oosten (zoals Mitanni of Babylonië) als onderdeel van politieke verdragen, onder andere om de vrede te bezegelen. Deze buitenlandse prinsessen kwamen in de harem en werden gezien als een teken van Egyptische superioriteit en de bereidheid van andere naties om hun dochters als eerbetoon te sturen.
Het omgekeerde ‘zou’ (?) zeer ongebruikelijk zijn geweest. Het omgekeerde was bijna ondenkbaar en zou een blijk zijn geweest van enorme zwakte of politieke onderwerping.
Er waren minstens twee belangrijke redenen:
 
a) De (religieuze) dynastieke zuiverheid, omdat de farao werd beschouwd als een halfgod
 
De farao werd beschouwd als de incarnatie van de zonnegod Ra (later Amon-Ra, of Horus) en was geen gewoon mens. Zijn dochters waren Netjeret (godin, goddelijk wezen), het heilig vlees van de zonnegod (een incarnatie).
‘Een dochter van de koning van Egypte behoort niet tot de wereld van mensen.’ Haar uithuwelijken aan een buitenlandse koning zou de goddelijke erfelijke linie ontheiligen, de Maät (de kosmische orde) doorbreken en de solaire zuiverheid van de faraonische dynastie schenden.
Het ideaal in Egypte was het bewaren van ‘zuiver koninklijk bloed’, wat verklaart waarom de koning bij voorkeur zijn zus of halfzus huwde, en waarom bijna alle grote koninginnen van Egyptische koninklijke komaf waren.
Zijn vrouwelijke nakomelingen droegen in beginsel het goddelijke bloed over. Door hen uit te huwelijken aan een ‘mindere’ buitenlandse koning, zou dit bloed in een vreemde dynastie terechtkomen, wat de Egyptische kosmologie en de goddelijkheid van de farao zou ondermijnen.
 
b) Machtsuitoefening en dynastieke aanspraken
 
Een andere reden was de machtsuitoefening, waarbij de farao zijn dochters steeds in Egypte behield, zelfs onder de veronderstelling dat zij met buitenlanders getrouwd waren. Dit om te verzekeren dat er geen legitieme aanspraken op de Egyptische troon konden worden gemaakt door een buitenlandse koning via zijn vrouw.
In de diplomatie van het Nabije Oosten symboliseerde het geven van een prinses een teken van onderwerping of op zijn minst gelijkwaardigheid. Het uitwisselen van dochters erkende de vorsten als ‘broeders’ of ‘gelijken’.
Egypte zag zichzelf echter als het middelpunt van de wereld, het Ta-mery (Geliefd Land), superieur aan alle andere koninkrijken. De farao stond hiërarchisch boven alle andere vorsten, die als ‘onderdanen’ werden beschouwd, zelfs al spraken buitenlandse koningen hem aan als ‘mijn broer’ in de Amarna-brieven.
Een huwelijk met een Egyptische prinses zou impliceren dat Egypte de buitenlandse vorst als gelijkwaardig erkende, wat ondenkbaar was voor het hof.
Het beleid ‘Egypte neemt, maar geeft niet’ was dus een vorm van ‘internationale branding’, die de unieke, goddelijke status van de farao en de onbetwiste hiërarchische superioriteit van Egypte in de wereld van de Late Bronstijd bevestigde.
Hierover zijn er bronnen. Zij zijn ouder dan de veronderstelde datum van ons verhaal (ze dateren uit een tijd dat Egypte internationaal dominanter was), maar ze zijn betekenisvol.
De Amarna-brieven (EA = El Amarna) zijn ongeveer 380 kleitabletten, geschreven in het Akkadisch – de diplomatieke lingua franca uit die tijd – die zijn gevonden in El-Amarna (het oude Akhetaton, de hoofdstad van farao Amenhotep IV / Akhenaton). Deze correspondentie dateert van circa 1350 v.Chr. en vormt de diplomatieke uitwisseling tussen Egypte en de andere grootmachten van de Late Bronstijd, zoals Babylon, Mitanni, Hatti en Assyrië. Veel van deze brieven behandelen het onderwerp van huwelijksallianties.
De correspondentie uit circa 1350 v.Chr. maakt duidelijk dat het Egyptische hof een strikt en onwrikbaar beleid hanteerde in deze aangelegenheid. Egypte ontving buitenlandse prinsessen, maar gaf nooit een Egyptische prinses aan een buitenlandse vorst. Dit wordt duidelijk in de klachten van andere koningen.
Koning Tushratta van Mitanni vroeg herhaaldelijk om een Egyptische prinses ten huwelijk aan farao Amenhotep III (EA4). De farao antwoordde, zoals samengevat in de vertaling van Moran (The Amarna Letters, 1992, p. 9): “Van oudsher is het niet de gewoonte dat een koning van Egypte zijn dochter aan iemand geeft.”
Tushratta stelde voor goud te schenken, maar de farao weigerde standvastig een van zijn dochters af te staan, waarover de Mitannische koning zijn beklag maakte.
De Babylonische koning Burnaburiash II klaagde dat hij wel naar Egypte gouden geschenken stuurde, maar nooit een prinses terugkreeg. Hij citeerde de Egyptische weigering (Moran, p. 15): “Gij hebt gezegd: ‘Een dochter van een koning van Egypte wordt aan niemand gegeven’.” De formule opgenomen in EA 7 vat dit beleid samen: “Sinds mensenheugenis wordt geen dochter van de koning van Egypte aan iemand gegeven.”
Dit was een vast diplomatiek principe, herhaald om de geopolitieke hiërarchie te bevestigen. Amenhotep III huwde bijvoorbeeld de Mitannische prinses Tadu-Ḫepa, maar weigerde Tushratta een Egyptische prinses te sturen. [2]
Wat zou de diepste reden kunnen zijn van de onwrikbare weigering van de farao’s van Egypte om hun dochters aan buitenlandse koningen uit te huwelijken? Het nemen van de vrouw reikt verder dan iedere geopolitieke berekening.
Het raakt de kern van de Egyptische kosmologie en de goddelijke status van de farao zelf, waarbij een dergelijk huwelijk onherstelbare schuld en schande zou meebrengen. [3]
In tegenstelling tot de gangbare praktijk in de oudheid waarbij het geven van een bruidsschat aan de vader van de dochter een compensatie was voor gezagsoverdracht aan de schoonzoon, zag de farao van Egypte het afstaan van een van zijn dochters aan een vreemde koning op een fundamenteel andere wijze.
De religieus-politieke betekenis was enorm. De farao zou een dergelijke daad beschouwen als het afstaan van een oorlogsbuit.
Dit zou de grootst mogelijke vernedering, een ultiem ‘minder-zijn’, voor een farao betekenen. Het zou neerkomen op een rituele overgave aan de vijand, wat een immense schande over de goddelijke farao en heel Egypte zou inhouden.
Het zou een ultieme kosmische wanorde met zich meebrengen als goddelijke straf, zoals het verliezen van een oorlog, waarvoor de farao en heel zijn volk schuldig zouden zijn.
 
WAT DEED KONING SALOMO EIGENLIJK? WAAROM EN MET WELKE GEVOLGEN?
 
De mythische tekst zelf geeft ons weinig aanwijzingen, de commentaren en de historische context geven ons meer inzicht. Wat opmerkelijk is in de tekst zelf, is dat de schoonvader voorrang krijgt op de bruid. We stellen vast dat de tekst alles omdraait en omkeert.
Het is niet de Egyptische farao die trouwt met een dochter van de koning van Israël. Daar waar de farao van Egypte dit niet doet om niet afhankelijk en ondergeschikt te geraken aan een vreemde mogendheid, is het hier net andersom. De commentaren leggen vanuit de tekst de nadruk op de ondergeschiktheid en afhankelijkheid van de koning als schoonzoon van de farao.
Wat in Egypte als een persoonlijk ‘meer-zijn’ (vergoddelijkingsproces, ‘de goddelijke farao’ en geopolitieke macht) werd aangezien, wordt in Israël als een politiek gevaar ervaren (religieuze en politieke afhankelijkheid ten aanzien van Egypte). Omdat het in Egypte zo ongebruikelijk was, kunnen we het ons niet anders voorstellen dan dat de koning zeer veel goud zal hebben gegeven om deze bruid (dochter van de farao) naar Jeruzalem te mogen meenemen.
We moeten dit situeren. De kritiek was (en is) niet gericht op het feit dat er een bruidsschat werd gegeven bij huwelijken wat gebruikelijk was.
De kritiek is gericht op het feit dat die ‘bruidsschat’ hier wordt gegeven voor een geopolitiek doel en niet als compensatie voor een verlies aan gezag van de schoonvader.
Over de bruid, de dochter van de farao, wordt er niets gezegd, behalve dat de koning haar meenam [1 Koningen 3:3]. In deze geopolitieke strategie kon dit voor de vrouw geen liefdeshuwelijk zijn, maar enkel een totaal zelfoffer. Hiervoor had koning Salomo – het kan niet anders – zijn aanstaande schoonvader betaald omwille van zijn  eigen meer-zijn. Het werd een zuiver geopolitiek afkopen van de dochter van de farao, en niet het ‘schenken’ (of als men wil betalen) van een bruidschat, van een bruidsprijs, onder last (een schenken onder last) van het afstaan van het gezag over de dochter van de aanstaande schoonvader, of als men wil als afkoop van deze afstand. 
De koning dacht door het aangaan van een dergelijk huwelijk zich te gedragen als de grootste staatsman uit zijn tijd, gelijkwaardig aan of zelfs meerwaardig dan de farao. Het gevolg (het gevaar) was dat een dergelijke, enkel om politieke redenen ‘nemen’ van een vrouw geen verbondshuwelijk kon zijn, waardoor de koning een interne crisis veroorzaakte bij zijn volk ten aanzien van zijn koninklijk gezag. Het zal een zelfoffercrisis worden.
 
DE MYTHISCHE STRUCTUUR VAN VERS 3,1
 
Er is echter meer aan de hand. (In verband met voetnoot [4] dient opgemerkt dat de hier gegeven betekenis van oorlogsbuit in mythologische teksten – het zijn verschrikkelijke teksten – eveneens vanuit een objectieve positivistische benadering onderzocht moet worden. Het aanhalen van Griekse mythologische teksten moet in deze zin gelezen worden. Het gaat met andere woorden niet om het hanteren van een pretentieuze, hovaardige religieuze waardeschaal die ervan uitgaat dat de eigen teksten altijd meer waarde hebben – meer zijn – dan de andere. De essentie ten aanzien van de oorlogsbuit in mythische teksten is het ontdekken van de spanning tussen enerzijds de anomische continuïteit van de overwinning in combinatie met onschuld en anderzijds van het verlies in combinatie met schuld als de oorzaak van informatieverlies als aanleiding voor aanvalsoorlogen. Daartegenover staan de discrete elementen in relatie tot voormelde continuïteit als informatiebehoud. Het aanhalen van Griekse mythologie betekent met andere woorden niet dat deze mythologie vanuit een positivistische objectieve benadering ‘minder’ waard zou zijn. Deze literatuur wordt enkel aangehaald om de anomische continuïteit in de mythologie ten aanzien van de oorlogsbuit te ontdekken. Het is daarbij belangrijk voor ogen te houden dat bij koning Salomo de specifieke wijziging van houding in de tekst ten aanzien van een oorlogsbuit voortkomt uit de symboliek van de Tempel. Het is vanuit deze symboliek dat we het discrete informatiebehoud kunnen ontdekken, in discontinuïteit met andere mythische teksten van dezelfde cultuur. De Tempel is met andere woorden een discrete stabiliteit in vergelijking met vroegere pogingen tot continue stabiliteiten. Het mag echter geen tegenstelling worden, want de mythische verhalen, hoe verschrikkelijk ze ook mogen zijn, zijn steeds genuanceerder.).
De kern van farao’s angst lag in de connotatie van de overdracht.
In de conventionele oorlogsvoering waren vrouwen zoals Helena van Troje (de tastbare buit van eer en wraak) of de prinsessen Cassandra en Andromache (buitgemaakt na de val van Troje) de tastbare symbolen van de overwinning.Zij werden na een gewonnen veldslag genomen als bezittingen, en hun verlies markeerde de volledige nederlaag van de verliezende partij, met de religieuze gevolgen van schuld en schande voor de verliezer.
De farao kon politiek en mocht religieus zijn dochter niet in deze categorie plaatsen, omdat zij de goddelijke essentie van Egypte belichaamde (vanuit een positivistische objectieve benadering stellen we hier een interessante wisselwerking vast tussen twee mythische culturen, die ons moeten bevrijden van waardeoordelen en waardeschalen, zonder de Egyptische zou de Joodse in dit vers geen betekenis kunnen hebben. Dit betekent niet dat alles on’verschillig’ – zonder verschillen – is.). Het afstaan van zo’n goddelijk verlengstuk was geen normale transactie van een bruidschat, maar een rituele ontheiliging, een oproep tot de straffende goden, een aanwakkeren van de woede van de straffende goden, als behoeders van de kosmische orde tegen wanorde. Het zou een even grote vernedering als minderzijn, als schande en schuldbekenis zijn als een militaire nederlaag voor een farao.
Het zou niets minder geweest zijn dan een ritueel van het zich totaal overgeven aan de vijand.
In de Griekse en Myceense cultuur was de buit – en vooral de vrouwelijke buit – een directe projectie van de eer (timē) en de status van de winnende held.
Vrouwen werden verdeeld als trofeeën die de heroïsche status van de krijger of de collectieve overwinning van het volk benadrukten (denk aan de ruzie tussen Achilles en Agamemnon over Briseïs). Het bezit van een prinses van de overwonnen vijand was de ultieme verhoging van de sociale status van de overwinnaar.
Ze waren een bezit dat de eer van de overwinnaar diende. Hoewel prinsessen, werden ze gereduceerd tot buit. Het in bezit nemen van deze trofeeën was het merkbaar teken van de schuld voor de verliezer en onschuld voor de overwinnaar. De goddelijke beloning voor de overwinning (de buit) bevestigde de onschuld van de overwinnaar.
Het nemen door koning Salomo van de dochter van de farao was de bevestiging van dit principe. In zijn visie was het de hoogste eer om een goddelijke prinses als trofee te bezitten. Het huwelijk met Salomo was een bewijs dat de farao gedwongen werd zijn timē (zijn goddelijke eer) op te geven, wat de kern vormde van de overwinning van koning Salomo.
Daardoor wordt de overwinnaar (dit kunnen bij momenten de twee kampen zijn die confisqueren, nu eens rooft het ene een buit, dan de andere en finaal is er de overwinnaar die alles neemt – zoals in het liedje – ) zelf de onschuldvolheid gematerialiseerd door de oorlogsbuit.
Maar de mythe draait het om. In de mythe wordt de schuldvraag omgedraaid. Het is de overwinnaar die schuldig wordt en de overwonnen onschuldig.
Heel het verhaal gaat over de relatie tussen het verliezen van de onschuld van de overwinnaar en het herwinnen van de onschuld door de verliezer. Het mythisch verhaal is de omgekeerde spiegel van de oorlogsoverwinning. Maar daar later meer over.
Omdat er echter slechts een vermeend verband is tussen overwinning en onschuld kan dit enkel leiden tot een gezagscrisis ten aanzien van het volk.
Het politiek-religieus aanwijzen van de overwinnaar als onschuldige leidt onvermijdelijk tot collectief geweld en (vaak nieuwe) aanvalsoorlogen.
In ons verhaal tot een zelfoffercrisis, de voorbode van collectief geweld en oorlogen.
De verkeerde perceptie van de werkelijkheid van onze medemens houdt in dat we religieus het illusoire, maar noodzakelijk (ingevolge een onjuiste waarneming) geacht meerzijn als zelfoffer van het discrete zelf verbinden met onschuld, waardoor de overwinning religieuze onschuld wordt, en minderzijn met schuld, waardoor verlies altijd religieuze schuld wordt. De volheid van die onschuld is de materiële oorlogsbuit, het confisqueren van de goederen van de verliezer. Daardoor escaleert het geweld als een collectief zelfoffer (offercrisis).
Het is het moment waarop de anomie (de entropie) de informatie volledig opslorpt. Het is wat aangeduid wordt als de ‘mythische zuilen’ bij oorlogsvoeringen.
Met koning Salomo zullen we de eerste fase van dit proces meemaken, en ontdekken hoe de informatie – niettegenstaande een gevaarlijke anomische stijging – in de mythe toch behouden blijft.
Philippe De Keukelaere
(wordt vervolgd met : II/ VERS 3:1 d-g: GEEN ONTVANGST VOOR DE KONING, GEEN VOLKSFEEST VOOR HET HUWELIJK VAN DE KONING TE JERUZALEM)
 
[1] Het gaat hierbij niet om aan te tonen dat er goden of een god bestaat. Ook de verwijzingen ernaar in de mythische tekst dienen onderworpen te worden aan een positivistisch objectiverend onderzoek. De god Prajapati zal dit onderzoek later ondergaan.
[2] Amarna Brief 4 (EA 4)
Afzender: Kadashman-enlil I (Koning van Babylon) Ontvanger: Amenhotep III (Farao van Egypte) betreft: de weigering om een Egyptische prinses uit te huwelijken
Koning Kadashman-enlil I schrijft, nadat hij het Egyptische hof om een prinses heeft gevraagd en een weigering heeft ontvangen:
“Broeder, ik schreef jou over het huwen van jouw dochter.
Jij schreef mij: ‘Sinds mensenheugenis wordt er geen dochter van de koning van Egypte aan iemand weggegeven.’
Waarom niet? Jij bent de koning! Jij kunt doen en laten wat je wilt. Als je mij één van jouw dochters zou geven, wie zou dan bezwaar maken?
[…]
Je hebt besloten niemand te sturen. Sprak je er zelf niet van dat je zocht naar broederschap en vriendschap? Waarom, broeder, stuur je dan niet simpelweg één vrouw?” (grappig, een beetje aandringer zelfs?)
[3] De bruidsschat in de instelling van de ‘mohar’ (een instelling uit de oudheid) werd gegeven aan de schoonvader, het is niet hetzelfde als een ‘dote’ (het dotaal huwelijksvermogensstelsel van Napoleon uit 1804). Het is evenwel niet onredelijk te stellen dat de ‘dote’ daar een laat uitvloeisel van was. De instelling uit de oudheid aanzag het huwelijk van een dochter als een verlies aan vaderlijk gezag, waarvoor een betaling diende te gebeuren ter compensatie. Deze verwervingsdaad werd onlosmakelijk verbonden met de (mohar), de bruidsprijs. De was geen geschenk van liefde, maar een noodzakelijke juridische betaling van de familie van de bruidegom aan de familie van de bruid. Dit compenseerde de vader voor het verlies van zijn dochter als productieve arbeidskracht en legaliseerde de overdracht van het gezag. Het situeert zich juridisch tussen de afkoop van het gezag van de schoonvader (bruidsprijs)  en het schenken met last als afstand ervan (bruidschat). Het feit dat de wet de betaling verplichtte in het geval van ‘verleiding’ (Exodus 22,16-17) bevestigt haar rol als wettelijke bezegeling van de huwelijksstatus.
[4] Het werkwoord dat de totstandkoming van een huwelijk beschrijft, is לָקַח (lāqaḥ – ‘nemen’). Dit werkwoord, uitgesproken als la-gágh of la-chágh, is generiek en wordt gebruikt voor elke vorm van ‘nemen’, ‘krijgen’ of ‘in bezit nemen’. De frequente toepassing ervan op het huwelijk (bijvoorbeeld in Genesis 4,19) benadrukt de patriarchale realiteit: de man nam een vrouw van haar vader en bracht haar onder zijn autoriteit.
Een gespecialiseerde vorm van huwelijksverwerving, vaak met politieke of dynastieke implicaties, wordt aangeduid met het werkwoord וַיִּתְחַתֵּ֣ן (way-yit-cha-tén). Dit werkwoord, afgeleid van de stam חָתַן (chatan), heeft de specifieke betekenis van ‘schoonfamilie worden’ of ‘een huwelijksalliantie sluiten’. In de context van 1 Koningen 3,1 (‘Salomo met Farao’) benadrukt de tekst niet de persoonlijke liefde, maar de strategische band die koning Salomo aanging met de koning van Egypte.
De dochter van de Farao was niets anders dan een meegenomen, of een teruggenomen (omwille van het goud, niet als bruidschat, maar als politieke wisselmunt) ‘voorwerp’.
 

NIEUWE TEKST

WAAROM SLAAGT DE AMERIKAANSE PRESIDENT DONALD TRUMP ER NIET IN EEN EINDE TE MAKEN AAN DE OORLOG IN OEKRAÏNE ?
DE BETEKENIS VAN DE ZEER RELIGIEUZE NIETZSCHEAANSE PERSOONLIJKHEID VAN DE RUSSISCHE PRESIDENT VLADIMIR POETIN
KUNNEN WE DE BETEKENIS VAN HET FENOMEEN ‘AANVALSOORLOG’ ACHTERHALEN ? (1)
 
TWEE STELLINGEN
 
Deze tekst is niets meer dan een onbeantwoorde vraag. Een kleine schets.
De structuur van een aanvalsoorlog kunnen we ontdekken vanuit twee verschillende houdingen ten aanzien van aanvalsoorlogen. Het meest onderzocht werd de vraag welke de oorzaken waren van de eerste wereldoorlog ?
Uit het onderzoek leid ik af dat er twee hoofdstellingen zijn.
De eerste stelling is de meest gehanteerde historische stelling. Het komt eigenlijk hierop neer : wie de oorlog verliest is schuldig, maar als de aanvaller de oorlog verliest is hij nog veel meer schuldig. We hebben te maken met een cyclus van oorlogsenthousiasme (reëel of vermeend) bij de aanval tot het maximaal beschuldigen en straffen van de aanvaller, als hij de oorlog verliest.
In voorgaande oorlogen was dit het herleiden tot slavernij (of vermoorden) van het verliezend kamp, en het confisqueren van zo veel mogelijke rijkdom als oorlogsbuit.
Vaak waren dit de kiemen voor een volgende oorlog, omwille van de wraakgevoelens die een dergelijke gewelddadige vernedering met zich meebrachten. De onschuldige overwinnaar wordt groter en voller door de schuldige verliezer zoveel mogelijk te plunderen, te verkleinen en te straffen.
Het verdrag van Versailles draagt de sporen van deze opvatting.
Het ging immers niet enkel om de torenhoge en totaal onredelijke herstelbelasting (de analyse van Keynes).
Artikel 231 van het verdrag luidde als volgt :
“The Allied and Associated Governments affirm, and Germany accepts the responsibility of Germany and her allies for causing all the lost and damage to witch the Allied and Associated Governments and their nationals have been subjected as a consequence of the war imposed upon them by aggression of Germany and her allies.”
Duidelijker kan niet : Duitsland en zijn bondgenoten waren totaal schuldig (het was immers een totale oorlog). De tekst stelde ook dat iedere Duitser schuldig was. Beter kon niet om kiemen te zaaien voor een volgende oorlog. De eerste die dit heeft ingezien was de voormalige Engelse eerste minister (1916) Lloyd Georges. In zijn oorlogsherinneringen stelde hij met veel moed dat in 1914 niemand de oorlog had gewild. Hij stelde dat de “naties de oorlog waren ingegleden”. Lloyd Georges luidde daarmee de tweede stelling in. Eigenlijk was hij voorafgegaan door de hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Harvard Sidney B. Frey in zijn werk ‘The origins of the world war’ (1929). Hij schreef dat : “alle machten meer of minder verantwoordelijk waren” en dat “de oorlog veroorzaakt was door het systeem van internationale anarchie dat de allianties, de bewapening en geheime diplomatie met zich meebrachten”. (Patrick Dassein, Sprong in het duister. Duitsland in de Eerste Wereldoorlog, 2014, 62)
Tijdens een van zijn lezingen stelde de Nederlandse hoogleraar Maarten van Rossem met betrekking tot de eerste wereldoorlog – met zijn ongeëvenaarde humor, als Nederlander – op een bepaald ogenblik de vraag of België niet de schuldige was voor de eerste wereldoorlog ? Onder luid gelag van de toehoorders wuifde hij dan de hypothese weg.(2) Eigenlijk had hij het over het boek van Fritz Fisher, dat in 1961 verscheen : ‘Griff nach Weltmacht. Die Kriegszielpolitiek des kaiserliches Deutschlands 1914/1918’. Het boek was een terugkeer naar de eerste stelling. Duitsland was de oorlog ‘ingegleden’ of ‘opgedrongen’. (Dassein, 63) In Duitsland werd door velen, en meer in het bijzonder door de regering het boek aanzien als ‘vuilspuiterij’. Terecht stelt Patrick Dassein dat de grote verdienste van Fischer is geweest (ook al is men het hem hem niet eens) dat hij het debat op een ongekende manier heropent heeft. (Dassien, 64) Inmiddels werd ook gekeken naar Wenen om een schuldige aan te wijzen (geef België nu eens die Breughels terug a.u.b., het verdrag van Saint-Germain-en-Laey 1919 is nog altijd van toepassing – geen verjaring – (grapje). (2)
Anderzijds werd de stelling van Lloyd Georges en Sidney B. Fay hernomen in het succesvol boek van Christopher Clark ‘The Sleepwalkers’ uit 2012 (wordt veel gelezen sedert het uitbreken van de oorlog in Oekraïne).
Clark stel in zijn boek vast dat de situatie veel te complex was om een schuldige aan te wijzen (als oorzaak voor de oorlog) en het voor de betrokken deelnemers een zeer onoverzichtelijke situatie was. Danein schrijft : “”De slotzin van zijn studie luidt : “de hoofdspelers van 1914 waren slaapwandelaars, alert maar blind, opgejaagd door dromen, maar onwetend van de realiteit van de gruwelijken die ze over de wereld zouden brengen””. Ofschoon ik het met beide stellingen oneens ben, wijst de studie van Clark ons op de oorlogsmist. De oorlogsmist is niet enkel een probleem voor militairen op het slagveld (generaal Koetoezov is een van de weinigen die het probleem op het slagveld zelf heeft ingezien, wat generaal von Clausewitz in zijn benadering heeft beïnvloed), maar nog meer voor de beleidsmakers op het ogenblik dat ze beslissen tot een aanvalsoorlog (of tegenaanval) over te gaan.
Ofschoon ik het niet eens ben met de opvatting van Hegel over het bewustzijn, is wat hij schrijft over de uil van Minerva grotendeels juist. “De uil van Minerva spreidt haar vleugels pas uit als de schemer valt.”
Deze zin, afkomstig uit het voorwoord van Hegels Grundlinien der Philosophie des Rechts (1820, een boek van Hegel dat zeer leesbaar is en tot een van zijn beste geschriften behoort). Het verwoordt een menselijke beperking, een handicap. We zijn allemaal gehandicapten, wat dit betreft. Hegel verwoordt de spanning tussen kennis en tijd. Hij suggereert dat wijsheid slechts achteraf kan ontstaan, wanneer de geschiedenis al haar loop heeft genomen. Ik herhaal dat ik met de uitleg van Hegel niet akkoord ga, maar dat zijn uitgangspunt juist is.
In deze zin is wijsheid niet een instrument van handelen, maar een vorm van retrospectieve verlichting. Hegel maakt duidelijk dat de filosofie niet kan voorschrijven hoe de wereld zou moeten zijn, maar slechts kan begrijpen wat de wereld is geworden.
In die zin is Nietzsche een anti-Hegel. Bij Nietzsche is de wijsheid het vernietigend meerworden zelf. Niet als het voorbij, maar midden in het strijdgewoel (letterlijk bij Nietzsche) zit de wijsheid.
Toegepast op de beslissing om oorlog te voeren, impliceert Hegels symboliek dat politieke actoren handelen in het duister van het heden. Zij worden geleid door noodzaak, machtsoverwegingen of historische drijfveren die pas later begrijpelijk worden binnen een groter dialectisch (woord dat ik aan Hegel laat) geheel.
In het moment van beslissing is de geest ‘blind’ voor de volle morele en historische implicaties van zijn daden. Zoals Hegel zelf stelt:
“De Minervas uil begint haar vlucht slechts met de invallende duisternis van de schemering.”
De oorlog wordt dus niet gevoerd in wijsheid, maar in de illusie van kennis. Pas na afloop, in de reflectie van historici en filosofen, wordt duidelijk welke plaats het conflict inneemt in de ontwikkeling van de geest.
Het inzicht van Hegel is, wat het tijdsverloop betreft, interessant : voor Hegel is oorlog niet louter vernietiging, maar een moment van de wereldgeest waarin samenlevingen hun beperkingen onder ogen zien. In deze zin is oorlog paradoxaal genoeg ook een vorm van zelfkennis maar één die pas mogelijk wordt nadat de vernietiging heeft plaatsgevonden. Eigenlijk is het inzicht van Hegel een tragische structuur.
De uil van Minerva symboliseert dus de tragische structuur van de menselijke rede. Het inzicht komt slechts via lijden en verlies. Onze blindheid voor wijsheid is niet toevallig, maar noodzakelijk, ze maakt deel uit van de manier waarop de geschiedenis zich ontvouwt. De symboliek van de uil nodigt uit tot ethische bescheidenheid in politieke besluitvorming. Als wijsheid pas achteraf komt, moeten we erkennen dat onze oordelen en beslissingen onvolmaakt zijn. In de context van oorlog betekent dit dat elke daad van agressie of verdediging in zekere zin wordt ondernomen ‘zonder licht’ in het ‘duistere’ (die katjes toch).
De uil herinnert ons eraan dat de ware taak van de wijsheid niet is om de geschiedenis te sturen, maar om haar te begrijpen, en zo de mens te leren van haar fouten. De uil van Minerva verbeeldt de paradox van menselijke wijsheid: zij verschijnt pas wanneer handelen niet langer mogelijk is. In de context van oorlog onthult dit beeld onze structurele blindheid voor de gevolgen van ons eigen handelen.
De uil vliegt altijd te laat, maar haar vlucht is noodzakelijk, want zonder haar zou de mensheid nooit leren waarom zij handelt zoals zij doet.
Wat Hegel schrijft is een waardevol inzicht, maar is het wel juist? Kunnen we de dynamische structuur van een aanvalsoorlog niet ontdekken, vanuit de energie van het fenomeen ‘oorlog’ zelf ?
 
DE EXTREEM RELIGIEUZE NIETZSCHEAANSE PERSOONLIJKHEID VAN PRESIDENT VLADIMIR POETIN ALS OORZAAK VAN HET FEIT DAT ER (voorlopig) GEEN VREDE KAN KOMEN IN OEKRAÏNE
 
Als we met filosoof Hegel meestappen en met zijn uil van Minerva meevliegen ontstaat de wijsheid die we nodig zouden hebben om een oorlog te beëindigen op het ogenblik dat het te laat is. Pas als de oorlog voorbij is kunnen we als de uil van Minerva in de duisternis van de vernietiging alles overschouwen.
Kan het dan niet wat vroeger? Hegel wijst ons eigenlijk op het feit dat om tot vrede te komen we een bijzondere wijsheid moeten hebben. De wijsheid die de fenomenen ontleedt vanuit hun einde naar het begin. Het tijdsverloop van de wijsheid is een achteruitlopende tijd vanuit een mega finale, het mega einde naar de kleine kiemen van het begin die het proces hebben mogelijk gemaakt.
De persoonlijkheid van Poetin kan op deze wijze ontdekt worden. We gebruiken hiervoor twee categorieën die de socioloog Emile Durkheim gehanteerd heeft, doch niet op dezelfde wijze als Durkheim. Wat stelde Durkheim vast ? (mijn benadering is te kort door de bocht) Durkheim maakt het onderscheid tussen een geïntegreerde samenleving en een niet meer geïntegreerde samenleving, gekenmerkt door anomie. Hij toetst dit aan het fenomeen ‘zelfdoding’. Durkheim stelt dat in een geïntegreerde samenleving de zelfdoding ‘altruïstisch’ is, en in een niet geïntegreerde samenleving ‘egoïstisch’. Verder stelt hij vast dat op het ogenblik van een aanvalsoorlog het aantal zelfdodingen – in een eerste fase – dalen in de aanvallende samenleving (die daarvoor gemobiliseerd werd).
Hoe zit het nu eigenlijk met die zelfmoord van Adolf Hitler in zijn bunker in Berlijn ?
Als we de categorieën van Durkheim gebruiken, is die zelfmoord tezelfdertijd ‘altruïstisch’ en ‘egoïstisch’. Terzelfdertijd een goed extreem zelfoffer – het grootste en het laatste – voor Duitsland, maar ook een ‘egoïstisch’ omwille van de wanhopige militaire situatie. Mijn stelling is met andere woorden dat de zelfmoord van Adolf Hitler een extreem religieuze daad is die zijn persoonlijkheid belicht, evenals zijn passie voor eindeloze vernietigende aanvallen. Hitler had geen aanvallende fysische of psychische ziekte. Fysisch en mentaal was hij helemaal ‘normaal’. Als het nationaal-socialisme een religie is, dient het religieus hoogtepunt ervan eveneens religieus te zijn, zelfs extreem religieus – als het boeket van een vuurwerk -. Adolf Hitler had een extreem Nietzscheaanse religieuze persoonlijkheid, die eigen is aan een historische periode, waarin de religies hun entropisch maximum hebben bereikt.
Het betekent niet dat er een rechtstreeks verband zou zijn tussen Nietzsche en het ontstaan van de nationaal socialistische religie. We weten dat Nietzsche het Duits nationalisme uit zijn tijd niet gunstig gezind was.(3) Nietzsche was evenmin een antisemiet. Hij was bezeten door het ‘o’ zo verukkelijk tragisch zelfoffer van Izaak, de zoon van Abraham, zoals dit zelfoffer door Kierkegaard benadrukt werd.
Het is verder juist te stellen dat zijn werk door zijn jongere zus misbruikt werd als religieus voedsel voor het nationaal-socialisme. Ze heeft duidelijk zitten prutsen aan zijn teksten in functie van de religiositeit van het nationaal-socialisme.
Wat echter steeds miskend wordt, is de fenomenale receptie van de ideeën van Nietzsche in Duitsland en thans nog er ver buiten – de Woke beweging, en de religieuze sekten -.(4)
Wat een Nietzscheaanse persoonlijkheid het meest kenmerkt is de religieuze verslaving, die door religies verspreid wordt op hun entropisch moment.
De kern van deze verslaving – Nietzsche heeft dit ontdekt, maar is zelf in de val gelopen – is een ononderbroken vernietigingsdrang als extreme religieuze genotservaring. Een religieuze drug, die sterker is dan alle andere drugs samen.
Een dergelijk persoonlijkheid kenmerkt Adolf Hitler. Hij was extreem religieus. Hij had een ongekend geloof in de Noodlotgod (waarvan hij de incarnatie was) en de Waanzingod. De religieuze band bij Hitler tussen zijn vernietigingsdrang en de eraan verbonden genotservaring situeert zich niet in een persoonlijk psychisch probleem. Het is gewoon een extreme versie van wat religies produceren op hun extreem entropisch moment. Het geloof in de Waanzingod betekent niet dat Hitler als incarnatie ervan, zelf waanzinnig was.
Hoe ontstaan dergelijke persoonlijkheden ? Ook hier geeft Durkheim ons een tip. Om allerlei redenen (niet in het minst economische – grote depressies -) kunnen samenlevingen in een toestand van desintegratie komen. Een toestand waarbij de zelfvernieting als een noodlot wordt ervaren (de kern van de actuele Woke cultuur en religies in hun entropische fase).
Een dergelijke culturele toestand brengt geen leiders voort, maar heersers die het religieus karakter van deze toestand gaan incarneren. Zij gaan de vernietigingsdrang incarneren op religieuze wijze vanuit de cultuur waaruit zij gesproten zijn. Het grappige van het verhaal is dat het ook werkt. Het is een religieuze illusie, maar het werkt. Vooral de eerste aanval, als hij meevalt. Ook hier heeft Durkheim een punt als hij vaststelt dat de ‘egoïstische’ zelfdodingen (graadmeter voor entropie) vermindert op het ogenblik van de aanval. Ik ga een stapje verder. Eigenlijk is er een omgekeerde symmetrie. Enerzijds de ‘egoïstische’ zelfdoding en anderzijds de plaatsvervangende ‘altruïstische’ zelfdoding van wie op het slagveld sterft. Wat we uit de benadering van Durkheim afleiden (wat hij zelf niet gesteld heeft) is dat de vermindering van de ‘egoïstische zelfdodingen’ (vermindering van de entropie) bij de aanval omgekeerd evenredig is met het aantal slachtoffers op het slagveld als plaatsvervangende ‘altruïstische’ zelfdodingen. Plaatsvervangend omdat de grote offeraar de vijand is, als ambivalente goed. Goedaardig als een goede offeraar voor het eigen kamp, maar uiterst kwaadaardig als moordenaar.(5)
Durkheim stelde dat de zelfdodingscijfers worden beïnvloed door de mate van sociale integratie en sociale regulering.
Durkheim maakt eigenlijk volgend onderscheid tussen :
De egoïstische zelfdoding (in mijn ogen ontstaan uit een collectief zijnsegoïsme). Deze zelfdodingen ontstaan – volgens Durkheim – door een te lage mate van sociale integratie, waarbij het individu te veel op zichzelf is aangewezen en de banden met de groep zijn verzwakt.
De altruïstische zelfdoding (oorlog is in mijn ogen in essentie een vorm van religieus altruïsme). Deze zelfdodingen ontstaan – volgens Durkheim – door een te hoge mate van sociale integratie, waarbij het individu volledig geabsorbeerd wordt door de groep en zichzelf opoffert voor de doelen of normen van de groep (bijvoorbeeld verplichte opoffering in bepaalde samenlevingen of in het slagveld).
Durkheim observeerde dat tijdens grote nationale crises of oorlogen de ‘egoïstische zelfdodingen’ afnamen.
De oorzaak is een (tijdelijke) toename van sociale integratie. Oorlog als gewelddadig offer (in mijn ogen het plaatsvervangend ‘altruïsme’) en religieuze mythische zuil zwepen een bepaald eenzijdig collectief waarnemen op. Iedereen leeft (of meent te leven) onder een hecht collectief patroon van mythische oorlogszuilen. Dit zorgt voor een sterke, plotselinge verhoging van de sociale cohesie en integratie van het individu in de groep.
Dit heeft een effect op de ‘egoïstische zelfdoding’. De aanval versterkt de sociale integratie en ondersteun en een sterker religieus gemeenschapsgevoel, waardoor de omstandigheden die leiden tot egoïstische zelfdoding (te veel individualisme volgens Durkheim) tijdelijk worden verminderd.
In die zin is Vladimir Poetin de emanatie van de desintegratie van de Russische samenleving op het ogenblik van de aanval in Oekraïne. Als grote offeraar moet hij het continu hebben van vernietigen. Te meer dat de eerste aanval niet bepaald (omwille van onvoorstelbare en niet te vatten militaire blunders) een succes was. Typisch voor entropische religies (zoals de actuele Orthodoxe religie in Rusland) is dat het verlies (de Russische aanval was een nederlaag op zich) als een winst wordt aanzien omwille van het religieus karakter van de zelfvernietiging ervan. De Orthodoxe religie in Rusland (maar ook de Katholieke in Oekraïne) verbinden het vernietigingsmoment zelf met de onschuld van de vernietiger. (6) De oorzaak is het ongekende religieus genot van deze drug. Er zal in Oekraïne geen vrede komen, zolang men geen rekening houdt met de religieuze Nietzscheaanse persoonlijkheid van president Vladimir Poetin en de extreme religieuze vernietingsdrang die er uit voortvloeit, waarbij het religieus genot ervan de onschuld van de vernietiger staaft. Vladimir Poetin dacht bij de aanval het maximale religieus genotsmoment te beleven als een Russisch collectief gelijkaardig genotsmoment. Maar het werd een flop. Zowel militair als mythisch. Dit maakt de vernietigingsverslaving des te heviger, zoals deze van Adolf Hitler na de nederlaag van Stalingrad.
Vrede zal maar mogelijk zijn als deze elementen van de extreem religieuze Nietzscheaanse persoonlijkheid van Poetin ontdekt worden, gelinkt aan de betekenis van het falen van de eerste aanval, en zijn onophoudelijke drang (een extreem religieuze verslaving, van de meest religieuze man ter wereld – wereldkampioen en olympisch kampioen -) om te blijven aanvallen om zijn eigen volk, zijn land en zijn bondgenoten in de totale vernietiging mee te sleuren. (7)
Philippe De Keukelaere
 
(1) ‘iets of iemand van achteren halen’, of: ‘iets terughalen vanuit een positie achter’. In de betekenis van : ‘de juiste betekenis werd pas op het einde achterhaald’.
(2) Misschien was de vraag van van Rossem niet zo lachwekkend als het op het eerste gezicht lijkt. Na de Duitse inval in augustus 1914 gebruikte ook (ik leg de nadruk op het woord ‘ook’) België (als verdediger) bepaalde militaire middelen, die op dat ogenblik (nu mag natuurlijk alles) niet beantwoordden aan de toenmalige ‘oorlogsethica’. Uit vaderlandsliefde ga ik hier niet verder op in ! Men kan geen oorlogsomelette maken zonder eieren te breken, ook de verdediging niet als nabootser van de aanvaller – al is het maar om te overleven -.
(3) Nietzsche kritiek van het Duits nationalisme hield verband met zijn nadruk op de cultuur, zoals hij die invulde. De nadruk diende te liggen op zijn visie van de cultuur en niet op de nationalistische grootheid. Eigenlijk kadert dit in de ‘distantie’ van Nietzsche. Het had voor hem geen zin dat Duitsland jaloers zou worden op de grootheid van andere naties, want die grootheid heeft voor Nietzsche geen enkele waarde op zich. Dit is zijn redenering. Maar bij Nietzsche is dit in functie van het verleggen van een welliswaar illusoir zijnsmoment in een nog meer illusoir bestendig wordingsmoment.
(4) De grondige studie van : Steven E.Aschheim, The Nietzsche Legacy in Germany, 1890 – 1990, 1992.
(5) Dit is het goddelijk ambivalent karakter, dat eigen is aan iedere aanvalsoorlog.
(6) Religieus bootst de verdediger de aanvaller na. Grappig is de kledij van president Zelenski. Het is de kledij van een katholieke offerpriester. De ‘ruzie’ daarover met de Amerikaanse president is geen detail. Wie vrede wil – de wijsheid van de Amerikaanse president in deze oorlog, die vaststelt dat deze oorlog niets anders meer is dan totaal zinloos geworden zelfoffers (er valt geen militaire eer te bekomen en er ontstaan geen helden uit deze eindeloze desolate slachtpartijen, waar men in Europa nog steeds totaal blind voor is en wat Europa volkomen ontkent) wordt geconfronteerd met de sacrale mytische zuilen van de strijdende partijen. De kledij van Zelenski behoort daartoe. De kledij in de oorlog van Oekraïne verwijst naar de mythische zelfofferkern ervan. Patriarch Kirill (Poetin opereert in samenwerking zijn ondergeschikte offermeester) en Zelenski. Orthodoxie en Katholicisme. Het lijkt wel een gruwelijk toneelstuk, waarin men religieuze zelfofferollen gaat spelen. Iets dat voorbehouden is voor wie zich verkleed als een religieuze komediant.
(7)Agnes Becker : Toute guerre est un guerre de religion
“Voor strijders van het geloof is oorlog een kruistocht, omdat men, zoals Jacques Rivière ons vertelt, vecht tegen het kwaad, tegen de duivel (maar die duivel is ambivalent, het is ook onze eigen miskende goedaardige offergod, eigen opmerking) . Oorlog is in de eerste plaats de dood: 250.000 Franse doden tussen augustus en september 1914, 400.000 in december. Zelfs als deze tellingen niet bekend waren (het militaire geheim was ongetwijfeld noodzakelijk), werd de spectaculaire nieuwigheid ervan al vanaf de slachtingen van de zomer van 1914 waargenomen. We kunnen daardoor dit gewicht van de dood op de getuigen van het conflict analyseren. In het kader van deze studie zal ik me beperken tot degenen die een geloof in het hiernamaals belijden, of dat nu strijdbaar is of niet.
Deze visie op de dood is tweevoudig, negatief en positief (de auteur raakt hier mijn stelling met betrekking tot Durkheim). De vijand wordt enerzijds gezien als de moordenaar (maar is in werkleijkheid ook de offeraar, eigen opmerking), de verantwoordelijke voor de dood. Léon Bloy, in zijn uitspattingen als schrijver in Au Seuil de l’Apocalypse, lijkt mij, juist dankzij zijn overdrijvingen, de beste getuige van deze denkrichting: “In de negentiende en twintigste eeuw is er een natie opgestaan om iets te ondernemen wat nog nooit eerder was gezien sinds het begin van de Geschiedenis: Het uitdoven van zielen. Dat heet de Duitse Cultuur. Het was voor de prins der duisternis niet langer genoeg om zielen te onderwerpen, te vernederen. Hij moest ze uitdoven en hij slaagde daarin. Het verduitste Pruisen hield op tot de mensheid te behoren. Het werd een enorme, woeste brute en bedreigde de hele wereld […]. Moge God ervoor zorgen dat dit boek […] de kracht heeft om […] enkele vrienden van God, enkele zeldzame en lijdende verdedigers van de christelijke Grootsheid en Schoonheid die men wil uitwissen te troosten!”
Van 1914 tot 1918, zonder onderbreking, ook al zijn er meer voorbeelden aan het begin en einde van het conflict, is de oorlog gevoerd door Duitsland een oorlog van ‘gruweldaden’ die, echt of vermeend, uiteraard altijd worden aanvaard als historische waarheid en symbolen van de Duitse ethiek: morele inferioriteit, of zelfs demonomanie. In de naam van God en Frankrijk vecht de strijder van het geloof tegen deze negatieve dood, deze duivelse dood.
Maar de dood is ook het offer, de dood van de martelaar die dit lot kiest voor zichzelf, zijn land, zijn naasten. De dood is dan een gave, die van het offer. De godsdienstoorlog is precies die dialectiek tussen het ideaal van leven ondanks de dood, omdat men geloof heeft in de opstanding – de navolging van Christus voor christenen, een eeuwig leven voor joden – en de krachten van de dood waartegen men zijn krachten van leven stelt.” (Agnes Becker, La guerre et la foi, De la mort à la mémoire : 1914-années 1930, 2015 het hoofdstuk : Croire et mourir : Tout guerre est une guerre de religion », 22.
 
BIBLIOGRAFIE
 
Becker, Agnes . La guerre et la foi, De la mort à la mémoire : 1914-années 1930, 2015
Campanini, Giancarlo. (1998). Il Sacrificio della Guerra: Mito, Violenza e Politica in Europa. Roma: Carocci Editore. (Onderzoekt de mythische en sacrale wortels van oorlogvoering in de moderne tijd)
Clark, Christopher. (2012). The Sleepwalkers: How Europe Went to War in 1914. New York: HarperCollins. (Een recentere versie van de tweede stelling en het ‘slaapwandelen’ van de Europese leiders)
Dassein, Patrick. (2014). Sprong in het duister. Duitsland in de Eerste Wereldoorlog. Antwerpen: Vrijdag. (de citaten komen uit dit boek)
Durkheim, Émile. (1897). Le Suicide : Étude de sociologie.
Eliade, Mircea. (1959). The Sacred and the Profane: The Nature of Religion. Orlando: Harcourt Brace Jovanovich. (Ontdekt door middel van de scheiding tussen de sacrale en profane sfeer de betekenis van mythische tijd, wat ons helpt de ‘mythische duisternis’ van de beleidsmakers te ontdekken)
Fay, Sidney B. (1929). The Origins of the World War. New York: Macmillan Company.
Fischer, Fritz. (1961). Griff nach der Weltmacht: Die Kriegszielpolitik des kaiserlichen Deutschland 1914/1918. Düsseldorf: Droste Verlag.
Hegel, Wilhelm Friedrich. (1820) Grundlinien der Philosophie des Rechts.
Keynes, John Maynard. (1919). The Economic Consequences of the Peace. London: Macmillan and Co. (Een vroege en kritische analyse van de onredelijke herstelbetalingen van het Verdrag van Versailles)
Lloyd George, David. (1933–1937). War Memoirs. 6 delen. London: Ivor Nicholson & Watson.
Hegel, Georg Wilhelm Friedrich. (1820). Grundlinien der Philosophie des Rechts (
Clausewitz, Carl von. (1832). Vom Kriege (Over Oorlog). (belangrijk in verband met de militaire dimensie van de oorlogsmist)
Kojeve, Alexandre. (1947). Introduction à la lecture de Hegel. Paris: Gallimard. (Een analyse van Hegels filosofie, onder meer in verband met de rol van oorlog in de geschiedenis)
Eliade, Mircea. (1959). The Sacred and the Profane: The Nature of Religion. Orlando: Harcourt Brace Jovanovich. (Biedt inzicht in de scheiding tussen de sacrale en profane sfeer, en de betekenis van mythische tijd, wat de ‘mythische duisternis’ van de beleidsmakers kan verklaren)

NIEUWE TEKST

PILATUS’ HANDWASSING (MATTHEUS 27:24-25)

HET MYTHISCHE  SPIEGELBEELD VAN EEN AANVALSOORLOG

EEN MYTHISCHE PARADOX

DEEL III

DE HYPOTHESE VAN DE KWANTUMKORRELS ALS STABILITEITSREGULATOREN, KERN VAN EEN DISCRETE RUIMTE/TIJD STRUCTUUR

ALS CIJFERS FUSEREN MET BEHOUD VAN HUN OORSPRONKELIJKE INFORMATIE

DE GESPIEGELDE LOGICA (GLA) ALS CONCEPTUEEL MODEL VAN STABILITEIT ZONDER ZELFOFFER

DE BETEKENIS VAN DE ONTDEKKING VAN STEPHEN HAWKING

Waarom het belang van de hypothese van de kwantumkorrels? Onze stelling stelt dat er structurele relaties kunnen worden ontdekt in oude mythen, die we eerder in deze kwantumhypothese ontdekt hebben.

In dit verband behandelen we eerst de moeilijkheid van het (onoverbrugbaar) verschil tussen de Algemene Relativiteitstheorie (AR), die de ruimtetijd continu beschouwt, en de Kwantummechanica (QM), die kwantisering vereist.

De hypothese van de kwantumkorrel als een discrete ruimte/tijdstructuur op Plankenschaal (ongeveer een meter) wordt hierbij als een noodzakelijke wiskundige stabiliteitsregulator gepositioneerd.

Het verband tussen de hypothese van de kwantumkorrel (discrete ruimte/tijd) en de noodzaak van een nieuwe discrete wiskunde kan bijdragen tot de stabiliteit en consistentie van de theorie.

De huidige meest succesvolle theorieën, de algemene relativiteit (zwaartekracht) en de kwantumveldentheorie (de andere krachten), zijn onverenigbaar op de Plankschaal (lengte meter).

Wanneer natuurkundigen proberen de kwantummechanica toe te passen op zwaartekracht binnen het kader van een continue ruimte-tijd (waarbij afstanden oneindig deelbaar zijn), komen de berekeningen uit op oneindige waarden (∞). Deze oneindigheden zijn fysisch betekenisloos en maken de theorie onbruikbaar en instabiel.

DE KWANTUMKORREL ALS STABILISATOR

De hypothese van de kwantumkorrel (zoals voorgesteld in theorieën als Loop Quantum Gravity – LQG) lost dit stabiliteitsprobleem op door een ondergrens te stellen aan de mogelijke afstanden en tijdsintervallen.

De kwantumkorrel is een hypothese die stelt dat ruimte en tijd op de Plankschaal niet continu en vloeiend zijn, maar opgebouwd uit afzonderlijke, ondeelbare eenheden of ‘kwanta’ (deze zijn de ‘korrels’).

Door een minimale lengte (lp) te postuleren, wordt de continue wiskunde (die met oneindig kleine afstanden werkt) vervangen door de discrete wiskunde.

“De plancklengte, ook kwantumlengte, aangegeven met lp ≈ 1,616199 × 10−35  m is, tot nog toe de kleinste betekenisvolle  eenheid van lengte binnen de verschillende theorieën die over dit onderwerp gaan, wat in de kwantummechanica wordt gebruikt. Het is een van de planck-eenheden oftewel natuurlijke eenheden die alleen van natuurkundige constantes zijn afgeleid.

De plancklengte wordt aangehouden als de kleinste betekenisvolle eenheid van lengte binnen verschillende theorieën die de basisstructuur van ons heelal trachten te beschrijven, zoals de snaartheorie en de hiermee concurrerende theorie van de loop-kwantumzwaartekracht.” (Wikipedia)

De Waarde van de Plancklengte (lp ≈ 1,616199 × 10−35  m) is extreem klein.

Dit is ongeveer 1020 (honderd triljard keer) kleiner dan de diameter van een proton.

De discrete structuur snijdt de oneindigheden af. De sommaties en integralen die in de continue benadering tot leidden, worden nu beperkt omdat de kleinste stap niet kleiner kan zijn dan de Plankschaal. Dit zorgt voor een stabiele, eindige en voorspelbare wiskundige theorie.

Fysieke betekenis van de minimale grens

De Plancklengte is niet zomaar een meetbeperking, maar wordt aangenomen als een schaal waarop de belangrijkste stellingen van de fysica kunnen falen of samenkomen.

De Plancklengte is de schaal waarop de kwantumeffecten van de zwaartekracht betekenisvol (significant) worden.

Dit is de grens waar de algemene relativiteit (continue ruimte-tijd) en kwantummechanica (discrete deeltjes) kunnen worden verenigd (thans nog een loutere hypothese) in een theorie van kwantumzwaartekracht (zoals de kwantumkorrelhypothese).

In theorieën die uitgaan van een discrete ruimte-tijd (zoals de Kwantumkorrelhypothese of Loop Quantum Gravity), vertegenwoordigt  dit de minimale, ondeelbare ‘pixel’ van de ruimte zelf.  Ruimte kan niet meer bestaan dan uit veelvouden van voormelde lengte.

De vermeerdering van de entropie (door Hawkingstraling) maakt het behoud van informatie voor het heelal als geheel mogelijk, specifiek door de massavermindering van het zwarte gat.

Dit complexe verband wordt begrepen door de koppeling tussen de thermodynamica van zwarte gaten en de kwantummechanica.

Voordat Stephen Hawking de stralingstheorie ontwikkelde, leek een zwart gat de tweede hoofdwet van de thermodynamica en het behoud van informatie in de kwantummechanica te schenden.

Als je een doos met lage entropie (bijvoorbeeld een geordend boek) in een zwart gat gooit, lijkt de entropie van het heelal buiten het gat te dalen. Dit is in strijd met de wet dat de totale entropie nooit mag afnemen.

De theorie (voor de ontdekking van de Hawkingstraling) stelde dat, van zodra materie de waarnemingshorizon overschreed, alle gedetailleerde informatie over de deeltjes (de ‘inhoud’ van het boek) voorgoed verdween. Dit is in strijd met de fundamentele kwantumregel dat informatie nooit vernietigd kan worden (unitariteit).

Jacob Bekenstein stelde voor dat een zwart gat zelf een entropie heeft die evenredig is met de oppervlakte van zijn waarnemingshorizon (niet het volume). Wanneer men het boek in het gat gooit, neemt de oppervlakte van het zwarte gat toe, en daarmee stijgt de entropie van het zwarte gat met precies de hoeveelheid die nodig is om de Tweede Wet te redden.

De Hawkingstraling

Stephen Hawking bewees dat zwarte gaten straling uitzenden (de Hawkingstraling) omdat virtuele deeltjesparen ontstaan aan de horizon. Eén deeltje valt in, het andere ontsnapt, waardoor het zwarte gat langzaam energie verliest (daardoor vermindert de massa volgens E = mc2).

Het kerninzicht van Jacob Bekenstein was de ontdekking dat de entropie (S) van een zwart gat proportioneel is aan de oppervlakte (A) van zijn waarnemingshorizon.

De Israëlische natuurkundige Jacob Bekenstein was met andere woorden de eerste die in 1973 stelde dat een zwart gat entropie (S) moest hebben die evenredig is met de oppervlakte (A) van zijn waarnemingshorizon: S

Hij deed dit om de tweede hoofdwet van de thermodynamica te redden (de wet dat entropie niet kan afnemen). Als je iets met entropie in een zwart gat gooit, moet de entropie van het gat toenemen om de wet te respecteren. Dit inzicht is de basis.

Stephen Hawking was aanvankelijk sceptisch over Bekenstein’s stelling. Maar toen hij de kwantumeffecten rond de horizon begon te berekenen, ontdekte hij de Hawkingstraling. Deze straling impliceerde dat zwarte gaten een temperatuur hebben (TH).

Door de temperatuur van het zwarte gat te combineren met klassieke thermodynamica, kon Hawking de exacte proportionaliteitsconstante berekenen.

De formule :

                    kBc3

                   4 ℏG

of : kB c^3 / 4 ℏ G

is de precieze factor die Hawking ontdekt heeft. De factor in deze constante is het cruciale en beroemdste resultaat van Hawkings berekeningen.

kB is de Boltzmannconstante : de schakel tussen temperatuur en energie op de schaal van individuele deeltjes. In deze formule zet het de oppervlakte-eenheden om in de eenheden van entropie (J/K).

c3 is de lichtsnelheid tot de 3e macht : c is de snelheid van het licht in vacuüm (299.792.458m/s). De 3e macht is essentieel om ervoor te zorgen dat de eenheden aan de rechterkant van de vergelijking overeenkomen met de eenheden van entropie aan de linkerkant, namelijk Joule per Kelvin (J/K).

Dit principe staat bekend als dimensieanalyse of eenheidsconsistentie. In de natuurkunde moet een formule altijd consistent zijn in termen van de eenheden die worden gemeten.

De vertegenwoordiging van relativistische effecten is aanwezig. Dit betekent dat de formule rekening moet houden met de relativiteitstheorie van Einstein. De algemene relativiteit van Einstein beschrijft zwaartekracht als een kromming van de ruimtetijd. Zwarte gaten zijn het meest extreme voorbeeld van deze kromming.

ℏ is de gereduceerde planckconstante (‘h-streep’). Het  is een fundamentele constante van de kwantummechanica (ℏ=h/2π). De aanwezigheid van deze constante duidt erop dat de entropie van het zwarte gat een kwantumeffect is.  h definieert de kleinst mogelijke hoeveelheid energie die in een willekeurige golflengte van elektromagnetische straling kan worden uitgewisseld (een kwantum – ontdekking van Max Plank- ). 

G is de constante van de zwaartekracht (uit de wet van Newton). Het beschrijft de sterkte van de zwaartekracht. De aanwezigheid van G wijst erop dat de entropie verband houdt met de zwaartekracht/ruimtetijd-geometrie.

4 is de precieze factor als resultaat van Stephen Hawkings berekeningen. Het geeft de precieze kwantitatieve relatie tussen de entropie en het oppervlak.

De formule is een mijlpaal in de theoretische fysica, maar ook zeer vernieuwend voor nieuwe inzichten in de menswetenschappen.

Het causale verband (mijn samenvatting)

De verdamping van het zwarte gat als gevolg van de entropievermeerdering (via straling) is wat het mogelijk maakt dat de informatie terugkeert.

I/ De entropie neemt toe in het heelal.  De Hawkingstraling, die wordt uitgestraald, is pure warmtestraling (thermische straling). De uitstoot van thermische straling door het zwarte gat verhoogt de entropie van het heelal buiten het zwarte gat.

II/ De massa van het zwarte gat vermindert. De energie voor deze straling wordt onttrokken aan de massa van het zwarte gat. Door dit massaverlies (overeenkomstig E=mc2 ) verdampt het zwarte gat langzaam en krimpt het (totdat het zeer, zeer langzaam volledig verdwijnt).

III/ Is er informatiebehoud ? Als het zwarte gat volledig verdwijnt, moet de informatie over alles wat erin viel terugkeren (om het kwantummechanische behoud van informatie te respecteren). De consensus is nu dat de informatie is gecodeerd in de Hawkingstraling of in subtiele kwantumverstrengelingen op de horizon, die vrijkomen als het gat verdampt.

De toename van entropie in het heelal (in de vorm van Hawkingstraling) wordt direct gevoed door de massavermindering van het zwarte gat. Dit proces van complete verdamping is de noodzakelijke voorwaarde om ervoor te zorgen dat de totale informatie van het universum, inclusief de informatie die tijdelijk ‘opgesloten’ zat, behouden blijft. De entropievermeerdering en de massavermindering zijn twee kanten van dezelfde medaille die de natuurwetten consistent houden.

Bovendien is de hypothese van de kwantumkorrel (een discrete ruimte-tijdstructuur op de Plankschaal) essentieel als wiskundige stabiliteitsregulator. Deze discretisatie voorkomt de onfysische oneindigheden die zouden ontstaan bij een continue benadering, en verschaft zo een fundamentele ondergrens voor de ruimtetijd. Dit zorgt voor de nodige kwantummechanische consistentie om het informatiebehoud tijdens de verdamping van een zwart gat te garanderen.

Het verband is direct en noodzakelijk:

Element

Kwantumtheorie

Kwantumkorrel(Fysische Hypothese)

Beschrijft een discrete realiteit op de Plankschaal. De ruimte is gekwantiseerd.

Discrete Wiskunde (Wiskundige Benadering)

Is het noodzakelijke gereedschap om een gekwantiseerde ruimte te beschrijven, omdat het uitsluitend werkt met eindige, telbare stappen.

Stabiliteit(Resultaat)

De wiskundige discretisatie elimineert de onfysische oneindigheden die ontstaan bij het gebruik van continue wiskunde op deze schaal, waardoor een consistente kwantumzwaartekrachttheorie mogelijk wordt.

ALS CIJFERS FUSEREN MET BEHOUD VAN HUN OORSPRONKELIJKE INFORMATIE

DE GESPIEGELDE LOGICA (GLA) ALS CONCEPTUEEL MODEL VAN STABILITEIT ZONDER ZELFOFFER

DE BETEKENIS VAN DE ONTDEKKING VAN STEPHEN HAWKING

De GLA wil aantonen dat een logisch conceptueel model mogelijk is met betrekking tot de ontdekking van Stephen Hawking en de hypothese van de kwantumkorrel als stabiliteitsfactor in een systeem waar de toename van de entropie het behoud van informatie waarborgt.

De GLA verschilt in dit verband van de bestaande de snaartheorie en de Loop Kwantumzwaartekracht (LQG).

Het model is een rationele benadering dat zich situeert buiten de standaard van de wiskunde en de logica.

Laten we een eenvoudig voorbeeld nemen :

In continue wiskunde :

+6 – 3 = +3  

In de GLA : (betekenis van de massavermindering)

3-/,6+/, F 3-/’9’, (F staat voor fusie)

EERSTE BEWERKING

Het cijfer 6+/, staat discreet tegenover het cijfer 3-/, in een spiegelverhouding.

TWEEDE BEWERKING

De zijnsmassa van het cijfer 6+/, ‘ontvolt’ zich (maakt zich leeg) met 9 discrete eenheden.

Deze 9 eenheden worden niet afgetrokken van het cijfer 6 om tot -3  te komen, maar vermeerderen de totale entropie van het systeem dat streeft naar een oneindige entropie : ‘9’ .

Door deze ‘ontvolling’ verkrijgt het cijfer 6 een negatieve massa van 3-/,.

Voor het oorspronkelijk cijfer 6 is er een verlies van ‘9’ eenheden in zijnsmassa die de totale entropie van het systeem vermeerdert.

DERDE BEWERKING

De betekenis van het cijfer 6 verdwijnt echter niet uit het systeem (het wordt als het ware ‘afgezonderd’ van zijn eigen massa, ter zijde geplaatst). Door de massavermindering en entropievermeerdering behoudt het cijfer 6 zijn oorspronkelijke zelfinformatie.

VIERDE BEWERKING : SYMMETRISCHE SPIEGELSTAND EN FUSIE

Door de ‘ontvolling’ van het cijfer 6 met ‘9’ eenheden komt het cijfer in een spiegelstand te staan ten aanzien van het te bekomen resultaat : 3-/,.

Daardoor kunnen beide cijfers fuseren 3-/, F 3-/’9’,

De letter F staat voor fuseren.

Aangezien ‘9’ de opgevoerde waarde is die het massaverlies en de entropievermeerdering vertegenwoordigt, kan ‘9’ aanzien worden als een entropische vrijheidsgraad of de unitaire overdrachtswaarde.

In kwantumtermen als volgt.

De entropische vrijheidsgraad is de totale hoeveelheid entropie die vrijkomt als thermische straling (wanorde). Het is de gecodeerde kwantuminformatie die de massa verliet.

De unitaire overdrachtswaarde is de actie van het samensmelten. Het vertegenwoordigt de unitaire evolutie (het proces dat informatie behoudt) op de waarnemingshorizon.

Betekenis van de  ‘9’ als entropische unitaire overdrachtswaarde.

‘9’ is de factor die de meting van het verlies mogelijk maakt. ‘9’  meet de massa-energie die ‘verloren’ is gegaan van de entiteit. Dit verlies is essentieel voor de fusie.

‘9’ creëert de consistentie. Door als entropie te verschijnen, zorgt de ‘9’ ervoor dat de 6+/, als informatie (zij het afgezonderd van de massa van zijn eigen 6) behouden blijft. Het is de brug tussen de oorspronkelijke toestand en het eindresultaat.

De verhoogde positie benadrukt dat ‘9’ (superscript) niet slechts een component is, maar de activerende, bekrachtigende factor in het transformatieproces.

Het verlies aan massa energie met ‘9’ eenheden is geen zelfoffer of zelfvernietiging met een 0 waarde (zoals in de continue wiskunde), maar een transformator (afgezonderd uit de massa) die de fusie mogelijk maakt tussen de twee cijfers vanuit een verlies aan massa als behoud van de oorspronkelijke informatie.

Daardoor is er een fusie mogelijk tussen beide getallen. 6+/, ‘9’ = 3-/, = 3-/’9’,.

RESULTAAT

In deze fusie behoudt het oorspronkelijk getal 6+/, door zijn vermindering in zijnsmassa zijn zelfinformatie vanuit deze relatie :

3-/, ‘9’ als rechterzijde van het spiegelbeeld.

‘9’ in relatie met 3-/, of 3-/’9’, doet ons als rechterzijde van het = teken, de oorspronkelijke linkerzijde ontdekken, omwille van het behoud van informatie.

We kunnen met andere woorden vanuit het resultaat (het einde) de oorspronkelijke entiteit (het begin) ontdekken.

Hierdoor bekomen we een zeer compacte en eenvoudige omschrijving van het principe van kwantummechanisch informatiebehoud (unitariteit), dat de basis vormt van de redenering.

Het resultaat (het einde): de eindtoestand is de geëvolueerde restmassa/straling, verrijkt met de entropische overdrachtswaarde.

De oorspronkelijke entiteit (het begin) als de starttoestand.

Deze uitspraak betekent dat omwille van de informatie van  6+/, die volledig gecodeerd is in de entropische overdrachtswaarde (‘9’) en de resttoestand (3-/,), de transformatie unitair is.

Dit houdt in dat het eindresultaat (3-/’9’,,) een perfecte spiegel van de begintoestand bevat, waardoor de oorspronkelijke entiteit (6+/,), inclusief al haar ‘zelfinformatie’, theoretisch kan worden gereconstrueerd of ontdekt vanuit de entropie van de straling die ze naliet. Dit is de voorgestelde ‘oplossing’ voor de ‘Zwarte Gat Informatieparadox’.

Het gevolg van de ontdekking van Stephen Hawking houdt in dat men tot stabiliteit kan komen met een vermeerdering van de entropie (de tweede thermodynamische wet) als oorzaak zelf voor het behoud van informatie. 

HERNEMING EN VERDUIDELIJKING TEN AANZIEN VAN DE ONTDEKKING VAN STEPHEN HAWKING

DE GESPIEGELDE LOGICA (GLA) ALS CONCEPTUEEL MODEL VAN STABILITEIT ZONDER ZELFOFFER

ANALYTISCH MODEL VOOR KWANTUM-GRAVITATIONELE CONSISTENTIE

DE AXIOMATISCHE FUNDERING VAN DE GLA

De Gespiegelde LogicA (GLA) fungeert als een rationeel conceptueel model dat de Zwarte Gat informatieparadox benadert buiten de restricties van de standaard wiskunde. Het doel is de ontdekking van Stephen Hawking en de hypothese van de kwantumkorrel te verenigen in een logica van stabiliteit door entropievermeerdering.

De basistransformatie en het verschil met continuïteit.

De GLA introduceert een unitaire transformatie die de klassieke berekening vermijdt.

In de klassieke continue wiskunde (vernietiging ) blijft de massa, massa.

 

Gespiegelde Logica (GLA) (transformatie ) wordt de massa informatie.

 

Conceptuele herformulering van de Massa-Energie Relatie.

De GLA stelt dat de oorspronkelijke massa-energie (Moorspronkelijk⋅c2)

gelijk is aan de totale Unitair Behouden Informatie (Ibehouden), gemedieerd door (door tussenkomst van, via) de entropische toename.

Moorspronkelijk⋅c2 ≈Ibehouden ⊕ (ΔS⋅TBH)

Of, meer gericht op de entropische overdracht als de transformerende factor :

 

Moorspronkelijk   F(ΔS)   Ibehouden 

                     →                    c2

Betekenis van de elementen in de herformulering :

Deze herformulering bouwt voort op het inzicht van Bekenstein ( en Einstein (E = mc2).

Element

GLA

Fysische interpretatie en rol

 Moorspronkelijk

cijfer 6+/,

De zijnsmassa van de entiteit. Dit is de oorspronkelijke energie-inhoud.

C2

constante

De fundamentele relativistische factor die de energie-inhoud van de massa bepaalt.

F(ΔS)  

de fusie operator (F), geactiveerd door de entropische overdrachtswaarde (‘9’)

De entropische overdrachtswaarde (‘9’). Dit is de operator die de transformatie van de massa-energie in entropie-informatie unitair maakt.

Ibehouden 

de zelfinformatie van 6

De unitair behouden informatie, de kwantuminformatie die gecodeerd wordt in de Hawkingstraling en de restmassa.

TBH

(Impliciet)

De temperatuur van het zwarte gat (Hawking temperatuur), noodzakelijk om energie (ΔE) te relateren aan entropie (ΔS). (ΔE = TΔS).

Het ⊕-symbool geeft aan dat de oorspronkelijke totale informatie-inhoud (vertegenwoordigd door de massa-energie) nu is verdeeld over twee complementaire componenten die samen de volledige ‘blauwdruk’ van de starttoestand bevatten.

De geëvolueerde restinformatie is de informatie die in de geëvolueerde restmassa en de fundamentele kwantumstructuur zit (3-/,).

De entropische overdrachtswaarde is de informatie die is getransformeerd en gecodeerd in de uitgestraalde entropische warmte (‘9’).

Dit benadrukt het principe van unitariteit (Informatiebehoud). Het is geen eenvoudige optelling, maar een bewering dat het verlies én het restant samen, door de -fusie-operator, de oorspronkelijke totaliteit vormen. Als je de uitgestraalde informatie (ΔS) optelt bij de resterende informatie (Ibehouden), krijg je de volledige, onveranderde oorspronkelijke informatie terug.

De herformulering stelt dat de oorspronkelijke massa van 6+/,  niet verdwijnt, maar via de entropische overdrachtswaarde (ΔS) (of ‘9’) en de fusie operator (F) wordt omgezet in een unitair behouden informatie equivalent (Ibehouden). Dit proces garandeert dat de totale hoeveelheid informatie in het systeem altijd constant blijft, wat de essentie is van de logica.

De operatoren  duiden op een gekwantiseerde, discrete bewerking (vergelijkbaar met het kwantummechanische domein) in een spiegelverhouding. De GLA vereist dat het proces geen zelfoffer of zelfvernietiging impliceert, wat de toestand van nul (0) in de logica uitsluit, en zo het kwantummechanische informatiebehoud (unitariteit) verzekert.  

Het systeem streeft naar een oneindige entropie ( als thermodynamisch stabiel eindpunt, wat in de kosmologie overeenkomt met de toestand van de warmtedood.

De zin verwijst naar de tweede hoofdwet van de thermodynamica toegepast op het hele universum.

Entropie (ten aanzien van houdt in dat het universum evolueert naar een toestand van maximale entropie (maximale wanorde en minimale beschikbare energie). In een uitdijend en oneindig groot heelal wordt deze maximale toestand vaak theoretisch benaderd met de term oneindig (.

Het thermodynamisch stabiel eindpunt, bekend als de warmtedood (Heat Death), is het thermodynamisch stabiele eindpunt. In deze staat is de temperatuur uniform en is er geen vrije energie meer beschikbaar om arbeid te verrichten. Alle processen, inclusief de massavermindering en entropie-overdracht van zwarte gaten (zoals in het GLA-model), stoppen, en er kan geen verdere verandering meer optreden.

De entropische overdracht en stabiliteitsfactor

De kern van de GLA is de tweede bewerking, die de massavermindering omzet in een informatiedragende entropie.

De entropische overdrachtswaarde (‘9’)

De zijnsmassa van het cijfer ‘ontvolt zich’ met discrete eenheden. Dit getal ‘9’ is de cruciale entropische overdrachtswaarde.

De  eenheden worden niet afgetrokken om een negatieve massa van -3 te bereiken, maar ze vermeerderen de totale entropie van het systeem. De ‘9’ is de gekwantificeerde energie die als Hawkingstraling wordt geëmitteerd, uitgezonden, uitgestraald, (E = mc2).

De ‘9’ is de activerende, bekrachtigende factor in het transformatieproces, de unitaire overdrachtswaarde die de massa van 6+/, scheidt en deze als entropie vrijgeeft.

In kwantumtermen is de ‘9’ de gecodeerde kwantuminformatie van de oorspronkelijke massa die nu als thermische straling (wanorde) vrijkomt.

Stabiliteit door de kwantumkorrelhypothese

De entropische overdrachtswaarde (‘9’) impliceert een discrete, gekwantiseerde overdracht. Dit wordt gestabiliseerd door de hypothese van de kwantumkorrel (de discrete, ondeelbare structuur van de ruimtetijd op de Plankschaal).

Betekenis van de discrete structuur van de kwantumkorrel

Het levert de wiskundige fundering om de paradox op te lossen door een stabiele matrix te bieden voor de codering en hercodering van informatie, wat cruciaal is voor de unitaire evolutie (de fusie) van het systeem.

De discrete structuur van de kwantumkorrel voorkomt de onfysische oneindigheden die ontstaan bij een continue benadering op de zwarte-gathorizon.

Het finale behoud van zelfinformatie

De derde en vierde bewerking tonen het uiteindelijke bewijs: de vermindering in massa is de oorzaak van het behoud van de zelfinformatie.

Behoud zonder verdwijning

De betekenis van het cijfer 6+/, verdwijnt niet uit het systeem. De zelfinformatie wordt behouden omdat de transformatie unitair is.

De vermindering in zijnsmassa door de (6→3) eenheden is de unitaire actie die de informatie uit de massa-entiteit bevrijdt, de actieve omzetting naar informatie, gecodeert in de entropische overdrachtswaarde ‘9’.

De oorspronkelijke informatie van 6+/, wordt niet opgeofferd (geen min waarde) door zelfinformatieverlies (in het 0 cijfer), maar volledig overgedragen aan de geëvolueerde componenten.

De fusie en de spiegelstand  

De fusie F (de unitaire fusie operator) brengt de balans.

De massavermindering brengt 6+/, in een symmetrische spiegelstand ten aanzien van het resultaat 3-/,.

De fusie stelt dat de oorspronkelijke entiteit (6+/,) door de vermindering gelijk wordt aan de geëvolueerde toestand (3-/,) verrijkt met de entropische overdrachtswaarde (‘9’).

DE OPLOSSING VAN DE PARADOX

De GLA mondt uit in de compacte omschrijving van het kwantummechanisch informatiebehoud.

We kunnen met andere woorden vanuit het resultaat (het einde), dat is de eindtoestand 3-/’9’, (de geëvolueerde restmassa/straling), verrijkt met de entropische overdrachtswaarde), de oorspronkelijke entiteit (6+/,) ontdekken.

Beide entiteiten zijn verschillend, maar volkomen evenwaardig. Het begin is niet meer waard dan het einde, en het einde niet meer waard dan het begin. Er is geen spanning tussen oud en nieuw of omgekeerd, maar een zich steeds weer spiegelende fuserende toestand met behoud van de zelfinformatie van beide fuserende entiteiten. De overgang van oud naar nieuw, of het behoud van oud tegen nieuw behoort niet tot het proces. De stabiliteit zit gecodeert in de toename zelf van de entropie. Vandaar dat er geen zelfoffers of zelfvernietigingen nodig zijn om uit de spanning oud/nieuw, nieuw/oud te ontkrachten. Het nieuwe ontstaat uit de stabiliteitsfactor zelf.                                                                                           

De transformatie is unitair omdat de informatie van 6+/, volledig is gecodeerd in de entropische overdrachtswaarde (‘9’) en de resttoestand (3-/,), waardoor de oorspronkelijke entiteit theoretisch kan worden gereconstrueerd uit de entropie die ze naliet.

DE BETEKENIS VAN DE ONTDEKKING VAN STEPHEN HAWKING

Het gevolg van de ontdekking van Stephen Hawking, geïnterpreteerd via de Gespiegelde LogicA (GLA), is dat men tot stabiliteit kan komen met een vermeerdering van de entropie (de tweede wet van de thermodynamica) als oorzaak voor het behoud van informatie. De GLA toont conceptueel hoe de combinatie van de kwantumkorrelhypothese (voor discretie en stabiliteit) en de entropische overdracht (voor uniciteit) het bewijs levert dat er geen zelfoffer (nulwaarde) nodig is om de fundamentele wetten van het universum te verzoenen.

De ontdekking van Stephen Hawking is niet enkel belangrijk voor de fysica, de wiskunde en de logica, maar ook voor de filosofie en de psychologie.

Het verlies (massaverlies en entropievermeerdering) is geen zelfoffer of zelfvernietiging maar een winst in behoud van de oorspronkelijke informatie als stabiliserende factor.

Het gevolg van de ontdekking van Stephen Hawking houdt in dat men tot stabiliteit kan komen met een vermeerdering van de anomie (in de betekenis die Emile Durkheim aan het woord gaf) als oorzaak zelf voor het behoud van zelfinformatie. 

Het verlies (zijnsverlies en entropievermeerdering) is geen zelfoffer of zelfvernietiging maar een winst in behoud van de oorspronkelijke zelfinformatie als stabiliserende factor van het menselijk zelf als zelfbewustzijn. In dit proces komt het zelfoffer en de zelfvernieting niet voor. Om het op een klassieke wijze te stellen : orde kan uit wanorde ontstaan zonder de offercrisis van het gewelddadig zelfoffer en de gewelddadige zelfvernietiging.

Beiden, fysica en psychologie zijn niet analoog, maar de structuur vertoont gelijkaardige processen. Wat de psychologie betreft, is het uitgangspunt een vrije individuele keuze om voor stabiliteit te kiezen zonder zelfoffer of zelfvernietiging.

Mijn stelling is nu dat men hetzelfde proces kan ontdekken in oude mythen.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met: De ontdekking in het Brahmanisme van de betekenis van het ontstaan (het ‘hoe?’) van de god Prajāpati. Bron: Sylvain Lévi, La doctrine du sacrifice dans les Brâhmaṇas, 1898. Over de Upanishadische humor als protostabiliteitsfactor zonder zelfoffer.)

NIEUWE TEKST

Noli te ipsum cruciare, alterum cruciando

PILATUS’ HANDWASSING (MATTHEUS 27:24-25)

HET MYTHISCHE SPIEGELBEELD VAN EEN AANVALSOORLOG

EEN MYTHISCHE PARADOX

DEEL II : WAT ONTTREKT ZICH AAN DE MYTHISCHE VOLLE TOTALITEIT (EN HOE) VAN EEN MYTHISCHE TEKST

DE NIETZSCHEAANSE ORGANISCHE HEL VAN DE WIL TOT MACHT

Deze tekst wil niet meer zijn dan de aanhef van een voorbeeld van het interpreteren van een mythische tekst (het is een klein niets, maar geen nihilisme), vanuit een objectiverende positivistische benadering. Maar ook een poging om een kader te scheppen om voormelde evangelietekst vanuit het mythische in een ander daglicht te stellen. Het is een zoeken naar de juiste mythische situering. Het is belangrijk, omdat het onjuist situeren van mythische teksten de grootste broeihaard van geweldskiemen in onze wereld is. De tekst van de handwassing van Pilatus (en nog meer de volgende zin, over het vergoten bloed) zijn er een historische bewijs van.

Alle mythische teksten moeten vanuit de betekenissen van de mythische literatuur ontleed worden. De tekst met betrekking tot de terechtstelling van Jezus van Nazareth in het Mattheusevangelie dient als mythische tekst aan hetzelfde onderzoek onderworpen te worden.

De tekst over deze terechtstelling is een constructie van de auteur ervan. Het kan interessant zijn om na te gaan in welke mate de constructie al dan niet aan de historische werkelijkheid beantwoordt. Maar een mythisch tekst is niet het zo nauwkeurig mogelijk weergeven van historische feiten. Dit is nooit de bedoeling van de auteurs of schrijvers van mythische teksten (voorheen van mythische verhalen, of vertellingen).

Dit betekent niet dat de schrijver van de tekst aan zijn tekst geen mythische betekenis heeft willen geven. Mythische teksten pogen de tijd, de ruimte en de verhouding tot de ander te herschrijven ten aanzien van wat werkelijk is gebeurd, om ons in staat te stellen de mythische betekenis(sen) ervan te doen ontdekken.

De tekst is niet enkel mythisch wat de structuur betreft. Het is niet enkel een verhaal dat niet beantwoordt aan de werkelijkheid. Het verhaal is eveneens naar de inhoud mythisch. In dit opzicht behoort het verhaal tot de mythische wereldliteratuur.

 

HET ZOEKEN NAAR WAT ZICH UIT DE TOTALITEIT, DE VOLHEID VAN DE MYTHISCHE STRUCTUUR ONTTREKT.

Deze teksten zijn voorlopige, steeds weerlegbare hypothesen. Zij hebben als doel te wijzen op een keerpunt, of een breekpunt in het voorliggend mythisch verhaal. Het is een kruising der wegen binnen een bepaalde mythische structuur, die ook in andere mythische verhalen uit de mythische wereldliteratuur voorkomt (zij het op een andere wijze).

Ten aanzien van de door Nietzsche herschreven benadering van mythen pogen zij de steeds wisselende Nietzscheaanse perspectieven te overschrijden (de muur van Nietzsche), door het zoeken naar vormen van mythische stabiliteit binnen de oude mythes (door nieuwe interpretaties), waarbij het zelf als zelfbewustzijn zich kan onttrekken uit de volle totaliteit van het universeel gewelddadig zelfoffer (de mythische kosmos). Bij Nietzsche de universele zelfdestructie als een totale overwinning.

Deze tekst beoogt geen demythologiseren in functie van een nihilistisch perspectief (in dit verband zet Nietzsche ons op het verkeerde been, zie hierna).

De bedoeling is niet de tekst vanuit de mythische structuur van de tekst te benaderen. Het is niet de bedoeling om de tekst op te sluiten en te laten verdrinken in de mythische structuur van de tekst zelf.

Deze tekst wil het kader van de moderne Nietzscheaanse mythische spanning tussen de wetten van de natuur als te verwerpen uitgangspunt (de tabula rasa van Nietsche) versus de wil tot macht als organische levensdrang (waarbij Nietzsche de ‘wreedheid’ dynamisch centraal stelt) overschrijven.

Het doel van deze tekst verlaat op elastische wijze de strikte wetten van het mythische (een zoektocht naar het verlaten van die wetten, binnen de mythische taal, als structuur en kader), zonder te vervallen in een ander extemer mythisch perspectief van de totale destructieve, de Nietzscheaanse ‘wil tot macht’.

De achilleshiel van Nietsche is zijn mateloze verwarring tussen de zijnsdynamiek en de wordingsdynamiek (omdat hij de zelfenergie van het zelfbewustzijn totaal miskent).

Nietzsche stelt het vernietigend zelfoffer centraal als afbraak van de zijnsdynamiek (hij verwart beiden) in functie van de macht tot wil, als een onophoudelijk (de eeuwige terugkeer) gewelddadig organisch wordingsproces.

Hij vervangt de oudere illusoire zijnsdynamiek door de nog meer illusoire wilsexpansie van een totale destructief organisch wordingsleven.

Wij vertrekken van een zelfenergie als retractie uit een te volle totale zijnsmassa, en nog meer als een retractie uit een te volle totale (louter imaginaire) wordingsmassa, dat een nieuw en vernieuwend niveau van bewustzijn inluidt.

 

KUNNEN WE OVER DE MUUR VAN NIETZSCHE SPRINGEN (om eens te zien wat erachter zit)?

HET RELIGIEUS NIHILISTISCHE ZELFOFFER BIJ NIETZSCHE

Voorafgaandelijk aan iedere verder analyse is het belangrijk een aantal elementen van het denken van Friedrich Nietzsche te situeren ten aanzien van de voorgestelde benadering van de mythische evangelietekst. Nietzsche is moeilijk definieerbaar, omdat hij (telkens weer) een wisselende perspectief centraal stelt in zijn werk. Hierdoor stelt hij zich radicaal af tegen iedere vorm van de Kantsiaanse ‘noumenale’ rest, dat Nietzsche verbindt met de ascetische Christelijke cultuur (de ascetentweespalt, tussen fenomenale en noumenale). Doorgaans leidt men daaruit af dat Nietzsche geen religies denker was, wat onjuist is. Vraag is nu, wat het religieuze bij Nietzsche betekent? Vanuit de zich steeds herhalende perspectiefwissel ontstaat bij Nietzsche een verwarring tussen ‘zelf’, ‘zijn’ en ‘worden’.

In dit verband dient voor deze denker het ‘zelf’ van de mens als zelfbewustzijn (dat hij als ontologisch zijn situeert, of wat er in zijn tijd van overbleef na Immanuel Kant) zichzelf op te offeren en te vernietigen in functie een ORGANISCH ‘worden’ als destructieve wil tot macht (in dit verband is het belangrijk om de kern van de structuur van het werk van Oswald Spengler te ontdekken, die de wiskundige ‘infinitesimaal’ uitsluitend in Nietzscheaanse termen heeft omschreven).

Dat omwille van het feit dat bij Nietzsche de eeuwige vernietiging een zich steeds herhalende mythische overwinning wordt – een overwinning in wording – (over het perspectief en de distantie – de afstandsverhouding – bij Nietzsche, zie hierna).

Nietzsche ontdekt door zijn perspectiefwissels de relativiteit, de Heisebergiaanse onzekerheidsrelaties van het zelf als ‘zijn’, doch enkel in functie van een organisch, dynamisch eigen ‘meerwordendynamiek’, die hij in het organisch worden situeert (Erik Oger, Als in een honderdvoudige spiegel, Nietzsches perspectievistische schrijven, 2022, 33 met verwijzingen naar het werk van Nietzsche).

Het is een maar een gedeeltelijke juiste vergelijking. De kwantumtheorie is meer dan het onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg, het is in essentie de kwantumstabiliteit (dit wordt in de volgende tekst behandeld).

In die zin worden we – zoals zo vaak – door Nietzsche op het verkeerde been gezet. De horizon van dat organisch ‘worden’ is een vermeerdering, ook al schuift de horizon steeds verder weg. Het is telkens weer onbereikbaar. Bij deze denker is de distantie er in functie van de eigen meerwordingssdynamiek. De beeldtaal die hij gebruikt is het zien van de Mont Blanc (niet slecht als meerworden!). Het wordt maar duister, donker en ondoorzichtbaar mistig vanaf het ogenblik dat Nietzsche dit perspectief gaat gebruiken om wetenschappelijke theorieën te funderen. Nietzsche verlaat de illusoire religieuze fundering die hij verbindt met het Christendom – dat hij (wat altijd miskend wordt) positief hersitueert in zijn eigen tragisch kader, model of perspectief -, om meteen in een nieuwe zeer gewelddadige religieuze (een pleonasme, witte sneeuw, nat water, ronde cirkel enz.) fundering te vervallen.

De oude religieuze fundering was een mythische illusie met betrekking tot een streven naar mythische (gewelddadige) religieuze stabiliteit.

De nieuwe Nietzscheaanse is een nog grotere mythische illusie vanuit een eindeloze mythische religieuze onstabiliteit.

De steeds terugkomende vraag is of het denken van Nietzsche al dan niet een ‘nihilistische’ dimensie inhoudt. Zoals in alle religies staat in het denken van Nietzsche een waanzinnig vernietigingsmoment centraal (de zelfoverwinning) in functie van een fataliteit (bij Nietzsche de eeuwige terugkeer). Men stelt dat men vanuit dit ‘moment’ niet mag besluiten dat het denken van Nietzsche nihilistisch zou zijn. In zekere zin is dit juist. Nietzsche overschrijdt het zelfvernietingsmoment door een nieuwe duale toestand. Enerzijds een illusoir wordingsperspectief dat nooit gehaald kan worden (het schuift op) en anderzijds de dynamiek van een organisch worden als wil tot macht (dat een machtstreven blijft).

Het zelf (dat steeds met een ‘zijn’ verward wordt) verlaat het vernietigd ‘nouminale’ (de laatste stuiptrekkingen van de ‘ontologie’ – het ding op zich – als stabiliteit), om zich ‘om te vormen’ tot een organisch ‘worden’. Dit organisch worden is echter in dit denken een val in een ongekende gewelddadige nihilistische hel.

 

“De wereld bestaat niet achter en verder dan de veelheid van perspectieven die we ervan kunnen verwerven. Het is slechts het resultaat van hun voorlopige samenvoeging, onderlinge confrontatie en wederzijdse strijd. De poging om tot het ‘ding op zich’ toegang te verkrijgen is even uitzichtloos als het afhakken van zijn hoofd om te achterhalen hoe de wereld er los van zijn hoofd zoal uitziet. Door elk perspectief van de wereld weg te nemen, verwerven we die wereld niet in zijn maagdelijke staat. We verliezen hem juist daardoor. Een dergelijk streven hindert zichzelf: ’Leven is alleen bestaanbaar op grond van perspectievistische schattingen en schijnbaarheden; en zou men de brave geestdrift en onnozelheid van ettelijke filosofen de “schijnbare wereld” in haar heel afschaffen, welnu, gesteld dat jullie dat zouden kunnen – dan bleef er stellig ook van die “waarheid” van julie niets over”…”Dat de dingen een hoedanigheid op zichzelf zouden hebben, afgezien van de interpretatie en subjectiviteit, is een volstrekt overbodige hypothese: het zou vooronderstellen dat het interpreteren en subject zijn niet essentieel is, dat een uit alle relaties losgemaakt ding nog steeds ding is”” (Oger, 43, met de aangehaalde citaten uit het werk van Nietzsche).

 

Het zich steeds wisselend perspectievistisch Nietzscheaans kennen is de grondvoorwaarde voor het ‘echte en ware ‘kennen’, dat eveneens iedere vorm van organisch leven is. De Nietzscheaanse waarheid is het organisch leven, een organisch worden dat van zijn wordingsproces streeft naar een onbereikbaar (onbestaand) totaal, absoluut, allesoverwinnend meerzijn (het beeld van de Mont Blanc) dat zich voordoet als een zich steeds verschuivende horizon (een fatamorgana).

Nietzsche verwerpt het Christelijk zelfoffer, het menselijk zelfoffer van Jezus op het kruis, omdat hij ingezien heeft dat dit zelfoffer er in functie was van een (ontologisch) meerzijn dat hij terecht als een illusie aanziet en verwerpt. Maar eigenlijk verwerpt hij dit zelfoffer omdat hij ten aanzien van de funderende tekst gevaar ruikt. Er is een addertje onder het gras, dat hij niet heeft ontdekt. Zijn verwerping van het Christendom is overigens niet totaal. Hoe zou dat komen? De verwerping is er maar voor zover het Christendom zich in zijn ogen niet volledig inschrijft in zijn tragisch perspectief. Het addertje is bij nader onderzoek voor Nietzsche niet de Christelijke religie (in zijn ogen goed, voor zover ze zich tragisch inschrijft), maar de mythische tekst die deze religie gebruikt. Nietzsche heeft de gevolgen hiervan miskent.

Deze funderende teksten werden door het Christendom gebruikt als tragische mythische religieuze teksten, waaraan een tragische religieuze werkelijkheidsgehalte werd gegeven. De waarheid als onlosmakelijk verband tussen het tragisch verhaal en de onweerlegbare historische werkelijkheid ervan.

Toch besefte Nietzsche dat er iets verdachts was (het miskend addertje, die slangen toch…). Nietzsche vernietigt de oude mythen – ook al verheerlijkt hij ze – , eveneens de filosofie die hem voorafgaat (die hij belachelijk maakt) in functie van voormelde vernietiging van het ‘noumenon’, om de oude mythen (in het algemeen) te herplaatsen en te herinterpreteren vanuit zijn tragisch (zeer gewelddadig) perspectief. Wat hem voorafging vernietigt Nietzsche als structureel meerzijn in functie van een organisch meerworden, wat uitmondt in het echte leven van de onophoudelijke wraakneming, zelfpijniging (als lustprincipe) door anderen te pijnigen.

Nietzsche is geen filosoof voor ‘decadente’ salonmensen, maar voor frontsoldaten (de Bijbel was aan beide kanten van het front tijdens de Eerste Wereldoorlog het meest gelezen boek – voor wie lezen kon – en aan Duitse zijde na de Bijbel de werken van Nietzsche).

Hierdoor (door de oude mythen uitsluitend te situeren in een tragisch perspectief) richtte Nietzsche een muur op, niet enkel tussen het oude religieus meerszijnsverlangen als (illusoir) stabiliteitsregulator (het Shakespeareaans ‘degree’), maar vooral ten aanzien van de nuttige informatie die we uit oude mythen kunnen halen (geschiedenis diende herleid te worden tot een organisch wordingsproces).

De volheid van de kokende gewelddadige massa (de steeds terugkerende massa van het tragisch zelfoffer en zelfvernieting van het ‘organisch worden’; als we Nietzsche aandachtig lezen, is het opmerkelijk hoe hij in zijn ‘meerwordingstheorie’ – overigens zijn enig waarneembaar perspectief – het Shakespeareaanse ‘degree’ tot een onbereikbare afstand (distantie) herleidt, een totaal onbereikbaar ‘meerworden’, waardoor de tragische nadruk enkel komt te liggen op zelfoffer en zelfvernieting), veroorzaakt door de religieuze entropie wordt bij Nietzsche steeds voller. Dit mechanisme blokkeert de informatie die we sociaal nodig hebben om tot innovatie te komen. Dit is het uiterst entropische moment die alle religies thans meemaken. De informatie wordt binnen de massa gehouden door de muur van Nietzsche. Om informatie vrij te maken, zou er een ontledigingsmechanisme dienen te bestaan als bevrijding (uit het geweld van de gesloten volheid). Maar in de tragiek van Nietzsche bestaat dit niet. Dan maar met de hamer verder kloppen op de organische massa, om ze door contractie steeds voller te maken. Er is geen novatieve informatie meer, enkel een gewelddadig geklop.

Nietzsche miskent niet enkel het zelf als zelfbewustzijn (dat hij niet ontdekt heeft, en heeft kunnen onderscheiden van het ‘nouminale’ meerzijn, dat hij verwerpt). Het ontologisch zijn moet vernietigd worden tot de laatste manifestatie van het noumenon (- ding aan zich -). In deze verwart Nietzsche het zelf (dat hij miskent) in functie van een te vernietigen mythisch zijn, omwille van voormeld organisch worden.

Nietzsche ontdekt de religie in zijn maximale contractie – omwille van de volheid van de massa -, in haar extreem entropische moment, met een zichzelf vernietigende gewelddadige restenergie. Dit beantwoordt niet aan de kwantumfysica (maar dat kon hij als later Oswald Spengler niet weten).

In een toestand van maximale entropie worden religies enkel gewelddadige (uiterst agressieve) sekten en paramilitaire organisaties.

Nietzsche vervangt een illusoir structureel meerzijn door een gewelddadig organisch meerworden. Nietzsche vervangt dit illusoir cultureel religieus structurend zelfoffer (de oude Christelijke cultuur is eruit ontstaan, maar ook alle andere culturen, vroeger en later, zoals de Islam) in functie van het verheerlijken van een illusoir ‘nouminaal’ meerzijn als stabiliteit door een ander religieus ‘destructurerend’ zelfoffer en zelfvernietiging in functie van een ‘organisch’ worden als een bestendige gewelddadige onstabiliteit.

“De benaming van ‘ondergang en vernietiging doorslaggevend in een dionysische filosofie, het ja-zeggen op tegenstelling en oorlog, het worden, met radicale afwijzing zelfs van het begrip ‘zijn’ (het te vernietigen van het ‘noumenale’, van het ding aan zich, eigen toevoeging) van alles wat er tot nu toe gedacht is (een nihilistische tabula rasa, eigen toevoeging) moet ik daarin hoe dan ook het meest van mij verwante erkennen. De leer van de “eeuwige terugkeer”, dit wil zeggen van de onvoorwaardelijke en oneindige herhaalde kringloop van alle dingen …” (408)

 

De kritiek van het Christelijk zelfoffer als cultureel ankerpunt is bij Nietzsche maar een deel van zijn perspectief. Het is eigenlijk een ruimere kritiek van alle oude zelfoffers voor zover (in de ogen van Nietzsche) zij pogen een (zij het illusoir) ontologische stabiliteit te creëren.

De kritiek van Nietzsche wil vooral de deconstructie van de mogelijkheid van een ‘ding aan zich’ als menselijke stabiliteitsfundering (van een ontologisch zelf) en als basis van kennis en wetenschap sacrificieel vernietigen in functie van een onophoudelijk zich destabiliserend organisch worden (meerworden) dat ons in een wereld begeeft van onophoudelijke interindividuele aanvallen, evenals van collectieve oorlogsaanvallen. Heel onze extreme aversie ten aanzien van de ‘geschiedenis’, maar ook de ‘filosofie’ is Nietzscheaans, het gevolg van de Nietzscheaanse ‘tabula rasa’.

Het is opmerkelijk dat het denken van Nietzsche een individueel denken is (wat dit betreft werd hij beïnvloed door Kierkegaard), maar dat hij het individueel perspectief uiteindelijk daarvoor verlaat.

 

“Het uitvloeisel van de oerlust is “het spelenderwijs opbouwen en in puin slaan van de geïndividualiseerde wereld.” (405)

Het sacraal destructief offermoment is in iedere religie een ‘lust’, ‘een waanzinnige lusttuin’, het grootste genot op aarde.

Nietzsche verzuipt uiteindelijk in het religieus genot van de zelfkwelling door het kwellen van anderen. De zelfkwelling door het kwellen van anderen is het religieus mechanisme als zelfoffer in functie van een meerzijn als illusoire stabiliteit (vaak rituelen, zoals de overgangsrituelen). Bij Nietzsche wordt dit religieus mechanisme gehanteerd in functie van een (nog meer illusoir) organisch meerworden, waaruit enkel onstabiliteit ontstaat.

Het gebruik door Nietzsche van de oude Griekse mythologie is met andere woorden totaal vertekend. Bij Nietzsche komt het over alsof deze mythologie enkel een vernietigende onstabiliteit zou zijn die iedere vorm van stabiliteit overtreft. Nietzsche belicht maar een zijde van de oude Griekse mythologie. De duale zijde van de goden, in deze de kwaadaardige, de religieuze zelfofferzijde, de religieuze zelfvernietingszijde. Hij plaatst dit aspect (perspectief) ten onrechte in het kader van zijn perspectief van een zich herhalend onstabiel streven (wil) naar een onophoudelijk meerworden. (Hij spant Heraclitus op zijn kar, waarvan hij de fragmenten op een onjuiste wijze interpreteert).

Omwille van zijn perspectief heeft Nietzsche de essentie van wat een religie is ontdekt (het maximaal entropische moment ervan), maar komt daardoor zelf terecht in dit religieuze entropische maximum. Hij ontdekt een draaikolk, waarin hij valt, en opgeslorpt wordt. Nietzsche doorziet de illusie van het stabiliteitsstreven in de oude mythologieën of het gebruik ervan, de oude Griekse mythen (die hij vertekent door Nietzscheaanse miskenning) en de oude Joodse mythen die het Christendom gebruikt heeft (die hij eveneens vertekent door dezelfde Nietzscheaanse miskenning).

Het ankerpunt van het zelfoffer in oude mythologieën was een streven naar ontologische stabiliteit door een cultuur te ontwikkelen van stabiele ‘meerzijnen’, een culturele ‘pecking order’ als hiërarchische structurering, van graden in de Shakespeareaanse betekenis (vanuit de Renaissance van de oudheid in Europa) van het woord. In het religieuze staat de goddelijke waanzin en noodlottigheid altijd als zelfoffer en zelfvernietiging centraal. In de oude mythologie is er evenwel een, zij het illusoir streven, om vanuit het zelfoffer en de zelfvernietiging tot een meerzijnsstabiliteit te komen, individueel en collectief. De microkosmos viel er samen met de macrokosmos (vandaar de problemen in het Christendom vanaf Copernicus en later Darwin). Nietzsche blijft gevangen in noodlot en waanzin als motor van gewelddadige, agressieve onstabiliteit.

Hij verbindt het zelf, het zelfbewustzijn met een vernietigingsmoment omwille van een altijddurende (religieus eeuwige) onstabiliteit. Het zelfoffer bij Nietzsche is er niet meer in functie van een stabiel meerzijn (waarvan hij terecht stelt dat het in werkelijkheid niet bestaat en eveneens een gestructureerd geweldgehalte had), maar in functie van een organisch worden, waarbij het zelfoffer zelf de structuur wordt van de gewelddadige aanvalstotaliteit. De wereld wordt steeds groter, voller door het aanvallend, gewelddadig streven naar een meerworden in de horizon van een wereld van onvoorstelbaar meerworden dat nooit bereikt dan worden, omdat het zich steeds verschuift ten aanzien van de waarnemer door de afstand te vergroten (de distantie bij Nietzsche).

De achilleshiel van Nietzsche – de opening in de muur van Nietzsche – houdt in dat hij niet heeft opgemerkt (wat hem stoorde) dat zowel in de oude Griekse mythologie als in de oude Joodse mythologie (zij het op een andere wijze) de dynamiek anders kan zijn dan wat zijn mythisch denken fundeert. Hij interpreteert met andere woorden deze mythologie vanuit zijn mythisch denken. Door het tot het uiterste, extreem uitbuiten van het mythisch zelfoffer ontdekt men in de Griekse tragedie op rationele wijze de werkwijze van het religieus zelfoffer als zelfvernietiging. Het rationeel element in deze mythische literatuur (want het blijft mythisch) is geen meerzijnshorizon ten aanzien van een sacrificiëel meerworden. Deze mythen doen ons een rationele mogelijkheid ontdekken, dat zich onttrekt uit de mythische totaliteit (zonder deze te vernietigen) van het irrationeel (waanzin en noodlot) gebeuren. Nietzsche beweerde dat hij de grootste denker aller tijden was (een goed gedacht van zichzelf is alles), hij leed aan de meest verschrikkelijke pandemie die ons allen treft, de dikke nek pandemie…en het bleef maar zwellen…een ongeneselijke ziekte). Hij had wel een intuïtief aanvoelen ten aanzien van bepaalde Griekse en Joodse mythen, omwille van het feit dat er daar iets niet juist zat ten aanzien van zijn eigen denken. In deze mythen kunnen we een andere dimensie ontdekken dan het meerzijnshorizon ten aanzien van een sacrificiëel meerworden als illusoire stabiliteit. Zoals de oude Griekse mythen ons mythologisch iets leren over rationaliteit (de menselijke rede), leren ons de oude Joodse mythen ons mythologisch iets over de historiciteit (de menselijke geschiedenis). Beiden door middel van een element dat zich op een totaal andere wijze uit de totaliteit terugtrekt, zich verkleint, zich ‘ontvolt’ (leeg maakt ten aanzien van te volle gecontracteerde massa). Het is een betekenisvol verlies ten aanzien van de overwinnende totaliteit door zich te ‘ontvollen’ (leeg maak dynamiek) ten aanzien van het overvolle, zonder de mythische structuur te vernietigen.

Dit leeg maken (in al zijn betekenissen ten aanzien van de totale massa die steeds zwelt), is een voorafgaande voorwaarde tot herstel van informatieoverdracht. Wij moeten met andere woorden zoeken om het Nietzscheaans slot te openen, om de gecontracteerde te volle massa te ontnemen van de entropie die de informatieoverdracht belet.

Deze tekst wil onderzoeken of we van deze ‘mechaniek’ daar mythisch sporen van vinden in de handwassing van Pilatus, in Mattheus 27:24-25 ?

Het uitgangspunt is dat men dit enkel kan ontdekken vanuit een positivistische (een zich energetische terugtrekkende beweging) objectiverende benadering.

Het ‘organisch worden’ bij Nietzsche situeert zich in een horizon van een extreme expansieve meerwordendynamiek. Het raakpunt is de overgang van het autonoom illusoir ‘ding aan zich’ naar een illusoire wordingsenergie. Maar daar stopt het ook. De energie van het organisch worden bij Nietzsche is er enkel in functie van het zich steeds meer afstandelijk worden van het meerzijnshorizon, waardoor de religieuze sacrificiële zelfvernietigende wordingsdrang steeds extremer wordt. De kritiek van Nietzsche van het ‘noumenon’ (het ding aan zich), waarbij hij een zondebokachtige spot drijft met een reeks oudere filosofen (omdat hij de grootste aller tijden is) houdt niet alleen een perspectief in, maar eveneens de vernietigende onmogelijkheid van ieder onderzoek naar wat fenomenen zijn als fenomenen (analytisch) en structuren als structuren (synthetisch).

Fenomenen zijn geen ‘ding aan zich’, maar energetische ontdekkingsstructuren.

Het Nietzscheaans religieus vernietigingsmoment situeert zich in een sacrificiële overgang – de zelfoverwinning -, waarbij het zelf zich dient te vernietigen, op te offeren in functie van het organisch worden. Dit ‘organisch worden’ is een bestendige instabiliteit van een mythische wil tot macht dat zich situeert ten aanzien van een illusoire mythisch meerzijnsdroom. In dit verband is het denken van Nietzsche een onophoudelijke aanval op de stabiliteitselementen van wat hij ‘hogere culturen’ noemt. Ook hier geldt zijn mechaniek van zelfoverwinning. Omwille van het feit dat Nietzsche steeds de waarden omkeert (en ons daardoor bestendig op het verkeerde been zet), is het moeilijk een vast punt te ontdekken in zijn denken, dat voor kritiek vatbaar is. De voormelde religieuze beweging bij Nietzsche geldt het vernietigingsmoment als een altijddurend genotsmoment. Het is een soort oneindig (negatief) zelfdestructief genot. De beproeving van Zarathoestra (zoals Nietzsche hem ten tonele voert) is onlosmakelijk verbonden met de relatie tussen het zelfvernietingsmoment en het genot ervan. Het zelfvernietingsmoment is bij de auteur het eindeloos genot van de instabiliteit.

“Zarathoestra gedraagt zich als een onverschrokken hemelbestormer. Met zijn bijtende spot op de ‘achterwereldlingen’ droeg ook hij – bij manier van spreken – zijn steentje bij tot het verbrijzelen van de goden (bij Nietzsche verwijst dit naar kritiek van het noumenale, van het verband tussen ‘goden’ en ‘zijn’, terwijl hij juist de wil tot wordingsmacht promoot, eigen toevoeging). Maar volgens de dwerg (de ondraaglijke stem van de zijnsverkleining, eigen toevoeging) liep die steniging op een zelfsteniging uit : o Zarathoestra, ver wierp u de steen – maar hij zal op u zal hij terugvallen ! Het projectiel gedraagt zich als een boemerang. Het velt niet zozeer de goden als wel de werper, de slingeraar. Met het wegvallen van de goden valt van weeromstuit tevens datgene weg wat tot dan toe bestendigheid, oriëntatie en betekenis voor de mens heeft gegeven. Sindsdien doolt hij doelloos in de wereld rond. Het doden van God leidt tot de ontbinding van het ik, tot wat een aantal Franse denkers uit de tweede helft van de twintigste eeuw de ‘dood aan de mens’ hebben genoemd. Voor een dergelijk gevaar waarschuwt dus de geest der zwaarte. De beproeving die Zarathoestra moet ondergaan, lijkt op de straf van Atlas, een van de titanen en tegelijk de broer van, Prometheus en Epimetheus. In een mythische oertijd voerden de titanen een haast eindeloos zich voortslepende strijd met Zeus en andere Olympiërs om de heerschappij van de wereld. Ook Atlas kreeg daar zijn doodstraf toebedeeld: tot in der eeuwigheid moet hij de kosmos op zijn rug torsen. In een eveneens door Nietzsche aangehaald gedicht van Heinrich Heine slaakt hij een zucht:

’Ik ongelukkige Atlas! Een wereld, / De gans de wereld van smarten moet ik dragen. Ook Zarathoestra met het ‘zwaarste noodlot’ (als – nieuwe – incarnatie van de noodlot god, eigen toevoeging) op zijn schouders dragen: het lot van heel de mensheid. Zijn gevecht met de geest der zwaarte staat dus symbool voor een nieuwe titanenstrijd met als inzet welke levensvisie over de wereld zal heersen : een bevestigende of ontkennende. Maar ditmaal zal de titaan Zarathoestra zegevierend uit de strijd tevoorschijn treden.” (Oger, 331). “Zarathoestra overwint de pijn, niet door pijnstillers te nemen, als wel door de pijn onverschrokken onder ogen te zien.

DOOR EEN SOORT VAN ALCHEMISTISCHE TRANSFORMATIE KAN MEN DE PRIKKEL DIE MEN GEMEENSCHAPPELIJK ALS PIJN ERVAART, EVENEENS ALS LUST ERVAREN, WAT OVERIGENS GEMAKKELIJKER GEZEGD DAN GEDAAN IS. Geen kleinzerigheid of kittelorigheid, als wel een (Spartaanse) hardheid voor zichzelf. Spontaan willen we de pijn weg en de lust terug. Maar Zarathoestra bepleit een andere houding :’Pijn is ook een lust…Zei u ooit ja tegen een lust? O vrienden, dan zei u ook ja tegen alle pijn. Alle dingen zijn verbonden, verstrengeld, verliefd. ‘Lust en pijn vormen geen wezenlijke tegenstelling: ‘U wilt zo mogelijk – en een krankzinniger “zo mogelijk” is er niet – het lijden afschaffen; en wij ? het lijkt of wel of wij het liever nog heviger en erger willen hebben dan ooit tevoren. De moed overwint de duizeling…. Zarathoestra evenwel bepleit een leven waarbij men zonder duizeling in de afgrond kijkt. De moed overwint het medelijden.”” (Oger, 335-336, ik benadruk).

 

In de oude mythologie was de gewelddadige mythische strijd een middel om uit de wanorde (waaronder de onstabiliteit) orde (een mythische sacrale orde) te doen ontstaan. De overwinnaar uit die strijd om ordening was onschuldig. De verliezer schuldig. Wat doet Nietzsche nu ? Nietzsche vertrekt vanuit het oudst bewaard gebleven fragment van de Griekse wijsheer Anaximander :

 

”’Vandaar de bestaande dingen hun ontstaan hebben, daarin vinden ze ook hun ondergang volgens het lot; want zij geven elkaar de gerechte straf (dike) en herstellen hun onrecht (adikia) volgens de orde van de tijd.’ Elk gebeuren is schuldig, en de dood is niets anders dan de ‘gerechte straf” (Oger, 288). Anaximander verwoordt het klassiek religieus uitgangspunt. De verliezer wordt als sacrale, mythische veroorzaker van wanorde (het gebeuren zelf van de dood als noodlot) schuldig bevonden. Nietzsche noemt dit : ‘de geest van wraak tegen de tijd’. Nietzsche plaatst hiertegenover de geest van de onschuld van het worden.” (Oger, 288).

 

De onschuld van de geest van het overwinnend destructief organisch worden (onze tijd !).

In tegenstelling tot het oude mythische uitgangspunt wordt, omwille van de lust, het zelfoffer, het zichzelf vernietigen in functie van dat (organisch) worden, als een zelfoverwinning beschouwd. De nadruk ligt niet op een mythische orde die uit een mythische wanorde (de chaotische strijd van de titanen, de vernietiging in functie van de orde) ontstaat, – zij het als illusoire stabiliteit -, maar op het moment van de altijddurende herhaling (de eeuwige terugkeer) van de zelfvernietiging dat in de werkelijkheid de weg opent voor de tragische wreedheid als individueel en nog meer collectief meerzijn. Nietzsche gebruikt de oudheid enkel in het kader van zijn tragisch model. Het gaat bij Nietzsche niet om het streven naar harmonie en stabiliteit dat in oude beschavingen eveneens aanwezig was. De oudheid was (niet uitsluitend) maar ook (wat Nietzsche totaal miskent) de ontdekking van de rede, de passie voor de vrijheid, het gracieuze van het Parthenon, de Romeinse orde als zoektocht naar harmonie en stabiliteit. Ja, ja, er was ook de wreedheid, die in alle beschavingen aanwezig is. Maar dat is niet heel de Griekse en Romeinse beschaving. Bij Nietzsche geldt enkel de negatieve zijde, die hij situeert in zijn tragisch kader.

In die zin is Nietzsche niet tegen de Christelijke religie (de verrukking van het kruis), en evenmin tegen het medelijden voor zover men dit in zijn eigen tragisch kader plaatst.

 

 “Men moet leren denken over de wreedheden en de ogen opendoen…Haast alles wat we “hogere culturen” noemen berust op vergeestelijking en verdieping van de wreedheid – dit is mijn these; het “wilde dier” is allesbehalve dood, het leeft, het gedijt, het heeft zich alleen – vergoddelijkt. Wat van de tragedie de smartelijke wellust uitmaakt, is wreedheid; wat in het zogenaamde tragisch medelijden, in wezen zelfs in al het verhevene, tot en met de hoogste en zoetste huiveringen van de metafysica, aangenaam aandoet (ook alles wat tot stabiliteit neigt, eigen toevoeging), ontleent zijn heerlijkheid alleen aan het ermee vermengde ingrediënt van wreedheid. Waaraan de Romeinen in de arena, de Christen bij de verrukking van het kruis, de Spanjaard bij de brandstapels en stierengevechten, de hedendaagse Japanner die staat te dringen om de tragedie te zien, de arbeider in de Parijse voorstad die nostalgisch naar bloedige revoluties hunkert, de Wagneriaanse die Tristan en Isolde ostentatief “over zich heen laat komen” – waarvan zij allen genieten, wat zij met een mysterieuze gloed trachten in te drinken, zijn de kruidendranken van de grote Circe “wreedheid”. Maar tegelijk kent de mens ‘een rijk, overrijk genot in het eigen lijden, in het toebrengen van leed aan zichzelf – en overal waar de mens zich laat overreden tot zelfverloochening in godsdienstige zin, tot zelfverminking als bij de Feniciërs en asceten, of in het algemeen tot onzinnelijking, ontvlezing, schuldbesef, tot puriteinse wroeginskampen, vivisectie, van het geweten en een pascaliaanse sacrificio dell’inellecto, daar wordt hij in het geheim door zijn wreedheid, door de gevaarlijke huiver van de tegen zichzelf gekeerde wreedheid aangelokt en voortgedreven.” (Oger 398, 399)

Ook iedere wil tot kennis bevat al een druppel wreedheid (Oger 399).

Nietzsche ontdekt de essentie van de structuur van religieuze mythische zuilen. Het mythisch religieus zelfoffer en het opofferen van de ander in functie van het zelfoffer in functie van een illusoir mythisch meerzijn. In de mythes is deze dimensie ongetwijfeld aanwezig, doch in functie van een illusoir meerzijn als stabiliteit, en niet omwille van een Nietzscheaanse tragische gewelddadige meerworden, een instabiliteit van de wreedheid als motor van de geschiedenis. De Nietzscheaanse universele instabiliteit mondt uit in de eeuwige terugkeer van steeds hetzelfde (zijn meer ‘worden’ verlangen is asumpmatisch, het nadert een totale indifferentiatie), de wreedheid ten aanzien van het eigen zelf als zelfbewustzijn, door bemiddeling van de ander in functie daarvan. Nietzsche ontdekt het entropische moment van iedere religie. Het is het uiterst anomische religieus moment waarop het meerzijn als meerzijn zich telkens weer distantieert (onbereikbaar wordt, omdat het een illusie is), en een onbereikbaar meerworden een ongekend individueel en collectief geweld aanwakkert.

DE OORZAAK VAN GEWELD EN AANVALSOORLOGEN

Het onderzoek naar wat zich in oude mythen uit de mythisch totaliteit onttrekt houdt verband met de ontdekking van de oorzaak ven het menselijk geweld en de aanvalsoorlogen.

Het belang van dit onderzoek is des te groter sedert de ontdekking die de wetenschappelijke stellingen van Bekenstein – Hawking hebben bevestigd.

Jacob Bekenstein (geformuleerde hypothese: 1972 – 1973) stelde dat zwarte gaten een entropie moeten hebben die evenredig is met hun horizonoppervlak.

Stephen Hawking (geformuleerde hypothese: 1974 – 1975) werkte dit verder uit in zijn berekeningen van Hawkingstraling, en vond precies de constante factor in de formule. Deze ontdekkingen hebben niet alleen een belangrijke betekenis voor de fysica. Zij hebben ook een belangrijk gevolg voor de filosofie. In dit verband verwijs ik naar Niels Bohr. Niels Bohr (1885–1962) was niet alleen een fysicus, maar ook een denker die filosofisch nadacht over de betekenis van natuurkundige theorieën.

Hij stond bekend om zijn conceptuele en vaak abstract-filosofische manier van redeneren, waarbij intuïties en interpretaties vaak voorafgingen aan de strikte wiskundige uitwerkingen.

Vooral in de ontwikkeling van de kwantummechanica speelde dit een rol.

Bohr formuleerde ideeën in termen van complementariteit en onbepaaldheid nog vóór die begrippen volledig mathematisch werden vastgelegd.

Mijn stelling houdt in dat we (dankzij Bekenstein en Hawking) op filosofische wijze het raakpunt in het heelal kunnen aanwijzen tussen de algemene relativiteitstheorie (Einstein) en de kwantumfysica (Bekenstein – Hawking), wat verregaande gevolgen heeft voor de filosofie en de interpretatie van oude mythen.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd, met : ‘De hypothese van de kwantumkorrels als stabiliteitsregulatoren en kern van een discrete ruimte/tijd structuur’)

NIEUWE TEKST 
 
MYTHISCHE ZUILEN EN OORLOGSPROPAGANDA
PRESIDENT VLADIMIR POETIN EN HAMAS
WINST OF VERLIES ?
 
In Europa heeft men de gewoonte om alles negatief te bekijken, vooral onszelf. Het positieve in Europa is onze mogelijkheid om als geen ander continent afstand te nemen van mythische zuilen en oorlogspropaganda. Het is ons sterkste wapen.
 
PRESIDENT VLADIMIR POETIN
 
De oorlog in Oekraïne kan nog jaren duren. Toch komt er een breekpunt. Een zich in de tijd herhalende aanvalsoorlog moet worden gedragen door een mythische zuil, die gevoed wordt door oorlogspropaganda. Vanuit Europa kan men stellen dat president Vladimir Poetin zich daarin totaal misrekend heeft. Zijn oorlog (die niet de oorlog is van het Russische volk) wordt niet meer gedragen door een mythische zuil. Zijn Russisch-Orthodoxe jihad tegen het Westen en Europa is mythisch een ongekende flop geworden. Zijn mythische zuil is in het niets vervallen. Deze zuil werkt niet in Rusland, en nog minder in Europa. Zelfs de linkse partijen in België (Vooruit en Cd&v in Vlaanderen) verdedigen president Poetin niet. Ze laten hem als een steen vallen. De oorlog kan enkel verder gevoerd worden door het ronselen van soldaten in de armste delen van Rusland. In een poging uit de armoede te geraken laten de ouders hun kinderen zich opofferen aan het front. President Poetin had het over : “het mooiste in het leven is het geven van zijn leven voor zijn vrienden” (Christelijke mythologie, vanuit een onjuiste literaire interpretatie van de teksten). Dank u mijnheer de president !
Deze soldaten worden amper opgeleid (het niet ernstig opleiden van soldaten, is ze de dood injagen, oorlog voeren is een kunst, ook voor de soldaten) naar het front gestuurd (letterlijk als lammeren naar de slachtbank), waar ze als vliegen afgeslacht worden. Een teken aan de wand is het sturen van soldaten uit een van de armste landen van de wereld (wat het volk betreft, niet voor de heersers), Noord-Korea. Eerst werd dit ontkent. Maar nu de heerser van Noord-Korea, die ook Brusselse tranen heeft, met veel bombast de foto’s van zijn ontelbare overleden soldaten decoreert, is er geen twijfel meer. Het is de eerste maal dat ik een president foto’s zie decoreren. De vooruitgang staat niet stil! Het feit dat president Poetin tienduizenden Noord-Koreanen als slaven (de Russische president is ook een slavenmenner) in zijn oorlogsindustrie moet inzetten, wijst op de totale onbekwaamheid van deze president.
Vanuit een analyse van Poetins mythische zuil zijn er tekenen aan de wand dat de voeten van Poetin stilaan meer leem bevatten dan ijzer. Hij zal op een bepaald ogenblik moeten beroep doen op de kinderen van de betere stand, de meer bevoorrechte middens in Rusland. Onbezonnen aanvalsoorlog, enkel omwille van de persoonlijke macht leiden tot diplomatieke isolatie (men heeft uiteindelijk geen bondgenoten meer, en enkel nog vijanden, dit overkwam Napoleon en Hitler; meerzijnsmacht verblindt) en het uitputten van de jonge generatie, die men opoffert omwille van de eigen macht. In die zin is president Poetin een onbekwame politicus, maar nog meer een zeer onbekwame militair. De sterkte van Europa in de wereld is dit als eerste te kunnen inzien. Europa heeft ingezien dat president Poetin uit onbekwaamheid er niet is in geslaagd zijn aanvalsgeweld als een ‘goed mythisch geweld’ te laten overkomen. In Europa beseft men dat het geweld van president Poetin niets anders dan geweld is, enkel geweld is zonder meer. Vanuit militair perspectief heeft president Poetin volledig gefaald. (1)
Nu dit door Europa wordt ingezien, zal de rest van de wereld volgen. De ogen van de onbekwaamheid van deze president zullen stilaan opengaan. Een onbekwame president als bondgenoot, leidt ook de bondgenoten naar de afgrond.
 
HAMAS
 
Hamas is een ander verhaal. Honderden mensen werken in de propaganda-afdelingen (te vergelijken met de bekende Propaganda-abteilung) van Hamas. Op het eerste gezicht hebben ze de mythische oorlog gewonnen. Ook in Europa. Men moet toegeven dat de mythische zuil, gevoed door de oorlogspropaganda van Hamas ijzersterk is. Toch zijn er ook stilaan lemen barsten in de voeten van Hamas. Opnieuw is het in Europa dat men dat als eerste kan waarnemen. Zoals president Poetin gepoogd heeft (maar het is mislukt) zijn mythische zuil te spijzen met de mythologie van de Russische-Orthodoxe kerk, zo spijst Hamas zijn mythische zuil met een totale vermenging van twee religies : de islam en het communisme. Op het eerste gezicht werkt dit in Europa op twee niveaus. Mensen met de Israëlische nationaliteit worden omwille van het mythisch verliesteken (de mythische verliezer is enkel omwille van het verlies altijd schuldig) in Europa uitgesloten.
Dit geldt vooral in Frankrijk en Vlaanderen. Een dirigent dient eerst een ‘statement’ te doen om in Vlaanderen te mogen dirigeren. (2) Hij dient in de goede oude Stalinistische traditie eerst over te gaan tot een schuldbekentenis als verliezer. Dit geeft toch een extreem genot aan de overwinnaar. Overwinningsroes is het grootste genot op aarde.
Hamas is door en door Stalinistisch. Dit is de doorslaggevende religie van Hamas, veel meer dan de islam. In een land als Frankrijk, waar meer dan dertig jaar na de dood van Stalin velen het stalinisme bleven aanbidden als onweerlegbare historische dogma’s, werkt de mythische zuil van Hamas het best. Ofschoon op dit ogenblik minder zichtbaar, is er ook hier een keerpunt. Een overdreven overwinningsroes maakt de zwakke punten van de overwinnaar zichtbaar. Het gaat hoofdzakelijk om de communistische religie, die – wat dit betreft – door links in Vlaanderen als zoete wijn wordt gedronken. Niet alleen zijn mensen met de Israëlitische nationaliteit verliezers, maar ook al wie zich niet aan de goede kant van de geschiedenis bevindt, al wie geen moreel kompas heeft. Misschien moeten die ook in de toekomst een ‘statement’ houden om zichzelf te beschuldigen als verliezers van de geschiedenis of de moraal (om niet tot de asocialen te behoren)? Dit is communisme, niets anders dan communisme. Het is de kern van deze religie, de noodlotgod (de geschiedenis als noodlot) en de waanzingod (het in zich zijn als meerzijn, als overwinnaar, omdat men het goede geweld geïncarneerd geworden is, en daarom enkel kan vernietigen). Het is opmerkelijk dat de linkse partijen in Vlaanderen vooral de nadruk leggen op deze Stalinistische stelregel, die Hamas hanteert.
De sympathie voor Hamas in Europa heeft niets te maken met empathie of medelijden, maar alles met de religieuze mythische genotsroes om aan de kant van de mythische overwinnaar te staan. Dit geeft een ongekend collectief meerzijnsgevoel. Het gaat enkel om de dopamine in de hersenen. Het genotshormoon dat opgewekt wordt door de overwinningsroes. Er is overigens geen grotere roes dat de overwinningsroes. Daar wil iedereen aan proeven, erbij horen, vanuit zijn luie zetel in Europa.
Stilaan wordt duidelijk dat ook hier de heersers van Hamas politiek totaal onbekwaam zijn, en nog meer militair. Ze hebben er militair een boeltje van gemaakt. Dit inzien, de ogen openen vanuit Europa (het enig continent waar dit eigenlijk kan) betekent niet dat men de mythische religie van de overkant, geïncarneerd door hun religieuze heersers gaat verdedigen. Oorlog is nu eenmaal niets anders dan botsende religies. Maar de communistische religie heeft de Hamas heersers totaal verblind, ze totaal onbekwaam gemaakt. Zij dachten dat zij door het hanteren van deze mythische religie buiten schot zouden blijven in ongekende weelde en luxe, terwijl ze hun volk laten afslachten als zelfoffers voor het behoud van hun macht (het is dit laatste dat wijst op hun totale onbekwaamheid). Het punt is dat dit totaal verborgen moet blijven in Europa. De communisten in Frankrijk verroeren hemel en aarde (ook dit is religieus) om te beletten dat de mythische zuil van Hamas doorzichtig wordt. (3) Maar in Europa wordt dit doorzichtig. Dit is de sterkte van Europa. De Hamas heersers zijn zowel politiek als militair, maar ook wat het hanteren van mythische zuilen (gevoed door ongekende propaganda met ongekende middelen in geld en, manschappen) totaal onbekwaam.
(1) Had president Poetin maar een greintje wijsheid van de oude Chinese generaals, dan zou hij Oekraïne nooit hebben aangevallen. In zijn onbezonnenheid en onbekwaamheid heeft hij geen enkele analyse gemaakt van de sterkte van zijn ‘vijand’. Wat de heersers van Hamas betreft is dit nog schrijnender. Er zijn landen die men beter niet aanvalt, te meer omdat Hamas geen bondgenoten had op het ogenblik van de aanval in de Arabische wereld (het werd niet de wereldbrand, waar zij naar hunkeren, maar een gigantische misrekening van onbekwame lui). De geschiedenis van het oude Egypte leert ons dat het soms beter is met vijanden om te gaan, dat onbezonnen ten aanval te gaan. Het is tenslotte wat de laatste farao van Egypte (een wijze vrouw) nog gepoogd heeft. Maar het mislukte. Het mislukte, omdat Antonius het haalde van Marcus Aurelius (de slag bij Actium). Zelfs Antonius had respect voor die vrouw, al was het maar uit eigenbelang – omwille van tempelschatten, die hij zich wou toe-eigenen – , maar het liep slecht af. Bepaalde Romeinse schrijvers hebben haar verketterd, misschien omdat het een vrouw was, maar nog veel meer omdat zijn een schuldige verliezer was. Het is moeilijk historisch te achterhalen wat fictie en werkelijkheid is achter al die verhalen. Belangrijker is het historische waarderen van de oude Egyptische wijsheid ten aanzien van onbezonnen aanvalsoorlog. Lang (tot aan de slag bij Karkemisch) heeft Egypte slechts een klein leger moeten onderhouden, wat economische voordelen had.
(2) Men is evident ook zeer bang dat de Hamas sympathisanten de boel komen stuk slaan in het historische centrum van Gent (misschien het ‘lam Gods’, behalve een paneel dat goed verborgen blijft). Als dat gebeurt is het een Gentse ramp. In Europa mag dat immers, het is het goede mythisch geweld.
(3) Zo wil ‘LI’ (la France Insoumise) in Frankrijk met man en macht het nieuwe boek van de Syrische onderzoeker Omar Youssef Souleimane (die zich in deze zaak tegen het communisme verzet) verbieden.

NIEUWE TEKST 

EEN HYPOTHETISCHE UITBREIDING VAN HET HAWKING OPPERVLAKTE-THEOREMA

Deze tekst stelt een hypothese voor over informatiebehoud in de context van zwarte gaten. De theorie introduceert een fundamenteel kwantumelement (ϵ) dat fungeert als een informatiedrager. Dit element is, in tegenstelling tot bekende deeltjes, niet onderhevig aan het klassieke entropische ‘zelfoffer’ van dissipatie, maar streeft ernaar de grenzen van de entropische dissipatie te benaderen. De unieke kenmerken van dit element zijn (i) het asymptotionele streven naar minimale zwaartekrachtsgevoeligheid, (ii) geen klassieke reflectiviteit en (iii) een constante snelheid.

Recente waarnemingen van zwaartekrachtsgolven hebben het oppervlakte-theorema van Hawking empirisch bevestigd: de gebeurtenissenhorizon van een zwart gat kan na een fusie niet kleiner worden. Dit theorema versterkt de analogie tussen de oppervlakte van een gebeurtenissenhorizon en entropie, wat de weg effent voor de theorie dat zwarte gaten vol zitten met informatie. De hypothese stelt dat deze informatie wordt gedragen door het kwantumelement (ϵ) en dat dit in staat is de grenzen van de tweede wet van de thermodynamica te benaderen als een wiskundige assumptie.

EEN ONBEVESTIGDE HYPOTHESE OVER INFORMATIEBEHOUD IN ZWARTE GATEN

Een hypothetisch kwantumelement (ϵ) wordt in deze tekst voorgesteld als een drager van informatie. Dit element is niet onderhevig aan het entropische ‘zelfoffer’ van dissipatie en kan stabiliteit brengen in hoog-energetische of gravitationele processen. Het functioneert als een informatiedrager die het klassieke entropische lot van zwarte gaten overstijgt, door informatie te behouden of zelfs te vermeerderen.

Recente waarnemingen van zwaartekrachtsgolven hebben het oppervlakte-theorema van Hawking empirisch bevestigd: de gebeurtenishorizon van een zwart gat kan na een fusie niet kleiner worden. Daarmee wordt de analogie tussen horizonoppervlakte en entropie versterkt. Wij stellen een uitbreiding voor: de entropie van een zwart gat is een manifestatie van de fundamentele informatie die behouden blijft. Dit element zou (i) geen klassieke reflectiviteit bezitten, vergelijkbaar met neutrino’s, en (ii) een constante snelheid behouden. We herformuleren de Bekenstein–Hawking-entropieformule door een aanvullende informatieterm te introduceren en bespreken de implicaties voor het informatiebehoud in het heelal.

DE DRIE FORMULES :

Het oppervlakte-Theorema van Hawking

Lineaire formule : dA/dt >= 0

Parameters:

A: oppervlakte van de horizon (m2)

t: tijdsparameter (s)

dA/dt: verandering van de horizonoppervlakte in de tijd (m2/s)

Interpretatie: de horizonoppervlakte kan alleen toenemen of constant blijven. Dit vormt een direct analoog met de tweede wet van de thermodynamica, waarin entropie niet spontaan kan afnemen.

De Bekenstein-Hawking-entropie

Lineaire formule: S_BH = (k_B * c^3 * A) / (4 * G * hbar)

Parameters:

S_BH: entropie van het zwarte gat (J/K)

k_B: Boltzmannconstante (1.380649×10−23 J/K)

c: lichtsnelheid (2.998×108 m/s)

A: oppervlakte van de horizon (m2)

G: gravitatieconstante (6.67430×10−11 m³ kg−1 s²)

hbar: gereduceerde Planckconstante (1.055×10−34 J·s)

Interpretatie: Deze formule verbindt zwaartekracht (via G), kwantummechanica (via hbar) en thermodynamica (via S_BH en k_B). Het laat zien dat de entropie van een zwart gat afhankelijk is van zijn oppervlakte en niet van zijn volume, wat de basis vormt van het holografisch principe.

Herformulering in de context van informatie

Lenaire formule: S_totaal = (k_B * c^3 * A) / (4 * G * hbar) + alpha * I_eps

Parameters:

S_totaal: totale entropie (J/K)

alpha: koppelingsconstante

I_eps: informatieterm, gedragen door het kwantumelement epsilon (ϵ)

Eigenschappen van epsilon (ϵ):

Minimale zwaartekrachtsgevoeligheid: Het element benadert een limiet waarbij de kromming van ruimtetijd geen effect heeft op zijn dynamica.

Niet-reflexiviteit: Het element heeft geen klassieke interactie met materie of straling die zijn informatie-inhoud kan wijzigen.

Constante snelheid: Het element beweegt met een constante snelheid, onafhankelijk van lokale gravitationele invloeden.

Dimensie-analyse

Omdat de tweede term (alpha * I_eps) wordt opgeteld bij de Bekenstein-Hawking-entropie (S_BH), moet ook zij de dimensie Joule per Kelvin (J/K) hebben. Er zijn twee mogelijke interpretaties:

  • alpha is dimensieloos, en I_eps is in J/K:

I_eps is zelf een entropiegrootheid.

Interpretatie: I_eps draagt direct een hoeveelheid entropie/informatie.

  • I_eps is dimensieloos, en alpha is in J/K:

alpha fungeert als conversiefactor van “informatiebits” naar fysische entropie.

Interpretatie: I_eps vertegenwoordigt pure informatie (bijv. bits of qubits), en alpha vertaalt dit naar thermodynamische eenheden.

Beide benaderingen zijn mathematisch consistent en leiden tot hetzelfde resultaat: entropie wordt uitgebreid met een informatiedragende component.

Over de voorgestelde formule

  1. De formule poogt voort te bouwen op gevestigde theorieën.Door de Bekenstein-Hawking-formule als uitgangspunt te nemen, biedt de hypothese onmiddellijk een basis van legitimiteit en herkenbaarheid in de theoretische fysica. De formule positioneert zich niet als een totale ontkenning van de bestaande wetenschap, maar als een uitbreiding ervan.
  2. De formule introduceert een wiskundige structuur:de toevoeging van de term αIϵ​ is een poging om een nieuw concept te kwantificeren. De koppelingsconstante α is een bekend ‘symbool’ in de theoretische fysica om de relatie tussen bekende en nieuwe fenomenen uit te drukken. Het maakt de theorie in principe wiskundig testbaar, mochten de elementen in de toekomst worden waargenomen.
  3. De formule scheidt het bekende van het onbekende:de formule creëert een scheiding. De eerste term vertegenwoordigt de entropie die al empirisch is bewezen door waarnemingen van de zwaartekrachtsgolven. De tweede term introduceert het speculatieve element dat de fundamentele aard van informatiebehoud kan verklaren.

Hierbij dient evenwel te worden opgemerkt dat dit niet de enige manier is waarop men een dergelijke hypothese zou kunnen opstellen. Andere benaderingen zouden kunnen zijn om de hypothese te formuleren als een modificatie van de ruimtetijd zelf, of als een nieuwe fundamentele wet van informatiebehoud.

Implicaties

Informatieparadox: Het bestaan van Iϵ​ impliceert dat informatie bij Hawkingstraling niet verloren gaat, maar wordt herverdeeld, wat een oplossing zou kunnen bieden voor de informatieparadox.

Kosmologie en warmtedood: De klassieke visie van een ultieme entropische eindtoestand moet mogelijk worden herzien. Het bestaan van een element dat informatie kan behouden, stelt dat de informatie in het heelal niet aan het ultieme lot van de warmtedood onderhevig is. (zie hierna)

Kwantumzwaartekracht: Dit voorstel sluit aan bij de holografische en informatietheoretische benaderingen, waarin informatie primairer is dan ruimtetijd zelf, wat een brug kan slaan tussen de relativiteitstheorie en de kwantumfysica.

De herformulering van de grenzen van de tweede thermodynamische wet

Het oppervlakte-theorema van Hawking stelt zoals voormeld dat de oppervlakte (A) van een gebeurtenissenhorizon nooit kan afnemen. Dit is direct analoog aan de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat de entropie in een geïsoleerd systeem nooit afneemt.

De voorgestelde hypothese stelt een herformulering voor. In plaats van entropie als een primair concept te zien, is entropie (Stotaal​) een gevolg van de totale informatie (I) van het systeem, die bestaat uit de informatie van de horizon (IA​) en de informatie die wordt gedragen door het kwantumelement (Iϵ​). Dit element zou zoals voormeld een brug kunnen slaan tussen de relativiteitstheorie en de kwantumfysica, waar het holografisch principe een interessant inzicht wordt.

Deze hypothese, door het element ϵ te introduceren, overtreedt deze regel niet. In plaats daarvan suggereert ze dat de regel, zoals we die kennen, mogelijk niet het volledige plaatje is. De hypothese stelt twee belangrijke punten voor die samenwerken:

  1. De asymptoot: het element ϵ overtreedt de wet van de entropie niet. Het nadert asymptotisch de grens van nul entropische dissipatie, een wiskundige limiet die het nooit echt bereikt. Dit is vergelijkbaar met hoe de zwaartekracht van neutrino’s nul nadert, maar nooit bereikt. Dit betekent dat het element geen verboden toestand van afnemende entropie creëert; het opereert aan de uiterste rand van wat de wet toestaat.
  2. De tegenkracht: door constante of toenemende informatie te dragen, fungeert het element ϵ als een tegenkracht voor de universele toename van de entropie. Het is een mechanisme dat het systeem stabiliseert. In deze visie is het universum niet alleen een plek waar alles onvermijdelijk in wanorde vervalt. Het is een dynamisch systeem waarin de kracht van toenemende entropie in evenwicht wordt gehouden door een fundamenteel element dat orde (informatie) behoudt en zelfs creëert.

De hypothese breekt dus niet met de tweede wet; ze bevestigt het bestaan ervan maar voegt een nieuwe, cruciale laag van complexiteit toe. Ze suggereert dat, hoewel entropie altijd zal neigen tot toenemen, haar absolute karakter wordt uitgedaagd door een fundamenteel, stabiel element. Het is een diepgaande herinterpretatie van een fundamentele wet, niet een eenvoudige schending ervan.

Het probleem van de warmtedood

Het standaardmodel van de kosmologie, gebaseerd op de tweede wet van de thermodynamica, voorspelt dat de entropie van het universum onophoudelijk toeneemt.

De tweede wet van de thermodynamica wordt doorgaans opgevat als een universeel principe: de totale entropie van een geïsoleerd systeem (zoals het universum) kan alleen toenemen of gelijk blijven, ze kan nooit afnemen. Dit is wat leidt tot het concept van de ‘warmtedood’, waarbij alle energie gelijkmatig wordt verspreid en er geen bruikbare energie meer overblijft om processen aan te drijven. De wet lijkt een absolute en onbuigzame regel van de kosmos te zijn.

Dit proces leidt tot een staat van maximale wanorde. De temperatuur zou in de loop van de tijd afkoelen tot bijna het absolute nulpunt, wat resulteert in een koud, statisch en levensloos universum, bekend als de warmtedood. In deze visie neemt de entropie toe tot een oneindig punt in de toekomst.

De hypothese over het kwantumelement (ϵ) biedt een alternatief voor dit scenario. De paradox ligt in het feit dat, terwijl de entropie toeneemt in alle bekende systemen, het element een constante informatie draagt die niet onderhevig is aan entropische dissipatie. Dit betekent dat het element een fundamentele en onveranderlijke informatiedrager is.

De kern van deze hypothese is dat het asymptotisch streven van dit element naar minimale zwaartekrachtsgevoeligheid direct correspondeert met het benaderen van de grens van de tweede wet van de thermodynamica. Dit stelt voor dat het element, als het ware, de entropische kracht tegenwerkt. In dit model zou de toename van entropie in het universum niet oneindig zijn, maar eerder begrensd. De aanwezige informatie in de elementen (ϵ) zou als een bodem fungeren, waardoor de totale entropie nooit een absolute maximale waarde zou bereiken. De entropie kan toenemen, maar de aanwezigheid van dit element zorgt ervoor dat er een punt van stabiliteit wordt bereikt, een evenwicht tussen toenemende wanorde en het behoud van fundamentele informatie. Dit zou het universum de kans geven om te ontsnappen aan de totale warmtedood, hoewel de gevolgen voor het heelal fundamenteel anders zouden zijn dan nu wordt gedacht.

EN DE NEUROLOGIE ?

De hypothese biedt een conceptueel raamwerk dat kan worden uitgebreid naar de menswetenschappen. In de menswetenschappen wordt entropie vergeleken met anomie, psychologische en sociale desintegratie die leidt tot chaos, geweld en oorlog.

Het hypothetische element (ϵ), dat informatie kan behouden, kan in de menswetenschappen aanzien worden als het menselijk bewustzijn. Dit bewustzijn is een kern van stabiliteit die onopofferbaar, en onvernietigbaar is. De situering in de menswetenschappen suggereert dat het menselijk bewustzijn, net zoals het kwantumelement streeft naar minimale zwaartekrachtsgevoeligheid, in staat is de chaos van de externe wereld te weerstaan. Het fungeert als een ankerpunt voor de menselijke psyche, waardoor een unieke en constante stabiliteit kan bestaan. Dit geldt eveneens voor de societas.

De neurowetenschappen bestuderen de neurobiologische processen die het ‘zelf’ creëren. Theorieën over de constructie van het zelf tonen aan dat, ondanks de dynamische en chaotische aard van neurale activiteit, de hersenen een stabiele structuur creëren voor het bewustzijn. Het behoud van informatie (zelfbewustzijn) en de vermeerdering van informatie (eveneens zelfbewustzijn) tonen aan dat, ondanks de krachten van wanorde (bijvoorbeeld het verouderingsproces, het maatschappelijk geweld en oorlogen), er een inherente capaciteit is voor veerkracht en evolutie in het menselijke bewustzijn.

Het menselijk ‘zelf’ is de meest universele en meest individuele zich terugtrekkende energie ten aanzien van het meerzijn (dit betekent dat het element ‘zelf’ geen verboden toestand van afnemende zijn creëert, nihilisme); het is een tegenkracht, en opereert aan de uiterste rand van wat een zijnsvermindering kan inhouden.

Het bewustzijn fungeert (zoals het element ϵ) als een tegenkracht voor de toename van het entropisch meerzijn, dat oorzaak is van chaos, geweld en oorlog. Het is een energetisch mechanisme dat de psyche en societas stabiliseert. In dit concept is de psyche en societas niet alleen een plek waar alles onvermijdelijk in wanorde en chaos vervalt. Het is een dynamisch systeem, een energetische tegenkracht, van waaruit de zijnsenergie van toenemende entropie van de drang naar meerzijn, de meerzijnszucht in evenwicht wordt gehouden door een fundamenteel element dat stabiliteit  behoudt en zelfs creëert. Het meest kenmerkende eigenschap van de relatie zelf – zelfbewustzijn als energetische tegenkracht – is de onopofferbaarheid en onvernietigbaarheid ervan (zolang de mens leeft, zolang er hersenactiviteit is).

Philippe De Keukelaere

BIBLIOGRAFIE

  1. NATUURKUNDIGE BIBLIOGRAFIE

Bekenstein, J. D. (1973). Black holes and entropy. Physical Review D, 7(8), 2333.

Hawking, S. W. (1971). Gravitational radiation from colliding black holes. Physical Review Letters, 26(21), 1344.

Hawking, S. W. (1975). Particle creation by black holes. Communications in Mathematical Physics, 43(3), 199.

Isi, M., Farr, W. M., Giesler, M., Scheel, M. A., & Teukolsky, S. A. (2020). Testing the black-hole area law with GW150914. Physical Review Letters, 125(14), 141102.

Majumdar, P. (2023). A possible quantum gravity hint in binary black hole merger events. Foundations of Physics.

’t Hooft, G. (1993). Dimensional reduction in quantum gravity. arXiv:gr-qc/9310026.

Maldacena, J. (1998). The large-N limit of superconformal field theories and supergravity. Advances in Theoretical and Mathematical Physics, 2(2), 231.

Verlinde, E. (2011). On the origin of gravity and the laws of Newton. Journal of High Energy Physics, 2011(4), 29. D

Het is een baanbrekend werk over Entropische Zwaartekracht, dat stelt dat zwaartekracht geen fundamentele kracht is, maar een emergent fenomeen dat voortkomt uit de informatie in het universum. Dit sluit aan bij de dualiteit van entropie en zwaartekracht in de voorgestelde hypothese.

Polchinski, J. (1998). String theory (Vol. 1 & 2). 

Een standaardwerk over de Stringtheorie, een voorloper voor een theorie van kwantumzwaartekracht. Het onderzoekt de fundamentele bouwstenen van de realiteit en de mogelijke eigenschappen van deeltjes die niet te verenigen zijn met het Standaardmodel.

O’Connell, R. F. (2000). The neutrino in astrophysics and cosmology. 

Dit werk biedt een overzicht van de eigenschappen van neutrino’s, waaronder hun massa en interacties, wat relevant is voor de vergelijking van de zwaartekrachtsgevoeligheid in de voorgestelde hypothese.

  1. NEUROLOGISCHE BIBLIOGRAFIE

Damasio, A. R. (1994). Descartes’ Error: Emotion, Reason, and the Human Brain.**

Naccache, L. (2009). The Lost Patient: A Memoir of a Brain Surgeon’s Search for the Soul.**

Solms, M. (2021). The Hidden Spring: A Journey to the Source of Consciousness.**

Bartolomeo, P. (2018). The Left Hemisphere: A Neurobiological Introduction to the Brain’s Left Side.**

Koch, Christof (2012). Consciousness: Confessions of a Romantic Reductionist.**

Tononi, Giulio (2012). PHI: A Voyage from the Brain to the Soul.**

Edelman, Gerald M. (1992). Brilliant Air, Brilliant Fire: On the Matter of the Mind.**

LeDoux, Joseph (2015). Anxious: The Psychology of Fear, the Biology of Stress, and the Science of Hope.**

Crick, F., & Koch, C. (1990). Towards a neurobiological theory of consciousness. Seminars in the Neurosciences, 2(4), 263-275. 

Dit is een klassieke tekst die een van de eerste pogingen is om het bewustzijn te verklaren door middel van specifieke neurale correlaten. Dit is een belangrijke stap in de zoektocht naar een stabiele neurobiologische basis van bewustzijn.

Dehaene, S. (2014). Consciousness and the brain: Deciphering how the brain codes our thoughts. 

Dehaene’s werk richt zich op de neurale verbindingen van bewustzijn en de mechanismen in de hersenen die een stabiele, bewuste ervaring creëren, in tegenstelling tot onbewuste processen.

Gazzaniga, M. S. (2011). Who’s in charge?: Free will and the science of the brain. 

Gazzaniga, heeft als eerte in de cognitieve neurowetenschappen, de rol onderzocht van de linkerhersenhelft in het creëren van een coherent, geïntegreerd gevoel van zelf, wat de analogie van een stabiel anker in de psyche ondersteunt.

Panksepp, J. (1998). Affective neuroscience: The foundations of human and animal emotions. 

Panksepp’s werk over affectieve neurowetenschappen onderzoekt de   evolutionaire processen die de basis vormen voor emoties en het gevoel van een innerlijke, subjectieve kern, wat een fundamenteel element van het zelf is. Het beantwoorde evenwel niet aan het voorgestelde uitgangspunt.

NIEUWE TEKST
 
PILATUS’ HANDWASSING (MATTHEUS 27:24-25)
HET HERLEZEN VAN EEN OUDE MYTHISCHE TEKST, VANUIT EEN OBJECTIEVE POSITIVISTISCHE BENADERING
EEN WEG NAAR VREDE
 
We benaderen deze tekst als een mythe, en pogen deze te ontleden vanuit een positivistische objectiviteit. Het houdt verband met het feit dat het benaderen van dergelijke mythische teksten zonder interpretatie, of met een onjuist interpretatie aanleiding geeft tot geweld. Dit geldt overigens voor alle mythische teksten. Het is de reden, waarom mythische zuilen zo noodzakelijk zijn bij aanvalsoorlogen. Voormelde tekst van de evangelist Mattheüs en nog meer de volgende zin (beiden dienen eigenlijk in samenhang te worden gelezen), hebben in de Europese geschiedenis geleid tot de meest extreme vormen van geweld. (a) Vooraleer tot een analyse van de tekst over te gaan, pogen we in een eerste deel een hypothetische reconstructie te schetsen met betrekking tot de feiten, zoals ze per hypothese zich zouden kunnen hebben voorgedaan.
Het is immers belangrijk te stellen dat die teksten geconstrueerde mythen zijn, die mogelijks op mythische wijze verwijzen naar historische feiten, maar mogelijks ook niet. Wat het ook van zijn, behouden deze teksten interessante mythologische betekenissen, die we eigenlijk nog niet ontdekt hebben. Omdat we ze te fundamentalistisch lezen, zonder historische en vooral literaire interpretatie.
 
DEEL I : IS EEN HYPOTHETISCHE RECONSTRUCTIE VAN EEN HISTORISCHE WERKELIJKHEID (?) TEN AANZIEN VAN DE MYTHE MOGELIJK?
 
We begeven ons nu in een mijnenveld van hypothesen. Een mijnenveld, omdat er zeer weinig historische bronnen zijn, buiten de mythische. De evangelieteksten zijn geconstrueerde mythische teksten. De vraag is of het uitgangspunt al dan niet historisch is?
Laten we nu per hypothese aannemen dat er een Jezus van Nazareth werd gekruisigd rond 33 van onze jaartelling in Jeruzalem. Hoe de feiten reconstrueren? Ik herhaal dat dit een loutere hypothese is. Als we per hypothese werken, is een middel om te pogen de werkelijkheid te reconstrueren de persoon van Pilatus. In tegenstelling tot de gekruisigde hebben we over Pilatus heel wat historische bronnen. Uit die bronnen blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is (alles is natuurlijk mogelijk, als men het niet weet) dat Pilatus tijdens een Paasfeest in Jeruzalem een proces zou hebben opgezet. Dit kon de opgehitste gemoederen (het botsen van de religieuze sentimenten van het volk met die van Pilatus, want hij had er ook, maar die waren Romeins) enkel tot een kookpunt brengen.
Hier stuiten we op een eerste historische moeilijkheid. Het Romeinse recht was heel strikt. Het Romeinse recht was gebaseerd op het gezag (imperium) van de magistraat.
Gouverneurs, prefecten en later procuratoren hadden de gerechtelijke macht in strafzaken. Zij waren in deze materie rechters.
De beslissing van een gouverneur (Pilatus, als Romeinse prefect, in zijn functie en status beschikte binnen zijn ambtsgebied over hetzelfde imperium als een gouverneur in strafzaken – de titel van procurator dateert van keizer Claudius 41–54 n.Chr. -) was definitief. De rechter had de sacraal-juridische plicht te oordelen en recht te spreken. Hij was er verantwoordelijk en aansprakelijk voor. Het publiekelijk afschuiven van de schuld en het uitspreken van onschuld was in strijd met het principe van Romeinse autoriteit, die juist vastberaden en onwrikbaar diende te zijn. Met ‘het openlijk afschuiven van schuld of het uitspreken van iemands onschuld’ bedoel ik dat een Romeinse bestuurder (bijvoorbeeld een gouverneur, prefect of rechter) niet kon zeggen: ‘Het is niet mijn schuld, maar die van iemand anders.’ Niet kon zeggen: ‘Deze persoon is onschuldig, ik hoef geen oordeel te vellen.’
Want in het Romeinse systeem hoorde een magistraat zelf verantwoordelijkheid te nemen en een duidelijke, definitieve beslissing te geven (schuldig of straf, of wat er ook moest gebeuren). De schuldvraag behoorde tot de essentie van het imperium.
 
VOORBEELDEN UIT DE OUDE BRONNEN
 
Ik geef drie voorbeelden uit de oude bronnen.
 
Cicero – Pro Milone
 
In deze redevoering verdedigt Cicero zijn cliënt Milo, die Clodius had gedood. Cicero bespreekt uitvoerig de vraag of Milo schuldig is aan moord of juist onschuldig omdat hij uit zelfverdediging handelde.
“Quid enim? Si haec non probaretur, Milonem occidisse Clodium, non confiteretur? Occidit, occidit plane; nec divelli mors Clodii a Milonis manu potest.”
“Want wat dan? Stel dat dit niet bewezen kon worden, zou hij dan niet bekennen dat Milo Clodius heeft gedood? Hij heeft hem gedood, zeker en vast; de dood van Clodius kan niet gescheiden worden van Milo’s hand.” Cicero, Pro Milone, § 90.
 
De aangehaalde passage is een voorbeeld van forensische (de betekenis van het woord is ‘openbaar’, het verwijst naar het Romeinse forum) welsprekendheid in de Romeinse geschiedenis. Met deze gewaagde uitspraak gaf Cicero de moord op Clodius tactisch toe. Hij ontkende niet dat Milo de daad had gepleegd, maar verdedigde hem door te beargumenteren dat het een gerechtvaardigde moord was.
De retorische strategie van Cicero’s verdediging was tweeledig.
a- De moord was een gerechtvaardigde daad. Cicero beweerde dat Milo handelde uit zelfverdediging, omdat Clodius een hinderlaag had gelegd om Milo te doden. Door dit aan te tonen, veranderde hij de kwalificatie van ‘moord’ in ‘gerechtvaardigde zelfverdediging’.
b- De moord was een dienst aan de staat. Cicero stelde dat de moord op Clodius, een gewelddadige en gevaarlijke politicus, een dienst was aan het Romeinse volk. Clodius was een demagoog die het Romeinse staatsbestel bedreigde. Door de moord toe te geven, kon Cicero beweren dat Milo de Republiek van een tiran had bevrijd.
Deze strategie was zeer effectief. In plaats van te proberen de feiten te ontkennen, die voor de meeste toeschouwers al vaststonden, verplaatste hij de discussie naar de morele en politieke rechtvaardiging van de daad. Door de schuld van zijn cliënt te erkennen, maakte hij Milo tot een held in plaats van een crimineel. Mythische zuil…?
Hij tracht de kern van het imperium van een Romeinse magistraat te gebruiken om zijn stelling te verdedigen.
Namelijk het definitief oordelen over schuld/onschuld, en dit oordeel uitspreken (‘juris’ = recht – en ‘dictie’ = spreken), hier in het argumenteren door advocaat Cicero dat de moord een daad van gerechtvaardigde ‘zelfverdediging’ en ‘heldendaad’ ten aanzien van Rome (goed geweld) was. Zijn cliënt was niet schuldig aan de daad, omwille van de oorzaken en de redenen van de daad.
 
Seneca – De Ira
 
Seneca schrijft over de plicht van de rechter (of keizer) om niet te aarzelen in het aanwijzen van schuldigen of onschuldigen.
“Officium est non dubitare, sed aut damnare aut absolvere.”
“Het is de taak van de rechter niet te aarzelen, maar óf te veroordelen óf vrij te spreken.”
De Ira 1.16.2
 
De tekst geeft het Romeinse ideaal van vastberadenheid en verantwoordelijkheid van de magistraat – rechter weer.
 
Digesta 1.18.6 (b)
 
“Praesidis est ius dicere et aequitatem custodire, curare ut provincia in pace sit atque incolumitate. Ipse enim causas cognoscit et de his IUDICAT.”
“Het is de taak van de gouverneur recht te spreken en de rechtvaardigheid te bewaren, en ervoor te zorgen dat de provincie in vrede en veiligheid is. Want hij zelf onderzoekt de zaken en spreekt erover recht.”
 
Het Latijnse werkwoord IUDICARE is een samengesteld werkwoord, gevormd uit twee afzonderlijke Latijnse woorden:
IUS: dit betekent ‘recht’, ‘wet’ (afgeleid), of ‘een rechtmatig gezag’ (in relatie met de Romeinse orde). Het is de stam van de Latijnse woorden als justitia (gerechtigheid) en jurisprudentia (rechtsgeleerdheid).
DICERE: Dit betekent ‘zeggen’ of ‘uitspreken’. Het is de stam van woorden als dictare (dicteren) en dictum (uitspraak).
In het Romeinse recht was dit niet om het even wat. Het was de sacrale-juridische plicht van de rechter (of een andere persoon die het imperium van de rechter had, zoals een gouverneur of prefect) om een oordeel te vellen, om een uitspraak te doen. Mijn stelling is dat dit ook geldt voor de schuldvraag (ofschoon daar expliciet in de bronnen niet over geschreven werd). Een rechter die dit niet zou doen werd gewoon afgezet.
Wie was Pilatus in zijn ambt, functie, status? Hij had op zijn zachtst gezegd, geen al te beste reputatie. Het mandaat van Pilatus was bijzonder lang, vermoedelijk 11 jaar (26 – 37, datering niet heel zeker, maar het was hoe dan ook een lange periode). Hij werd door de gouverneur van Syrië (vader van de latere keizer met dezelfde naam) Vitellius naar Rome teruggestuurd, na een klacht van de Samaritanen. Keizer Tiberius is bekend gebleven om de lange mandaten toe te laten in de Romeinse ‘provincies’. Dit had geen politieke betekenis. Deze keizer liet alles op zijn beloop. Belangrijker is dat de schrijver van de mythische tekst wist hoe de loopbaan van Pilatus op een sisser was uitgelopen na een klacht.
“οἱ δὲ Σαμαρεῖς ἦσαν κατηγοροῦντες ἐπὶ Οὐιτέλλιον, ὃς ἦν τῆς Συρίας ὕπαρχος, καὶ ταῦτα μὲν ὅσα ἐπράχθη. ὁ δὲ Οὐιτέλλιος, ἐπεὶ τῆς ἀναφορᾶς τῶν Σαμαρέων ἀκούσας, αὐτοὺς μὲν ἀνέπεμψεν, Πίλατον δὲ εἰς τὴν Ῥώμην παρεκάλεσε, τὴν ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ ἀρχὴν αὐτῷ παρέσχοντος, καὶ Μαρκέλλῳ, φίλῳ αὐτοῦ, τὰ κατὰ τὴν Ἰουδαίαν ἐπέτρεψεν.” Flavius Josephus, AJ 18.4.2. (c)
“De Samaritanen klaagden hem [Pilatus] aan bij Vitellius, die de gouverneur van Syrië was, over alles wat er was gebeurd. En Vitellius stuurde de Samaritanen terug nadat hij hun aanklacht had gehoord, en beval Pilatus naar Rome te gaan om zich te verantwoorden voor zijn bestuur over Judea, en hij vertrouwde het bestuur van Judea toe aan Marcellus, een vriend van hem.”
Ook bij de Joden had Pilatus het verkorven.
“οὗτος [sc. Πίλατος] τὸν ἱερὸν θησαυρὸν κατέθετο, ὃς καλεῖται κορβαν, καὶ τοὺς ἱεροὺς ἀποθήσας θησαυροὺς, ἀγωγὸν ὕδατος εἰς Ἱεροσόλυμα κατασκευάζει· καὶ τὸ πλῆθος ἀθροίσαντες αὐτῷἀντέστησαν, οἱ δὲ Ἰουδαῖοι συνέδραμον πρὸς αὐτόν, καὶ τῇ στάσει τὸ πλῆθος ἐκίνει, καὶ αὐτὸν ἐκάλουν ἐκπορεύεσθαι. ὁ δὲ Πίλατος ἀναστὰς ἐπὶ τοῦ βήματος ἐκέλευσεν αὐτοὺς εἰς τὰς ἰδίας χώρας ἀποχωρῆσαι.” Flavius Josephus AJ 18.3.2
“Deze [Pilatus] maakte zich meester van de heilige schat, die Korban wordt genoemd, en nadat hij deze had genomen, liet hij een aquaduct voor Jeruzalem aanleggen; en het volk, dat zich verzameld had, verzette zich tegen hem, en de Joden kwamen naar hem toe, en door de onrust bewoog het volk, en ze riepen hem op te vertrekken. En Pilatus, die op de tribune was opgestaan, beval hen naar hun eigen plaatsen terug te keren.”
Door het zich toe-eigenen van de schat van de tempel werd Pilatus door het volk (de volkse perceptie) aanzien als een plunderaar.” (c)
“καὶ γὰρ ὅτε τὴν Ἰουδαίαν διεῖπε, οὕτω δὲ καὶ Πίλατος ἀφικνεῖται, ὃς τῆς Ἰουδαίας ὕπαρχος ἐγένετο, εἰς τὴν Ῥωμαίων πόλιν ἀγαγὼν τὸ πλῆθος ἀποκτείνας, ὥστε πᾶσαν τὴν Ἰουδαίαν ὑφ’ ἑνὸς καὶ τοῦ αὐτοῦ πολέμου γενομένην κακοῦ, τὴν μὲν ἀναστάτωσιν καὶ τὴν αἰχμαλωσίαν καὶ τὸν ὄλεθρον, καὶ τὴν τῆς Ἰουδαίας καὶ τῆς Ἱερουσαλὴμ καταστροφὴν εἴκοσι καὶ πέντε ἔτεσιν ὕστερον ἐξέπεμψε, ὥστε τὸν ὄλεθρον τὸν ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ γενομένον ὑπὸ Πιλάτου, καὶ τὴν αἰχμαλωσίαν, καὶ τὸν θάνατον, καὶ τὴν καταστροφὴν τοῦ λαοῦ τῆς Ἰουδαίας, καὶ τὴν ἐρημώσιν τῆς πόλεως καὶ τῶν Ἱεροσολύμων ἐν ὀλίγῳ χρόνῳ ποιῆσαι.” Philo van Alexandrië, Legatio ad Gaium, § 301-302.
“En want toen hij [Pilatus] over Judea heerste, schreef ik u dit; want ook Pilatus, die prefect van Judea werd, kwam zo ver dat hij het volk bijeenbracht en afslachtte, zodat heel Judea door één en dezelfde plaag van het kwaad werd getroffen. De vernietiging, de gevangenschap en het verderf, en de omverwerping van Judea en Jeruzalem zendt hij vijfentwintig jaar later uit, zodat de ondergang die in Judea door Pilatus werd teweeggebracht, en de gevangenschap, en de dood, en de vernietiging van het volk van Judea, en de verwoesting van de stad en van Jeruzalem in korte tijd tot stand kwamen.”
Deze passage is een fragment uit de brief die koning Agrippa I aan keizer Caligula schreef om hem te overtuigen geen keizerlijke beelden in de Tempel in Jeruzalem te plaatsen. Agrippa gebruikt het voorbeeld van Pilatus’ tirannieke bestuur als een waarschuwing dat een dergelijke daad zou leiden tot een ramp vergelijkbaar met de verwoesting die Pilatus’ bestuur teweegbracht. De wandaden van Pilatus waren zo hevig, dat dit door het volk werd waargenomen als het einde van volk en natie. De Romeinse gouverneurs en hun ondergeschikten (prefecten) waren over het algemeen geen voorbeelden van behoorlijk bestuur. Pilatus slaagde er wel in tot het uiterste te gaan, waardoor hij op vraag van de Samaritanen – werd teruggeroepen (wat ongebruikelijk was).
 
EEN HYPOTHESE MET BETREKKING TOT DE HISTORISCHE FEITEN
 
Als de terechtstelling enige historische grondslag heeft, dan reconstrueer ik de feiten als volgt:
Een religieus man had veel succes bij het volk (te veel). Hij was (of werd aanzien als) een ‘wonderdoener’. Het volk onderging de terreur van Pilatus. Het volk vroeg de ‘wonderdoener’ het Romeinse gezag, concreet Pilatus, omver te werpen. Tenslotte was dit maar een wonder meer. Dit werd gerapporteerd aan de met Rome collaborerende religieuze autoriteiten. Zij maakten zich grote zorgen, en beslisten de man te laten elimineren. Zij kozen ervoor om het niet zelf te doen (de religieuze autoriteiten hadden hem kunnen laten stenigen, wat de man wist), maar beslisten dit door Pilatus zelf te laten doen. Pilatus liet hem een eerste maal aanhouden, maar stelde vast dat die man ongevaarlijk was. De religieuze autoriteiten werden woedend. Zij waren extreem jaloers (er is nergens zoveel jaloezie als in religieuze middens) op het succes van de man. Ze kochten Pilatus om. Pilatus liet hem aanhouden en standrechtelijk (zonder proces) terechtstellen. (d)
Wat dit laatste betreft citeer ik Philo van Alexandrië, Legatio ad Gaium, § 302, met betrekking tot Pilatus.
“οὐ μὴν ἀλλὰ καὶ δωροδοκίαι καὶ ὕβρεις καὶ ἁρπαγαὶ καὶ ἐπηρείαι καὶ ἀκρίτους τε καὶ ἐπαλλήλους θανατώσεις καὶ μυρίας ἀνηκέστους ὠμότητας, ἐξ ὧν οὐδεὶς ἐξῃρέθη.”
“Nee, maar ook OMKOPERIJ, en beledigingen, en berovingen, en geweldpleging, en EXECUTIES ZONDER PROCES en de daaropvolgende, en tienduizenden eindeloze en ondraaglijke wreedheden, waarvan niemand gespaard bleef.”
 
(a) Het aanzetten tot maatschappelijk geweld dat uitgaat van religies (dit geldt voor alle religies) is hetgeen dat in onze wereld het meest onderschat en miskend wordt, nog meer de aanzet tot geweld van en door de religieuze sekten. Katholieke religieuze sekten hanteren nog steeds Mattheus 27:24 – 25 en de volgende zin zonder interpretatie, of door middel van verwrongen onjuiste interpretaties, in hun geschriften en liturgieën, wat tot maatschappelijk geweld aanzet tegen verschillende minderheden. Zonder het botsen van de religieuze mythes, zou er nu geen oorlog zijn tussen Rusland en Oekraïne en tussen Hamas en Israël. Voor alle oorlogvoerende kampen is de religieuze mythe de kern van het geweld, van de oorlog en van het onnoemelijk leed voor alle erbij betrokken burgers. Oorlog wordt nu hoofdzakelijk oorlog tegen burgers, omwille van mythische zuilen, waardoor die burgers mythische-religieuze vijanden (het aanwijzen van vijanden is het handelsmerk van religies, alles is er zwart of wit) worden. De burgers zijn ‘de’ grote onschuldige verliezers als verliezers. Het is niet een overlevingsdoosje dat ons de illusie zal geven dat er voor de burgers nog overlevingskansen zijn. Dergelijke voorstellen zijn een aanwijzing van het feit dat men de mythisch religieuze kern van oorlogen gewoon niet wil inzien.
De roep van religieuze leiders : ‘vrede, vrede, vrede enz…’ zijn ‘words, words words’, die de eigen realiteit niet voor ogen zien.
Religies die botsen zijn als een enorme meteoriet – die omwille van de zwaartekracht – met de aarde botst. Ondragelijk religieus extremisme, fundamentalisme en sekten zijn enkel uit op het Nietzscheaanse vernietigingsmoment (omwille van het genot van religieuze heersers), in functie van een illusoir collectief meerzijn (het aards paradijs van de communistische religie, het Duizendjarig rijk van de nationaal-socialistische, en alle andere religies).
(b) Digesta, eerste boek (Liber I), 18 verwijst naar de achttiende titel (Titulus XVIII), die als titel heeft ‘De officio praesidis’ (Over de taak van de gouverneur).
6 verwijst naar het zesde fragment (Fragmentum VI) binnen die titel, dat afkomstig is van de Romeinse jurist Ulpianus.
(c) Flavius Josephus: Antiquitates Iudaicae. Dit is de Latijnse titel van het werk, het Romeinse cijfer voor 18, dat naar het boek verwijst. Het Arabische cijfer 4 dat naar het hoofdstuk verwijst. Het Arabische cijfer (2) dat naar de paragraaf verwijst.
(d) De heilige schat, ook wel Korban (ook gespeld als Corban) genoemd, was de verzamelnaam voor de financiële middelen van de Joodse Tempel in Jeruzalem (als zo vele tempels uit de oudheid bezat de tempel een tempelschat). Deze tempelschat bestond uit:
a- Tempelbelasting: een jaarlijkse belasting die door alle volwassen Joodse mannen werd betaald (een halve ‘sjekel’ naam van de munt, het halveren had en symbolische betekenis)
b- Giften: vrijwillige donaties wereldwijd.
c- Opbrengsten uit Tempelactiviteiten: geld uit de verkoop van offerdieren en andere zaken in de Tempel.
De term ‘Korban’ is afgeleid van het Hebreeuwse woord “קָרְבָּן” (qorbān), wat ‘gave’ of “’offer” betekent. Het verwees alles wat aan de Joodse God werd gewijd. Het diende zeker niet geconfisqueerd te worden door de Romeinse prefect – die de keizer vertegenwoordigde -. Dit werd door het volk gepercipieerd als een confiscatie, een plundering door de Romeinse goden. Daardoor werd de zaak voor de Joden als voor Pilatus, een fundamenteel religieuze zaak.
De Tempelgelden waren volgens de Joodse wet heilige eigendommen en mochten enkel worden gebruikt voor specifieke religieuze doeleinden, zoals het onderhoud van het Tempelgebouw, de salarissen van de priesters en de aankoop van offerdieren.
Toen Pilatus de gelden gebruikte voor de bouw van een aquaduct, zag het Joodse volk dit als een daad van heiligschennis en plundering, omdat hij de goddelijk gewijde middelen gebruikte voor een Romeins project dat bovendien een symbool was van de Romeinse overheersing, eigenlijk een overheersing door de Romeinse goden.
Voor Pilatus was dit meer dan een loutere seculier zaak, het was een zich toe-eigenen van gelden als gelden van een overwinnaar binnen de Romeinse religie, als religie van de overwinnaars. Dit maakte de religieuze spanning zo hevig.
Dat tempelzaken zeer gevoelig lagen (dit geldt voor alle religies uit de oudheid), en meer in het bijzonder het inpalmen van roerende eigendom uit een tempel moge blijken uit de mythische tekst van het Boek Daniël 5:1-9. Het is het literair, mythisch verhaal van de Babylonische koning Belsassar, die de gouden drinkbekers, die zijn voorvader Nabukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had geroofd, om er mede te drinken en te laten drinken door zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen (zij werden allen dronken). Volgens het verhaal zou dit de oorzaak zijn geweest van de ondergang van het Babylonisch rijk. Als we dit nu combineren met wat Pilatus deed (de ‘Korban’ schat plunderen uit de Tempel) zal het religieus volk zich het verhaal van het Boek Daniël hebben herinnerd, waardoor heel de zaak tot een kosmische religieus kookpunt kwam. Ook Pilatus was religieus zeer bedreven met de Romeinse religie. Men heeft munten teruggevonden die Pilatus had laten slaan uit de jaren 30-31. Om het religieus volk ter wille te zijn, werden op de munten geen gezichten afgebeeld, wat tegen de Joodse wet was. Maar de sluwe Pilatus maakte van de gelegenheid gebruik om een Romeins religieus symbool te slaan, namelijk een ‘libatio’ lepel, waarmee in de Romeinse religie aan de goden werd geofferd.
Voor het begin van de Joodse oorlog waren de extreme botsingen tussen beide religie legio. Bar Korba (de zoon van de ster), de laatste generaal van de laatste Joodse opstand tegen Rome liet eveneens munten slaan met symbolen uit de Joodse religie. De input, de oorzakelijkheid ten aanzien van aanvalsoorlogen is bij het hanteren van mythische zuilen bij alle religies dezelfde. Voor de eigen religie zijn de aanvalsoorlogen altijd door de godheid gewild (de wil van de godheid), en daardoor rechtvaardig, de goede kant van de geschiedenis, en goddelijk moreel kompas enz. Nog vandaag worden we door, alle kampen overdonderd door religieuze grootspraak.
(e) Het bekende ‘Testimoniun’ uit de Griekse versie van de oudheid gebruik ik niet. Mogelijks is dit geen latere toevoeging. Maar dan nog, is die tekst enkel opgebouwd vanuit een algemeen bekende geloofsbelijdenis. Hetzelfde geldt voor de korte aanhaling van Tacitus.
Mijn ‘inspiratie’ haal ik uit een zeer controversiële tekst, wat de historische waarde ervan betreft.
Alles wat ik nu schrijf is zeer controversieel, en doet meer denken aan een historische triller, dan aan een positivistische objectieve rationele benadering.
Ik doe het, omdat het verhaal – dat meer dan waarschijnlijk een louter literair verhaal is – een interessante versie inhoudt, om per loutere hypothese (alles is in dit verband zeer onwaarschijnlijk) te pogen de historische werkelijkheid te achterhalen.
De controversiële auteur Etienne Nodet verwijst naar een Duitse geleerde Alexander Berendts die de Aramese versie (in vertaling, in het oud-Slaafs) in het Westen in 1906 zou hebben laten herontdekken. Het zou gaan om het werk van Russische monniken uit de elfde en twaalfde eeuw.
(Etienne Nodet, Le fils de Dieu, Procès de Jésus et Evangiles, e-ISBN 978-2-204-15943-2, 2024, 225)
Een andere versie van de herontdekking stelt dat niet Berendts, maar een zekere Andrej Nikolaevitsj Popov (die in 1866 een Slavische versie van het boek Henoch had gepubliceerd) een tekst (in de oude Slavische taal) van de eerste versie van de Oorlog der Joden – waar Josephus naar verwijst, die oorspronkelijk in het Aramees werd geschreven – maar verdwenen is -, zou hebben herontdekt. Ofschoon de dateringen van beide ‘herontdekkingen’ niet overeenstemmen. Het zou gaan om meerdere manuscripten uit de veertiende en vijftiende eeuw. Een aantal zouden zich bevinden in de bibliotheek van de Litouwse Academie voor Wetenschappen in Vilnius, een aantal in het Centraal Staatsarchief van Oude Documenten te Moskou. Over Berendts schrijft Nodet het volgende : “Alexander Berendts stelde ook een volledige Duitse vertaling samen, maar hij stierf in 1912, en er was alleen een gedeeltelijke postume publicatie, Alexander Berendts & Konrad Grass, Flavius Josephus, Vom Jüdischen Kriege Buch I-IV, nach der slavischen Übersetzung deutsch herausgegeben und mit dem griechischen Text verglichen, Dorpat, 2 vol., 1924-1927. De eerste volledige vertaling in een westerse taal werd gegeven, met de Slavische tekst ernaast en kritische aantekeningen, door Viktor M. Istrin, André Vaillant en Pierre Pascal, La « Prise de Jérusalem » de Josèphe le Juif, Parijs, Institut d’Études slaves, 2 vol., 1934-1938. Een kritische uitgave werd samengesteld door Nikita A. Meščerskij, Istorija iudeskoij vojny Josifa Flavija, Moskou en Leningrad, 1958, die concludeert dat het een Slavisch werk is, gemaakt op basis van de traditionele Griekse tekst; echter, een recensie van Ernst Hansack, Anzeiger für slavische philologie 21 (1992), p. 183-185, bekritiseert deze uitgave, die onder slechte omstandigheden is gemaakt, streng en beoordeelt deze als veel minderwaardig dan die van Istrin; hij bevestigt deze slechte kwaliteit in een recenter werk, Die altrussische Version des « Judischen Krieges » – Untersuchungen zur Integration der Namen, Heidelberg, Karl Winter, 1999. Een Engelse vertaling, vergeleken met die van de Loeb-uitgave, werd samengesteld door Henry en Kate Leeming, met Lyubov V. Osinkina, Josephus’ Jewish War and Its Slavonic Version. A Synoptic Comparison (AGAJU, 46), Leiden / Boston, Brill, 2003.” (Nodet, 376)
Om eruit te geraken en toch de authenticiteit van de tekst te handhaven, stelt Nodet dat het de vertaling zou zijn van een oude Griekse versie, die de vertaling zou zijn geweest van de eerste Aramese versie. Er zouden met andere woorden drie versies zijn geweest : eerst een Aramese, vervolgens een Griekse vertaling ervan, en tenslotte de gekende verschillende Griekse versie (Nodet, 377)
De tekst die Nodet vermeld luidt als volgt :
“Toen verscheen er een man, als we hem mens mogen noemen. Zijn natuur en zijn uiterlijk waren die van een man, maar zijn verschijning was meer dan menselijk en zijn daden waren goddelijk: hij verrichtte verbazingwekkende en krachtige wonderen. Daaro kan ik hem geen mens noemen. Aan de andere kant, als ik zijn gewone natuur bekijk, zou ik hem evenmin een engel noemen. En alles wat hij deed, deed hij door een onzichtbare kracht, door het woord en het bevel. De enen zeiden over hem: “Dit is onze eerste wetgever die is opgestaan uit de dood en die vele genezingen en bewijzen van zijn kennis laat zien.” Anderen geloofden dat hij door God was gezonden, maar hij verzette zich in veel opzichten tegen de Wet en hield zich niet aan de sabbat, zoals de voorouders dat gewoon waren te doen. Toch deed hij niets onreins en geen handarbeid, maar beschikte hij over alles alleen met het woord. En velen uit de menigte volgden hem en luisterden naar zijn onderricht. En veel zielen werden beroerd, denkende dat door hem de stammen van Israël bevrijd zouden worden uit de armen van de Romeinen. Hij had de gewoonte om bij voorkeur voor de stad te staan, op de Olijfberg. Daar verleende hij genezingen aan het volk. En bij hem verzamelden zich honderdvijftig dienaren, en een groot aantal uit het volk. Zij observeerden zijn macht en zagen dat hij alles wat hij door het woord wilde tot stand bracht, vroegen ze hem om de stad binnen te gaan, de Romeinse troepen en Pilatus af te slachten en over hen te regeren. Maar hij gaf er geen gevolg aan. Later namen de leiders van de Joden er kennis van, ze kwamen bijeen met de hogepriester en zeiden: “We zijn onmachtig en zwak om de Romeinen te weerstaan, (die zijn) als een gespannen boog.” Laten we Pilatus gaan vertellen wat we hebben gehoord, dan zullen we geen problemen krijgen: als hij het ooit via anderen verneemt, zullen we van onze bezittingen beroofd worden, zelf in stukken worden gehakt en onze kinderen in ballingschap worden verspreid.” Ze gingen het aan Pilatus vertellen. Hij stuurde mannen, doodde velen onder het volk en bracht deze wonderdoener terug. Hij ondervroeg hem, en kwam erachter dat hij het goede en geen kwaad deed, dat hij geen opstandeling was, noch een aspirant-koning, en liet hem vrij, want hij had zijn vrouw die op sterven lag genezen. En, teruggekomen op de gebruikelijke plaats, deed hij de gebruikelijke werken. En opnieuw, toen een groter aantal mensen zich om hem verzamelde, was hij door zijn werken boven allen beroemd. De schriftgeleerden werden gekwetst door afgunst, en ze gaven Pilatus dertig talenten om hem te doden. Hij nam ze aan en gaf hun toestemming om zelf hun wens uit te voeren. Ze grepen hem en kruisigden hem, ondanks de wet van de voorouders.” (aangehaald door Nodet, 253 – 254)
 
Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)
 
BRONNEN
 
Bartolini, Camillo. Secondo
Pilato. Roma, Europa Edizioni, 2023.
 
Bond, Helen K. Pontius Pilate in History and Interpretation. Cambridge: Cambridge University Press, 1998.
 
Bond, Helen K. The Historical Jesus. A Guide for the Perplexed. Bloomsbury, 2017.
 
Catchpole, David R. The Trial of Jesus. A Study in the Gospels and Jewish Historiography. Brill, 1971.
 
Cicero. Pro Milone, § 90.
 
Flavius Josephus. Antiquitates Iudaicae, 18.3.2 en 18.4.2.
 
Goodman, Martin. Rome and Jerusalem. The Clash of Ancient Civilizations. London, Penguin, 2007.
 
Hadas-Lebel, Mirereille. Jérusalem contre Rome. Cerf, 1990.
 
Hadas-Lebel, Mireille. Flavius Josèphe, le Juif de Rome, Albin Michel, 1989.
 
Hadas-Lebel, Mireille. Rome, la Judée et les Juifs. Picard, 2009.
 
Jori, Giovanni. Ponzio Pilato. Storia di un mito. Firenze, Olschki, 2013.
 
Josephus. Jewish War; Antiquities of the Jews. Loeb Classical Library eds., 1930–1965.
 
Lémonon, Joël. Pilate et le gouvernement de la Judée, Textes et monuments. Gabalda, 1981.
 
Messori, Vittorio. Patì sotto Ponzio Pilato? Un’indagine storica sulla passione e morte di Cristo. Milano, Ares, 2020.
 
Millar, Fergus. The Emperor in the Roman World (31 BC–AD 337). London, Duckworth, 1977.
 
Philo. Legatio ad Gaium. Loeb Classical Library ed., 1962.
 
Schiavone, Aldo. Ponzio Pilato. Un enigma tra storia e memoria. Torino, Einaudi, 2016.
 
Seneca. De Ira, 1.16.2.
Smallwood, E. Mary. The Jews under Roman Rule: From Pompey to Diocletian. Brill, 2001.
 
Wilson, A.N. Jesus. A Life. W. W. Norton & Company, 1992.
Wroe, Ann. Pontius Pilate. Random House, 1999.

NIEUWE TEKST

PSYCHIATRIE EN NIEUWE VERLICHTING

EEN HYPOTHESE (loutere hypothese) VOOR EEN MEER HUMANE PSYCHIATRISCHE BENADERING

In de moderne psychiatrie en neurologie is een fundamentele verschuiving gaande in het begrip van psychische en neurologische aandoeningen. Deze nieuwe benadering biedt een zeer hoopvol perspectief voor een meer humane en respectvolle psychiatrie, omdat het het traditionele dualisme van geest en lichaam steeds meer vervaagt en een biologische basis geeft aan psychologisch lijden.

Dit daagt de eeuwenoude opvatting uit dat aandoeningen zoals depressie, angst en zelfs neurodegeneratieve ziekten slechts het gevolg zijn van persoonlijk falen of psychologische kwetsbaarheid (in de religies : een goddelijke straf, elke zijnsvermindering, elke ziekte, maar vooral psychische aandoening zijn ‘goddelijke straffen’).

In plaats daarvan onthult het de biologische kettingreacties die kunnen worden geactiveerd door psychologische stress, waarbij de grens tussen de psyche en de fysiologie verdwijnt. Deze benadering stelt dat een psychische staat kan fungeren als de aanzet voor een neurologisch-fysiologische cascade die de ziekte in stand houdt, waardoor het stigma wordt verminderd en patiënten met meer begrip worden bejegend.

Een cruciale spil in dit proces is de darm-hersen-as, een bidirectioneel communicatiesysteem tussen het maag-darmkanaal en het centrale zenuwstelsel.

Deze as stelt de darmflora in staat om via zenuwbanen, immuunsignalen en metabolieten de hersenfunctie te beïnvloeden. Chronische psychologische stress, veroorzaakt door bijvoorbeeld werkdruk, verlieservaringen (zijnsverminderingservaring, in religies : de ziekte of verlieservalring als goddelijke straf) of andere diepgaande frustraties, kan de delicate balans van het darmmicrobioom verstoren. Dit leidt tot een toename van bacteriën die ontstekingsbevorderende producten produceren, zoals lipopolysacchariden (LPS). Tegelijkertijd kan de stress de integriteit van de darmwand aantasten, wat resulteert in een zogenaamde ‘leaky gut’, waardoor deze schadelijke moleculen de bloedbaan kunnen betreden en hun weg naar de hersenen kunnen vinden.

Dit proces wordt verergerd door de rol van virale triggers. Virussen zoals het Epstein-Barr-virus, influenza of, recentelijk, SARS-CoV-2 (COVID-19), veroorzaken krachtige immuunresponsen die gekenmerkt worden door de productie van ontstekingsbevorderende cytokines. Deze cytokines hebben de potentie om de bloed-hersenbarrière, de cruciale beschermende muur van het brein, te verzwakken. Een gecompromitteerde bloed-hersenbarrière maakt de weg vrij voor de bacteriële producten uit de darm en andere ontstekingssignalen om de hersenen binnen te dringen. Dit resulteert in de activatie van microglia, de immuuncellen van de hersenen, en leidt tot een aanhoudende neuro-inflammatie. Het is deze chronische ontsteking die de neurochemie verstoort, waaronder de regulering van neurotransmitters zoals glutamaat, en de structurele en functionele connectiviteit van neurale netwerken aantast. . Deze neurologische verstoringen zijn direct gecorreleerd met de symptomatologie van psychiatrische aandoeningen, en bieden zo een fysiologische verklaring voor het ontstaan en de persistentie van depressie, angst en cognitieve achteruitgang.

De implicaties voor de behandeling zijn aanzienlijk. Nu de biologische component van psychische aandoeningen wordt erkend, verschuift de focus van louter psychotherapie en klassieke farmacologie naar een geïntegreerde aanpak. Er wordt onderzoek gedaan naar de therapeutische waarde van ontstekingsremmende middelen en probiotica die de darmflora herstellen, om zo de bron van de ontsteking aan te pakken. Zelfs bestaande medicatie, zoals het NMDA-receptorantagonist memantine, dat primair wordt voorgeschreven voor de ziekte van Alzheimer, wordt nu onderzocht voor de behandeling van therapieresistente depressie. De rationale is dat memantine, door de overactiviteit van glutamaatreceptoren te remmen, een direct effect heeft op de neurale processen die verstoord zijn door neuro-inflammatie. Dit toont aan hoe deze biologische benadering niet alleen de conceptualisering van ziekten verandert, maar ook nieuwe therapeutische wegen opent.

De conclusie is dat het concept van “persoonlijk falen” in de context van psychische aandoeningen wordt vervangen door een complex, maar hoopgevend, biologisch model. De psyche en het lichaam zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Psychologische stress kan een ‘sneeuwbaleffect’ initiëren van fysiologische veranderingen, van de darm tot aan de hersenen, die leidt tot meetbare neuro-inflammatie en uiteindelijk tot de manifestatie van psychische en neurologische symptomen. Het herkennen van deze keten is de eerste stap naar het wegnemen van stigma en het ontwikkelen van effectievere en meer gerichte behandelingen voor het lijden van de mens, waarmee de psychiatrie humaner wordt dan ooit tevoren.

Philippe De Keukelaere

BRONNEN

Noble, W., & Matta, F. (2021). The gut-brain axis in mental and neurodegenerative disorders. Journal of the American Academy of Orthopaedic Surgeons, 29(4), 146-154.

Prado-Ricardez, J., et al. (2022). The role of antibiotics and the microbiota in psychiatric disorders: A review.Frontiers in Psychiatry, 13, 856412.

Sampson, M. (2020). Bacterial components and Alzheimer’s disease: A new perspective. Molecular Neurobiology, 57(1), 321-334.

Kellner, M., et al. (2019). Memantine as an add-on treatment for depression: A systematic review. Psychiatry and Clinical Neurosciences, 73(10), 633-640.

Michels, L., et al. (2019). Psychological stress and gut microbiome: a systematic review. Current Opinion in Psychology, 28, 142-148.

Wang, Z., et al. (2023). Gut microbiota-derived lipopolysaccharides in the development of neuro-inflammation.Journal of Neuroinflammation, 20(1), 1-13.

Sharon, D., et al. (2019). The gut microbiota and its role in CNS disease: A review. Nature Reviews Neurology, 15(6), 317-330.

Leng, J., et al. (2020). SARS-CoV-2 and the nervous system: A review of the literature. Journal of the American Medical Association, 324(20), 2101-2102.

Taquet, L., et al. (2021). Neuropsychiatric sequelae of COVID-19: A large-scale analysis. The Lancet Psychiatry, 8(5), 374-375.

Troyer, J., et al. (2020). Infectious triggers of multiple sclerosis. Journal of Neuroimmunology, 340, 577134.

“In rebus quibufcumque difficilioribus non expectandum, ut quis simul, et ferat, et metat, sed praeparatione opus est, ut per gradus maturescant.”

“In welke moeilijke aangelegenheden dan ook moet men niet verwachten dat iemand tegelijk zal dragen (verdragen) en oogsten; er is voorbereiding nodig, opdat de dingen geleidelijk rijpen.”

Marquis Cesare Beccaria Bonesana, ‘Dei deletti e delle pene’, uitgave 1764, voorpagina.

De auteur van deze uitspraak is Francis Bacon. De uitspraak komt uit Sermones Fideles (Getrouwe preken), nummer 45.

DE BETEKENIS VAN DE TEN AANZIEN VAN HET WESTEN CONTRAPRODUCTIEVE PROPAGANDA VAN DE PARAMILITAIRE MILITIE HAMAS

POSITIVISTISCHE, OBJECTIVERENDE BENADERINGEN OVERSTIJGEN IEDERE VORM VAN PARTIJDIGHEID. EEN NIEUWE EUROPESE VERLICHTING ALS UITGANGSPUNT

Het is niet omdat men een mythische zuil onderzoekt of ontleedt, dat men daarmee automatisch partij kiest in een lopend of historisch conflict. Deze gedachte vormt één van de kernpunten van wat men zou kunnen noemen: een nieuwe Europese Verlichting.

Als men bijvoorbeeld een Franse propagandaposter uit de Eerste Wereldoorlog analyseert, betekent dit niet dat men zich tegen Frankrijk keert of partij kiest voor Duitsland. Omgekeerd geldt precies hetzelfde: wie een Duitse poster ontleedt, keert zich daarmee niet tegen Duitsland, noch schaart hij zich automatisch aan Franse zijde.

De kern van de mythische zuilen tijdens de Eerste Wereldoorlog lag diep verankerd in religieuze symboliek. Aan Franse zijde stond het katholicisme centraal, aan Duitse zijde het protestantisme. Beide stromingen deelden een gemeenschappelijke mythische onderlaag: het ideaal van het zelfoffer, geïnspireerd op de figuur van Jezus Christus. Deze religieuze dimensie gaf aan het conflict een sacrale lading. Oorlog werd een vorm van navolging, een imitatie van heilig lijden.

Men had de oorlog in 1915 kunnen beëindigen. Maar net doordat zo velen reeds hun ‘offer’ hadden gebracht, werd het beëindigen van de strijd religieus onmogelijk. Het zelfoffer begon een eigen mythisch en religieus leven te leiden, het werd belangrijker dan de overwinning zelf, en zeker belangrijker dan een eenvoudige wapenstilstand.

Mijn analyse beoogt geenszins om het lijden van één partij, van één kamp te ontkennen of te minimaliseren. Integendeel, het is precies doo de mechanismen van mythische oorlogsrechtvaardiging zichtbaar te maken, te laten ontdekken, dat men ruimte creëert voor nuance, vrede en verheldering. In die zin is het ontleden van oorlogszuilen een poging om de religieuze dimensie van geweld te ontkrachten. Want in wezen, zo stelt de geschiedenis ons keer op keer, is elke oorlog doordrongen van religieuze rechtvaardiging. De kern van elke aanvalsoorlog ligt vaak in het sacraal verklaren van geweld.

Toen Cesare Beccaria zijn beroemde werk Dei delitti e delle pene schreef, koos hij niet de kant van de misdadigers. Hij pleitte, vanuit de geest van de Verlichting, voor een meer humane en rationele omgang met misdaad en straf. Zijn benadering was objectiverend, niet ideologisch; verlicht, niet partijgebonden.

Zo is het ook vandaag. Wie tijdens een oorlog of gewelddadig conflict de mythische zuilen en hun propagandistische fundamenten onderzoekt – wat overigens twee verschillende dingen zijn – wordt vaak al snel verdacht gemaakt van partijkeuze. Maar deze verdenking is onterecht. Vanuit het perspectief van een nieuwe Europese Verlichting, is het juist de taak van de rede om te ontleden, te ontdekken, te verhelderen en afstand te nemen van het heilige aura waarmee conflicten vaak worden omgeven. Niet om partij te kiezen, maar om het sacraal religieuze gif uit het conflict te halen, en zo ruimte te scheppen voor vrede. Roepen om vrede betekent op zich niets. Vrede is de waarheid die de wetenschap ontdekt van een mogelijkheid van maatschappelijke stabiliteit zonder de slavernij van de dodelijke religieuze zelfoffers.

WAAROM HANTEERT HAMAS CONTRAPRODUCTIEVE PROPAGANDA TEN AANZIEN VAN HET WESTEN (terwijl Europa deze militie verheerlijkt als een nobele verzetsbeweging, zoals we op vele spandoeken lezen bij empathische betogingen)

Op 3 augustus 2025 bracht het Franse weekblad Le Point een interview met de bekende politicoloog Gilles Kepel, waarin hij reflecteert op de recente gijzelaarsvideo van Hamas. In deze video wordt de Israëlische gijzelaar Hersh Goldberg-Polin gedwongen zijn eigen graf te delven. Dit beeld raakte velen diep, niet alleen vanwege de rauwe menselijke tragedie, maar ook omwille van de beladen symboliek. Kepel beschrijft hoe Hamas deze beelden inzet binnen een bredere strategie van politieke herpositionering in de Arabische wereld. De scène roept echter ook vragen op over rituele symboliek, culturele echo’s en de mogelijkheid van een bewuste morele omkering tussen dader en slachtoffer. Dit is een typisch religieuze Nietzscheaanse laag, de omkering der waarden, meer in het bijzonder de omkering van de relatie slachtoffer/dader. De onschuldige wordt schuldig en omgekeerd.

De strategische inzet van beelden door Hamas

Volgens Kepel is het primaire doelpubliek van deze video niet het Westen, maar de Arabische wereld. Hij stelt: “Ces vidéos ont un impact émotionnel fort, mais leur véritable cible n’est pas l’opinion publique occidentale — c’est le monde arabe” (Kepel, 2025). Hamas probeert zich opnieuw te positioneren als een centrale speler in de regio, gebruikmakend van krachtige symboliek die appelleert aan gevoelens van solidariteit, verzet en slachtofferschap.

In dezelfde geest merkt Kepel op: “Dans le monde arabe, la mémoire visuelle des Einsatzgruppen et des fosses communes est aujourd’hui utilisée pour inverser les récits : ce sont les Israéliens qui seraient les nouveaux nazis.” De verwijzing naar de Einsatzgruppen, de nazistische doodseskaders die hun slachtoffers dwongen eigen graven te graven plaatst de hedendaagse beelden in een pijnlijk historisch kader. Toch roept net dit beeld een morele paradox op: want is het niet Hamas die zich van diezelfde symboliek bedient?

Van executie tot zelfoffer: de omkering der waarden

Het laten graven van het eigen graf is een krachtig ritueel gebaar dat wereldwijd verschillende betekenislagen draagt. In bepaalde regio’s, waaronder rurale delen van Iran, zijn gevallen gedocumenteerd waarbij veroordeelden, vaak vrouwen, gedwongen worden hun graf te delven als onderdeel van eergerelateerd geweld. Deze praktijk vormt een visuele demonstratie van onderwerping, berusting, en soms zelfs een ‘zuiverende’ dood.

Wanneer deze handeling in beeld wordt gebracht – zoals in de video van Hamas – krijgt ze een bijkomende lading. De gijzelaar lijkt niet enkel slachtoffer, maar wordt ook voorgesteld als iemand die zijn lot aanvaardt, of erin berust. Zo ontstaat een subtiele, maar krachtige suggestie van zelfoffer. Dit maakt het voor de propagandist mogelijk om de morele verantwoordelijkheid van de daad te verschuiven: de grens tussen dader en slachtoffer wordt troebel, vervaagt en ‘bekeert’ zich religieus.

Culturele en universele religieuze echo’s

Deze rituele logica sluit aan bij bredere patronen in de regio. In sjiitische martelaarsrituelen, zoals tijdens Ashura in Iran, staat het vrijwillig aanvaarden van lijden centraal. Martelaarschap wordt er gezien als sacrale verheffing, als overwinning op onrecht. Hoewel Hamas als soennitische beweging verschilt in theologie, is de invloed van Iraanse (sjiitische) beeldvorming niet te onderschatten, zeker gezien de politieke banden. De visuele stijl en tragische beladenheid van de video lijken deels geïnspireerd op deze rituele vormen.

De mythische zuil is geen narratief, maar een religieuze onderlaag van alle oorlogen.

De video van de gegijzelde man die zijn eigen graf delft, is meer dan een tragisch moment van terreur. Het is een zorgvuldig geënsceneerd visueel ritueel dat echoot met religieuze, culturele en historische symboliek. Door gebruik te maken van deze krachtige beelden tracht Hamas zich niet enkel politiek te positioneren, maar ook moreel te rechtvaardigen. Toch wijst de grimmige ironie op een fundamentele spanning: door daden die zij aan Israël verwijten zelf te ensceneren, lopen propaganda en morele contradictie pijnlijk in elkaar over.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : de omkering der waarden in Iran, de door de heersers/priesters opgelegde religieuze slavernij van het zelfoffer van het eigen volk, de eenheid van religieuze rituelen en oorlogsrituelen)

Bibliografie

·       Kepel, G. (2025). Avec ces vidéos d’otages, le Hamas veut se repositionner. Le Point. https://www.lepoint.fr/monde/gilles-kepel-avec-ces-videos-d-otages-le-hamas-veut-se-repositionner-05-08-2025-2595743_24.php

·       Human Rights Watch. (2008). “I Wanted Him Dead”: Honor Crimes in Iran. https://www.hrw.org

·       Taheri, A. (2001). Ritual and Symbol in Shi’a Islam. London: I.B. Tauris.

‘Raptores orbis, postquam cuncta vastantibus defuere terrae, mare scrutantur: si locuples hostis est, avari, si pauper, ambitiosi, quos non Oriens, non Occidens satiaverit: soli omnium opes atque inopiam pari adfectu concupiscunt. Auferre trucidare rapere falsis nominibus imperium, atque ubi solitudinem faciunt, pacem appellant.’

Tacitus, Agricola 30.4-5:

 ‘Rovers van de wereld, nadat voor hun allesverwoestende (allesvernielende) handen de landen niet meer volstonden, doorzoeken zij de zee: als de vijand rijk is, zijn zij hebzuchtig; als hij arm is, zijn zij eerzuchtig; noch het Oosten, noch het Westen heeft hen kunnen verzadigen: zij alleen van iedereen begeren rijkdom en armoede met gelijke hartstocht. Rooftocht, slachting, plundering, geven zij de valse naam van rijk; en waar zij een verlatenheid (vernieling, woestenij)  maken, noemen zij het vrede.’

KAN DE OORLOG IN OEKRAÏNE BEEÏNDIGD WORDEN VANUIT HET ZICH ZACHT SPIEGELENDE, ZELFHERINNERENDE ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN ?

De woorden van Tacitus, over ‘rovers van de wereld’ die ‘verlatenheid vrede noemen’, resoneren vandaag de dag nog steeds. Ze werpen een scherp licht op de aard van verovering en de rechtvaardigingen die daarvoor worden gezocht. Maar wat als we deze destructieve dynamiek vanuit een ander perspectief benaderen? Kan de oorlog in Oekraïne worden beëindigd vanuit een zacht spiegelend, zelfherinnerend zelf als zelfbewustzijn? Dit vraagt om een situering van het Aramese ‘Nafsha’ als het individuele, discontinue, stabiliserende, onopofferbare en onvernietigbare zelf – ja, het individu bestaat echt! (1) Een oorlog kan pas worden beëindigd als de kern van de mythische ondersteunende zuil wordt ontdekt en de religieuze propaganda in kaart wordt gebracht. Dit is de strijd van het Volkerenrecht tegenover mythische zuilen. Kunnen we we de mythische kern van president  Vladimir Poetins oorlogspropaganda ontdekken ?

De mythische kern van Vladimir Poetins oorlog

Inleiding

Heersers en aanvalsoorlogen

Sommige heersers initiëren aanvalsoorlogen. Er is in dit verband een duidelijk onderscheid te maken tussen aanvalsoorlogen en verdediging (als zelfverdediging), zoals Carl von Clausewitz dit onderscheid reeds hanteerde. Aanvalsoorlogen worden door heersers gevoerd om hun eigen feitelijke (niet-geïnstitutionaliseerde) macht zo lang mogelijk te handhaven. Deze macht wordt ondersteund door hun zelfvergoddelijkte, ambivalente ‘meerzijn’ ten aanzien van hun eigen volk, dat zij opofferen en vernietigen, verpakt in de illusie van oorlogsenthoesiasme of afgedwongen door collectieve terreur (doorgaans de werkelijkheid).

Het moment van de aanval is een religieus (en in de oudheid ritueel) goddelijk waanzinsmoment. Dit beantwoordt aan, en is zelfs equivalent met rituelen uit de oudste wereldreligie: het animisme, en later het sjamanisme (als oerreligies ten aanzien van alle andere religies). Het is het moment waarop de sjamaan ritueel, initiatief en transformatief, terugkeert naar de oerchaos van de totale zelfvernietiging. Hij keert terug naar een toestand van een lijk in ontbinding (totale anomische chaos), waaruit een andere, nieuwe ordening ontstaat. Het lijk staat centraal als religieuze bevestiging van het geslaagde zelfoffer. We kunnen stellen dat reeds voor zijn herordenend ritueel de sjamaan als een lijk werd aanzien door de aanhangers van de religie.

Het voorbeeld van Adolf Hitler: de waanzin van het extreem meerzijnsverlangen

Op het moment dat Hitler Polen wilde aanvallen, stond hij op het hoogtepunt van zijn zelfvergoddelijkte meerzijn. De annexatie van Oostenrijk (de ‘bloemenoorlog’) en Tsjecho-Slowakije (het verdrag van München) werden voor Hitler een overweldigend succes. Het enthousiasme – de ‘in God zijn’ van de heerser in synergie met zijn volk – de religieuze bereidheid om zich voor hem op te offeren – bereikte een ongekend hoogtepunt.

Laurence Rees beschrijft in The Nazi Mind (2025) hoe een regionaal commandant van de Hitlerjugend, de ‘onbeschrijfelijke’ euforie zag toen de Wehrmacht Oostenrijk binnentrok in maart 1938. Mensen vroegen vóór de invasie al wanneer de annexatie zou plaatsvinden, zelfs toen Hitler er nog niet eens over sprak. Een andere nazie-aanhanger, Bernd Linn, getuigde van de ‘opwinding’ bij zijn intocht in Oostenrijk en de overvloed aan wijn en gejuich. De viering in Wenen, in het keizerlijk paleis, was ‘de beste sfeer. Er was geen weerstand of iets anders.’

Maar achter deze façade van bloemen en wijn schuilde een grimmige realiteit. De nazi’s wisten dat een aanzienlijk aantal Oostenrijkers hen tegenstond. Himmler en Heydrich vlogen in de vroege ochtend van 12 maart naar Wenen, nog voordat de rest van de Duitse troepen arriveerde. Met hun veiligheidspolitie hadden ze uitgebreide lijsten voorbereid van meer dan 20.000 mensen die ze wilden arresteren. Sommigen werden naar het concentratiekamp Dachau gebracht, anderen naar het nieuwe kamp Mauthausen, dat een van de dodelijkste concentratiekampen zou worden. (2)

En toch doet de alomaanbeden (met veel propagandabeelden) godheid Hitler aan de vooravond van de aanval in Polen aan zijn generaals volgende verklaring :

“Ziel sei die Vernichtung Polens, seiner lebendigen Kräfte. (…) Daher dürfe es auch kein Mitleid, keine menschlichen Rührungen geben.“ (Het doel moet de vernietiging zijn van Polen, van zijn levende krachten. (…) Daarom mag er ook geen medelijden, geen menselijke gevoelens zijn).
Deze passage, opgenomen in het Neurenberg Document 1014-PS, wordt vermeld in de officiële documentatie van het Internationale Militaire Tribunaal Neurenberg.

Hitler had zijn zelf (als innerlijke energie) als zelfbewustzijn volledig opgeofferd in functie van zijn goddelijk meerzijn. En toch had hij, als zelfvergoddelijkte godheid, meer dan ooit een offeraar nodig om zijn zelf en zijn volk nog meer op te offeren. Het moest een extreem zelfoffer worden (wat later in 1945 in Duitsland ook zou blijken), waarbij de offeraar (hier een heel land) werd uitgedaagd door te stellen dat het doel ‘vernietigen’ was. Het religieus-goddelijke waanzinsmoment van de aanval vormt de kern van Hitlers goddelijke ambivalentie: vernietigen om (niet ‘of’) zelf vernietigd te worden. In die zin was Hitler psychisch niet gek, maar had hij een gekweld zelf dat telkens weer moest worden opgeofferd ter wille van zijn meerzijn. (3)

Hij had een onlosmakelijke band met de goddelijke waanzin als aanvalsdrang, de weg van de goddelijke mania en het goddelijk moira (noodlot). (4)

Waarom het Volkerenrecht zonder het in kaart brengen van de mythische zuil niet operationeel kan zijn

WAT IS EEN MISDAAD TEGEN DE VREDE: DE JURIDISCHE KWALIFICATIE

Artikel 6, subparagraaf (a) van het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal te Neurenberg heeft de militaire strafrechtelijke kwalificatie geformuleerd die hier van belang is. Dit Handvest was het juridische document dat de structuur, de bevoegdheden en de procedures van het Tribunaal vastlegde dat de processen in Neurenberg voerde. Het bepaalde welke misdaden onder de rechtsmacht van het Tribunaal vielen en definieerde de specifieke categorieën van misdrijven, waaronder ‘misdaden tegen de vrede’. Het Handvest vormde het fundament voor de juridische grondslag waarop de nazi-leiders werden vervolgd. (5)

Volgens het Handvest van Neurenberg werd een misdaad tegen de vrede gedefinieerd als:

“HET PLANNEN, VOORBEREIDEN, BEGINNEN OF VOEREN VAN EEN AANVALSOORLOG OF OORLOG IN STRIJD MET INTERNATIONALE VERDRAGEN, OVEREENKOMSTEN OF GARANTIES.”

Een oorlog kan als misdaad tegen de vrede gelden als : de oorlog illegaal is volgens het internationaal recht (bijvoorbeeld geen VN-mandaat, geen zelfverdediging). De oorlog expliciet is gepland of uitgelokt door een staat of leider. Als de oorlog bedoeld is om agressie of hegemonie te vestigen, niet om vrede te handhaven.

Een voorbeeld van een oorlog  die als misdaad tegen de vrede kan gekwalificeerd worden  : de bezetting van het Krim ( 2014) en de Russische inval in Oekraïne (2022).

Zolang de mythische kern van de oorlog in Oekraïne niet wordt ontdekt, kan het Volkerenrecht geen vat hebben op het geweld. Binnen het kader van mythische zuilen bestaat het recht simpelweg niet. Mythologie en recht zijn ten aanzien van rationaliteit als vuur (mythologie) en water (recht dat het vuur van de mythe blust). Zolang het mythisch waanzinnig vuur woedt, is elke vreedzame regeling via het Volkerenrecht onmogelijk.

DE MYTHISCHE KERN VAN VLADIMIR POETINS OORLOGSPROPAGANDA (6)

De mythische kern van Vladimir Poetins oorlogspropaganda is verrassend genoeg afkomstig van de Christelijke religie. Deze kerntheologie vinden we terug in het Katholicisme, Protestantisme en Orthoxie. Uit angst (religieuze terreur) hebben we dit volkomen miskend en het gezien als een betekenisloos randverschijnsel (net zoals we weigeren de Christelijke oorlogspropaganda van Poetin nauwkeurig te ontleden – bijvoorbeeld ‘heel het Westen als satan aanzien’ en dergelijke meer -).

In het Luzjniki Stadion, op 18 maart 2022, haalde Vladimir Poetin Johannes 15,13 en 10,13 aan als fundering van de mythische zuil van zijn aanvalsoorlog in Oekraïne. Hij heeft onder meer verwezen naar het concept van een ‘heilige oorlog’. In de context van de oorlog in Oekraïne heeft Poetin de strijd omschreven als een spirituele, kruistochtachtige onderneming tegen het kwaad. Net als tijdens de kruistochten krijgt wie aan het front sterft, volledige absolutie van zonden (wat het dodelijk zelfoffer zeer aantrekkelijk maakt) van de Russisch-Orthodoxe kerk.

Rusland wordt voorgesteld als de beschermer van traditionele waarden en het orthodoxe geloof, zowel binnen als buiten zijn grenzen. Dit moet door oorlogen worden gewaarborgd. Poetin heeft historische figuren en gebeurtenissen in Rusland met een religieuze connotatie aangehaald om de continuïteit en het goddelijke mandaat van de Russische staat (eigenlijk hemzelf) te benadrukken. In die zin evolueert hij nu stilaan naar het opnemen van communistische religieuze elementen, zoals de personencultus van de godheid Stalin.

DE BETEKENIS VAN DE DOOR POETIN AANGEHAALDE TEKSTEN, VANUIT EEN POSITIVISTISCHE OBJECTIVERENDE LITERAIRE BENADERING

Een objectiverende, positivistische literaire benadering houdt in dat elke vorm van mythologie een literaire dimensie heeft die het mythische overstijgt. Deze dimensie vinden we terug in alle mythologische teksten, zoals die welke ten grondslag liggen aan de Griekse tragedie. Door deze literaire betekenis te ontdekken, ontnemen we heersers de mogelijkheid om zich de mythische dimensie van mythologie toe te eigenen als mythische zuilen ten behoeve van aanvalsoorlogen. Zo ontnemen we de veer die aanvalsoorlogen ondersteunt.

Vladimir Poetin citeerde voormeld twee bijbelverzen tijdens zijn toespraak in het Luzjniki Stadion op 18 maart 2022 om de mythische zuil van zijn aanvalsoorlog te ondersteunen. In die zin is het citeren van deze verzen op zich een daad van agressie.

Johannes 15,13: dit citaat haalde hij als eerste aan om de dodelijke opoffering van zijn soldaten als metafoor voor het zelfoffer van zijn volk te rechtvaardigen.

De tekst luidt als volgt: “Niemand heeft grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Herziene Statenvertaling)

In het Russisch:  “Нет больше той любви, чем если кто положит душу свою за друзей своих.“

(Wat letterlijk vertaald kan worden als “Niemand heeft grotere liefde dan dat iemand zijn leven (soms vanuit het Russisch vertaald als ‘ziel’) geeft (soms vanuit het Grieks ‘neerlegt’) voor zijn vrienden.”) Als het woord ‘leven’ als  ‘ziel’ vertaald wordt  (душу – dushu, van dusha) verwijst hier naar de Griekse psychè.

De Christelijke theologische les van Poetin wordt een flauwe grap wanneer we vanuit een objectiverende, positivistische literaire benadering vertrekken.

De Griekse tekst van Johannes 15:13 is devolgende :

“Μείζονα ταύτης ἀγάπην οὐδεὶς ἔχει, ἵνα τις τὴν ψυχὴν αὐτοῦ θῇ ὑπὲρ τῶν φίλων αὐτοῦ.“

vertaling

Μείζονα (Meizona), groter, meer (accusatief enkelvoud, van meizon, comparatief van megas – groot) ταύτης (tautēs), van deze (genitief enkelvoud vrouwelijk, van houtos – deze) ἀγάπην (agapēn), liefde (accusatief enkelvoud, van agapē – liefde) οὐδεὶς (oudeis), niemand (nominatief enkelvoud) ἔχει (echei), heeft (derde persoon enkelvoud, indicatief tegenwoordige tijd, van echō – hebben) ἵνα (hina), zodat, opdat, namelijk dat (voegwoord dat naar het doel, het resultaat verwijst) τις (tis), iemand (nominatief enkelvoud, onbepaald voornaamwoord) τὴν (tēn), de (accusatief enkelvoud vrouwelijk, bepaald lidwoord) ψυχὴν (psychēn), ziel, leven, zelf (accusatief enkelvoud, van psychē – ψυχή) αὐτοῦ (autou), zijn (genitief enkelvoud mannelijk, van autos – hij/zelf) θῇ (thēi), neerlegt (derde persoon enkelvoud, aoristus, van tithēmi – τίθημι – neerleggen, plaatsen) ὑπὲρ (hyper), voor, ten behoeve van (voorzetsel met genitief) τῶν (tōn), de (genitief meervoud mannelijk, bepaald lidwoord) φίλων (philōn): vrienden (genitief meervoud, van philos – vriend) αὐτοῦ (autou), zijn (genitief enkelvoud mannelijk, van autos – hij/zelf)

De humor schuilt in twee Griekse woorden:

  1. ψυχή (psychē): het werkwoord is: ‘psychō’ (ademen, blazen). De juiste betekenis verwijst naar de verbinding, de combinatie van twee elementen: de levensadem en het zelf als innerlijk zelf. De juiste betekenis is ‘wat leven doet ontstaan, wat leven geeft’.
  2. τίθημι (tithēmi) (in de tekst: ‘θῇ’ (thēi), derde persoon enkelvoud aoristus, van het werkwoord ‘tithēmi’ – τίθημι): de Proto-Indo-Europese wortel is ‘dheh‘. De eerste betekenis is: ‘plaatsen’, ‘zetten’, ‘neerleggen’. De metafoor is die van een overwonnen persoon die zijn wapens neerlegt aan de voeten van de overwinnaar. Dit sluit perfect aan bij de primaire betekenis van ‘neerleggen’ (τίθημι/sīm) als een overgave (het verwijst in omgekeerde zin naar de drie ‘wijzen’ of ‘koningen’ die attributen aan de voeten van een politiek veelbelovend kind kwamen leggen, voor de zelfvergoddelijking van een heerser :  goud, als propagandamiddel door het vervaardigen van munten met de beeltenis van de heerser (munten waren in die tijd ‘het’ sociaal bindmiddel voor de politieke en religieuze propaganda van een heerser; wierook om de altaren voor de offers te bewieroken voor de aanval (eveneens als sociaal bindmiddel voor de heerser); en mirre om het in de strijd gedode lijk van de heerser (waaruit een nieuwe orde ontstaat) te balsemen, om het effect van de ontbinding te maximaliseren als sociaal bindmiddel door het zoveel mogelijk te vertragen, vergelijkbaar met het lijk van Lenin.

In Johannes 15,13 hebben we het beeld van de verslagen strijder die zijn wapens neerlegt in een poging levens te redden. Het is het moment waarop weerstand wordt gestaakt en de macht van de overwinnaar wordt erkend. In deze context is het een teken van machteloosheid en de acceptatie van de nederlaag. De wapens zijn symbolen van de eigen kracht, verzet en strijdlust. Door ze neer te leggen, doet de overwonnene afstand van zijn vermogen om door te vechten tot het uiterste. Het is het einde van het conflict (en potentieel begin van een nieuwe relatie). De strijd is voorbij. Wat volgt, kan gevangenschap, genade of onderhandeling zijn, want de oude confrontatie is beëindigd. Helaas leidde dit in die tijd doorgaans tot ‘slavernij’. In Rome maakten slaven ongeveer een kwart van de bevolking uit en kwamen voor het overgrote deel uit krijgsgevangenschap van de overwonnenen. Zoals Dan Jones stelt in Powers and Thrones (2021), waren er rond de tijd van Augustus naar schatting 2 miljoen slaven op het Italiaanse schiereiland, die elke denkbare rol in de samenleving vervulden, behalve die van heerser. Als die benaderende cijfers een aanwijzing geven, dan bestond ongeveer een vierde van de bevolking uit slaven.

De overgave was (en is nog steeds) de ultieme vernedering, ervaren als een verlieservaring ten aanzien van het ‘meerzijnsverlangen’. Het overwonnen ‘geven’ in Johannes 15,13 is het neerleggen van zijn meerzijns-vergoddelijking in functie van het verwekken van nieuw sociaal leven door het doorgeven van de Griekse ‘psychē‘, dat wat leven brengt, dat wat leven tot stand brengt. Het is geen nihilisme, geen zelfoffer of zelfvernietiging, maar een zijnsvermindering (doorgaans uitsluitend ervaren als een te wreken zijnsverlies), daar waar het zijn te vol is en ten grondslag ligt aan de ontploffing van een aanvalsoorlog. Het moet leeggemaakt worden, maar niet als zelfoffer of zelfvernietiging. Het is precies andersom: het is in functie van het doorgeven van wat leven doet ontstaan.

Het werkwoord dient in een militaire context in het oude Grieks gelezen te worden. Het is de vaak voorkomende Griekse uitdrukking ‘τίθημι τὰ ὅπλα’ (‘tithēmi ta hopla’) – ‘de wapens neerleggen’,  en staat synoniem voor overgave of het beëindigen van de strijd. Historici als Thucydides of Herodotus gebruiken de uitdrukking wanneer een leger of stad zich overgeeft, als men de wapens ‘neerlegt’.

DE ARAMESE BETEKENIS VAN HET WOORD ‘NAFSHA’ 

De Aramese tekst van Johannes 15,13 in de Peshitta (het Syrische Nieuwe Testament, geschreven in een Oost-Aramees dialect) is:

“ܠܝܬ ܠܗ ܐܓܪܬܐ ܪܒܬܐ ܡܢ ܗܕܐ ܕܐܢܫ ܢܣܝܡ ܢܦܫܗ ܚܠܦ ܚ̈ܒܪܘܗܝ.“

vertaling

ܠܝܬ (layt): er is niet (ontkenning van bestaan) ܠܗ (leh): voor hem / hij heeft (dative prefix -voorvoegsel – met of zonder  persoonlijk voornaamwoord, betekent ‘hij heeft’ in dit idioom) ܐܓܪܬܐ (ʾagartā): zeer eigenaardige woordkeuze, waar men het Aramese ‘ḥubbā’ verwacht dat liefde betekent. ‘agartā‘ betekent eigenlijk ‘geschenk’, ‘beloning’. De oudste betekenis van het woord is het ‘huurloon’, het ‘loon’, de ‘vergoeding’ die de soldaat verdiende. (7) Dit is de meest directe en concrete betekenis. Meer algemeen werd het de betaling voor geleverde diensten of arbeid.

ܪܒܬܐ (rabtā): groot, grote (vrouwelijke vorm van rab – groot) ܡܢ (men): dan (voorzetsel van vergelijking) ܗܕܐ(hādā): deze (vrouwelijke enkelvoud, demonstratief voornaamwoord) ܕܐܢܫ (dʾenash): dat iemand (relatief voornaamwoord d- + ʾenash – mens/iemand) ܢܣܝܡ (nesīm): hij zal neerleggen (onvoltooid verleden tijd, van ܣܝܡ – sīm – plaatsen, neerleggen) ܢܦܫܗ (nafshēh): zijn ziel, zijn leven, zijn zelf (van ܢַܦְשָׁܐ – nafshā met bezittelijk suffix -achtervoegsel – h– zijn) ܚܠܦ (ḥlaf): voor, ter wille van, in plaats van (voorzetsel) ܚ̈ܒܪܘܗܝ (ḥavrōhī): zijn vrienden (van ḥabrā – vriend met bezittelijk suffix -achtervoegsel –ōhī – zijn)

De humor schuilt in twee Aramese woorden:

  1. ܢܦܫܐ (nafshā): etymologie: de Semitische wortel betekent  ‘ademen’ of ‘keel’. De keel als leegte, verlatenheid ten aanzien van een overvol goddelijk meerzijn. Deze leegte is niet het ‘niets’, maar een mogelijkheid tot een zachte zelf dat leven geeft. Men kan het vergelijken met de Hebreeuwse ‘nefesh‘. Het woord verwijst naar de hele persoon, het zelf, de mogelijkheid vanuit het zelf levensenergie voort te brengen. Een bijzonder kenmerk van het Aramese woord is het duale karakter ervan. Het omvat de spanning tussen het zelf als ‘doorgeven van levensadem’ en het meerzijnsverlangen als ‘verlangen meer te zijn’, passie, enzovoort. Dit is een Semitische taalfinesse, waarbij de duale betekenis van een woord als humoristische noot wordt gehanteerd. Het Griekse woord ‘psychē‘ vertoont ook elasticiteit, maar is zwakker wat de betekenissen betreft. Het is een accusatief enkelvoud (nafshēh is nafshā met het suffix – achtervoegsel – h voor ‘zijn’). Het is het lijdend voorwerp van ‘nesīm’.
  2. ܣܝܡ (sīm): etymologie: semitische wortel die ‘plaatsen’, ‘leggen’ betekent. De betekenis komt overeen met het Griekse tithēmi als voormeld. Het betekent ‘neerleggen, plaatsen, stellen’. Het is een onvoltooid verleden tijd (of conjunctief) ‘nesīm’; het werkwoord is in de derde persoon enkelvoud, wat ‘hij neerlegt’ betekent.

 

voorgestelde letterlijke vertaling:

“ER IS GEEN OVERWINNINGSBELONING GROTER DAN DEZE, WAARBIJ (DAT) IEMAND ZIJN (HIER BEGINT HET LITERAIR DUALE WOORDENSPEL) ZIJN MEERZIJNSVERLANGEN NEERLEGT -1- ZIJN LEVENSBRENGEND ZELF DOORGEEFT – bij wijze van een overvloedige onuitputtende zelfbron, onopofferbaar en onvernietigbaar – 2 – (BEIDEN GEBEUREN TEZELFDERTIJD) VOOR ZIJN VRIENDEN (ܚܒܪܐ – ḤABRĀ).”

Het Aramese woord ܚܒܪܐ (ḥabrā): Etymologie: de term ‘ḥabrā’ (ܚܒܪܐ) komt uit een Proto-Semitische wortel ‘ḥbr’, die de basis vormt voor concepten van ‘verbinding’, ‘vereniging’, ‘gezelschap’ of ‘binding’. Deze wortel is ook te vinden in het Hebreeuws (חָבֵר – ‘chaver’: ‘vriend’, ‘makker’, ‘kameraad’; חָבַר – ‘chavar’: ‘verenigen’, ‘zich aansluiten bij’) en Arabisch (خبر – ‘khabar’: ‘nieuws’, ‘informatie’, vanuit een wortel die verbinding en kennis van zaken impliceert). De etymologie benadrukt dus de notie van verbinding en gemeenschap. Een ‘ḥabrā‘ is iemand met wie je verbonden bent, iemand met wie je vreedzaam omgaat. Het is iemand met wie je samen eet, reist of werkt. Het heeft de connotatie van associatie, partner of collega. In ruimere zin kan het verwijzen naar iemand met wie je een professionele of zakelijke relatie hebt, of met wie je samenwerkt aan een taak of doel. Een medewerker in een bedrijf of een medewerker in een project. Iemand die deel uitmaakt van een specifieke groep, vereniging of gemeenschap. Dit benadrukt de solidariteit en gedeelde identiteit binnen die groep. Ook een buurman. Soms wordt het gebruikt in de ruimere zin van iemand die dichtbij woont –  de naaste –  of deel uitmaakt van de directe sociale omgeving. Dit benadrukt de nabijheid en interactie.

Het Aramese ‘nafsha‘ heeft in de voormelde zin de betekenis van het vredebrengende zichzelf spiegelende, zich herinnerende zelf als levensbrengend zelfbewustzijn. Johannes 15,13 dient literair in samenhang met Johannes 14,27 gelezen te worden. Het zelf geeft wat leven doet ontstaan door (op voormelde wijze als niet uit te putten zelfbron), wat vrede (als niet uit te putten vredesbron) doet ontstaan. Zelfs de mythische literatuur heeft een literaire samenhang.

Dit heeft niets te maken met het dodelijk zelfoffer dat de Christelijke Poetin uit de dogmatische Christelijke theologie van zelfoffer en zelfvernietiging hanteert. Daarbij worden de mythische teksten dogmatisch-mythisch-theologisch geïnterpreteerd, wat de deur van de literaire, positivistische, objectiverende interpretatie definitief sluit. Dit dodelijk zelfoffer dat Poetin oplegt aan zijn volk, maar niet aan zichzelf (wat vroegere heersers en hun kinderen wel deden, en in de strijd vaak het leven lieten) of aan zijn eigen kinderen, is vanuit een (uitsluitend) literaire analyse van de teksten geen oproep tot oorlog, maar tot het neerleggen van de wapens.

Philippe De Keukelaere

Deze tekst wordt vervolgd met :

het tweede theologisch luik van de Christelijke president Vladimir Poetin : Johannes 10,18 en de onjuiste interpretatie en vertaling van Jesaja, de zogenaamde ‘lijdende dienaar’ (de verbinding van deze twee woorden komt in de tekst niet voor), onder andere vers 53,10  in de René Girard – Raymund Schwager theorie door René Girard, en de onjuiste kritiek van Girard vanuit een literaire positivistische benadering, die Raymund Swager schreef.

(1)De betekenis van het Aramese ‘nafsha’ is onlosmakelijk verbonden met ieder individu, het is het meest particuliere dat bij de mens tezelfdertijd het meest universele is. Het zelf van het individu is individueler dan zijn individuele autonomie, die vaak mimetisch is. Het Aramese ‘’nafsha’ is immers bij iedere mens een bevrijding uit het rivalitair mimetische.

Als we de Hebreeuwse woorden hanteren, stellen we vast : dat ‘ruah’ ieders levensadem is, ‘nefesch’ ieders onopofferbaar en onvernietigbaar individueel zelf. Beiden vormen de primaire fysische en psychische structuren van ieder individueel mens. Men hoeft geen lid te zijn van een religie om deze kenmerken te hebben. Onze genen komen ook niet van onze lidmaatschap tot een religie.

Het woord ‘neshima’ daarentegen is specifiek gericht op het mytisch religieuze.  

(2) “Emil Klein, now a regional commander of the Hitler Youth, followed units of the Wehrmacht as they entered Austria that March, and wasn’t surprised by the ‘indescribable’ enthusiasm with which they were greeted: ‘When I went to Austria [before the invasion] people were always asking, when will the annexation be, when will we be annexed? At that time Hitler wasn’t even talking about annexation!

One has to have lived through it!’ Another Nazi supporter, Bernd Linn, also witnessed the ‘excitement’ as he marched into Austria. He claimed he was offered ‘wine by the bowl or rather by the bucket … everyone cheered … And later – to cap it all – there was this celebration in Vienna at the imperial palace. [It was] the best atmosphere. There was no resistance or anything else.’

But it wasn’t all flowers and buckets of wine. The Nazis knew that a sizeable number of Austrians opposed them, and so Himmler and Heydrich had flown into Vienna in the early morning of 12 March – reaching the capital even before the rest of German forces arrived in the city. They and their Security Police had prepared extensive lists of over 20,000 people they wanted to arrest. Some were taken across the border to Dachau concentration camp outside Munich, others would be imprisoned in a new camp at Mauthausen near Hitler’s home city of Linz. Mauthausen was to become one of the deadliest concentration camps of all.”  (Laurence Rees, The Nazi Mind, 2025, 138 – 139 ISBN: 978-1-405-97474-5 -).

(3)De Psycholinguïstiek van ’tergen’: van oude wortels tot moderne oorlogsdynamiek

Zichzelfverheerlijkende, zelfvergoddelijkte heersers hebben vaak een persoonlijkheid die anderen op de proef stelt. Dit fenomeen werpt een nieuw licht op het concept van ’tergen’ en de noodzaak van zelfopoffering en zelfvernietiging, ook van het eigen volk, die daaruit kan voortvloeien. De psycholinguïstiek van dit woord, van zijn oude wortels leidt ons naar de complexe dynamiek van moderne oorlogsvoering.

DE ESSENTIE VAN ‘TERGEN’ :

Het Nederlandse woord ’tergen’ omvat diverse betekenissen die allemaal draaien om het opzettelijk veroorzaken van ongemak of leed.

Wat verstaan we onder ’tergen’?

Iemand opzettelijk boos maken of irriteren. Dit is de meest alledaagse invulling, gericht op het oproepen van een emotionele reactie. Denk bijvoorbeeld aan volgende zin: ‘hij tergde zijn zusje door haar speelgoed af te pakken’.

Iemand geestelijk pijn doen door kwetsende opmerkingen of kwetsend gedrag. Hier ligt de nadruk op het berokkenen van psychisch leed. Zoals in het voorbeeld: ‘ze werd getergd door zijn voortdurende spot‘.

(Verouderd of literair) Uiterst frustreren of treiteren, vaak zonder directe agressie. Deze betekenis vinden we vaker in poëtische of formele contexten, en impliceert een subtielere, soms langdurige vorm van kwelling.

De historische reis van het woord ’tergen’

Het woord ’tergen’ heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot zijn Germaanse wortels:

Oudnederlands: Het is verwant aan het Middelnederlandse ‘terghen’ of ‘tergen’.

Germaanse wortel: Het stamt af van een oudere vorm ‘terkaną’, waarschijnlijk verwant aan Oudhoogduits zergen(‘kwellen’) en mogelijk zelfs aan zerren (’trekken aan’, ’treiteren’).

Er ontstond een betekenisverschuiving. De oorspronkelijke betekenis is in de loop van de tijd verschoven van ’trekken, sleuren’ naar ‘in de geest sleuren’ – wat uiteindelijk uitmondde in de moderne betekenis van irriteren of pijnigen.

Het concept van ‘tergen’ is universeel en kent vergelijkbare uitingen in diverse talen:

Taal

Term

Betekenis

Engels

to provoke, to taunt, to torment

Opzettelijk boos maken of geestelijk pijnigen

Duits

ärgern, reizen, quälen

Ergeren, plagen of geestelijk/lichamelijk pijnigen

Frans

harceler, agacer, tourmenter

Lastigvallen, irriteren, kwellen

Spaans

provocar, molestar, atormentar

Uitdagen, lastigvallen, geestelijk pijnigen

Latijn

vexare, lacessere

Treiteren, uitdagen, kwellen (klassieke wortel van veel Romaanse termen)

‘LACESSERE’ IN HET ROMEINS RECHT. PROVOCATIE EN DE JURIDISCHE GEVOLGEN

De Latijnse term ‘lacessere‘ is interessant vanwege zijn specifieke juridische betekenis in het klassieke Romeins recht.

De Juridische Dimensie van ‘lacessere’

Het werkwoord lacessere betekent letterlijk (‘uitdagen’, ‘aanvallen’ of ‘provoceren’. Binnen een juridische context verwees in het Romeins strafrecht het naar:

– het uitlokken van geweld of een conflict.

– het aanzetten tot een strafbaar feit.

-het provoceren van een tegenpartij tot een handeling waarvoor die gestraft kon worden.

Gevolgen in het Romeins strafrecht

– aansprakelijkheid: iemand die een ander ‘lacessit‘ (uitlokt), kon zelf deels verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen van het conflict.

-zelfverdediging: in het Romeinse zelfverdedigingsrecht speelde ‘lacessere‘ een belangrijke rol bij het bepalen van rechtmatigheid. Wie zelf begon met ‘lacessere‘, kon zijn recht op zelfverdediging verliezen. Dit onderstreept de erkenning van een wederkerige dynamiek: provocatie en reactie.

Tortuur en geseling: ’tergen’ als rechtstatelijke strafrechterlijke respons

De vraag of tortuur en geseling, als onderdeel van een strafproces, kunnen worden gezien als een ‘lacessere‘ in reactie op een eerdere ‘lacessere’, en of de bestraffing zelf een vorm van tergen is, is bijzonder prikkelend (om een actueel woord te gebruiken : pittig).

‘Lacessere’ als een dubbele wederzijdse beweging

In het Romeinse denken kon een uitlokking (lacessere) de aanleiding zijn voor een reactie. Wanneer iemand de orde of de staat uitdaagde (lacessit rem publicam), kon het rechtssysteem daarop reageren met vergelding of straffen. De straf fungeert dan als een geformaliseerde reactie op een provocatie.

Tortuur en geseling: een ’tergend’ antwoord

Tortuur of geseling, soms toegepast als straf (poena corporalis) of middel tot waarheidsvinding (bijna uitsluitend bij slaven), had onmiskenbaar een tergende dimensie. Het doel was niet alleen vergelding, maar ook vernedering, angst en onderwerping. De strafrechtelijke respons zelf was een vorm van ’tergen’: een bewuste, gereguleerde actie die de dader fysiek en geestelijk onder druk zette. Bovendien was het herleiden van een verdachte tot de status van slaaf op zich al een tergende factor. Denk aan het geselen van een persoon (een straf voorbehouden aan slaven) of het laten dragen van het terechtstellingsinstrument door de veroordeelde, die zo tot een lastdier (een slaaf werd sociaal geacht niet enkel een zaak te zijn, maar ook een lastdier) werd gereduceerd.

Een juridisch-psychologische reflectie

Dit creëert een symbolische spiegeling: de staat wordt getergd (uitgedaagd, bijvoorbeeld door een bende opstandige slaven) door het misdrijf, en de staat tergt terug door te pijnigen en ’tergen’, te sanctioneren door te ‘lacessere’. Het ene ’tergen’ roept zo het andere op, het tergen dat wanorde veroorzaakt, en het tergen dat orde probeert te herstellen. Een fysieke straf zoals geseling binnen het Romeinse strafproces is deels te begrijpen als een institutioneel ‘lacessere’, een vergeldende reactie op de oorspronkelijke provocatie. Deze straf kon bewust tergen – zowel fysiek als psychologisch – en stond daarmee in een wederkerige relatie tot de oorspronkelijke daad van de dader.

De etymologische achtergrond van ’treiteren’

De exacte oorsprong is onzeker, maar het is waarschijnlijk ontleend aan een Duits dialectwoord of een variant van een Middelnederlands werkwoord. Mogelijk is het verwant aan het Duitse ‘tretzen’ (plagen, uitdagen) of ‘treten’ (trappen, vertrappelen), wat de gedachte aan herhaaldelijk hinderlijk gedrag oproept. Sommige taalkundigen wijzen op een verband met het Oudhoogduitse ‘trezzōn’ (‘uitdagen’, ‘kwellen’). Het woord dook rond de 19e eeuw op in het Nederlands, mogelijk als een informele volkstaalterm. De klankstructuur suggereert een intensiverende, herhalende handeling, wat het woord een kenmerkende ‘mooie’ klank geeft.

Wat houdt ’treiteren’ in?

Opzettelijk en herhaaldelijk iemand irriteren of pesten, dit is de meest gangbare betekenis. Een bekend voorbeeld: ‘hij bleef zijn broer treiteren tot hij begon te huilen‘.

Langdurig emotioneel of psychologisch tergen. Hier krijgt het een zwaardere, bijna sadistische lading. Denk aan: ‘de gevangenen werden getreiterd door hun bewakers‘.

Iemand tot een reactie drijven door kleine pesterijen. Soms wordt het gebruikt in de zin van ‘iemands grens opzoeken’ of ‘zoveel prikken dat iemand terugvecht’. Dit kan verwijzen naar het opzoeken van een ‘offeraar’ (vijand) die zal terugslaan in de vernietiging.

‘Treiteren’ in de juridische en psychologische context

Hoewel ’treiteren’ informeel is, kent het rechtssysteem vergelijkbare begrippen. Psychologisch gezien is ’treiteren’ een vorm van subtiele agressie of microagressie, vaak gericht op emotionele destructie. Het komt voor bij machtsongelijkheid, is herhaaldelijk en doelbewust, en functioneert als een machtsinstrument. Het is zelfs aantoonbaar een onderdeel van religieuze offerrituelen (het ’treiteren’ van het offerdier, reeds in het vroeg Neolithicum) en religieuze overgangsrituelen.

Taalvergelijkingen met het woord kwellen

Taal

Werkwoord

Betekenis

Toelichting

Latijn

vexare

kwellen, lastigvallen

Zeer verwant qua intensiteit aan tergen.

 

lacessere

uitdagen, provoceren

Meer actief, oproepen tot strijd, tot een gewelddadige tegenreactie.

 

irritare

irriteren, ophitsen

Basis van “irriteren”; ligt dichtst bij licht “tergen”.

Grieks

ἐρεθίζω (erethízō)

uitdagen, opjutten, provoceren

Vaak in militaire of politieke context.

 

ἐνοχλέω (enochléō)

lastigvallen, hinder veroorzaken

Ook gebruikt bij irritant gedrag.

 

βασανίζω (basanízō)

kwellen, martelen

Zeer intens; verwant aan ‘tortuur’.

De betekenis van ‘Βασανίζω’: van toetssteen tot marteling

Het Oudgriekse werkwoord βασανίζω (basanízō) heeft een interessante etymologische betekenis.

DE OORSPRONG EN BETEKENIS VAN ΒΑΣΑΝΊΖΩ

Grondvorm: het is afgeleid van het zelfstandig naamwoord βάσανος (básanos).

Βάσανος (básanos), oorspronkelijke betekenis: letterlijk een toetssteen, een stuk harde steen dat gebruikt werd om de echtheid van edelmetalen zoals goud of zilver te testen. Dit impliceerde een middel om echtheid of waarheid te testen.

De betekenis evolueerde van toetssteen naar kwelling. Omdat de waarheid werd ‘getest’ met een toetssteen, verschoof het woord in morele en juridische zin naar beproeving, onderzoek onder druk, en uiteindelijk marteling als middel tot waarheidsvinding.

De werkwoordsvorm βασανίζω: het werkwoord betekent dus letterlijk ‘iemand onderwerpen aan een test’, en concreter ‘martelen, kwellen, fysiek pijnigen’, maar ook ‘innerlijk kwellen, emotioneel lijden veroorzaken’.

Βασανίζω in het Oudgrieks strafrecht

In het klassieke Athene werd marteling (βάσανος) vaak gebruikt als een juridisch toegestane methode om slaven te ondervragen. Men geloofde dat slaven zonder fysieke dwang niet betrouwbaar waren. Basanos was een gerechtvaardigd instrument voor waarheidstoetsing. Vrije burgers mochten in principe niet gemarteld worden. Verklaringen onder basanismós werden als juridisch bewijs geaccepteerd, mits correct uitgevoerd. Βασανίζω kreeg zo een institutionele betekenis: een gerechtelijk geoorloofde vorm van tortuur die werd toegepast op slaven ter controle van hun verklaringen.

Het Romeinse equivalent: ‘quaestio per tormenta’

Het Romeinse strafrecht kende een equivalent: de ‘quaestio per tormenta’ (gerechtelijke ondervraging onder marteling).

Latijnse termen: tormentum (martelwerktuig, marteling), quaestio (gerechtelijk onderzoek), quaestio per tormenta (verhoor door marteling).

Doel en toepassing: Net als bij de Grieken was het doel waarheidsvinding, toegepast op slaven, soms buitenlanders of lieden van lage sociale status. Vrijgeboren Romeinse burgers werden in principe niet gemarteld, tenzij in uitzonderlijke gevallen van majesteitsschennis of samenzwering tegen de staat.

Juridische status: Deze praktijk is vastgelegd in de Digesten van Justinianus (Corpus Iuris Civilis), waar de regels omtrent foltering worden beschreven.

Specifieke verwijzing: In Digesta 48.18.1.23-27 (Ulpianus) wordt tormenta genoemd in de context van de betrouwbaarheid van bekentenissen onder marteling: “Plerique patientia sive duritia tormentorum ita tormenta contemnunt, ut se nulla ratione vera dicturos esse fateantur; alii tanta sunt impatientia, ut potius mentiri quam pati tormenta velint.” (Velen verachten de martelingen zodanig vanwege hun verdraagzaamheid of hardheid, dat zij erkennen op geen enkele wijze de waarheid te zullen spreken; anderen zijn zo onverdraagzaam dat zij liever zouden liegen dan de martelingen te ondergaan.)

In Digesta 47.10.1.pr.1 bevestigt Ulpianus dat tormenta integraal onderdeel zijn van de quaestio per tormenta, een formele ondervragingsprocedure die fysiek lijden omvat.

Tormenta als plagen/tergen: naast de letterlijke betekenis van martelwerktuigen en marteling, had tormenta ook een duidelijke bijklank van plagen, kwellen en tergend handelen. Ulpianus’ beschrijving van de extreme fysieke en mentale last van tormenta als een instrument dat zowel ‘kwelt’ als ‘bewust onderdrukt’ onderstreept dit.

Oorlog en het ritueel van de chaos (het waanzinsmoment), een vergelijking met Sjamanisme

De concepten van ’tergen’, ‘provocatie’ en ‘kwelling’ reiken verder dan individuele interacties en strafrechtelijke procedures; ze vinden ook hun weerklank in de collectieve dynamiek van oorlog. Er kan een symbolische of structurele overeenkomst worden gesteld tussen het moment van een aanval in een aanvalsoorlog en het moment van rituele ontbinding of terugkeer naar chaos, zoals eerder omschreven in sjamanistische en animistische contexten. Hoewel de sjamaan heelt en bijvoorbeeld Hitler zich liet aanspreken met het ‘genezende’ woord ‘Heil’, is er in beide gevallen ook sprake van vernietigende terreur (naast genezing).

Overeenkomsten tussen het waanzinmoment in het ritueel religieus zelfoffer en het ogenblik van de oorlogsaanval :

1. Tijdelijke opschorting van de bestaande stabiliteit

In zowel rituele initiaties als militaire aanvallen wordt de normale, geordende wereld tijdelijk opgeschort. In een aanvalsoorlog vindt een radicale breuk met sociale, morele, economische – veelvuldig voorkomende hongersnood –  en politieke normen plaats, met een overgang naar een toestand die versnellend  evolueert naar  anomie of chaos. Dit komt overeen met het liminale moment in rituelen: het tussenstadium waarin bestaande identiteiten en structuren verdwijnen.

2. Transformatie van het zelf (of collectief zelf) 

De aanvaller, of het collectieve lichaam van het leger, vernietigt symbolisch (en fysiek) zijn vroegere identiteit als ‘normale burger’ of vredelievende samenleving. In plaats daarvan treedt men binnen in een toestand waarin het doden van de ander gerechtvaardigd is, met een radicale psychologische herstructurering van het zelfbeeld. Dit stemt overeen met de fase van ‘zelfdestructie’ bij de sjamaan, zij het in specifieke zin, niet gericht op genezing, maar op dominantie of vernietiging. Dit verklaart het belang van posttraumatische oorlogsstress bij allen die betrokken zijn bij oorlog, de psychische zelfvernietiging van het mislukte zelfoffer. Duitse soldaten die onverzorgd terugkwamen uit de Eerste Wereldoorlog legden de kiemen voor het nationaalsocialisme en het verlangen naar een nieuwe oorlogservaring. Heersers als Poetin vrezen de terugkeer van hun getraumatiseerde militairen, omdat deze sociaal onhandelbaar kunnen worden. Ook religieuze sekten veroorzaken bij hun leden soortgelijke trauma’s, wat de constante link tussen oorlog en religie benadrukt.

3.Contact met krachten buiten de menselijke rationaliteit (het waanzinsmoment) 

Oorlog wordt vaak gemobiliseerd via mythologische of sacrale rechtvaardigingen: god, eer, vaderland, zelfoffer (Poetin), zelfvernietiging. Net als sjamanen beroepen oorlogsleiders zich op bovennatuurlijke mandaten of oerkrachten om hun daden te legitimeren (de noodlotgod). Dit zien we terug in concepten als de ‘heilige oorlog’ (alle aanvalsoorlogen zijn ‘heilig’: van Mazzini en de kruistochten tot de islamitische jihad en Poetin’s conflicten), het ‘noodlot’ (de oppergod van Hitler) of het determinisme van het heelal en de geschiedenis dat naar een utopische uitkomst leidt (de communistische goden Lenin en Stalin).

Een terugkeer naar chaos en zelfvernietiging

Centraal ontdekken we dat de sjamaan zijn zelf door de totale zelfvernietiging ervan als waanzinsmoment (zelfoffer, zelfvernietiging) tijdelijk opgeeft om toegang te krijgen tot de wereld van geesten. Een samenleving geeft bij aanvalsoorlog haar zelf (ook de morele, politieke, economische – denk aan hongersnood – stabiliteit) op, als waanzinnig aanvalsmoment door collectieve zelfvernietiging.

Op het eerste gezicht is er een onderscheid, de sjamanistische zelfvernieuwing van de sjamaan is gericht op genezing. Dit geeft ons de indruk dat er een verschil is met oorlogsleiders die herhaaldelijk overgaan tot aanvallen. We mogen echter niet vergeten dat Hitler voor zijn aanbidders ook een vermeende ‘zijnsgenezing’ bracht. De begroeting van de godheid met uitgestrekte arm (als vraag naar genezing) en het tegelijk uitspreken van het woord ‘heil’ verwijst daarnaar. Zoals alle religies, was ook het nationaalsocialisme een zogenaamd ‘genezende’ religie, al was het in werkelijkheid een uitsluitend destructieve religie.

Sjamanistische of animistische rituelen zijn gericht op herstel, wedergeboorte en kosmische orde door zelfvernieuwing en zelfoffer. Aanvalsoorlogen zijn ook gericht op herstel, wedergeboorte en kosmische orde (denk aan Lebensraum en de belofte van duizend jaar ongekend geluk) door zelfvernietiging en zelfoffer. De vorm (chaos, grensoverschrijding, zelfverlies) is dezelfde. Het sjamanistisch ritueel (als het slaagt en niet mislukt) eindigt in een hernieuwde, rituele orde. Oorlogen daarentegen eindigen meestal in totale zelfdestructie. Dit is het enige verschil. Het moment van de aanval in een aanvalsoorlog is structureel hetzelfde als het rituele moment van chaos, zelfopheffing of grensoverschrijding bij sjamanistische of animistische praktijken, maar brengt zelfs geen rituele schijnheling teweeg, enkel vernietiging.

We ontdekken eveneens dat de psychologie van het tergen, van het ritueel zelfoffer van de sjamaan, van het strafrecht, als van de oorlog een symbolisch assymmetrie inhoudt van een wederzijdse verhouding tussen de terger en de heerser in aanvalsoorlogen. De essentie van het tergen en aanvallen is het zoeken naar een reactie van de ‘getergerde’ (tergen en – zich – ergeren hebben dezelfde etymologische oorsprong in het Nederlands)  offeraar/vijand om zelf geofferd te worden. Om omwille van het zelfoffer als ‘terger’ en aanvaller vernietigd te worden. Wat het zelfoffer en de zelfvernietiging van het eigen volk impliceert.

Religies die historisch hun antropisch maximum bereiken, verbrokkelen anomisch in sekten en paramilitaire milities (zoals de Wagner-groep, de ontelbare Islam milities, maar eveneens in de vele andere religies – de Tamil tijgers – enz.). De oudere structuren kunnen deze evolutie niet meer tegenhouden. In deze evolutie wordt ‘tergen’ door het religieuze en omwille van het religieuze een centrale factor. Zoals een vrouwelijke goeroe van een religieuze sekte in een ogenblik van onoplettendheid verklaarde in het Frans : ‘J’aime faire mousser les autres’ (ik laat de anderen graag schuimen). Op het summummoment van de entropie worden religies wat ‘tergend religieus -nieuw mythisch schuim’, dat het effectief geweld van de brokkelgroepen moet verbergen.

(4) Het overzicht van Hitlers annexaties en militaire aanvallen, als uiting van zijn aanvalsdrang: Oostenrijk (Anschluss, maart 1938),  formeel geen militaire aanval, maar wel een annexatie onder dreiging van geweld (eerste dag van bezetting: 20.000 arrestaties door Himmler en Heydrich). Tsjecho-Slowakije (gedeeltelijk in 1938, volledig bezet in maart 1939). Sudetenland werd eerst geannexeerd, daarna het hele land.Polen (1 september 1939), de eerste militaire aanval die de Tweede Wereldoorlog begon. Denemarken (9 april 1940), snel bezet zonder veel verzet. Noorwegen (9 april 1940), strategisch belangrijk voor toegang tot de Noordzee. België (10 mei 1940), neutraal land dat werd binnengevallen op weg naar Frankrijk. Nederland (10 mei 1940), neutraal, maar werd gebombardeerd en bezet. Luxemburg (10 mei 1940), snel bezet als onderdeel van het westelijke offensief. Frankrijk (mei–juni 1940),  tijdelijk gedeeltelijk bezet; Vichy-Frankrijk werd een collaborerend regime. Joegoslavië (6 april 1941), bezet na een staatsgreep tegen de pro-Duitse regering. Griekenland (6 april 1941), in samenwerking met Italië, na Italiaans falen. Sovjet-Unie (22 juni 1941), grootschalige invasie genaamd operatie Barbarossa. Hongarije, Roemenië en Bulgarije, bondgenoten van Duitsland, maar werden later deels bezet toen ze probeerden over te lopen naar de geallieerden. Italië was oorspronkelijk een bondgenoot, maar na Mussolini’s val in 1943 werd Noord-Italië bezet door Duitsland.

(5)Ik ben geen voorstander van de doodstraf. Dit is een ander debat. Ik zou in Neurenberg ter dood hebben veroordeeld, en onmiddellijk de straf in levenslang hebben omgezet. Het uitvoeren van de doodstraf is een terugkeer naar het mythische, als wraak. Het is de omgekeerde weg …

(6)In het Midden-Oosten is veruit de grootste – ik schrijf niet de enige – provider van mythische oorlogszuilen Iran. Dit sedert 1979 en het aan de macht komen van de Mola’s, de religieuze heersers. Zij schonden al snel de onschendbaarheid van een ambassade (een basisbeginsel van het Volkerenrecht, iets dat tot dan toe ondenkbaar was, gijzelden ambassadepersoneel, waardoor president Jimmy Carter niet herkozen werd tot president van de Verenigde Staten – zijn mislukte poging om de gijzelaars te bevrijden -)  Ook hier (zoals in iedere religie) een onlosmakelijk band tussen mythische oorlogszuilen (in heel de wereld zijn ze verbonden met het religieus geweld van de Islam vanuit Iran, aanslagen enz.) van een religie en binnenlandse aanvalsoorlogen tegen de bevolking (vooral de vrouwen), en afwachting van een buitenlandse aanvalsoorlog. De Mola’s vertonen dezelfde gekwelde religieuze persoonlijkheid als alle heersers die tot aanvalsoorlogen overgaan. De aanval van president Vladimir Poetin in Oekraïne is vanuit strategisch geopolitiek standpunt een totale misrekening. Vanuit militair oogpunt is het voor hem geen succes geworden. De menselijke baten/kosten analyse is daarvoor veel te hoog, en het is nog niet gedaan. Een goede militair strateeg weet zoveel mogelijk winst te boeken, door het besparen van zoveel mogelijk manschappen. Sun Tzu’s geschrift ‘De kunst van het oorlogvoeren’ was het eerste militair strategieboek dat inzichten biedt in de psychologie van oorlogvoering, misleiding en het belang van het doorgronden van de vijand). Politiek was het niet de goede keuze. Door het slabakken van zijn oorlog neemt de politieke druk in het zuiden van zijn land toe. Hij zal heel het zuiden van zijn land niet kunnen vernietigen, zoals hij het (bijna) met Tschectchenië deed. Ook die druk zal in de toekomst toenemen. Het verplicht hem de beste bondgenoot te zijn van Iran, en nu ook met een privémilitie in Afghanistan. Belangrijker nog is het ‘contencieus’ over Mongolië. Mongolië behoort historisch niet toe tot de Russische invloedssfeer.

(7)De meest voorkomende overwinningsbeloningen in Rome waren: plundering en buit: voor veel legers in de oudheid en vroege middeleeuwen was de mogelijkheid tot plundering van overwonnen steden of kampen een enorme motivatie. Dit kon variëren van waardevolle goederen, voedsel, tot zelfs gevangenen die als slaven konden worden verkocht of waarvoor losgeld kon worden gevraagd. Hoewel plundering vaak gepaard ging met chaos en wreedheid, was het voor veel soldaten een legitieme en verwachte bron van inkomsten bovenop hun soldij. Donativa (speciale geldbonussen): vooral in het Romeinse Rijk was het gebruikelijk dat generaals (en later keizers) na een belangrijke overwinning of bij hun troonsbestijging grote geldbedragen (donativa) uitkeerden aan hun soldaten. Dit was een cruciale manier om loyaliteit te kopen en te behouden. Landtoewijzingen: vooral in het Romeinse Rijk was een van de meest gewilde beloningen na lange en succesvolle diensttijd de toewijzing van land (agri centuriati) voor veteranen. Dit bood hen zekerheid en een inkomen voor de rest van hun leven. Promotie en eer: succesvolle soldaten konden promotie maken binnen de rangen, wat leidde tot meer aanzien, macht en een hoger salaris. Publieke eerbetonen, medailles en onderscheidingen waren ook belangrijk. Burgerschap (voor hulptroepen): in het Romeinse Rijk konden hulptroepen (soldaten uit niet-Romeinse gebieden) na succesvolle dienst het Romeins burgerschap verwerven, een enorme beloning met vele privileges, zoals het recht op een ‘eervolle dood’ (onthoofding) bij terechtstelling, in plaats van een sociaal schandalige dood. Triomftochten en feesten: hoewel geen directe financiële beloning, waren de grootse triomftochten en feesten collectieve erkenning van hun prestaties, die bijdroegen aan de status en moraal van het leger.

Bibliografie :

Tacitus, Publius Cornelius. Agricola. Oxford: Oxford University Press, 2017.

Tacitus, Publius Cornelius. Agricola. Germania. Vertaald door Vincent Hunink. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2000.

Herodotus. Histories. Boek 9, Hoofdstuk 33, sectie 3.

Gebruikte uitgave: Hude, C. (ed.). Herodoti Historiae. 3rd ed. Oxford: Oxford University Press, 1927 (Oxford Classical Texts).

Bij Herodotus betekent het ‘de wapens neerleggen’ eerder een pauze in de gevechten of het opstellen van de wapens, dan jey neerleggen van de wapens.

Thucydides. History of the Peloponnesian War. Boek 4, Hoofdstuk 79, sectie 2.

Jones, H. Stuart (ed.). Thucydidis Historiae. 2nd ed. Oxford: Oxford University Press, 1942 (Oxford Classical Texts).

Balsdon, J.P.V.D. Roman Women: Their History and Habits. New York: Barnes & Noble, 1962.

Campbell, Brian. The Emperor and the Roman Army, 31 BC – AD 235. Oxford: Clarendon Press, 1994.

Jones, Dan. Powers and Thrones: A New History of the Middle Ages. New York: Viking, 2021.

Eliade, Mircea. Shamanism: Archaic Techniques of Ecstasy. Princeton, NJ: Princeton University Press, 1964.

Eliade, Mircea. Images and Symbols: Studies in Religious Symbolism. New York: Sheed and Ward, 1961.

Eliade, Mircea. Myth and Reality. New York: Harper & Row, 1963.

Eliade, Mircea. The Sacred and the Profane: The Nature of Religion. New York: Harcourt, Brace & World, 1959.

Wirszubski, Chaim. Libertas as a Political Idea at Rome during the Late Republic and Early Principate. Cambridge: Cambridge University Press, 1950.

Internationaal Militair Tribunaal Neurenberg. Document 1014-PS. In: Trial of the Major War Criminals before the International Military Tribunal, Nuremberg, 14 November 1945 – 1 October 1946. Vol. 26. Nuremberg: International Military Tribunal, 1947.

Rees, Laurence. The Nazi Mind. New York: PublicAffairs, 2025.

Shirer, William L. The Rise and Fall of the Third Reich: A History of Nazi Germany. New York: Simon & Schuster, 1960.

Cassese, Antonio. International Criminal Law. 2nd ed. Oxford: Oxford University Press, 2007.

Clark, Ramsey. The Fire This Time: U.S. War Crimes in the Gulf. New York: Thunder’s Mouth Press, 1992.

Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal te Neurenberg (1945). (Officieel: Agreement for the Prosecution and Punishment of the Major War Criminals of the European Axis, and Charter of the International Military Tribunal. Londen, 8 augustus 1945).

Armstrong, Karen. A History of God: The 4,000-Year Quest of Judaism, Christianity and Islam. New York: Alfred A. Knopf, 1993.

Strong, James. Strong’s Exhaustive Concordance of the Bible. Peabody, MA: Hendrickson Publishers, 1890.

Von Clausewitz, Carl. On War. Vertaald en geannoteerd door Michael Howard en Peter Paret. Princeton, NJ: Princeton University Press, 1976.

Boussois, Sébastien, en Boé, Martin. La guerre sainte de Poutine. Paris: VA Éditions, 2023.

Galeotti, Mark. Putin’s Wars: From Chechnya to Ukraine. Oxford: Osprey Publishing, 2022.

Laruelle, Marlène. Russian Nationalism: Imagining Russia: From the Fichtean Nation to the Eurasian Empire. London: Routledge, 2009.

Mitrokhin, Nikolay. “The Russian Orthodox Church and the War in Ukraine.” Journal of Orthodox Christian Studies 5, no. 1 (2022): 87-101.

Snyder, Timothy. The Road to Unfreedom: Russia, Europe, America. New York: Tim Duggan Books (Crown), 2018.

Shanafelt, Mark. Russian Military Thought: From Clausewitz to the Great Patriotic War. New York: Rowman & Littlefield, 2016.

Witte, John Jr., and Frank S. Alexander (eds.). The Teachings of Modern Christianity on Law, Politics, and Human Nature. New York: Columbia University Press, 2006.

Galula, David. Counterinsurgency Warfare: Theory and Practice. New York: Praeger, 1964.

Petraeus, David H., and James F. Amos. FM 3-24 / MCWP 3-33.5 Counterinsurgency. Washington, D.C.: Headquarters, Department of the Army / Headquarters, U.S. Marine Corps, 2006.

Billig, Michael. Banal Nationalism. London: Sage Publications, 1995.

Fairclough, Norman. Language and Power. 3rd ed. London: Routledge, 2014.

Wodak, Ruth, and Michael Meyer (eds.). Methods of Critical Discourse Analysis. 3rd ed. London: Sage Publications, 2016.

De Keukelaere, Philippe. Commented on a deviation of the archaic sacred in suicide killings of an enemy that is demonized, Firenze, Casa del pace, 2007

De Digesten zijn een juridische codificatie. Ze maken deel uit van het Corpus Iuris Civilis van keizer Justinianus (6e eeuw n.Chr.) en bevatten een zeer omvangrijke verzameling fragmenten uit de geschriften van klassieke Romeinse juristen (1e tot 3e eeuw n.Chr.). Deze fragmenten waren vaak discussies over concrete juridische problemen en hun oplossingen, en vormden de basis voor het Romeinse privaatrecht en publiekrecht.

Hoewel Tacitus’ tekst niet in de Digesten voorkomt, zijn er wel raakvlakken en manieren om ze met elkaar te verbinden:

Context van Romeins Recht en Imperium: De Digesten weerspiegelen het rechtssysteem van een imperium dat door Tacitus kritisch wordt beschreven. De juridische principes en regels in de Digesten waren de mechanismen waarmee Rome zijn heerschappij handhaafde en de ‘vrede’ (zoals Tacitus die cynisch definieert) in stand hield. Denk bijvoorbeeld aan bepalingen over slavernij (slaven die voormalige krijgsgevangenen waren, zie de Digesten over eigendomsrecht en personenrecht), buit (regels over occupatio of het verwerven van eigendom door verovering), en contracten die het economische leven binnen het imperium regelden.

Crimen contra pacem (misdaad tegen de vrede): Hoewel de Digesten geen directe definitie van ‘misdaad tegen de vrede’ in de moderne zin bevatten (dit concept is veel later, in Neurenberg, geformaliseerd), bevatten ze wel bepalingen over misdrijven tegen de staat en de publieke orde (crimina publica). Agressieve oorlogsvoering was geen ‘misdaad’ in de interne Romeinse rechtsorde, maar Tacitus’ kritiek toont aan dat er binnen de Romeinse elite wel degelijk een morele discussie was over de aard van het imperialisme. De Digesten zouden de juridische fundamenten bieden waarop het imperium gebouwd was, terwijl Tacitus de morele en menselijke prijs van dat imperium belichtte (vergelijkbaar met de net tegenovergestelde houding van Poetin).

Concepten als ius gentium (Volkenrecht): De Romeinen kenden een vorm van ‘volkenrecht’, het ius gentium, dat betrekking had op de relaties tussen Rome en andere volkeren. Dit was echter geen internationaal publiek recht zoals we dat nu kennen, maar eerder een aantal bepalingen die Rome toepaste in zijn omgang met niet-Romeinen, vaak met Romeinse belangen als uitgangspunt. De Digesten bevatten hierover passages, met name over oorlogsrecht (ius belli) dat ging over de voorwaarden waaronder oorlog gerechtvaardigd was (volgens Romeins perspectief) en de behandeling van gevangenen en overwonnenen. Tacitus’ tekst is een retorische klacht tegen de toepassing van dit ‘recht’ door de Romeinen.

De retoriek van ‘vrede’: De Digesten tonen hoe het Romeinse recht bijdroeg aan de pax Romana (Romeinse vrede), de relatieve stabiliteit die het imperium bracht. Tacitus’ scherpe observatie dat ‘waar zij een verlatenheid maken, zij het vrede noemen’ is een subversie van dit Romeinse concept van vrede. Het juridische apparaat dat in de Digesten wordt beschreven, was het instrument waarmee deze vrede werd afgedwongen en gehandhaafd, maar Tacitus herinnert ons aan de vernietiging die daaraan voorafging.

Berger, Adolf. Encyclopedic Dictionary of Roman Law. Philadelphia: American Philosophical Society, 1953.

Birks, Peter, and Grant McLeod (eds.). Justinian’s Institutes. Ithaca, NY: Cornell University Press, 1987.

Honoré, Tony. Ulpian. Oxford: Clarendon Press, 2002.

Jolowicz, H.F., and Barry Nicholas. Historical Introduction to the Study of Roman Law. 3rd ed. Cambridge: Cambridge University Press, 1972.

Mommsen, Theodor, and Paul Krueger (eds.). Digesta Iustiniani Augusti. 2 vols. Berlijn: Weidmann, 1870.

Spruit, J.E., R. Feenstra, en K.E.M. Bongenaar (red.). Corpus Iuris Civilis: Tekst en vertaling. II. Digesten 1-10. Zutphen / Den Haag: Walburg Pers / Sdu Uitgevers, 1994-2015.

Stein, Peter. Roman Law in European History. Cambridge: Cambridge University Press, 1999.

Watson, Alan. The Law of Persons in the Later Roman Republic. Oxford: Clarendon Press, 1967.

 

IS ER HOOP OP EEN NIET ZELFOPOFFERENDE EN ZELFVERNIETIGENDE VREDE ?
IS HOOP OP EEN NIET SACRIFICIELE NIET UTOPISCHE VREDE MOGELIJK (geen vrede als een illusoire, utopische, totale eindoverwinning, als een Nietzscheaanse zelfoverwinning als zelfvernietiging, omwille van een religieus meerzijn) ?
HET ZACHTE ZICH DISCONTINUE, ZELFHERINNEREND, ZELFSPIEGELENDE ONOPOFFERBAAR EN ONVERNIETIGBAAR ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN
EEN GEWELD REMMEND EVOLUTIONAIRE MENSELIJKE DIMENSIE, DIE CONTINUE ENERGETISCHE STABILITEIT VERWERKT ALS MOGELIJKHEID TOT VREDE
EEN NIEUWE ONTDEKKING VAN DE WERKELIJKHEID EN DE RELATIE TOT DE ANDER
ZACHTHEID ALS VOORWAARDE VOOR CREATIVITEIT EN VERNIEUWING
 
Mijn uitgangspunt is dat na ongeveer 100 jaar, omwille van de receptie van de relativiteitstheorie en de kwantumfysica zich een ongekend inzicht over zwaartekracht ‘ruimtelijke dimensie’, snelheid (tijdelijke dimensie) en niet-weerkaatstbaarheid doorzet. Hierdoor zijn we thans in staat om fenomenen uit de werkelijkheid (zoals geweld en oorlog) te ontdekken vanuit een vernieuwd positivisme.
 
Het woord ‘objectiveren’ kan in dit verband tot een misverstand leiden. Het gaat hier niet om de tegenstelling subject/object, of het zoeken naar een identiteit (de wij/zij verhouding; het zachte zelf is geen zijnsontologische, maar evenmin een fenomenologische identiteit als zijnserkenning).
Het is een onopofferbare en onvernietigbare energie die ons door middel van de (relatieve) rede (niet als een absoluut beginsel, waarvoor we een religieuze cultus zouden moeten instellen – Robespierre -) in staat stelt de fenomenen als fenomenen te ontdekken voor wat ze in werkelijkheid zijn (een evolutionaire mogelijkheid om ze te onttrekken aan de zwaartekracht van instabiliteit, veroorzaakt door onze (dodelijke) zelfofferschaps- en de zelfvernietigingsdrang).
Deze vernieuwing van ons verstand geldt als een vernieuwing van de Verlichting niet vanuit een absolute rede – die als relatief middel een centrale rol blijft vervullen -, maar vanuit ons zachte zich spiegeldende zelfenergie als zelfbewustzijn (stabiliteitsenergie), onopofferbaar en onvernietigbaar.
De energetische zelfcontinuteit is geen zelfoffercontinuïteit of zelfvernietigingscontinuïteit vanuit een oerzelf (existentialisme), dat eigenlijk een intentioneel en zelfsacrificieel oerzijn is, maar ontstaat als evolutionaire mogelijkheid vanuit zelfherinneringscontinuïteit. Het zelf wordt telkens maar energie door de herinnering aan het zelf als zelfspiegelervaring. Vanuit ons zelfbewustzijn dat proactief optreedt naar een telkens weer vernieuwd bewustzijn. Daardoor vernieuwen we ons verstand als ontdekker van fenomenen vanuit voormelde energie, zonder de kristallisering van een zijnsstilstand (omwille van het meerzijn), zonder de zwaartekracht van aantrekking en verstoting, en zonder de weerkaatsingseffecten van botsingen en geweld.
 
In die zin hanteren we de PDK-test. De ‘energisering’ vanuit voormeld zelf als zelfbewustzijn stelt ons in staat het wetenschapsgehalte der bestudeerde fenomenen als wetenschappelijk ten aanzien vanuit de PDK-test.
PDK-test definieert een theorie als onwetenschappelijk wanneer zij actief bijdraagt tot de vermeerdering van de sociale anomie – de ontwrichting van maatschappelijke structuren – of wanneer zij beweert stabiliteit te brengen door het normatief maken van een zelfoffersysteem. (1)
Vanuit dit uitgangspunt biedt de vernieuwde mogelijkheid om een fenomeen te benaderen, zonder de mythische dimensie, eigen aan de zwaartekracht wetten (het is een relatief gegeven, maar deze statistisch benaderende mogelijkheid is er als stabiliteitsfactor).
Om een beeldspraak te gebruiken, zou ik stellen dat men het fenomeen niet identificeert, niet objectiveert – in de betekenis van de tegenstelling objectief /subjectief – maar vanuit een zachte, een zich steeds vernieuwende spiegelende-herinnerende energie dat zich als een onopofferbaar en onvernietigbaar zelf ontplooit tot zelfbewustzijn dat door middel van de daardoor gevormde rede (en niet door goddelijke waanzinsmomenten en fataliteitsmomenten van de meerzijnsreligies (2) ) fenomenen ontdekt vanuit een onopofferbare en onvernietigbare stabiliteit. Het uitgangspunt is niet een zelfoffergebeurren in functie van een meerzijnsdominantie, de illusoire wil, de mimetische wil tot zijnsmacht.
 
Het gaat niet om een plaatsen van het fenomeen in een veld van (zwaarwichtige, zeer ernstige, de opgezwollen zijnsmensen) zwaartekrachten – identiteiten (vanuit een zelfoffermechanica), tegenstellingen subject/object, wij/zij, goede of slechte kant van de geschiedenis, de ene religie (als zijnde de beste, de grootste, die het meest meerzijn produceert, de meest opgeblazen meerzijnsdrang) tegen de andere en vele andere botsende (hemel)lichamen – skeletten of lijken – , maar het plaatsen van het fenomeen als een energetische gegeven, waarvan met het energetisch gehalte kan ontdekken vanuit de verwekte energetische stabiliteit van mijn voormeld discontinue zelf als zelfbewustzijn dat niet onderworpen is aan de wet van de anomie (3de wet van Durkheim) of entropie (2de thermodynamische wet), zij het tijdelijk. Vrede begint met het ontdekken van de fenomenen door middel van voormeld zelf, waardoor we de fenomenen als fenomeen kunnen ontdekken, zonder de zwaartekracht van het meerzijnsverlangen. We leven in een tijdwissel van een periode die vierduizend jaar geleden is begonnen en nu zijn entropisch moment als uiterste anomie beleeft. (3)
De bedoeling van mijn benadering is het reduceren van het individuele en collectieve geweld, omwille van de door de relativiteitstheorie en kwantumfysica geboden mogelijkheid om wat menselijk geweldremmend is, te ontdekken.
In die zin beleven we een tijd die nog onderhevig is aan de benadering van de fenomenen en de andere vanuit de zwaartekracht (grofweg te situeren tussen 2.000 voor onze jaartelling tot 2.000 na onze jaartelling). Het streven tot verpletterende overwinningsvreden (in de eerste plaats religieuze zijnsvermeerdering). In dit streven naar deze vrede, zijn we aan een anomisch geweldtoenemend moment gekomen.
 
Het einde van deze periode kan totaalvernietigend zijn voor de mensheid, maar ook een hoop op de ontdekking van een geweldremmende mogelijkheid bij de mens die steeds groter wordt. Aan ons de keuze.
Hoop betekent dat er een nieuwe benadering bestaat, maar dat deze nog niet zichtbaar genoeg is om tot een ommekeer te komen, tot een trendbreuk. Ik denk opnieuw aan Copernicus en de receptie van zijn ontdekking. Honderd jaar hoop, met tekenen van het zich doorzetten van deze hoop. Niet enkel omdat zijn boek door een aantal wetenschappers uit die tijd (soms op een onjuiste wijze) gelezen werd, maar vooral omdat de totaal nieuwe cartografie (die zich afzette tegen de middeleeuwse), ingeluid door Mercator, onmogelijk zou zijn geweest zonder de inzichten van Copernicus. Het is de vernieuwde cartografie uit de 16de eeuw in Vlaanderen die toen wees op de hoop op een ongekende historische trendbreuk. Het is maar een voorbeeld. Wat we thans meemaken, is van een heel andere aard en is en veel omvangrijker.
 
Philippe De Keukelaere
(wordt vervolgd).
 
(1) In dit verband stellen we vast dat de kwalificatie ‘oorlogsmisdaden’ uit het klassieke internationale strafrecht – hoe waardevol ook – normatief totaal onwerkbaar is geworden en zelfs contraproductief. Ofschoon de kwalificatie recent is, was het bombarderen door de Franse maarschalk Villeroy van de stad Brussel op 13, 14 en 15 augustus 1695 een mijlpaal. Met een grote menselijke en nog grotere materiële schade. Het bombardement op een burgerdoelwit zonder enige militaire betekenis werd aanzien als een echte schande (Paul De Candt, Vlaanderen, Artesië en de Franse Westhoek, 2023, 14). Schande roepen, zich ergeren dient in dergelijke toestanden tot niets, en is totaal onproductief als men de kern van het fenomeen niet aanpakt.
Het voorbeeld is interessant, omdat 1695 in de oorlogen van Lodewijk XIV (een oorlogszieke goeroe) het eerste jaar was, waarbij de geallieerden een overwicht in de strijd hadden. De Franse koning begon eindelijk in te zien dat hij de oorlog wel een zou kunnen verliezen. Het Franse leger diende de citadel van Namen op te geven, in het voordeel van Willem III en zijn troepen. Door deze verlieservaring, als zijnsverinderingervaring, werd de koning woedend. Hij eiste van de veldmaarschalk een onmiddellijk significante tegenaanval. Dan maar Brussel verwoesten. Tragikomisch toch ? In Eeklo was er een verschrikkelijke paniek ontstaan. Men dacht dat Lodewijk XIV Eeklo zou aanvallen en vernietigen (volgens de Eeklose negentiende eeuwse geschiedschrijver August Van Acker).
“Men zegde dat de Franschen toebereidselen tot openlijke vijandelijkheden maakten, dat zij reeds grof geschut te Bellem hadden aangevoerd; dat het fransche leger naar het Oostvrije stond af te zakken en alzoo heel Vlaanderen zou bezetten; dat Engelsen en de Schotten te Brugge, de Spanjaards te Damme en de Hollanders te Sluis oprezen om te velde te komen, en dat er een veldslag omstreeks Eecloo aanstaande was. Vele van onze burgers dachten aan de vlucht. Eenigen gingen naar Sluis, naar Brugge en Damme op inlichtingen uit. Onze wet (de schepenen) zond nu en dan bespieders naar de brugse Vaart; en onze baljuw Jaak De Smit, ging naar Bellem aan de fransche officieren ‘beleefdheden’ bewijzen en namens onze stad ‘courtoisiën’ doen, hen over hunnen aanstaande marsch uithorende.” (August Van Acker,Nieuw Eecloo, afl. in De Gazette van Eecloo en het District, 1890 – 1892, heruitgave stadsarchief Eeklo, 2008)
Ik heb me altijd afgevraagd wat die ‘beleefdheden’ en ‘courtoisiën’ waren ?
De Franse maarschalk koos eens voor een andere stad.
Vraag is of de juridische kwalificatie ‘oorlogsmisdaden’, die ieder kamp nu als een zeil naar zich toetrekt niet meer schade berokkent – als mythisch propagandamiddel -, dan enig zinvol juridisch effect ressorteert ?
Is het als enig militair doel hebben ‘burgerdoeleinden’ aan te vallen al dan niet een ‘oorlogsmisdaad’? Heeft het nog zin een dergelijke vraag te stellen, terwijl heel ons nieuw wapentuig, zoals de zweefbommen (zeer belangrijk instrument als een nieuwe escalatie – zoals vroeger de kruisbogen, het buskruit, de kanonnen (generaal Napoleon viel in zijn gouden tijd alleen aan als hij meer kanonnen kon inzetten dan de vijand), de tanks en de vliegtuigen – om een overwinnende doorbraak te forceren. Zweefbommen die een hele stad (misschien heeft een godheid er reeds eentje ingezet tegen Gomorra en Sodoma), en zelfs een heel land in één klap zullen kunnen vernietigen, zonder de stralingseffecten van atoombommen.
 
(2) Het is Friedrich Nietzsche die het religieus fenomeen heeft weten te definiëren voor wat het is. Het opofferen van het zelf in een zelfvernietigingsmoment, dat als een zelfoverwinning geldt ten aanzien van het persoonlijk en collectief meerzijn. Dit zelfvernietigingsmoment is essentieel voor wie lid wordt van een religie, en meer in het bijzonder van een wereldreligie. Nietzsche was geen nihilist, maar ontdekte het nihilistische moment in iedere religie in functie van een (utopisch), niet nihilistisch absoluut meerzijn. Voor Nietzsche verbleekte het zelfoffermoment van alle religieuze stichters in vergelijking met het enige dat voor hem als het meest absolute gold, dit van de God Dionysus. Het ultieme ‘moment’ is dan ook onmogelijk zonder een dergelijke waanzins- en noodlotgod.
 
Met betrekking tot het ultieme zelfoffermoment werd hij ontegensprekelijk beïnvloed door de Deense filosoof Sören Kierkegaard (hij heeft het nooit toegegeven, maar vermeldde zijn bronnen nooit, omwille van zijn eigen meerzijnsgenialiteit).
 
(3) Men stelt dat het eerste wereldrijk en de eerste wereldreligie deels hun oorsprong vinden in het oude Mesopotamië, specifiek in Uruk en Akkad, maar ze ontwikkelden zich op verschillende wijzen. Het eerste wereldrijk wordt doorgaans toegeschreven aan het Akkadische rijk, gesticht door Sargon van Akkad rond 2350 voor onze jaartelling. Hij verenigde grote delen van Mesopotamië en zijn rijk strekte zich uit van het huidige Iran tot aan Syrië. Dit wordt vaak beschouwd als het eerste echte imperium in de geschiedenis vanwege zijn omvang, centralisatie en langdurige invloed.
Bepaalde historici stellen echter dat Lugalzagesi van Uruk vóór Sargon al een soort imperium vormde over meerdere stadstaten van Sumer. Zijn rijk wordt beschouwd als een vroege voorloper van Sargons rijk. Tezelfdertijd ontstonden de wereldreligies, die nu hun maximaal entropische moment hebben bereikt (dit wil niet zeggen dat zij zullen verdwijnen).
 
Uruk was het centrum van een vroege godsdienst rond de godin Inanna, een van de oudste en belangrijkste godheden in de Summarische wereld. Haar cultus was wijdverspreid en groeide later uit tot de verering van Ishtar in het Akkadische rijk De godin Inanna begon haar loopbaan (als een ster) als een plaatselijke godin. Eens veranderd in Ishtar werd zij vereerd als de godin van een wereldrijk (in functie van vruchtbaarheid en oorlogswinst – de godin van de strijdlust en de liefde, de planeet Venus van het rijk -). Later werd zij nog de Astarte van de Feniciërs en de Aphrodite van de oude Grieken. De Romeinse tegenhanger van Aphrodite was de godin Venus. Zij gold als de stamgodin (god) van Rome. Keizer Augustus beweerde ervan af te stammen (hij was ontegensprekelijk van goede (goddelijke) afkomst. Religie en zwaartekracht…
 
BRONNEN
 
Nietzsche, Friedrich. Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe in 15 Bänden, Berlin/New York, Walter de Gruyter, 1980.
Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik (oorspronkelijke uitgave: 1872)
Jenseits von Gut und Böse. Vorspiel einer Philosophie der Zukunft (oorspronkelijke uitgave: 1886
Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift (oorspronkelijke uitgave: 1887).
Der Antichrist. Fluch auf das Christentum (geschreven in 1888, eerste uitgave: 1895).
Nietzsche bekritiseert het zelfoffer in de Christelijke religie, waarvan hij acht dat dit geen ‘echt’ religieus zelfoffer is in vergelijking met dat van Dionysus. Wat Nietzsche ook moge beweren, de Christelijke religie hanteert het zelfoffer op dezelfde wijze als alle andere religies, allen meerzijnsreligies. Nietzsche werd hierbij ontegensprekelijk beïnvloed door Sören Kierkegaard, en in het bijzonder door zijn werk ‘Furcht und Zittern’ en het absolute offerkarakter van het Christendom, dat men aan een uniek mensenoffer verbindt.
In Furcht und Zittern (1843) wijst Kierkegaard door middel van het verhaal van Abraham (dat hij vanuit de Christelijke religie herinterpreteert – vanuit literair oogpunt – het is de literaire analyse van de tekst – ja, vanuit de Hebreeuwse taal – die ons de literaire betekenis van de tekst geeft, en niets anders; ik doe soms dingen die religieus niet mogen) de essentie van het Christendom situeert als de absolute goddelijke noodzaak en waanzin van het zelfoffer in functie het meerzijn van dit Christendom. De tekst geen Christelijke of Islamtekst, zoals men het zo vaak stelt. Men verbindt Abraham altijd en uitsluitend met het Christendom of de Islam. Kierkegaard ontdekt het meest centraal en cruciaal element van de absolute zelfopoffering dat inherent is aan het Christelijke geloof, vooral in zijn meest radicale vorm. De essentie van deze religie, zoals van elke religie.
Kierkegaard, onder het pseudoniem Johannes de Silentio – eerste uitgave in het Deens – , contrasteert de ethiek – de universele morele wet die zegt dat je niet mag doden – met de absolute plicht van Abraham tegenover God. Abrahams bereidheid om Isaak te offeren wordt uitgewerkt als een ‘teleologische opheffing van het ethische’: een moment waarop de menselijke, algemeen geldende morele regels tijdelijk worden opgeheven door een hogere, goddelijke opdracht. Dit is geen morele overtreding in de gebruikelijke zin, maar een daad van absoluut geloof die het ethische domein overstijgt. Kierkegaard deed dit in een laatste poging het Christendom (dat in de verdediging was geraakt ten aanzien van de waarden van de Verlichting), een nieuw religieus leven in te blazen. Het is wat geworden, ‘de’ meest centrale mythische zuil van alle moderne Europese oorlogen. Het is de reden waarom in de Duitse loopgraven de meest gelezen boeken de bijbel en deze van Nietzsche waren. Maar in Frankrijk was het niet beter, de katholieke kerk kon uit haar loopgraven komen (in de verdrukking door de Franse revolutie en de wet van 1905) door van het zelfoffer van het zelf een ware, unieke godheid te maken. Maar ook voor de calvinist generaal Robert Nivelle (als opperbevelhebber van de Franse troepen) was het dodelijk zelfoffer van de soldaat op zich de overwinning, het Nietzscheaans meerzijn (vanuit Kierkegaard).
 
Het Christendom als de offerreligie, – te velde – (een gouden eeuw voor de aalmoezeniers !)
 
Het geloof als offer
 
Voor Kierkegaard is het binnengaan in een persoonlijke relatie met God (het geloof) een radicaal zelfoffer van de eigen rationaliteit, zekerheden, en zelfs van de ethische principes zoals wij die vanuit een menselijk perspectief begrijpen (het waanzinsmoment van Nietzsche). Het vereist een sprong in het ongewisse, een overgave aan het absurde, wat als een ‘zelfopoffering’ van de rede en elke vorm van zelfbeschikkingsrecht kan worden gezien. Abraham offert niet alleen zijn zoon, maar ook zijn begrip van moraliteit en zijn comfort in de ethische wereld (de omkering der waarden bij Nietzsche als gevolg van dit zelfoffer)
 
Navolging van Christus
 
Hoewel ‘Furcht und Zittern’ zich richt op Abraham, is de implicatie voor het Christendom duidelijk. Het Christendom, in Kierkegaards interpretatie, vraagt van de gelovige een vorm van zelfverloochening en een bereidheid om alles op te geven voor God. Het ultieme zelfoffer in het Christendom is natuurlijk dat van Jezus Christus zelf, die volgens de theologie zijn leven gaf voor de mensheid. De navolging van Christus kan daarom ook een oproep tot offer en lijden inhouden. Dit impliceert het zelfoffer op het slagveld als nabootsing van het zelfoffer van Christus.
 
De ridder van het geloof
 
De figuur van de “ridder van het geloof” (zoals Abraham) is iemand die het absolute geloof belichaamt. Hij leeft in de wereld, maar zijn innerlijke leven is volledig gericht op God, vaak op een manier die onbegrijpelijk is voor de buitenwereld (die hij daardoor totaal moet verwerpen en vernietigen). Dit vereist een voortdurende innerlijke strijd en een totaal zelfoffer van wereldse erkenning of begrip.
Kierkegaard definieert in ‘Furcht und Zittern’ het Christendom als een religie dat het meest extreem existentiële offer dat van de gelovige eist (eigenlijk hun leven, als mensenoffers, waartoe Abraham bereid was ten aanzien van een kinderoffer, als zijn zelfoffer). Eveneens het zelfoffer van het ethisch-universele ten gunste van een absolute, paradoxale relatie met het goddelijke.
 
Ecce Homo. Wie man wird, was man ist, (geschreven in 1888, eerste uitgave: 1908).
Kal, Victor. Nietzsches ogenblik, 2025 (die de invloed van Kierkegaard op Nietzsche bevestigt)
Einstein, Albert. Zur Elektrodynamik bewegter Körper. Annalen der Physik, vol. 17, nr. 10, 1905, pp. 891-921.
Planck, Max. Zur Theorie des Gesetzes der Energieverteilung im Normalspectrum. (Verhandlungen der Deutschen Physikalischen Gesellschaft, vol. 2, 1900, pp. 237-245.
Schrödinger, Erwin. An Undulatory Theory of the Mechanics of Atoms and Molecules, Physical Review, vol. 28, nr. 6, 1926, pp. 1049 -1070.
Clausius, Rudolf. Ueber die Wärmekraft und die Gesetze, welche sich aus derselben für die Wärmelehre ableiten lassen. Annalen der Physik und Chemie, vol. 79, nr. 4, 1850, pp. 368 -397, 500–524.
Bohr’s Niels, On the Constitution of Atoms and Molecules ,1913.
Broglie’s (de) Louis. Recherches sur la théorie des quanta, (doctoraaatsthesis, uit 1924), 1963.
Heisenberg, Werner. Über den anschaulichen Inhalt der quantentheoretischen Kinematik und Mechanik. Zeitschrift für Physik, vol. 43, nr. 3-4, 1927, pp. 172-198. Ook later in het Frans verschenen in de Proceedings van het 5e Solvay congres te Brussel (1927) in de bundel, getiteld : Électrons et Photons: Rapports et Discussions du Cinquième Conseil de Physique tenu à Bruxelles du 24 au 29 Octobre 1927; de tekst werd pas het jaar daarop (1928) gepubliceerd te Parijs, Gauthier-Villars.
Durkheim, Émile. De la division du travail social. Parijs: Félix Alcan, 1893.
Durkheim, Émile. Le Suicide: Étude de sociologie. Parijs: Félix Alcan, 1897.
De Candt, Paul. Vlaanderen, Artesië en de Franse Westhoek, 2013.
Van Acker, August. Nieuw Eecloo. Afleveringen in De Gazette van Eecloo en het District, 1890–1892. Heruitgave stadsarchief Eeklo, 2008.
Lynn, John A. The Wars of Louis XIV, 1667-1714. London: Longman, 1999.
Nissen, Hans J. The Early History of the Ancient Near East, 9000-2000 BC. Chicago: University of Chicago Press, 1988.
Bottéro, Jean. Mesopotamia: Writing, Reasoning, and the Gods. University of Chicago Press, 1992.
Frankfort, Henri, et al. The Intellectual Adventure of Ancient Man: An Essay on Speculative Thought in the Ancient Near East, University of Chicago Press, 1946.
Wolkstein, Diane, and Samuel Noah Kramer. Inanna, Queen of Heaven and Earth: Her Stories and Hymns from Sumer, New York: Harper & Row, 1983.
Burkert, Walter. Greek Religion. Cambridge, Harvard University Press, 1985.
Copernicus, Nicolaus. De revolutionibus orbium coelestium. Neurenberg:,Johannes Petreius, 1543. (Oorspronkelijke publicatie).
Mercator, Gerardus. Nova et Aucta Orbis Terrae Descriptio ad Usum Navigantium Emendate Accommodata, Duisburg, 1569.
Kuhn, Thomas S. The Copernican Revolution: Planetary Astronomy in the Development of Western Thought, Cambridge, Harvard University Press, 1957.
Verdrag betreffende de Wetten en Gebruiken van de Oorlog te Land (Den Haag IV, 1907)
Verdragen van Genève (1949) en Aanvullende Protocollen (1977)
I. Verdrag van Genève ter verbetering van het lot der gekwetsten en zieken van de strijdkrachten te velde (12 augustus 1949).
II. Verdrag van Genève ter verbetering van het lot der gekwetsten, zieken en schipbreukelingen der strijdkrachten ter zee (12 augustus 1949).
III. Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen (12 augustus 1949).
Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (12 augustus 1949).
 
Een internationaal verdrag dat een internationale tragische grap is geworden.
 
De juridische grap :
 
– het principe van onderscheid (Distinction):
 
Partijen bij een gewapend conflict moeten te allen tijde een onderscheid maken tussen militaire doelen en burgerlijke objecten, en tussen strijders en burgers. Aanvallen mogen alleen gericht zijn op militaire doelen en strijders. Burgers en civiele objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen, markten) mogen niet het doelwit zijn van aanvallen.
Raketten die lukraak worden afgevuurd – wat impliceert dat ze geen specifiek militair doelwit hebben of niet nauwkeurig genoeg zijn om een militair doelwit te raken zonder aanzienlijke nevenschade – schenden dit principe direct. Ze zijn per definitie niet gericht op een militair doel, maar op een gebied waar zich vermoedelijk zowel militaire als civiele objecten en personen bevinden, zonder onderscheid te maken. Dit type aanval wordt een niet-onderscheidende aanval genoemd en is expliciet verboden onder het IHR en vormt een oorlogsmisdaad. Maar ook, de aangevallen partij kan omwille van propagandadistische doeleinden een macabere ‘maskarade commedie ‘met burgers spelen, enkel om medelijen op te wekken, vanuit een slachtoferrol. In deze realtie is alles eigenlijk ‘leugen’ om ter best.
 
– het principe van proportionaliteit (Proportionality):
 
Zelfs wanneer een aanval gericht is op een legitiem militair doelwit, moet de verwachte schade aan burgers of burgerlijke objecten niet buitensporig zijn in verhouding tot het concrete en directe militaire voordeel dat met de aanval wordt beoogd.
Relevantie voor raketten: lukraak afgevuurde raketten zijn vaak inherent disproportioneel. Omdat ze willekeurig inslaan, is het hoogst onwaarschijnlijk dat het behaalde militaire voordeel opweegt tegen de onvermijdelijke en vaak massale burgerslachtoffers en vernietiging van civiele infrastructuur die ze veroorzaken.
Het principe van voorzorg (Precaution):
 
Partijen bij een conflict moeten alle haalbare voorzorgsmaatregelen nemen om de burgerbevolking en civiele objecten te sparen. Dit omvat het doen van alles wat redelijkerwijs mogelijk is om de aanwezigheid van burgers te verifiëren, de aanval te annuleren of uit te stellen als duidelijk wordt dat burgers onevenredig zullen worden getroffen, en effectieve waarschuwingen te geven als de omstandigheden dit toelaten.
IV. Aanvullend Protocol I (1977): Aanvullend op de Verdragen van Genève betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten.
V. Aanvullend Protocol II (1977): Aanvullend op de Verdragen van Genève betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten.
A. Verdrag van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Rome Statuut, 1998). Dit verdrag definieert oorlogsmisdaden in artikel 8 en vormt de basis voor de rechtspraak van het Internationaal Strafhof met betrekking tot dergelijke misdaden.
B. Neurenbergprocessen (1945-1946). Uitspraken van het Internationale Militaire Tribunaal (IMT) die de principes van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en misdaden tegen de vrede definieerde.
C. Internationaal Straftribunaal voor het voormalig Joegoslavië (ICTY) en Internationaal Strafhof voor Rwanda (ICTR). Uitspraken en beslissingen van deze ad-hoc tribunalen hebben de concepten van oorlogsmisdaden en ander internationaal strafrecht aanzienlijk verfijnd.
D. Internationaal Strafhof (ICC), met recentere uitspraken.
Cassese, Antonio. International Criminal Law. 3rd ed., Oxford University Press, 2013.
Cryer, Robert, et al. An Introduction to International Criminal Law and Procedure, 4th ed., Cambridge University Press, 2019.
Fleck, Dieter (red.). The Handbook of International Humanitarian Law, 3rd ed, Oxford University Press, 2013.
Dinstein, Yoram. The Conduct of Hostilities under the Law of International Armed Conflict, 3rd ed., Cambridge University Press, 2016.
ICRC ‘internationaal comité van het rode Kruis’ – website.
Werle, Gerhard, and Florian Jeßberger, Principles of International Criminal Law, 4th ed. Oxford: Oxford University Press, 2020.
Schabas, William A., The International Criminal Court: A Commentary on the Rome Statute, 3rd ed. Oxford: Oxford University Press, 2016.
Howard, M. The Invention of Peace: Reflections on War and International Order. Yale University Press, 2002.
Singer, P.W. Wired for War : The Robotics Revolution and Conflict in the 21st Century. Penguin Press, 2009.
Dunlap Jr., C.C., The Military-Industrial Complex Revisited: From World War II to the Internet. University Press of Kentucky, 2016.
Canetti, E. Masse und Macht, 1960.
Fromm, E. Anatomy of Human Destructiveness. Henry Holt and Company, 1973.
Arendt, H. The Origins of Totalitarianism. Harcourt, Brace and Company, 1951.
Kershaw, I. Hitler: 1889-1936, Nemesis. W. W. Norton & Company, 2000.
Hitler, A. Mein Kampf, 2016.

DE ENERGETISCHE STRUCTUUR VAN HET ZELF ALS EEN ZACHTE ZICH ZELFSPIEGELENDE ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN

HET GEWELDREMMENDE ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN BIJ DE MENS

IS EEN NIET SACRIFICIËLE (niet zelf opofferende, zelfvernietigende) VREDE MOGELIJK ?

INLEIDING

Wat ik schrijf is een stelling, een hypothese, die dient onderworpen te worden aan het falsifieerbaarheidsbeginsel. Het bestaan van het wetenschappelijke falsifieerbaarheidsbeginsel wijst trouwens in de richting van wat ik schrijf.

Het door Karl Popper ontwikkeld falsifieerbaarheidsbeginsel werd eigenlijk al door Albert Einstein geformuleerd.

“Juist op het moment dat hij door het wereldpubliek uitbundig wordt geprezen voor zijn voorspelling van de afbuiging van lichtstralen in het gravitatieveld van de zon, wijst Einstein op het voorlopig karakter van al zijn theorieën.

‘Een theorie kan dus heel goed als onwaar worden geïdentificeerd als de deducties die eraan worden verbonden. Maar nooit kan worden bewezen dat een theorie waar is.’ zegt Einstein nadrukkelijk ‘want je weet nooit of er in de toekomst niet een empirisch feit bekend zal worden dat de consequenties tegenspreekt; en altijd blijven andere denksystemen denkbaar die in staat zijn dezelfde gegevens met elkaar te verbinden.” (Berliner Tageblatt, 25 december 1919, 4de bijlage, geciteerd in : Padova (de), Een eeuw van licht, 2025, 57).

In de klassieke fysica en de moderne kwantumtheorie zijn natuurlijke constanten de fundamenten waarop de stabiliteit van het universum rust. De lichtsnelheid, de gravitatieconstante, en de Planckconstante zijn geen afgeleide grootheden, maar onveranderlijke principes die voorafgaan aan elke meting, beweging of manifestatie.

Mijn stelling is dat naast voormelde constanten er een andere constante in het universum aanwezig moet zijn, die weliswaar op zich niet binnen de Standaard past, maar niettemin onderhevig blijft aan de tweede thermodynamische wet van de entropie (ik kom daar later op terug). Het is deze constante, die de drie navermelde ‘kenmerken’ dient te hebben, die ik hanteer om het zelf van de mens als geweldremmend zelfbewustzijn te definiëren.

Wat als het zachte menselijke zelf, niet als subjectieve ervaring, maar als een energetisch beginsel wordt ontdekt? Wat als het zelf een constante vorm van energie is – zonder massa, zonder zwaartekracht, zonder weerkaatsingsreflectie – en daartegenover het meerzijnverlangen niet een toestand van zelfbewustzijn, maar een mechaniek van reacties, interacties en krachten is?

Ten aanzien van de kwantumfysica ben ik niet de enige die daarover nadenkt.

“Het moet echter worden opgemerkt dat de berekeningen van Hawking, die voorspellen dat zwarte gaten verdampen met een toenemend tempo naarmate ze krimpen, alleen geldig zijn voor zwarte gaten met een massa die veel groter is dan de Planckmassa. Op de schaal van de Planckmassa suggereren modellen dat de verdamping zou kunnen stoppen en plaats zou maken voor stabiele restanten. Dit scenario van restanten is zeer aantrekkelijk, omdat het van toepassing zou kunnen zijn op de oer-zwarte gaten die tijdens de oerknal zijn gevormd, of op die welke het grote terugkaatsen hebben doorgemaakt en zijn overgebleven uit een universum dat voorafging aan het onze… Een belangrijk kenmerk van deze zwarte gaten is hun verwaarloosbare grootte, waardoor ze door materie heen kunnen gaan met minimale interactie, en zich dus gedragen als donkere materie. Opmerkelijk genoeg komen schattingen van hun thermische productie tijdens de oerknal overeen met de waargenomen niveaus van donkere materie.” (Marc Gellier en Amejandro Perez, Des portes vers la gravité quantique, in La recherche, 2025 april/juni, 63).

De verwijzing naar een universum dat het onze zou zijn voorafgegaan is mogelijks een verwijzing naar de Conformal Cyclische Kosmologie (CCC) waardevolle hypothese van Sir Roger Penrose – zeer controversieel -, die de nobelprijs voor natuurkunde – niet voor de ccc hypothese – ontving in 2020.

Penrose stelt het in deze – te kort samengevat en dan ook onnauwkeurig – als volgt : het oneindig uitgedijde en massaloze universum is conform equivalent aan een nieuw, zeer compact en heet universum – de Big Bang van het volgende eon.

Dit betekent dat de conforme structuur van het einde van het ene eon naadloos overgaat in de conforme structuur van het begin van het volgende eon.

De tijdlijn wordt als het ware ‘gerekt’ en ‘samengeperst’ om een nieuwe cyclus te beginnen.

Een van de meest speculatieve aspecten van de CCC hypothese zou de mogelijkheid kunnen zijn dat informatie van het vorige eon sporen zou kunnen nalaten in een huidige (latere) eon.

Penrose heeft gesuggereerd dat dit zich zou kunnen manifesteren als anomalieën in de kosmische microgolfachtergrondstraling (CMB), zoals de ‘Hawking-punten’ (cirkelvormige temperatuurvariaties die het gevolg zouden zijn van botsingen van supermassieve zwarte gaten in een vorig eon).

De hypothese van Penrose is interessant, omdat de energetische stabiliteit die een nieuwe eon mogelijk maakt, niet deze is van een zelfoffer en/of zelfvernietiging, maar van het behoud van een geheugen (als informatieoverdracht).

Zijn hypothese past grotendeels (niet helemaal) in het Standaardmodel (algemene relativiteitstheorie), maar veel minder binnen de wet van de entropie, vermits de ‘geheugenfunctie’ van de eon bij Penrose een natuurlijke constante (als overdracht van informatie) wordt die niet meer onderhevig zou zijn aan de wet van de entropie. (1)

Ik herhaal dat mijn stelling een hypothese blijft, waarbij ik een structurele symmetrie zoek tussen een element uit het heelal, waarvan men het bestaan vermoedt (het kan ook een ander zijn) en het zachte zichzelf zelfspiegelend zelf bij de mens, als een rem op het geweld.

In beide gevallen zijn minstens (er kunnen ook andere zijn) drie dezelfde (symmetrie) natuurlijke constanten vereist. Vermits het bestaan van het element uit het heelal nog niet empirisch werd bewezen, past mijn hypothese niet binnen de Standaardtheorie van de algemene relativiteitstheorie. Mijn hypothese gaat niet in tegen de tweede thermodynamische wet, de wet van de entropie. Vermits het stabiliteitskarakter van het element kan bijdragen tot een stabiliteit die tijdelijk is. Het kan gaan om een relatieve stabiliteit.

1.Het zelf als constante energie

In deze benadering is het zelf geen ontologisch of fenomenologisch concept, maar een pure, onveranderlijke energieconfiguratie, die (zij het tijdelijk) de entropie (anomie) van een menselijk wezen kan stabiliseren. Deze energie beweegt met constante snelheid, is niet onderhevig aan vertraging, zwaartekracht of weerkaatsende reflectie, en staat als constante tegenover de steeds (mimetische) veranderlijke mechaniek van het meerzijn.

Waar het meerzijn een optelsom is van biologische processen, chemische reacties en psychologische constructies – een mechaniek van ontstaan en vergaan – is het zelf een stille, onbegrensde puls van een constante energetische zelfaanwezigheid.

Deze energie is te vergelijken met drie grensgevallen uit de fysica:

Het foton, dat massaloos (in vacuüm – de kwantumbetekenis van het woord -) is. En zich altijd met constante lichtsnelheid voortbeweegt.

Het linkshandige neutrino, dat nauwelijks interactie vertoont met de materie, weliswaar een minimale massa heeft, maar zich grotendeels aan zwaartekracht onttrekt.

Het hypothetische rechtshandige neutrino, waarvan het bestaan nog niet experimenteel werd aangetoond, maar dat per hypothese (theoretisch, omdat er geen enkele empirische bevestiging is) volledig losstaat van elke bekende interactie: geen zwaartekracht, geen elektromagnetisme, geen weerkaatsingsreflectie. Dit entiteittype belichaamt het ultieme model voor het zelf als energetische constante: niet detecteerbaar, niet beïnvloedbaar, maar mogelijk fundamenteel structurerend tot stabiliteit, als geweldremmend effect.

2.Vergelijking met de elementen van het atoom

Het atoom wordt in de kwantumfysica beschreven door onzekerheid, lading en spin, drie begrippen die beweging, interactie en onbepaaldheid belichamen. Als we deze elementen spiegelen aan de drie constanten van het zelf (constante snelheid, niet-zwaartekrachtgevoeligheid, niet-reflectieve weerkaatsende, botsende relatie), ontstaat een nieuw model:

TIJD als constante snelheid, spin (bewegingsrichting zonder massa);

RUIMTE als niet-gravitatiegevoeligheid, positie-onzekerheid (geen vaste locatie);

RELATIE als niet-reflectieve werking ten aanzien van de weerkaatsende materie en de botsende ander, ladingloosheid (geen polariteit).

Deze drie energetische constanten vormen geen gedrag, geen ervaring, maar een permanente energetische achtergrond die onafhankelijk is van fysieke vorm. Het zelf is zo niet op zich een vorm van bewustzijn, maar de energiedrager waartegen het bewustzijn zich aftekent. Ook anticipatief.

3.Kwantuminformatie: relatieve transparantie van deze zelfenergie

In de kwantuminformatieleer wordt informatie gezien als een fysisch feit, gedragen door energetische toestanden. Als het zelf een constante energie is, dan is het niet de drager van informatie, maar de relatieve zelftransparante drager van de mogelijkheid tot interferentievrije interactie. In plaats van gegevens te verwerken, schept het zelf als constante energie de voorwaarden waaronder waarneming kan ontstaan zonder interpretatie of vervorming. De zachte niet weerkaatsende zelfspiegel als zelfbewustzijn.

Coherentie: het zelf blijft relatief intact zolang de drempel van de mechanische projectie van het zijn als meerzijn (die aanwezig blijft) niet overschreden wordt.

Door het zelfbewustzijn waaraan de voormelde zelfenergie aan de basis ligt hebben we de mogelijkheid om de voormelde drempel niet te overschrijden, wat geweldremmend is.

Niet-lokaliteit: het zelf is overal en nergens, niet gebonden aan een positie in het mechanische meerzijngebeuren (sociaal meerzijnverlangen bijvoorbeeld, waardoor we ons ‘lokaal’ (ruimte), ‘historische’ (tijd) en relationeel (rang of groepsidentiteit) continue plaatsen).

Interferentievrijheid: het zelf laat zich niet meten, weerkaatsend spiegelen of beïnvloeden door externe weerkaatsende factoren, het is een relatieve energetische zelftransparantie. Relatief omdat de verhouding ‘zich zelfspiegelend zelf’ en ‘zich weerkaatsend spiegelend zijn’ altijd blijft bestaan. Dit betekent met andere woorden niet dat de mens een totaal transparant wezen zou zijn (in de zin van Rousseau) voor de ander en zelfs voor zichzelf. De relatie tot het meerszijnverlangen blijft steeds bestaan, waardoor een totale transparantie onmogelijk blijft.

Het zijn als mechaniek

In tegenstelling tot het zelf is het zijn een mechanisch proces: opgebouwd uit verlangen, massa, weerstand en materiegevoelige reflectie. Het is onderhevig aan zwaartekracht (verleiden en verstoten, aantrekken en afstoten), thermodynamica (stijgende gevoeligheidstemperatuur bij het botsen met de ander), vergelijkende feedback (als ressentiment) in functie van een mimetische meerzijnstrijd.

Deze mechaniek leidt tot wederzijdse verwarring (het singuliere van het zelf verdwijnt in de onverscheidenheid — het juiste Nederlands woord is eigenlijk niet-onderscheidbaarheid — van het meerzijnverlangen), instabiliteit en uiteindelijk verval. In die zin is het zijn als meerzijnverlangen de plaats van mimetische zijnsverwarring, maar ook van conflict, terwijl het zelf de drager is van continuïteit en geweldloze, niet zelfofferende en niet zelfvernietigende stabiliteit. (2)

Dit betekent niet dat het mimetische op zich negatief zou zijn (zie voetnoot (1))

Stabiliteit als energieconstante

Stabiliteit ontstaat in werkelijkheid niet door een evenwicht binnen het zijn (dat altijd polair en antipolair is, zoals Heraclitus dit heeft ontdekt), maar door afstemming op het zelf als constante energie. Het zijn is nooit stabiel in zijn meerzijverlangen, maar destabiliseert onophoudelijk – zichzelf en daardoor de ander – tot de nihilistische einddestructie (de wet van de entropie – anomie, bij Durkheim – is de kern van het mimetische wederzijds meerzijnverlangen; de wet van de stabiliteitsenergie is een terugkeer – een zich ten aanzien van het volle meerzijn terugtrekkende beweging – naar een minderzijn, niet omwille van dit minderzijn, maar in functie van het zelf. Daardoor is het geen nihilisme.

Waar het zijn tracht te stabiliseren via dominantiepatronen (bazigheid), rollen (denigreren van de ander) en weerkaatsingsreflecties (narcissisme), biedt het als voormeld omschreven zelf een stil, onbreekbaar referentiepunt ten aanzien van het zelfoffer en de zelfvernietiging.

Deze energetische stabiliteit is geen resultaat van beheersing, maar van niet-deelname aan mechanische fluctuatie.

Het zelf als constante energie en het zijn als mechaniek zijn twee relationeel tegengestelde principes.

Het ene is relatief transparant, reflectievrij en massa-onafhankelijk; het andere is reactief, zwaartekrachtgebonden en entropisch.

Bij de mens zijn beiden in verhouding aanwezig. Niet een verhouding van goed of slecht geweld, geen verhouding van goed of slecht zelfoffer, maar een verhouding van meer of minder.

Door het zelf als energetisch gegeven te ontdekken, wordt een nieuw veld zichtbaar waarin de menselijke ervaring niet voortkomt uit een zich steeds wisselende en instabiele innerlijke zijnsintentionaliteit. Omwille van het meerzijn en de zelfvergoddelijking. Het nieuwe veld ontstaat uit een energetische constante, die vanuit de energetische stabiliteit van de parameters een onuitputtelijke bron wordt, van zelfstabiliteit als bron van zelfbewustzijn. Daardoor eveneens een geweldremmende mogelijkheid voor de mens en voorwaarde voor iedere vernieuwing.

(1) In oude Griekse teksten treft men het Griekse woord ‘παράκλητος’ aan. Dit woord bestaat uit twee delen. Het deelwoord ‘παρά’ dat een voorzetsel is en het deelwoord ‘κλητος’, dat een zelfstandig naamwoord is.

Dit woord wordt gewoonlijk vertaald door ‘advocaat’. In een tweevoudige betekenis van een persoon die u verdedigt als u onterecht wordt beschuldigd, en u troost. Men benadrukt daarbij de betekenis van het deelwoord ‘παρά’ als ‘nabij’, ‘naast’. Voormelde vertaling van het woord is niet helemaal onjuist, maar geeft de oorspronkelijke etymologische literaire (als men positivistisch vanuit de literatuur vertrekt, om deze te objectiveren) betekenis van het Griekse woord ‘κλητος’ niet weer.

De proto-indo-Europese stam van het Griekse woord ‘κλητος’ is ‘kel’. Uit deze stam zijn de Nederlandse woorden keel en cel (een hokje) ontstaan. Deze stam heeft de betekenis van een holte, van een leegte, als van een roep (vandaar het verband met de keel). Vanuit deze betekenis moeten we het andere deelwoord ‘παρά’ vertalen als ‘tegen’. De eerste betekenis van het woord ‘παράκλητος’ is een verzet tegen (παρά) de verlatenheid. Een roep tegen de afwezigheid. Het zich herinneren is het zich inneren door middel van een zich constant herhalende mimesisbeweging, die zich verzet tegen (παρά) de verlatenheid (κλητος) (verlatenheid, wanhoop, van het eigen zelfoffer in functie van een meerzijnverlangen als oorsprong van geweld). De presocraat Heraclitus kende het verband : ‘ἐδιζησάμην ἐμεωυτόν – (B101 DK) ‘Ik heb in mijzelf gezocht.’. Het zoeken naar de stabiliteit vanuit de herinnering van het zachte zelf als zelfbewustzijn (het zich inneren van het zich zelfspiegelende zelf) in verhouding tot het zelfoffer van de ander vanuit mijn zelfoffer door die ander : ‘ἀθάνατοι θνητοί, θνητοὶ ἀθάνατοι, ξῶντες τὸν ἐκείνων θάνατον, τὸν δὲἐκείνων βίον τεθνεῶτες.’ (B62 DK) (let op de prachtige ‘omgekeerde’ mimetische woordsymmetrie en vooral de alliteratie door middel van de letter theta (θ), die de zich mimetische herhalende botsende – wederzijds uitspuwende (als een echo) – weerkaatsing van het ‘dode meerzijnverlangen’ weergeeft in de eerste vier woorden van de zin, een taalkundige Mozart uit de oudheid. Het is ook de eerste nauwkeurige definitie van de essentie van wat geweld en oorlog zijn als wederzijdse zelfofferdood ten aanzien van de noodzakelijke wederzijdse offeraars, omwille van het wederzijds meerzijnverlangen.

‘De onsterfelijken zijn sterfelijk, de sterfelijken onsterfelijk:

De eersten leven door de dood van de laatsten,

de laatsten sterven door het leven van de eersten.’

Of nog : ‘Onsterfelijken zijn sterfelijk, sterfelijken onsterfelijk:

Zij leven door elkaars dood,

en sterven elkaars leven.’

Het is Heraclitus die als eerste het verband legt tussen het sterven als leven voor de enen en het doden door de anderen en omgekeerd, omwille van het meerzijnverlangen van de (goddelijke) onsterfelijkheid.

(2) Victor Kal (Nietzsches ogenblik, 2025), stelt dat we Nietzsche als een religieuze denker (ofschoon hij zich afzijdig hield van religies) moeten lezen, waarbij het zelfoffermoment ‘de’ voorwaarde is en daardoor onlosmakelijk verbonden is met de wil tot macht als het verwerven van een meerzijn. Bij het lezen van Kal heb ik de indruk, dat hij dit als een positief element (een positieve verspilling, ‘die Verschwending’) beschouwt. Omdat er een wisselwerking is. Kal maakt hierbij het onderscheid tussen offeren en opofferen (eigenlijk tussen het goede en slechte offer), omdat er bij het offeren een heen en weer beweging is. Het is een heen en weer beweging met betrekking tot het bekomen van een ‘meerzijn’. Men offert om terug te krijgen enzoverder. Dit wordt aanzien als een goed zelfoffer.

“Maar nu gaat hij een stap verder en voegt er nog iets aan toe: ‘hier brengt het leven zich ten offer met het oog op macht’ (da opfert sich Leben – um Macht!; en: setzt um der Macht willen das Leben dran). De wil die zich in het bedoelde ‘offer’ tot uitdrukking brengt, is dus niet zozeer gericht op het leven waarover ik reeds beschik, als wel georiënteerd op ‘macht’ die mij alsnog vergund moet worden. Met het oog op die ‘macht’ zet ik het leven juist op het spel – en exact dit heet hier ‘wil tot de macht’.” (133)

Bij Kal is het zelfoffer positief omdat men bij het offer het meerzijn in retour krijgt. Men offert mythisch (het verbergen van het geweld eigen aan dergelijke offerstructuren) niet op, men krijgt iets terug.

“Integendeel, wie werkelijk offers gebracht heeft, die weet dat hij daar iets voor terug wilde en terugkreeg – wellicht iets van zichzelf in ruil voor iets van zichzelf dat hij hier uit handen gaf, om ginds méér te verkrijgen, wellicht om überhaupt meer te zijn, of om zich tenminste als ‘meer’ te weten.’ (NietzscheJGB 220 Jenseits von Gut und Böse 1886, aangehaald in Kal, 136)

Kal verzacht de ruwheid van de belangrijkste ontdekking van Nietzsche, de ontdekking van het verband tussen zelfoffer en wil tot macht als meerzijn, om het werkelijkheidsgehalte van zijn streven te verzachten.

Kal geeft bijvoorbeeld aan het Duitse woord ‘Wahnsinn’ de betekenis van ‘bevlogenheid’. Eigenlijk is de eerste betekenis gewoon ‘waanzin’.

Er zijn drie zeer ruwe elementen in het religieus zelfoffergebeuren: de Griekse ‘moira’ (het noodlot – de noodlotgod -), het Griekse mania (de waanzin – de goddelijke waanzin -), en de zelfvernietiging (het noodzakelijke zelfoffermoment). Kal houdt geen rekening met het feit dat de religieuze leer van Nietzsche zich tegen hem gekeerd heeft (het kon niet anders) op het einde van zijn leven. Daar vielen de religieuze kern van het noodzakelijk zelfoffer in functie van het meerzijn en de praktijk samen.

“…Deze positie is ‘over hem beschikt’ en is voortaan, zo laat hij keer op keer weten, zijn ‘lotsbestemming’ (Schicksal). Achter het Duitse woord Schicksal gaat voor Nietzsche vermoedelijk het Griekse woord moira schuil – een woord dat hij ongetwijfeld van Plato kent (zie Apologie 33c; Meno 99e; Io 534c), net zoals achter Nietzsches term Wahnsinn (bevlogenheid) zeker Plato’s woord mania schuilgaat (zie Phaedrus 244a e.v.). Onder verwijzing naar Plato zou je daarom kunnen spreken van een ‘goddelijke beschikking’ en van een ‘goddelijke bevlieging’. Het zo te zeggen verandert intussen niets aan de betovering die ons onderwerp is. Ook in de seculiere wereld is het fenomeen ‘betovering’ inmiddels goed bekend.” (51)

Het Duitse ‘Wahnsinn’ (Wahnsinn von der Tat) vertalen door ‘bevlogenheid’ roept vragen op. Als Nietzsche het woord al figuurlijk zou gebruiken, dan denk ik dat we eerder moeten uitgaan van een ‘ineenstorting van alle rationaliteit, die aan de basis van waarden ten grondslag kan liggen’. In die zin is Nietzsche de tegenpool van het niet redelijkheidsbeginsel als marginale toetsing. Nietzsche situeert het leven in de religieuze irrationaliteit van de waanzingod (mania), die eveneens een noodlotgod (moira, Schiksal) is.

Bij Nietzsche is de noodzaak van het zelfoffer om tot meerzijn (wil tot macht) te komen een zelfoverwinning (die Selbstüberwindung, Nietzsche, Also sprach Zaratustra, II,12, aangehaald door Kal 56). Hier raken we de onjuiste waarneming van het zelf – ten aanzien van de ander – als een zijnsverlies dat overwonnen moet worden door het zelfoffer in functie van een meerzijn (uiteindelijk de Übermensch, de zelfvergoddelijkte mens, die niet zeer dikwijls bij Nietzsche voorkomt, maar toch in zijn werk aanwezig is; in dit verband kan men Nietzsche of zijn werk niet definiëren vanuit het seculiere of een seculiere wereld.

De verbinding zelfoffer – meerzijn (in de betekenis van Nietzsche) is de kern van het leven voor Nietzsche. Leven is zelfoffer als verval, als zelfvernietiging in functie van een meerzijn, als een soort ‘tegenprestatie’ dat uit het offer van het zelf ontstaat. Een dergelijk offer, is het ‘goede’ zelfoffer voor Nietzsche en Kal. Door dit offer wordt het zelf een meerzijn (dat binnen het zelf kan worden gesitueerd, maar dit is mythisch om het werkelijk geweld van dergelijke offfertheoriën te verbergen).

Philippe De Keukelaere

Bibliografie :

Beekes, R. S. P. (2010). Etymological Dictionary of Greek. Leiden: Brill.

Combe (de La), P.J. (2025). Le ‘père de toutes choses’, in L’art de la guerre,

Diels, H., & Kranz, W. (1952). Die Fragmente der Vorsokratiker. Berlin: Weidmann.

Einstein, A. (1919). Interview in Berliner Tageblatt, 25 december, 4de bijlage.

Gellier, M., & Perez, A. (2025). Des portes vers la gravité quantique. La Recherche, april/juni, 63.

Greene, B. (2004). The Fabric of the Cosmos: Space, Time, and the Texture of Reality. New York: Vintage.

Kahn, C. H. (1979). The Art and Thought of Heraclitus. Cambridge: Cambridge University Press.

Kal, V. (2005) Nietzsches ogenblik, Prometheus.

Liddell, H. G., Scott, R., Jones, H. S., & McKenzie, R. (1996). A Greek-English Lexicon (9e ed.). Oxford: Clarendon Press.

Padova (de), Th. (2025). Een eeuw van licht, Alfabet uitgevers

Penrose, R. (2010). Cycles of Time: An Extraordinary New View of the Universe. London: Bodley Head.

Popper, K. (1959). The Logic of Scientific Discovery. London: Hutchinson.

Zee, A. (2010). Quantum Field Theory in a Nutshell. Princeton: Princeton University Press.

 

HOE PIETER BRUEGEL DE OUDE ALS VERTEGENWOORDIGER VAN DE VLAAMSE SCHILDERKUNST, DE RELATIE TUSSEN OORLOG EN ZELFVERGODDELIJKTE GOEROES (goeroes zijn geen leiders) ONTDEKT HEEFT

INLEIDING

Mijn bron is het boek van Leo Spaepen : de Bruegelcode, 2025.

Mijn bedoeling is ten aanzien van de evolutionaire mogelijkheid om tot vrede te komen, te onderzoeken welk element het zich zacht spiegelende zelf, zich vanuit het zelfbewustzijn kan verbinden met een ander element (dat het oxytocine- en dopaminegehalte in onze hersenen stabiliseert tot een geweld remmend niveau) als noodzakelijke voorwaarde voor het tot stand komen van vrede.

Het is echter belangrijk voorafgaandelijk eerst een tegenvoorbeeld te geven. 

De ontdekker ervan (ik herhaal dat dit even belangrijk is als ontdekkingen uit de ‘harde ‘wetenschappen’, die ook belangrijk zijn) is een kunstenaar, Pieter Bruegel de Oude.

Ik haal mijn informatie uit voormelde bron, maar zal hoofdzakelijk een verband leggen tussen twee kunstwerken van Bruegel. De triomf van de dood (Prado, Madrid) en de toren van Babel (het exemplaar – er zijn er twee -,  in mijn ogen even waardevolle versies – dat te Wenen in het Kunsthistorisch museum hangt). Eerst behandel ik de twee schilderijen afzonderlijk aan de hand van de informatie die ik in voormeld boek heb gevonden. Om van daaruit het verband te leggen.

Een van de waardevolle elementen van het boek van Spaepen is de verankering van de kunstenaar in de particuliere Vlaamse schilderkunst (wat nog steeds niet algemeen aanvaard wordt, omdat er bijvoorbeeld maar één van zijn schilderijen in een Vlaams museum hangt, de Dulle griet, in 1894 aangekocht door een Duitse koopman in Antwerpen, Fritz Mayer van den Bergh, voor 486 Belgische frank  (116)).

Zijn zoektocht naar het verbinden van de betekenis van de thema’s met de bewogen geschiedenis uit de tijd van Bruegel zijn overtuigend.

Spaepen ontdekt de verschillende genuanceerde dimensies in de kunstwerken van Bruegel.

Ik heb reeds geschreven over ‘de triomf van de dood’. Ik beschikte toen niet over de informatie die ik in het boek van Spaepen heb gevonden. Mijn stelling is dat naast de particuliere verankering van het werk van Bruegel, dit werk ook een universele betekenis heeft met betrekking tot de fenomenen die we pogen op positivistische wijze objectief te ontdekken. Ik zal dit trachten aan te tonen door het verband te leggen tussen de twee voormelde schilderijen.

DE TRIOMF VAN DE DOOD

Spaepen ontleedt het schilderij vanuit drie plannen (hij doorsnijdt het schilderij in drie parallelle delen van noord naar zuid. Hij heeft het over het achterplan, het middenplan, en het voorplan. Het voorplan is een panoramisch landschap dat hij van links naar rechts identificeert. 

a) Het achterplan (dat men ook als voorplan kan lezen, omdat het zelfoffer en de zelfvernietiging uit dit plan op ons afkomt -bij verticale lezing -)

Links herkent hij de kalkkliffen van de Noorzeekust van het Franse Cap Gris-Nez en Cap Blanc-Nez). Rechts de gele zandduinen van Nederland. (94)

Links is er oorlog en woedt de strijd. In het midden hebben we een oprukkend leger van skeletten, die vanuit de heuvels naar het binnenland oprukken (95). Spaepen stelt dat de toeschouwer daardoor de dreiging aanvoelt. Er zijn pogingen om het aanstormend lijkenleger tegen te houden, maar die mislukken (95). Rechts op een duin is er een ontploffing. Het schilderij toont rechts hoofdzakelijk executies van ketters. Er zijn folterraderen (ook links zijn er) en uitgemergelde lijken bengelen aan galgen. Onthoofde lijken. Een deel van een lijk wordt door een hond benadert, er zijn dode skeletten (beenderen) enz…

Terecht stelt Spaepen dat het religieus conflict ook rechts volop aan het woeden is. Hij schrijft : “Samen met de oprukkende skelettenleger maken die taferelen ons duidelijk : het religieuze conflict is ook hier volop losgebarsten, want de voedingsboden ervan, de haat, is hier zo goed aanwezig als in Frankrijk.” (95)

Mijn stelling is (ik gebruik de elementen van Spaepen), dat we links het gewelddadig aspect hebben van de oorlog, het oorlogstreffen zelf. Rechts hebben we wat de oorlog voedt (de voedingsbodem van Spaepen), namelijk de gewelddadige mythische zuil. Het belangrijkste situeert zich echter in het midden. Dit is de geniale uitvinding van Bruegel. De oorlog komt op ons af vanuit het zelfoffer en de zelfvernietiging. Door de tijd terug te draaien en reeds overleden skeletten te schilderen, ontdekt hij dat de kern van wat een oorlog is. Waarom stel ik dat Bruegel is, die het zelfoffer en de zelfvernietiging (die op ons afkomt) als kern van het fenomeen oorlog heeft ontdekt ? 

In 2008 (de instelling werd slechts in 2014 erkend als universiteit) in de vleugel die vroeger eigendom was van de Walpole-Waldegrave familie,  heb ik te Twickenham (groot-Londen) (in 20 minuten tijd, mijn korte spreektijd) gepoogd aan te tonen dat er vanaf het neolithicum tot op heden een menselijke gebarentaal is (reeds aanwezig in het laat paleolithicum; die bijvoorbeeld reeds voorkomt in de  ‘Grotta dell’Addaura’ in Sicilië) die de noodzaak van het zelfoffer – de zelfvernietiging – symbolisch religieus uitbeeldt. Het zijn de opgeheven armen (in religies is het trouwens nog altijd een offergebaar). Opmerkelijk in het schilderij van Bruegel is immers dat de aanvoerder van het afkomend skelettenleger geen lijk is, maar een reus, of godheid (de oorlogsgod ?) – met een levend mensenlichaam -met opgeheven armen. Hij is niet gewapend. Slechts een tweede lijkenreus (of god) die hem op de hielen volgt, is met een speer bewapend en staat klaar om te werpen. Bruegel is een duale kunstenaar. Ook Spaepen merkt dit in zijn boek op (zij het in een andere context als dubbel bodem).

De analyse van Spaepen is waardevol vernieuwend. Hij vertrekt van een horizontaal plan.

Mijn stelling is dat er ook een verticaal plan is. Het verticaal plan vertrekt vanuit de linkerzijde, de toren, van waaruit het skelettenleger vertrekt, verder langs een ommuurde kapel, waar we de indruk krijgen (?) dat de skeletten zich vermaken als in een herberg. Het zou ook kunnen dat zij daar het ‘offergebaar’ (als lichaamstaal) leren. De uitgestrekte armen zouden daarop kunnen wijzen.  Het gros van het skelettenleger wordt nog verder als een rechte hoek geschilderd, waarvan de ‘rechte hoek’ een folterrad raakt aan de rechterzijde.

Het eindpunt is een kruis, dat het spiegelbeeld is van de reus of god met opgeheven armen. Zouden protestanten en katholieken beiden de strijd aangaan, vanuit een mythisch religieuze zuil of het noodzakelijke zelfoffer van een voorbeeldige terechtgestelde als model? De zelfvernietiging van een mythische tragische held, die de zelfofferaars allen moet nabootsen als tragische oorlogshelden?

Als we dezelfde lijn volgen, stellen we vast dat het nu de skeletten zijn die onderling vechten. Een verwijzing naar de verdeling binnen de kampen? Aan gereformeerde zijde, de Lutheranen, de Calvinisten en de Anabaptisten. Maar ook de Katholieke zijde was zeer verdeeld, tussen de meer tolerant gezinde (Willem van Oranje – lang Katholiek gebleven -, Egmont, Hoorn, en zelfs – zij het in veel mindere mate – Margaretha van Parma), en de uitersten, koning Filips II van Spanje en lang (tot hij in ongenade viel; hij werd uiteindelijk ook een zondebok ten gevolge van de onverbiddelijke houding van koning Filip II) kardinaal Granvelle. 

Plots als we naar het zuiden kijken, ontdekken we een naakte man. De man kijkt naar het in de verte aanstormend leger, en meer in het bijzonder naar de reus of god (hier eerder god) met opgeheven armen. Hij zou wel hetzelfde gebaar willen doen (de humor van Bruegel, die als bijnaam had, Bruegel den drol – in de betekenis van het Franse ‘drôle’ en niet in die andere betekenis…die het woord toen niet had – later vergeleek men Bruegel  zelfs met Pallieter (21), wat niet helemaal klopt; hij had wel een diepe zin voor humor), maar heeft een groot probleem. Hij is naakt en moet met zijn andere hand iets verbergen. Het is wellicht te ver gezocht. Toch stel ik de vraag : zou de man symbool kunnen staan voor de erotische sacrificiële ‘mania’ (het Griekse woord), eigen aan de goeroes, die als zelfvergoddelijkte goden aanvalsoorlogen uitvoeren (over de betekenis van de zelfvergoddelijking bij Bruegel later), en daarom anderen zich laten opofferen als mensenoffers zoals tragische helden dat deden. 

De man loopt naar een ommuurde, levenloze tuin. 

Midden in die tuin staat maar één dode boom. In de tuin wordt een lijk begraven door een lijk, zijn er doodshoofden, en twee grote skeletten die een slangbeweging maken om twee doodsklokken te luiden. De klokken hebben de omvang van klokken die in Gotische kathedralen staan. Er is duidelijk een verwijzing naar uw aller voorouder Adam (en hij ziet eruit !), die samen met zijn echtgenote (Mevrouw Eva) uit de tuin van Eden verdreven werd, en nu naar deze ultieme zelfofferplaats en ‘zelfvernietigingsplaats’ die de tuin van eden is geworden, wil terugkeren. 

Het is een ommuurde grafstad geworden, waar enkel lijken en lijkenresten wonen. Als we de lijn vanaf de toren  (Frans zijde), naar rechts (tot aan Nederlandse zijde), verder naar het zuiden volgen, stellen we vast dat de lijn slangvormig is. Zou Bruegel een verband leggen met de oorlog als de erfzonde van de mensheid? 

Zover durf ik het niet stellen. Wat voor mij vastligt, is dat de mythische zuil van de oorlog – die Bruegel ontdekt heeft – de erfzonde van de mensheid is. De erfzonde is een miskenning die we vanuit een hernieuwd positivisme wijze zouden kunnen achterhalen en objectiveren, maar die we – niet omwille van miskenning – maar mythische blindheid niet willen inzien. De diepste laag is het zelfoffer en de zelfvernietiging van het eigen zelf en het zelf van het eigen volk. Hier raken we het particuliere Vlaams aspect van Breugel. Hij drukt immers dit zelfoffer vanuit het religieuze mythische uit, in het bijzonder uit zijn tijd, maar ook universeel. Het verhaal van Adam en Eva is een oud literair Joods verhaal, maar het heeft ontegensprekelijk een universele betekenis (het wil zich literair richten tot de hele mensheid).

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd).

EEN GEWELDREMMENDE KEUZEMOGELIJKHEID, VANUIT DE EVOLUTIE.

DE MOGELIJKHEID VAN EEN INDIVIDUELE EN COLLECTIEVE STABILITEIT ZONDER ZELFOFFERS. EEN ONGEKENDE OVERLEVINGSSTRATEGIE VOOR DE MENSHEID.

EEN VERNIEUWDE POSITIVISTISCHE BENADERING.

We staan voor een bepalende evolutionaire keuze. Voor ieder individu, in de eerste plaats.

Evolutionair hebben we de kans (het geluk, de hoop)  om in de mensengeschiedenis onze overlevingskansen te vermeerderen, door het maken van een keuze vanuit onze kennis als een individuele en collectieve geweldrem.

We nemen de werkelijkheid niet waar zoals ze is. We nemen evenmin de ander waar zoals hij is. Kan ik aantonen dat mijn waarneming van de ander evolutionair voorafgegaan wordt door het zelfoffer van mijn zelf, in functie van een mimetisch meerzijn dan die ander? Hier raak ik aan de evolutionaire structuur zelf van de menselijke hersenen. Dit houdt in dat onze hersenen een evolutionair ‘model’ ontworpen hebben – om de overlevingskansen te maximaliseren – vanuit de structuur zelf van de hersenen. Het betekent met andere woorden dat we in onze hersenen sporen moeten ontdekken van een dualiteit (twee hersenmodellen) : het zelfoffer van het eigen zelf in functie van het eigen harde meerzijn, waarbij het mimetisch verlangen ontstaat uit het zelfoffer van dit zelf, dat kan leiden tot intermenselijke (wederzijdse) rivaliteit en geweld, of de mogelijkheid van een zich zacht spiegelende zich duplicerend autonoom en individueel zelf als zelfbewustzijn als rem tegen het rivalitair geweld. In beide gevallen spelen de spiegelneuronen een belangrijke rol in verhouding tot de dopamineproductie in de hersenen (waarover later meer).

Dit houdt in dat men in onze anticipatieve hersenmodellen sporen moeten vinden van een dualiteit tussen het mimetisch rivalitair verlangen in de hersenfuncties zelf, en een mogelijkheid van autonoom bewustzijn,  eveneens in de hersenfunctie zelf.

In het eerste geval gaan de hersenen de gevolgen van de onjuiste waarneming van de ander homeostatisch (zoeken naar een nieuw tijdelijke stabiliteit, die in werkelijkheid  een pseudo-stabiliteit is) interpreteren vanuit een afbrekende energie van het eigen zelfoffer (omdat het anticipatieve hersenmodel de ander als mijn zelf interpreteert, als een evolutionaire bedreiging voor mijn zelf – een verlies -, waardoor ik mijn eigen zelf ga opofferen (de bron van de wederzijdse mimetische ‘meerzijnsenergie’ in mijn verhouding tot de anderen) in functie van mijn meerzijn. In het tweede geval gaan de hersenen de gevolgen van de onjuiste waarneming van de ander homeostatisch (zoeken naar een nieuwe tijdelijke stabiliteit) anticipatief niet koppelen aan mijn zelfverlies, maar aan de reflectieve zich spiegelden zelf als zelfbewustzijn. De ander wordt in het ene geval de energetische oorzaak van mijn zelfoffer in functie van mijn meerzijn, in het ander geval van de energetische oorzaak van mijn reflecterend zelf. In beide gevallen is er een oorspronkelijke bewustzijnswaarneming. In het tweede geval anticipeert de feedback het anticipatief hersenmodel van het zelfoffer.

Kan ik in de hersenwerking sporen ontdekken van mijn dualistische benadering ?

DE DUALISTISCHE SPIEGELSTRUCTUUR VAN ONZE HERSENEN

Het Caltech Institute (Californië) deed onder leiding van Roger Sperry en Michael Gazzanga een onderzoek bij patiënten die een callosotomie hadden ondergaan. (1)

Het is een chirurgische ingreep waarbij het ‘corpus callosum’ (de hersenbalk) geheel of gedeeltelijk doorgesneden wordt en de verbindingen tussen de linker- en rechterhelft van de hersenen losgekoppeld worden, om epileptische aanvallen te voorkomen.

Bij een eerste onderzoek stelde men vast dat wat de hersenfunctie betreft, er bij de patiënten eigenlijk weinig gewijzigd werd. De onderzoekers gebruikten het woord ‘bewustzijn’ met betrekking tot een verrassend neveneffect van de operatie.

Het neveneffect houdt verband met de informatie die onze linkerhersen aan onze rechterhersenen doorgeven en omgekeerd. Hierbij speelt de hersenstam een essentiële rol.

Het kan in relatie worden gebracht met het streven naar een continuïteitsrol (homeostatisch evenwicht) – dat zich buiten het mimetisch verlangen situeert – vanuit zich twee discontinue spiegelende (die werken als spiegelbeelden) linker- en rechterhersenhelften.

Als men nu de hersenstam doorsnijdt, ontstaat een ‘gespleten brein’.

Wat de ene hersenhelft doet, wordt tegengewerkt door wat de andere hersenhelft doet. Er ontstaat een mimetische meerzijnsstrijd binnen de hersenen tussen de twee hersenhelften.

Men heeft het over de ‘hemisferische concurrentiestrijd’, een werkelijke rivaliteit tussen de twee hersenhelften. Het is hartverscheurend. Zo zal iemand bijvoorbeeld met de ene hand zijn hemd willen dichtknopen terwijl hij met de andere hand de knopen probeert los te maken. Of iemand met de ene arm een persoon omhelzen terwijl de andere arm die wegduwt. Of men opent met de ene hand een deur en wil die tegelijkertijd met de andere hand weer sluiten.(2)

Nu kom ik tot de essentie van mijn tekst. In beide hersendelen is er een zelfbewustzijn aanwezig.

Maar beide ‘zelfbewustzijnen’ kunnen in het voorkomend geval niet communiceren, omwille van het ontbreken van de mogelijkheid van een zich spiegelende zelfbewustzijnsfunctie, die in de hersenen wordt waargenomen door de hersenstam. Dit houdt in dat wie geen callosotomie heeft ondergaan, in zijn hersenen een zich spiegelend – zich tussen de twee hersenhelften verenigende – zelfbewustzijnsfunctie heeft, die de waarneming van de ander als een ‘mimetisch verlangd model’ anticipeert.

Bij wie de ingreep onderging reageren beide hersendelen autonoom, met alle gevolgen van dien.

Het ene bewustzijn interpreteert – omwille van het ontbreken van een spiegelrelatie die de hersenstam mogelijk maakt – bijvoorbeeld het ander foutief.

Het bewustzijn heeft in beide helften een andere functie. In dit verband vervult het bewustzijn zijn duplicerende functie binnen ieder hersenhelft zelf, zonder spiegelcommunicatie met de andere helft.

Het bewustzijnsmechanisme van de twee helften is niet rivalitair. De rivaliteit ontstaat uit de verkeerde informatie die ontstaan tussen de twee ‘zelfbewustzijnen’, die ieder autonoom opereren. Wat zich bij calossotomie voordoet, doet zich eveneens voor bij mijn ontmoeting met een ander.

In zekere zin kan men stellen dat in mijn relatie tot de ander de hersenfunctie kan functioneren vanuit het ‘ontbreken’ van een zich spiegelende hersenstam tussen de individuen. De ander wordt onjuist als mijn eigen zelf – en zelfvermindering of verlies – waargenomen. Wat wederkerig is. Er is echter een andere mogelijkheid, net omdat de zachte zich spiegelende eenheid van mijn bewustzijn behouden kan worden, als een remmende proactieve keuze ten aanzien van het anticipatieve hersenmodel dat de andere harde evolutionaire mogelijkheid biedt, en tot geweld aanleiding kan geven.

De geweld remmende evolutionaire (stabiliserende) keuze vertrekt vanuit een zich spiegelend zelfbewustzijn dat ‘voorafgaandelijk’ de onjuiste waarneming corrigeert. Het is het bewustzijn dat ik mij het ‘zelf’ van de ander niet kan toe-eigenen (tot mijn eigen ‘zelf’ maken) door hem op te offeren –  vanuit mijn zijnsvermeerdering -, vanuit een primaire en voorafgaand bewustzijn van de onopofferbaarheid en onvernietigbaarheid van mijn eigen zelf.  Zijn zelf is ten aanzien van mijn zelf autonoom onopofferbaar en onvernietigbaar, omdat ik voorafgaandelijk bewust ben van het feit dat het mijne dit primair anticipatief is.

Ik kan geen zelfcontinuïteit tot stand brengen tussen zijn ‘zelf’ en mijn ‘zelf’. Evolutionair kan ik dit op twee wijzen overbruggen. Ofwel hanteer ik een anticipatief model vanuit mijn zelfbewustzijn (dat in mijn hersenen autonoom kan ageren) dat het anticipatief zelfoffermodel voorafgaat. Dit is bij de mens de mogelijkheid van een rem op het geweld, zoals de dieren evolutionair binnen de soort dominantiepatronen hebben.

Vanuit het primair zelfbewustzijn dat mijn zelf onopofferbaar en onvernietigbaar is. De andere weg is deze van het zelfoffer en de zelfvernietiging.(3)

Het uitgangspunt van mijn model (dat uitgaat van het positivistisch PDK falsifeerbaarheisbeginsel in menswetenschappen) onderscheidt zich met dat van het René Girard-Raymund Swager mimetisch en sacrificiëel model door te stellen dat de werking van onze hersen bij het waarnemen niet monistisch is, maar dualistisch. Het Girard – Swagermodel (uitsluitende mogelijkheid van geweldbeperkende stabiliteit door het ‘goede’ zelfoffer) vertrekt (het betreft enkel het uitgangspunt) vanuit een evolutionair monistisch hersenmodel, dat we als evolutionair model terugvinden bij Darwin (zoeken naar stabiliteit door aanpassingsstrategieën) en Dawkins (de onmogelijkheid van stabiliteit omwille van de ‘egoïstische’ genen, het zelfoffer als schijnaltruïsme).

Philippe De Keukelaere

(1)Callosotomie is een neurochirurgische procedure waarbij het corpus callosum (de hersenbalk) wordt doorgesneden, voornamelijk om ernstige, onbehandelbare epilepsie te verlichten. Studies naar patiënten met gespleten hersenen (split-brain patiënten) hebben belangrijke inzichten opgeleverd in de lateralisatie van hersenfuncties en bewustzijn.

(2)Hemisferische concurrentiestrijd is een term die verwijst naar de conflicten die kunnen ontstaan tussen de onafhankelijk opererende hersenhelften na een callosotomie, waarbij ze elkaars acties kunnen dwarsbomen.

(3)Vanuit literair standpunt (een positivistische, enkel literaire interpretatie van de Griekse tekst) is het een onvoorstelbare logische nonsens de Griekse ‘kenose’ te interpreteren als een zelfoffer. Het is een zijnsvermindering in functie van een zelfvermeerdering (in de betekenis die ik daaraan geef), een vermindering van de uitstraling van het zijnslicht (dat zich terugtrekt, een soort verduistering van het zijnslicht, maar niet van het zelf).

Vanuit een positivistische literaire benadering kan men de betekenis van ‘het zelfoffer’ in de Hebreeuwersbrief maar ontdekken vanuit de kenose van het ‘zijn’ in functie van het ‘zelf’. In die zin (positivistisch literair) is de tekst  een vernietiging van het zelfoffer in functie van het zijn. Ik geef een literaire aanwijzing (er zijn vele andere aanwijzingen, en mijn analyse is hier zeer onvolledig) :

Het Griekse woord αὐτός (autos), in al zijn grammaticale vormen (zoals αὐτοῦ, αὐτῷ, αὐτόν, αὐτοί, αὐτῶν, αὐτοῖς, αὐτούς, αὐτή, αὐτῆς, αὐτῇ, αὐτήν, αὐταί, αὐταῖς, αὐτάς, αὐτό), komt 175 keer (als ik juist geteld heb, positivisme begint met het nederig optellen van het aantal woorden in een tekst – een intellectuele zijnsvermindering -) voor in de brief aan de Hebreeën in de Griekse tekst.

Dit is een opvallend hoog aantal, in een relatieve korte tekst.

Het gebruik van dit woord is het literair uitgangspunt, vanuit de elastische Griekse taal (ofschoon het een  Indo-Europese taal is) van de tekst. Het is literair een orgelspel tussen twee duale registers, dat van het ‘zelf’ en dat van  het ‘zijn’.

literatuur

Girard, R. (1972). ‘La violence et le sacré’.

Gazzaniga, M.S. (2015). ‘Who’s in charge? Free will and the science of the brain’.

Schechter, E. (2018). ‘Self-Consciousness and ‘Split’ Brains’.

Sperry, R.W., & Gazzaniga, M.S. (1967). ‘The split brain: An interview’.

Reuter-Lorenz, P., & Miller, A. (1998). ‘The Cognitive Neuroscience of Human Laterality’.

« La vision se modifie en observant. La première vision, celle du vulgaire, c’est la ligne simple, sèche, sans recherche de couleur. La seconde période, c’est celle ou l’œil plus exercé discerne les valeurs des tons et leurs délicatesses ;…La dernière est celle où l’artiste voit les subtilités et les jeux multiples de la lumière, ses plans, ses gravitations. Ces recherches progressives modifient la vision primitive et la ligne souffre et devient secondaire. Cette vision sera peu comprise. Elle demande une longue observation, une étude attentive. Le vulgaire ne discernera que désordre, chaos, incorrection. Et ainsi l’art a évolué depuis la ligne du gothique à travers la couleur et le mouvement de la Renaissance, pour arriver à la lumière moderne. » 

James Ensor, Réflexions sur l’art, 1882, in Mes écrits, 1974, 50, ik benadruk)

Het gebruik door Ensor van het woord ‘vulgair’ is een gevolg van een ‘ressentiment’ – dat hij in zijn leven psychisch heeft weten te ‘overwinnen’ – ten aanzien van de officieel erkende academische kunstenaars. Omwille van die kunstenaars werd de jonge Ensor (maar dat zal in heel zijn leven een blijvende trend zijn) niet erkend als een kunstenaar. Vandaar dat hij ze op zijn beurt minacht. 

vertaling : 

« De waarneming verandert door te observeren. De eerste waarneming, die van de gewone mens, is de eenvoudige, droge lijn, zonder zoektocht naar kleur. De tweede periode is die waarin het meer geoefende oog de waarden van de tinten en hun subtiliteit onderscheidt;…De laatste is die waarin de kunstenaar de subtiliteiten en de veelvoudige spelen van het licht, zijn vlakken, zijn zwaartekracht ziet. Dit progressieve onderzoek wijzigt de primitieve waarneming en de lijn lijdt en wordt secundair. Deze waarneming zal weinig begrepen worden. Ze vraagt een lange observatie, een aandachtige studie. De gewone mens zal er alleen wanorde, chaos, incorrectheid in zien. En zo is de kunst geëvolueerd van de lijn van de gotiek via de kleur en de beweging van de Renaissance, om tot het moderne licht te komen. »

ZIJN ER SPOREN BIJ DE MENS VAN HET BESTAAN VAN DE MOGELIJKHEID VAN HET ZICH ZACHT SPIEGELENDE DUPLICEREND ONOFFERBAAR EN ONVERNIETIGBAAR ZELF, ALS ZELFBEWUSTZIJN ? 

DE WERELDVREDE BEGINT BIJ DEZE INDIVIDUELE, ONS DOOR DE EVOLUTIE ALS GESCHENK (een rem ten aanzien van het geweld als stabiliteitsmogelijkheid) GEGEVEN KEUZEMOGELIJKHEID.

EEN POSITIVISTISCHE BENADERING.

We weten dat onze hersenen de waargenomen werkelijkheid als weerspiegelingen van die werkelijkheid interpreteren.

Ik poog een omschrijving te geven van een dergelijk fenomeen. Wanneer we een object zien, wordt het beeld via het hoornvlies door de pupil gestuurd. Wanneer het licht de lens bereikt, wordt het gebroken en vormt het een omgekeerd beeld op het netvlies. Het beeld wordt via de oogzenuw naar de hersenen gestuurd, waar het opnieuw wordt omgekeerd. 

Bij oog en oor worden fysieke prikkels (licht en geluid) omgezet in elektrische signalen.

Bij het zien komt het beeld ‘ondersteboven binnen’ (wat links is komt dan rechts ‘binnen’ en omgekeerd), en de hersenen moeten het omkeren.

Bij het horen is er geen ‘omgekeerd beeld’, het geluid hoeft niet gekanteld te worden. De hersenen interpreteren direct de frequentie, intensiteit en richting van het geluid.

Het traject is anders, maar het principe  van fysieke prikkel naar sensorisch orgaan, naar zenuwsignaal, naar de hersenen om geïnterpreteerd te worden is vergelijkbaar.

Het beeld op het netvlies is een spiegelbeeld en een ‘ondersteboven’ van de werkelijkheid. Dit komt door de lenswerking.

De hersenen corrigeren dat beeld, zodat we de wereld rechtop zien.

Maar zelfs na die correctie is het beeld dat we waarnemen geen directe afdruk van de werkelijkheid.

Het is een interpretatie die de hersenen maken op basis van elektrische signalen.

Deze interpretatie wordt gevormd door onze hersenen en kan worden beïnvloed door context, verwachtingen en waarnemings beperkingen.

Waarnemen is in voorkomend geval een mentale spiegeling van de werkelijkheid, met evenwel een bijzonder proces.

Het is niet materieel een spiegelbeeld, maar een gereconstrueerd beeld van de buitenwereld, door de hersenen.

stap 1: eerste waarneming (netvlies)

Het licht uit de werkelijkheid wordt door de lens van het oog gebroken.

Hierdoor ontstaat een beeld op het netvlies dat ondersteboven én in het spiegelbeeld is van de werkelijkheid.

stap 2: signaal (elektrische impulsen)

De lichtgevoelige cellen (staafjes en kegeltjes) in het netvlies zetten dat omgekeerde beeld om in elektrische signalen.

Deze signalen worden via de oogzenuw naar de hersenen gestuurd.

stap 3: interpretatie (hersenen)

De hersenen herstellen het beeld zodat we het als een geïnterpreteerd beeld van het oorspronkelijk beeld zien, boven is opnieuw boven, links is opnieuw links.

Dit is geen directe projectie van de werkelijkheid, maar een mentale reconstructie die afhankelijk is van elektrische signalen, verwachtingen en interpretatie.

Bij het gehoor hebben we, ofschoon geen voorafgaande omgekeerde waarneming, dezelfde mentale reconstructie, die afhankelijk is van elektrische signalen.

Bij het horen (het waarnemen van geluid of klank) gaat het als volgt :

Geluidsgolven (trillingen) komen het oor binnen via de oorschelp en de gehoorgang.
De trommelvlies trilt door de geluidsgolven.
Deze trillingen worden via de gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel) versterkt.
Trillingen bereiken het slakkenhuis (cochlea) in het binnenoor, waar vloeistof in beweging komt.
In de cochlea zitten haarcellen die deze trillingen omzetten in elektrische signalen.

Deze signalen gaan via de gehoorzenuw naar de hersenen.
De hersenen interpreteren het signaal als geluid.

Maar hoe produceren de hersenen het eindproduct (beeld of geluid – de toonhoogte, het ritme, en vooral de betekenis van spraak enz.) ?

Hersenen herkennen en interpreteren inkomende signalen (zowel van het zien als het horen) niet zomaar.

De hersenen werken met een waaier van ‘modellen’ van de werkelijkheid.

Ze baseren zich op voorgaande ervaringen en opgeslagen informatie in het geheugen. Dit zijn de ‘interne modellen’.

Wanneer je iets ziet of hoort, vergelijken de hersenen dat direct met wat ze al kennen.

Een geluid kan lijken op het blaffen van een hond, of een beeld op een gezicht.

Dit betekent dat de hersenen niet alleen signalen verwerken, maar ook modellen uit het geheugen activeren om het signaal te interpreteren.

Een eindproduct is een interpretatie van de werkelijkheid door onze hersenen, waarbij een zich spiegelend duplicerend mechanisme voordoet. Spiegelend dient in deze interpretatieve fase niet letterlijk te worden opgevat, maar een hanteren van een zich duplicerend model ten aanzien van de werkelijkheid. Onze hersenen ontvangen niet enkel de signalen, maar zetten die om in een spiegelbeeld door het proactief (voor dat het eindproduct er is) deze signalen te ‘koppelen’ aan ‘modellen’ (uit het geheugen).

Het zich dupliceren is hierbij belangrijk.

Hoe werken onze hersenen met herhaling en herkenning ?

Onze hersenen zijn hebben de mogelijkheid om patronen (of modellen) te herkennen. Dit is evolutionair gezien handig omdat het ons helpt om betekenis en structuur te vinden in de wereld.

Wanneer we in poëziealliteraties horen (herhaling van klanken) of in muziek herhalende motieven (zoals in symfonieën of concerto’s van Mozart), dan herkennen de hersenen deze patronen.

Deze herkenning activeert de beloningssystemen in de hersenen (dopamine), omdat het fijn voelt om een bekend patroon te herkennen en ‘te voorspellen’ hoe het verdergaat.

In poëzie maakt alliteratie de tekst melodieuzer, herkenbaarder en geeft het een gevoel van samenhang.

In muziek, zoals bij Mozart, geven herhalingen (bijvoorbeeld in de opening thema’s) het gevoel van aankomende harmonie en structuur. Wanneer een thema wordt herhaald, herkennen de hersenen dat patroon en ervaren een gevoel van ordening, rust en tevredenheid.

Dit verklaart waarom herhaling en variatie in kunst en muziek zo krachtig zijn, ze roepen een gevoel van stabiliteit op, omdat de hersenen een model herkennen en dat verbindt met gevoelsmatige harmonie.

Dit komt doordat de hersenen nieuwe waarnemingen koppelen aan eerder opgeslagen modellen.

Bij kunst (poëzie, muziek) zorgen herhaling en variatie ervoor dat we de structuur begrijpen én iets nieuws ervaren binnen een bekend patroon.

Men hoeft geen notenleer te kennen, om te zien dat in muziekpartituren van Mozart de herhaling van muzikale thema’s uit het oog springt.

Naast de herhaling bij alliteraties en zich herhalende muziekvariaties ervaren onze hersenen nog een andere modellenstructuur. Ik geef er de naam van punctuatie aan. Wat in de herhaling het meest gestructureerd overkomt zijn als continuïteit waargenomen discontinue instant waarnemingen. 

Bij alliteraties de telkens terugkerende dezelfde, of licht gewijzigde letters klanken. Hetzelfde bij een muziekstuk.

Wat de muziek betreft, moeten we een onderscheid maken.

Het deel waarin de muzikale thema’s als gestructureerde thema’s het meest herhaald worden, is het derde deel van een pianoconcert, de Rondovorm.

Bij een rondo-vorm keert een hoofdthema (het refrein) steeds terug, afgewisseld met contrasterende passages (coupletten of episoden). Dit zorgt voor een cyclische structuur waarin het herkenbare hoofdthema herhaaldelijk verschijnt.

In de sonatevorm van het eerste deel worden de thema’s ook herhaald (in de recapitulatie), maar de rondo is structureel gebouwd op de constante herhaling van één specifiek thema. In het langzame tweede deel is er vaak meer focus op ontwikkeling en lyriek, en minder op strikte herhaling van het hoofdthema. Het menuet in symfonieën herhaalt zichzelf na het trio, maar het is over het algemeen minder complex in zijn herhalingsstructuur dan een rondo.

Hoewel de rondo in het derde deel structureel is opgebouwd rond de herhaling van een heel thema, kunnen de discontinue ‘puntige, korte klankjes’ (wat ik interpreteer als continue motieven of kleine melodische/ritmische fragmenten) heel prominent zijn en vaak herhaald worden in het allegro (eerste deel).

In de sonatevorm van het Allegro worden de hoofdthema’s geïntroduceerd, maar vervolgens ook ontwikkeld. Deze ontwikkeling omvat vaak het opbreken van thema’s in kleinere motieven, die dan herhaald, gevarieerd, en door verschillende stemmen of instrumenten worden gespeeld. Dit zorgt voor veel herhaling van korte klanken, soms zelfs obsessief, om spanning en drive te creëren.

Het allegro (eerste deel) is daarom vaak het meest energieke en soms meest virtuoze deel. Korte, herhaalde motieven dragen bij aan deze energie en stuwing.

Deze ‘puntige’ klankjes zijn vaak ritmisch van aard en worden herhaald om een sterk ritmisch fundament te leggen en de muziek voort te stuwen.

De rondo herhaalt het complete thema.

Het allegro is vaak het deel waarin de bouwstenen van de muziek (de motieven) op een meer gefragmenteerde en gevarieerde manier herhaald en ontwikkeld worden. Om het schematisch voor te stellen. De eindstructuur (rondo, derde deel) is er maar in functie van de stuwende energie van het begin (allegro, eerste deel).

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : “Kunnen we een verband leggen met het zacht zich spiegelende duplicerende zelf als onopofferbaar, onvernietigbaar zelfbewustzijn, als psychische niet gewelddadige stabiliteitsstructuur ?”)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dulle Griet is een schilderij van Pieter Bruegel de Oude uit 1563. Het hangt in het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen.

De betekenis is niet de ‘hebzucht’, maar de relieuze, goddelijke  ‘mania’ van de oorlog.

Dulle Griet

“Plun, die de Godheid wil verderven, ontneemt zij eerst het verstand. Dit citaat luidde oorspronkelijk: Wanneer de Godheid (voor) een man kwade dingen bereidt, Dan heeft zij eerst den geest geschaad van hem, op wien zij ’t gemunt heeft.“

J.H. DE RUIJTER, gevleugelde woorden (1940),  de godheid wordt als vrouwelijk aanzien door de auteur, bedoelde hij de goddelijke ‘mania’ ?

In de religieuze traditie van de oudheid, is dit een positieve uitspraak.

Dementie of waanzin is er een positieve religieuze eigenschap van de godheid (de waanzinnige god), die hij op tragische helden kan overdragen. Een religie is maar een religie als er goddelijke waanzin aanwezig is.

KAN EEN VERNIEUWD POSITIVISME BIJDRAGEN TOT DE VREEDZAME REGELING VAN CONFLICTEN?

Een vernieuwde positivistische benadering maakt het onderscheid tussen een relatieve benadering vanuit de rede der objectief (wat mogelijk is) te analyseren fenomenen, en niet het – vanuit het absolute uiterst subjectieve religieuze sacrale – onderscheid tussen de ‘goeden’ en de ‘slechten’.

Als de oorlog is losgebarsten en uitgebroken, wordt de voorgaande benadering uiterst moeilijk.

Het moge duidelijk zijn dat de vijand altijd de ‘slechte’ is. Anders zou men hem niet kunnen aanvallen en vernietigen. 

De goeden vernietigen zichzelf onderling niet in beginsel. Maar allianties kunnen snel omslaan.  Vanuit een vernieuwd positivisme worden conflicten niet vanuit deze invalshoek benaderd, en wordt deze invalshoek als objectief onredelijk beschouwd.

Vanuit mijn uitgangspunt is oorlog maar mogelijk als de offercrisis bij de aanvaller een dergelijk niveau bereikt, dat een zichzelf vergoddelijkte leider een offeraar buiten de groep aanwijst (genaamd de vijand), om evolutionair het noodzakelijk – het noodlottige, fatale  – zelfoffer tot de totale zelfvernietiging te volbrengen. (1)

II/ IS EEN WISKUNDIGE FORMULE MOGELIJK VAN DE NIET MEER TE BEHEERSEN OFFERCRISIS?

a) exponentiële groei (snel escalerende offercrisis):

elementen van de formule : o dient lager dan O en kt, hoger  = in het kwadraat van e

O(t) = O0⋅e/kt

waarbij:

O(t)  het niveau van de offercrisis op tijdstip t is,

Oo het initiële niveau is,

k > 0  de groeiconstante is.

Deze formule toont aan dat de crisis zich steeds sneller ontwikkelt, met geen bovengrens – dus asymptotisch naar ∞.

b) reeksbenadering (cumulatief en steeds extremer)

elementen van de formule : ∞  dient boven ∑, n=1 dient onder ∑, 1 is de teller van de breuk en np noemer, waarbij p in het kwadraat van n wordt geplaatst

  ∞  ∑  n=1  1/np

Als 0 < p ≤ 1, dan divergeert de reeks, wat past bij een situatie van escalerende, onbeheersbare crisis.

bijvoorbeeld:

elementen van de formule : ∞  dient boven ∑, n=1 dient onder ∑, en 1 de teller van de breuk en n de noemer 

∞ ∑ n = 1    1/ n (de harmonische reeks divergeert)

c) rationele functie met asymptoot:

elementen van de formule :  1 is teller, en a – x is noemer

O(x )= 1/ a−x

Als x→a- (- dient bovenstreep te zijn), dan O(x)→ ∞.  

Dit modelleert een crisis die op een bepaald kritiek punt onbeperkt toeneemt, wat  typisch is in systemische spanningen, instortende evenwichten en totale onstabiliteit.

Een offercrisis die naar het oneindige streeft, kan het best wiskundig worden uitgedrukt met een divergerende functie of reeks, zoals een exponentiële functie of een functie met een verticale asymptoot, afhankelijk van de context waarin het begrip ‘offer’ wordt gebruikt. (2)

VERDERE ANALYSE

Als groep A vijand B vernietigt, geldt groep B als de offeraar van groep A. De opgeofferden van groep A worden als goede zelfoffers beschouwd. Maar groep A aanziet dan weer de opgeofferden van groep B als slechte zelfoffers. Dit is wederzijds de kern van de oorlogsvoering. Groep A staat voor groep B aan de slechte zelfofferkant van de geschiedenis en groep B staat voor groep A aan de slechte offerkant van de geschiedenis. Deze sacrale religieuze wederzijdse verhouding vermeerdert het geweld op exponentiële wijze. Het is de reden waarom de twee actoren liever de totale sacrale zelfvernietiging ondergaan, dan aan de vijand enige ‘toegeving’ te doen om het conflict op niet totaal zelfvernietigende wijze te regelen.

Dit is onredelijk, maar iedereen wordt in deze sacrale religieuze fatale geweldsspiraal meegesleurd. Men kiest voor een partij vanuit het eigen onschuldig zelfofferschap tegen de andere partij vanuit het schuldig slachtofferschap. 

En dit vanuit het sacraliseren van de eigen slachtoffers, als de goede zelfoffers. Het is eigenlijk een wederzijds symbolisch naar het hoofd slingeren van de ander, van de eigen lijken. Daarbij geldt de wet van het aantal. Hoe meer lijken, des te efficiënter het systeem tot in het oneindige.

Als ik president Donald Trump mag geloven zou het conflict in Oekraïne 5.000 slachtoffers per maand met zich meebrengen. 

In alle dergelijke conflicten dragen de aanvallende leiders een verpletterende verantwoordelijkheid.  Het zelfofferbloed van hun eigen volk plakt aan hun zelfvergoddelijkte handen. Eigenlijk baden ze in goddelijk offerbloed. 

Maar ook de reactie van de verdediging vertoont doorgaans dezelfde kenmerken. Ik denk aan de tegenaanval aan de Somme van 1916. De eerste dag van deze tegenaanval verloor het Engels leger al 20.000 man.

Leiders hebben in dergelijke fenomenen een verpletterende verantwoordelijkheid, omdat zij zodanig sacraal, religieus bezeten zijn (de oude Griekse goddelijke erotische – religieuze, sacrale betekenis van eros (in de oude Griekse teksten geschreven met een omega, en niet met een omikron), als de noodzakelijke vernietiging, vernieling van het zelf van de tragische held, ‘mania’ (3), door de zelfvernietiging van hun eigen volk als zelfvergoddelijkte zijnsvermeerdeing, dat ieder vredesperspectief onmogelijk maakt.

Vanuit de analyse van de ‘onredelijksgraad’ van de oorlog als fenomeen, stellen we vast dat een oorlog altijd ‘waanzin’ is.

Het is die uiterst subjectieve goddelijke waanzin – geïncarneerd door zelfvergoddelijkte leiders – die we door middel van een normatieve, redelijker rechtsrationaliteit tot hernieuwde stabiliteit moet herleiden. Dit herleiden is uiterst moeilijk, omdat de religieuze waanzin (zoals in al het religieuze) een absoluut, oneindig verlangen tot zelfvernietiging is, en het herleiden daarvan door een normatief, redelijk rechtsrationaliteit een (broze) relatief herleiden van het zelfoffer tot recht is.

Culturen hebben hun stabiliteit ontwikkeld door het ritueel zelfoffergebeuren, maar nog meer door het rationaliseren ervan in normatief recht. Oude culturen als het oude Griekenland, het oude Rome, en de oude Hebreeuwse streefde naar dergelijke herleidingen van het offergebeuren door voormeld proces. Maar op een bepaald ogenblik slaagt men daar niet meer in. 

Ook democratische regeringen (als er al regeringen gevormd kunnen worden), slagen er bijna niet meer om regeringsverklaringen om te zetten in wetten. Dit is een teken van de terugkeer van het religieus zelfoffer om uit de crisis te geraken (dit religieuze kan allerlei vormen aannemen). Dit betekent niet dat het religieuze zelf niet zou verzwakken omwille van anomie en entropie, maar dat de verzwakking de sacrale geweldsinhoud van het religieus middel net versterkt.

Dit wist Pieter Brueghel de Oude reeds toen hij het schilderij de ‘Dulle Griet’ schilderde. 

Een vernieuwd positivisme analyseert objectief aan de hand van marginale redelijke toetsingen, de  onredelijkheid die ten grondslag ligt aan het voeren van een oorlog. Onredelijkheid, die ook strategische gevolgen heeft. Niet enkel de oorlogsmist bij de aanval (de ‘Kriegsnebel’ van Clausewitz). 

Zo kan een oorlogswetenschap ontstaan, die noodzakelijk is om het fenomeen objectief vanuit een vernieuwd positivistische benadering als wetenschap te onderzoeken, maar eveneens om nieuwe strategische inzichten te bekomen. (4)

Oorlogen kunnen enkel beëindigd worden door de normatieve juridisering van het onderzocht oorlogsfenomeen. De juridisering is altijd het rationaliseren ten aanzien van religieuze waanzin.

De reden waarom president Vladimir Poetin geen toegevingen meer kan doen (mogelijks ook de verdediging), is het overschrijden van een ‘oorlogswaanzinsgrens’, die geen redelijkheid meer vertoont. De kern van de mythische boodschap van de religieuze provider van de mythische zuil die de oorlog in Oekraïne mythisch fundeert, is de totale erotische manische zelfdestructie van het Russisch volk, zoals dit beschreven werd in de Griekse tragedie met betrekking tot de goddelijke mania ten aanzien van de tragische held (5). Daar zit de meest diepe laag van het zich opstapelen van de lijken in Oekraïne. Die dan weer mythisch worden gebruikt als exponentieel zichzelf versterkend middel ten dienste van de tot de zonder einde neigende zelfdestructie. (6)

Het is daar dat het vernieuwd positivisme het eerst vanuit de rationaliteit de religieuze goddelijke erotische waanzin, als een onredelijkheid die tot uiterst geweld aanleiding geeft, moet objectiveren. De goddelijke incarnatie van de religieuze waanzin bij een zelfvergoddelijkte leider staat of valt met een hoger waanzinsniveau, dat van een religieuze sacraliteit. In voorkomend geval dat van de religieuze mythische provider.

Philippe De Keukelaere

(1)Het feit dat een oorlog als kern het zelfoffer van het eigen volk is – in parallel met de destructie van een naar stabiliteit neigend rechtssysteem – ontdekken we bij het lezen van volgende waarneming van Sebastian Haffner :

“Met honderdduizenden tegelijk  werden in maart 1933 mensen die tot dan toe tegen de nazi’s waren geweest, opeens lid van de nazipartij. De beweegredenen waren verschillend, en dikwijls een kluwen van redenen. Hoelang je echter ook zoekt, je zult er niet één sterke, steekhoudende, verdedigbare en positieve ondervinden, niet één waarmee voor de dag gekomen kan worden. Het proces had, in elk op zich staand geval, onmiskenbaar alle kenmerken van een zenuwinzinking.” Aangehaald in Verhofstadt Guy,  “Popper wijst de weg met zijn kritische methode, inleiding bij de derde druk van Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden, 2024, Viii.”

Haffner ontdekt dat het waanzinnig streven naar een hernieuwde stabiliteit door het zelfoffer van het eigen volk een zenuwinzinking van het zelf is van dat eigen volk in het algemeen, en meer in het bijzonder van het zachte zich spiegelende zelf als zelfbewustzijn bij ieder individu. Het werk van Sebastian Haffner werd in een eerste fase goed onthaald. Daarna kwam er kritiek, dat het slechts waarnemingen waren, zonder wetenschappelijke inhoud. Nu erkent men opnieuw dat Haffner een uitzonderlijke waarnemer was, die daarenboven een aangename en vriendelijke stijl heeft.

(2)De formules vinden hun inspiratie bij Ilya Prigogine. 

Prigogine beschrijft hoe systemen ver weg van thermodynamisch evenwicht (zoals sociale of economische systemen in crisis) plotseling kunnen transformeren. Wanneer een systeem steeds meer spanning (energie, conflict, opoffering) opbouwt, bereikt het een bifurcatiepunt: een keuzemoment waarop het systeem:

ofwel instort,

ofwel een nieuw, meer geordend (in mijn versie totalitair) systeem wordt, om dan later tot instorting te komen, 

Dit is vergelijkbaar met een offercrisis die escaleert naar een kantelpunt (een asymptotisch gedrag), waarna een transformatie plaatsvindt.

(3)In zijn uiterste vorm is het religieus verband tussen de goddelijke ‘eros’ (als een uiterste vorm van destructieve, zichzelf vernietigende religieuze liefde als zoektocht naar de god en zijn ‘mania’, vernietigende waanzin) en de goddelijke ‘mania ‘ ( θεία μανία).  In de Griekse tragedie en filosofie een vernietigende kracht van het zelf, die niet langer geordend is rond een object van het zich zacht spiegelend bewustzijnsverlangen (dat onopofferbaar en onvernietig-baar  is, en een rem tegen het geweld), maar zich ontlaadt als een extreme goddelijke ‘mania’, een zielsverwringing waarbij het oneindig goddelijk zijnsverlangen zichzelf niet meer kan beheersen. In de ‘mania’ keert het extreem rivalitair verlangen zich op ongekende gewelddadig wijze volledig tegen zichzelf. Het zelfoffer van het zelf dat het rivalitair verlangen voorafgaat wordt een totaal rivalitaire zelfvernietigingsverlangen (het meest extreme offer) tegen zichzelf.

Deze religieuze manische eros is geen brug (als vriendschap) naar een ander (zoals soms voorgesteld, bijvoorbeeld in 

de moderne psychoanalyse, 

– – Anders Zachrisson (2013), Oedipus the King: Quest for Self‐Knowledge – Denial of Reality. Sophocles’ Vision of Man and Psychoanalytic Concept Formation
The International Journal of Psychoanalysis, Vol. 94(2), pp. 313–331 –

of de vraag bij Plato in: Lysis – 214d –

“ἆρ᾽ οὖν τὸ ἐχθρὸν τῷ ἐχθρῷ φίλον ἐστίν”

“Is dan de vijand (ἐχθρός) de vriend (φίλος) van de vijand?”,

 en Sophocles ten aanzien van de zelfvernietiging : koning Oedipus : vers 744 (klassiek ironisch moment):

ξένος ὢν ἐγὼ τῇ γῇ τοὐμὸν ἀναζητῶ φόνον
“Terwijl ik een vreemdeling ben in dit land, onderzoek ik mijn eigen misdaad
.” Existentiële vreemdeling ! – -, maar een val in het niets van het zelf, een extatische implosie van de zelfidentiteit, het zelfbewustzijn en de rede,  zoals verbeeld bij Plato (Φαῖδρος, in het latijn Phaedrus), Medea en Hippolytus (bij Euripides) – in deze voorbeelden worden beide woorden verbonden –  en tragisch beschreven door Plato. Het is de zenuwinzinking die Haffner beschrijft. 

Euripides is de klassieke tragediedichter die het verband tussen ‘eros’, ‘mania’  en ‘zelfvernietiging’ het scherpst en op de meest tragische wijze verbeeldt.
In zijn werk is ‘eros’ een onweerstaanbare, zelfverbrijzelende kracht die de mens buiten zichzelf zet, richting waanzin, schuld en dood. Het is de ultieme goddelijke liefde. 
Latere auteurs zoals Plato analyseren dit thema filosofisch, maar het is bij Euripides dat het verband tussen ‘eros’ en goddelijke ‘mania’ werkelijk lichaam krijgt (extreme zijnsincarnatie) als destructie van het zelf. Maar ook bij Sophocles (die zelfdestructieve liefde laat ontstaan uit het schuldig genot, die koning Oedipus, de tragische held,  heeft gehad met een vreemde vrouw, Yocaste) is dit het hoogtepunt van de catharsis (In Oedipus Tyrannus leidt de ‘anagnorisis’ – beschreven bij Aristoteles als het keerpunt van catharsis –  tot ἔχθρα (vijandschap) – -niet alleen ten opzichte van anderen, maar vooral van zichzelf   (Poëtica, 1452a29–30).

“ἔστι δὲ ἀναγνώρισις μεταβολὴ ἐξ ἀγνοίας εἰς γνῶσιν, εἰς φιλίαν ἢ εἰς ἔχθραν τῶν εἰς εὐτυχίαν ἢ δυστυχίαν ὡρισμένων.”

“Herkenning is dus niet zomaar weten, maar een dramatisch geladen overgang van onwetendheid naar inzicht, die uitmondt in:

vriendschap (φιλία) of

vijandschap (ἔχθρα)
bij mensen die door het lot bestemd zijn voor geluk (ε
ὐτυχία) of ongeluk (δυστυχία)”

– – en is deze ingebed in een door het lot bepaalde δυστυχία (noodlot – ongeluk als zelfdestructie), zoals Aristoteles het ideale tragische verloop beschrijft.

Ik citeer in Sophocles’ Oedipus Tyrannus (vers 1186 e.v.) Oedipus:

“μηδείς μ᾽ ἁγνεύσῃ μηδ᾽ ὁμιλήσῃ ποτέ”
“Laat niemand mij ooit meer zuiveren of met mij omgaan”

Hier betekent ‘μηδείς’ niet zomaar “niemand” in numerieke zin.
Het markeert dat Oedipus zichzelf uitsluit uit het menselijke bestaan.

In dat verband is ‘μηδείς’ een mens-zonder-zelf en zonder zijn, existentieel ontmenselijkt mens zonder ‘individueel zelfbewustzijn’, een uitsluitend ‘negatief subject’.

Of nog het vers :   “ὤφελόν με φθείσαι τότ᾽, ὅτ᾽ ὤνθρωπος ἦ”
“Was ik maar vernietigd toen ik nog mens was”

Oedipus vervloekt zijn geboorte, zijn bestaan, zijn naam

Hij verblindt zichzelf door zijn beide ogen uit zijn beide oogkassen te rukken. 

Zijn ‘αὐτός‘ (in de betekenis van ‘zelf’; dit is een taalfinesse uit het oude Grieks; het kan ook ‘zijn’ betekenen, – het zijn twee verschillende registers, zoals bij een orgelspel, waar men door middel van taal nu eens in de ene betekenis, dan weer in de andere, kan mee ‘spelen’ als in een orgelspel) is verbrokkeld.

Hij is niet meer echt koning, maar redder-koning door het totaal tenietdoen van zichzelf, in de betekenis van zijn eigen ‘zelf’.

Hij is niet meer een zoon

Hij is niet meer een vader

Hij is niet meer burger

Hij is niet meer zichzelf

Hij ondergaat de totale ‘zelf’ vernietiging, die ook een totale zijnsvernieting is. Het mechanisme dat de mimetische verlangende rivaliteit van de mens voorafgaat, het verkeerd waarnemen van de realiteit die getransformeerd wordt door het zelfoffer in een zijnsmeerzijn is bij Oedipus totaal vernietigd. Vandaar dat hij voor blindheid kiest.

(4)Vanuit mijn analyse ontdekken we bijvoorbeeld dat als president Poetin gebaart dat hij ‘tijd’ zat heeft in Oekraïne, dan is dit blufpoker. Hij weet zeer goed dat de tijd tegen hem speelt. Hoe langer hij wacht, hoe meer hij in een tweefrontensituatie zal terechtkomen. Syrië is hij al kwijt (wat bijvoorbeeld voor wijlen professor Eric Suy ondenkbaar was (ik volgde zijn seminarie les in Leuven, tot aan zijn vertrek naar New-York, en diende mijn paper – over confiscaties in het internationaal publiekrecht (genaamd nationalisaties van bedrijven) naar New York te sturen !); nooit zou een Russische president Syrië opgeven).

Het was wijs van president Donald Trump om er hem op te wijzen dat grote militaire leiders, ook tijdens oorlogen bleven onderhandelen, zoals Napoleon het deed. Eigenlijk gaf Trump een gouden raad aan Poetin (die hij uit blindheid – zelfvergoddelijkingsproces – niet zal opvolgen), om een tweefrontenoorlog te vermijden voor Rusland. Hierbij mogen we niet vergeten dat de Russische generaal Koetoezov een uitzonderlijk begaafd generaal was, maar ook een gerespecteerde diplomaat is geweest. 

Generaal Michail Koetoezov diende als Russische ambassadeur bij de Ottomaanse Sublieme Poort van 1792 tot 1794. Tijdens deze periode vertegenwoordigde hij Rusland in Constantinopel (het huidige Istanboel), waar hij betrokken was bij diplomatieke onderhandelingen tussen het Russische en het Ottomaanse Rijk.

Koetoezov ‘s diplomatieke missie viel samen met een periode van gespannen betrekkingen tussen de twee rijken, kort na het einde van de Russisch-Turkse Oorlog van 1787 – 1792. Zijn ervaring als militair leider en diplomaat droeg bij aan zijn latere successen als veldmaarschalk tijdens de Napoleontische oorlogen.

Als ambassadeur in Constantinopel leerde hij het Ottomaanse hof goed kennen, begreep de politieke cultuur en smeedde persoonlijke contacten. Dit gaf hem later een voordeel in het managen van de zuidelijke dreiging aan de Russische grens.

Door zijn toedoen kwam er vrede met het Ottomaanse Rijk.

Tijdens de Napoleontische Oorlogen, en met name in 1812 toen Napoleon Rusland binnenviel, had Rusland net vrede gesloten met het Ottomaanse Rijk via het Verdrag van Boekarest (mei 1812). 

Dit betekende dat Rusland zijn zuidelijke grens kon beveiligen vlak voordat Napoleon zijn invasie begon.

Koetoezovs rol in Boekarest was daarbij belangrijk.  Koetoezov werd in 1811 benoemd tot commandant van het Russische leger in het zuiden en leidde de campagne tegen de Ottomanen. Hij onderhandelde zelf het Verdrag van Boekarest, waarbij Rusland gunstige voorwaarden kreeg en een einde kwam aan de Russisch-Turkse Oorlog van 1806 – 1812.

De gevolgen van het vermijden van een tweefrontenoorlog waren belangrijk voor de latere Russische oorlog tegen  Napoleon.

Namelijk door de vrede met de Ottomanen hoefde Rusland niet te vechten op twee fronten, wat cruciaal was om het enorme Franse leger het hoofd te bieden. 

Koetoezov’s onderhandelingservaring en zijn eerdere diplomatieke netwerk speelden hier een onmisbare strategische rol.

(5)Is er een historisch voorbeeld van een religieuze goeroe, die mede (niet uitsluitend, maar een zeer belangrijk aandeel had) in Rusland een instelling deed instorten ? Ik neem bijvoorbeeld Raspoetin, een religieuze goeroe. Ik verwijs naar het boek van Jo De Poorter, De koning is dood, leve de koning, 2025, en het hoofdstuk over de Romanovs (ik ben het niet eens met de – overigens enige hoofdstelling – van de auteur in dit boek) waardoor hij de historische feiten soms te simplistisch voorstelt.

Raspoetin benoemde ministers en zette die af…enz.… (het werd een tragisch einde verhaal voor hemzelf, de tsaar en de instelling). Ik onderschat daarbij de Russische nederlaag te Tannenberg (als zijnsverlieservaring) niet in dit verhaal (26 – 30 augustus 1914).

(6)Vanuit een positivistische benadering is het nog moeilijker het conflict in Gaza te objectiveren. Ik had – omdat ik een boek van de Franse journalist Renaud Girard had gelezen (ik ben het niet altijd met hem eens, maar had Poetin hem gelezen, dat zou hij enkel om strategische redenen Oekraïne niet zijn binnengevallen met een tank kolommen) -.

Ik had voorzien dat de tegenaanval van de verdediging extreem bloedig zou zijn. Ik heb over dit scenario geschreven voor de tegenaanval. Ook hier hebben de leiders een enorm aandeel in het gebeuren. Waar de media het echter nooit over hebben, is de verpletterende rol in heel het gebeuren van de Hamas leiders. Wat ik ook waarneem – mogelijks vergis ik mij, ben ik hier genoeg positivistisch objectief ? –  is dat de media in het Gaza conflict veel meer (ondragelijke) lijkenbeelden tonen dan lijkenbeelden vanuit het slagveld in Oekraïne ? Wordt er daar aan Europese censuur gedaan (?) , zoals tijdens de eerste wereldoorlog, waardoor velen volgens de Nederlandse professor geschiedenis Maarten van Rossem dachten dat de soldaten in amusement een lui lekkerleven leden ?

DE BETEKENIS VAN DE HERFORMULERING VAN DE TWEE THERMODYNAMISCHE WET VOOR DE MENSWETENSCHAPPEN 

INLEIDING

Ik verricht dit onderzoek, vanuit de vaststelling dat in de recente geschiedenis de enorme nadruk op een ‘zelfofferinterpretatie’ van de terechtstelling van Jezus van Nazareth als een zichzelf vermeerderende mythische zuil heeft ontwikkeld. 

Het is de kern van de religieuze mythische zuil, die de aanval in Oekraïne ondersteunt. 

Ik herhaal even mijn definitie van wat een aanvalsoorlog is: 

‘Een aanvalsoorlog is een extreem gewelddadige collectieve grensoverschrijdende drang – 1 -, met als doel het zelfoffer en de zelfvernietiging van het eigen zelf van alle aanvallers tot het uiterste religieus te volbrengen, door bemiddeling van een collectief aangewezen offeraar, de illusoire (zijns)vijand  – 2 -, mythisch voorgesteld als een overwinning op deze vijand ter voldoening en tevredenheid van het meerzijnsverlangen van een zelfvergoddelijkte leider  – 3 -.’

Dat een zelfofferbenadering van de terechtstelling van Jezus van Nazareth de essentie van wat een aanvalsoorlog is kan voeden, werd zelden opgemerkt. 

Het is nochtans in die zin dat president Poetin zelf als grote zelfofferaar van zijn volk optrad onmiddellijk na het ontketenen van de geweldsuitbarsting in Oekraïne.  

Het is vanuit deze interpretatie van voormelde terechtstelling dat Poetin de in Rusland (dit geldt niet enkel voor Rusland, maar voor Frankrijk en Duitsland tijdens de eerste wereldoorlog) verankerde mythische dimensie van de cultuur van pijn, lijden van een ware zelfofferstatus voor wie ten strijde trok. 

Zeer terecht merkt Joris  Van Bladel op dat daardoor verlies winst oplevert (Het land van het grote sterven, 2025, 145 – 146). 

Door het hanteren van de mythische zuil vanuit de Christelijke leer wordt het zelfoffer van honderdduizenden militairen op zich als een oorlogswinst bestempeld. 

Dat de ‘zelfofferinterpretatie’ van deze oude mythische teksten tot een dergelijke entropie (suïcidale entropie) aanleiding geeft, als mythische fundering van aanvalsoorlogen (of tegenaanvalsoor-logen) verplicht ons na te gaan of men vanuit een hernieuwde positivistische instelling (wat niets met een of andere persoonlijk lidmaatschap tot een of andere religie te maken heeft) wel een juiste literaire interpretatie is van de mythische tekst. 

Het uitgangspunt dient daarbij niet de antropologie te zijn maar een objectieve, hernieuwde positivistische lezing van een literaire tekst, zoals van alle andere literaire teksten.

Wat betekent een vernieuwde positivistische interpretatie?

Mijn nieuwe invulling van deze term vertrekt uit de benadering van drie juristen, rechts professoren, die een vernieuwende benadering van het definiëren van het recht en de rechtslogica hebben gegeven.

Ik herhaal mijn uitgangspunt:

‘In welke mate leidt de onderzochte theorie al dan niet tot de opofferbaarheid van het zich zachte duplicerende spiegelende zelf als zelfbewustzijn of net andersom. In welke mate verdedigt de auteur het zelfofferschap als criterium voor stabiliteit’.

Ik neem als uitgangspunt een getransformeerde definitie van het recht, die professor Willy Delva (Universiteit Gent) gaf: ‘…dat het recht als rechtsregeling bestaat in een geheel van gedragsregels (normen) opgelegd door een maatschappelijk gezag, met het oog op een zekere (in de zin van rechtszekere) maatschappelijke ordening in rechtvaardigheid’ (Personen en familierecht, Gent, 1982, 9)

Hoe herschrijf ik deze definitie?

Het falsifieerbaarheidsprincipe in de menswetenschappen gaat na of een wetenschappelijke stelling al dan niet bijdraagt tot maatschappelijke stabiliteit, aan de hand van de marginale toetsing van het zelfoffergehalte van deze stelling.

Ik verwijs met betrekking tot mijn methode naar de leer van de marginale toetsing in het recht dat in België (vanuit Nederland) werd geïntroduceerd in het recht door professor Jan Ronse.

“Met deze uitdrukking is bedoeld dat in bepaalde gevallen een rechtshandeling of een feitelijke gedraging die aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen, door deze niet volledig volgens eigen inzicht maar slechts op beperkte wijze kan beoordeeld worden naar haar overeenstemming met of inbreuk op het recht. […] Eerst wanneer vaststaat dat de te beoordelen beslissing, genomen binnen de discretionaire bevoegdheid van de overheid, van die aard is dat geen enkel redelijk denkende overheidspersoon tot zodanige beslissing zou gekomen zijn, kan de rechter haar toetsen aan de eisen van zorgvuldigheid en redelijkheid. Valt de beslissing integendeel binnen de marge waarbinnen naar redelijkheid verschillende beslissingen kunnen genomen worden, dan moet de rechter zich ervan onthouden zijn eigen oordeel over wat redelijk en zorgvuldig is in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur.”  Jan Ronse, Marginale toetsing in het privaatrecht, Tijdschrift voor Privaatrecht (T.P.R.) 1977, 207 – 222, 207 en 209.

De leer van Jan Ronse werd hernomen door Professor Chaïm Perelman,  Le raisonnable et le déraisonnable en droit: au-delà du positivisme juridique, 1984. 

Perelmans nieuw positivisme poogt wat redelijk is en onredelijk is in het recht te onderscheiden op basis van het hanteren van een ‘onredelijkheidsbeginsel’ in het recht. Eigenlijk heeft Perelman een beginsel ontwikkeld dat parallellen vertoont met dat van het falsifeerbaarheidsbeginsel van Karl Popper. Om een beeldtaal te gebruiken ontdekt Perelman een soort ‘grensbewaker’ tussen wat redelijk al dan niet tot het recht behoort, vanuit een onredelijkheidsbeginsel.

Als we hetzelfde uitgangspunt hanteren in menswetenschappen, kunnen we pogen te achterhalen wat tot de menswetenschappen behoort en wat in menswetenschappen pseudowetenschap is.

Maar we kunnen ook iets anders ontdekken, omdat we het stabiliteits beginsel als basis en gemodelleerd hanteren, door de toetsing aan het zelfofferschap. 

Het uitgangspunt is de moderne herformulering van de tweede thermodynamische wet.

Deze herformulering luidt als volgt: ‘in een geïsoleerd systeem neemt de entropie (de mate van wanorde) toe, totdat een maximum wordt bereikt bij evenwicht.’

Er is met andere woorden geen entropieproductie meer.

De tijdlijn van spontane verandering stopt in die toestand.

De entropie blijft statisch.

Entropie is dus niet een ‘kracht’ of een ‘proces’ dat actief blijft. Ze is een toestandsgrootheid die zegt hoe ver het systeem is geëvolueerd richting wanorde. En als de maximale wanorde bereikt is, valt er niets meer te veranderen.

Systemen evolueren spontaan naar een evenwichtstoestand (een stabiele toestand).

Die toestand is in maximale entropie thermodynamisch stabiel, er is geen spontane verandering meer mogelijk zonder externe invloed.

Het stabiliteits beginsel is eigenlijk geen formeel nieuw geformuleerd deel van de tweede hoofdwet van de thermodynamica, maar is er een gevolg van.

Het beschrijft het gedrag van systemen zodra de toestand van maximale entropie is bereikt.

Het fundamentele principe houdt in dat spontane processen in een gesloten systeem verlopen in een richting die de entropie vergroot, of ze bereiken een toestand van maximale entropie (evenwicht).

In de moderne fysica komen in dit verband volgende transformaties voor.

  1. Clausius-formulering (1850) (waarop Max Planck heeft voortgebouwd, waaruit de klassieke tweede thermodynamische wet is ontstaan)

‘Warmte kan niet vanzelf stromen van een koud lichaam naar een warm lichaam.’

Warmte gaat spontaan van warm naar koud, nooit andersom (zonder externe arbeid).

Deze vaststelling impliceert dat sommige processen onomkeerbaar zijn.

  1. Kelvin-Planck-formulering (1851)

‘Het is onmogelijk om een cyclisch werkend apparaat te bouwen dat niets anders doet dan warmte aan een reservoir onttrekken en volledig in arbeid omzetten.’

Je kunt geen perfecte warmtemotor bouwen (100% efficiëntie bestaat niet).

Er is altijd verlies aan bruikbare energie in de vorm van warmte.

Is er een samenhang tussen beide formuleringen ?

Beide formuleringen zijn equivalent in de volgende betekenis. 

Als je de ene overtreedt, overtreed je ook de andere.

Ze beschrijven beide de richting van energieverloop in thermodynamische processen.

Ze impliceren dat er een natuurlijke pijl van de tijd bestaat, namelijk de richting waarin entropie toeneemt.

  1. Derde (moderne) entropie formulering

‘In een geïsoleerd systeem neemt de entropie toe tot een maximum bij evenwicht.’

Dit is de meest gebruikte formulering in de hedendaagse fysica en sluit ook aan bij het stabiliteits beginsel waar ik op zoek naar ben. 

Ik herneem de stelling geformuleerd in de moderne formulering van de thermodynamica.

Op het maximale moment vindt er geen spontane verandering meer plaats.

De entropie blijft constant op haar maximale waarde.

Er is geen spontane afname van entropie mogelijk, tenzij het systeem wordt verstoord van buitenaf.

Entropie ‘herstelt’ niet of herneemt geen dynamische evolutie, het systeem is thermodynamisch ‘dood’, in de zin dat het geen richting meer heeft om binnen het systeem te evolueren.

Het is niet hetzelfde als ons dagelijks woordgebruik met betrekking tot de verhouding orde/wanorde. 

In dit dagelijks woordgebruik is stabiliteit : orde, rust. Onstabiliteit : wanorde en chaos.

In thermodynamische zin is de maximale entropie gelijk aan de  maximale wanorde op microscopisch niveau.
Alle energie is verdeeld over deeltjes op zoveel mogelijk manieren (microtoestanden).

Maar er is terzelfdertijd een thermodynamisch evenwicht dat gelijk is aan een maximale stabiliteit op macroscopisch niveau.
Er zijn geen gradiënten of stromen meer. Het   systeem verandert niet meer. Het is volledig voorspelbaar en inert.

Als voorbeeld neem ik een kamer vol gasmoleculen. 

In het begin zitten ze geconcentreerd in één hoek, er is lage entropie, lage wanorde, lage stabiliteit.

Na verloop van tijd verspreiden ze zich gelijkmatig over de kamer, er is hoge entropie, maximale wanorde, maar ook maximale stabiliteit (er gebeurt niets meer).

In open systemen (zoals levende organismen of de aarde), kan lokale entropie afnemen (zoals : leven, orde, kristalvorming), zolang dit gecompenseerd wordt door een grotere toename van entropie in de omgeving.

Plaatselijke afname is mogelijk, maar de totale entropie van het universum stijgt nog steeds.

In de statistische mechanica (Boltzmann), is entropie een waarschijnlijkheidsverdeling.

Theoretisch kan entropie kortstondig dalen door toeval in zeer kleine systemen (bijvoorbeeld enkele moleculen), maar dit is extreem zeldzaam en verwaarloosbaar op macroschaal.

Dit heet het fluctuatietorema. (1)

Ludwig Boltzmann (1844–1906) heeft het verbinden van entropie aan waarschijnlijkheid binnen de thermodynamica ontdekt. Zijn formulering vormt de basis voor het statistische begrip van de tweede hoofdwet.

De beroemdste verwijzing is zijn fundamentele vergelijking:

De beroemdste verwijzing is zijn fundamentele vergelijking:

S = k⋅lnW

  • S = entropie

  • k = de Boltzmannconstante

  • W = het aantal microtoestanden dat overeenkomt met een bepaalde macrostaat

Deze formule verbindt microscopische kansrekening met macroscopische thermodynamica.

Boltzmann heeft het beginsel ontdekt dat entropie stijgt omdat systemen de neiging hebben te evolueren naar toestanden die statistisch het waarschijnlijkst zijn (meer microtoestanden).

Hoewel Boltzman de formule in deze vorm niet zelf publiceerde (dat deed Max Planck later), zijn de inhoudelijke inzichten volledig van Boltzmann.

De macroscopische stabiliteit bij evenwicht komt dan overeen met maximale waarschijnlijkheid (maximale wanorde).

Zijn werk ligt aan de basis van de moderne interpretatie van entropie én het idee dat wanorde en stabiliteit samengaan .

Op zijn grafsteen in Wenen (hij overleed in tragische omstandigheden) kan men zijn constante lezen. (2)

DE STELLING VAN ILYA PRIGOGINE EN DISSIPATIEVE STRUCTUREN

Ilya Prigogine leverde vernieuwend werk op het gebied van de thermodynamica van irreversibele processen, waarvoor hij in 1977 de Nobelprijs voor de Scheikunde ontving. 

Zijn werk daagde het traditionele beeld van de tweede wet als een wet die onherroepelijk leidt tot chaos en evenwicht uit, met name in open systemen die energie en materie met hun omgeving uitwisselen.

Prigogine introduceerde het concept van dissipatieve structuren. 

Dit zijn spontaan georganiseerde structuren die kunnen ontstaan in open systemen die ver van thermodynamisch evenwicht verkeren, dankzij irreversibele processen. 

Deze structuren kunnen complexiteit, orde en zelfs zelforganisatie vertonen, in tegenstelling tot de neiging tot toenemende wanorde in geïsoleerde systemen.

Enkele voorbeelden van dissipatieve structuren zijn:

de Bénard-convectiecellen: 

wanneer een vloeistof onderaan wordt verhit, kunnen zich georganiseerde hexagonale celstructuren vormen

chemische oscillatoren (zoals de Belousov-Zhabotinsky-reactie): 

chemische reacties die in de tijd en/of ruimte oscillerende patronen vertonen

biologische systemen: 

levende organismen zijn complexe, georganiseerde structuren die continu energie en materie uitwisselen met hun omgeving om hun orde te handhaven en te groeien

Een centrale grootheid in Prigogines werk is de entropieproductie (dP/dt). Voor een open systeem kan de verandering in entropie (dS) worden opgesplitst in twee delen: de entropie stroom naar het systeem toe (deS) en de entropieproductie binnen het systeem (diS) als gevolg van interne irreversibele processen :

dS=deS+diS

De tweede wet stelt dat de entropieproductie altijd positief of nul is:

diS≥0

Voor een systeem in een stationaire toestand (waarbij macroscopische eigenschappen niet veranderen in de tijd), geldt weliswaar dS=0, maar dit betekent niet dat de interne entropieproductie nul is. 

In plaats daarvan wordt de geproduceerde entropie afgevoerd naar de omgeving (deS=−diS).

Een belangrijke relatie die Prigogine afleidde voor systemen nabij thermodynamisch evenwicht is het theorema van minimale entropieproductie in de stationaire toestand.

Voor een open systeem dat onder constante externe condities verkeert en een stationaire toestand bereikt, is de snelheid van entropieproductie minimaal.

Deze stelling suggereert dat systemen zich organiseren om de dissipatie van energie te minimaliseren onder de gegeven beperkingen (contraintes).

Ik herneem de entropieproductie volgens Prigogine.

Voor een open systeem (een systeem dat energie en materie met zijn omgeving uitwisselt), introduceert Prigogine een belangrijke uitbreiding van het entropie begrip in de context van irreversibele processen. De verandering in entropie (dS) van zo’n systeem kan worden opgesplitst in twee delen:

Formule:

dS=deS+diS

dS: dit is de totale verandering in entropie van het open systeem gedurende een infinitesimaal klein proces.

deS: dit is de entropie stroom als gevolg van de uitwisseling van energie en materie tussen het systeem en zijn omgeving. Deze term kan zowel positief (entropie stroomt het systeem in) als negatief (entropie stroomt het systeem uit) zijn.

diS: Dit is de interne entropieproductie binnen het systeem als gevolg van irreversibele processen die plaatsvinden (bijvoorbeeld warmtegeleiding, chemische reacties, diffusie, viscositeit). 

Volgens de tweede wet van de thermodynamica is deze term altijd positief of nul:

De centrale formule in dit verband is :

diS≥0

Uitleg van de formule:

diS≥0: Deze ongelijkheid stelt dat de entropie die intern in het systeem wordt gegenereerd door irreversibele processen nooit negatief kan zijn.

diS>0: Voor irreversibele processen is de interne entropieproductie positief, wat betekent dat de wanorde binnen het systeem toeneemt als gevolg van deze processen.

diS=0: Voor reversibele processen (die in de realiteit niet perfect bestaan, maar een theoretisch ideaal vormen) is de interne entropieproductie nul.

De totale verandering in entropie van het open systeem (dS) kan dus zowel positief, negatief als nul zijn, afhankelijk van de relatieve bijdragen van de entropie stroom met de omgeving (deS) en de interne entropieproductie (diS). Een open systeem kan zijn eigen entropie verminderen (dS<0) door meer entropie naar de omgeving af te voeren dan het intern produceert, wat essentieel is voor het ontstaan en de instandhouding van geordende structuren (dissipatieve structuren).

De dissipatieve functie.

In de context van continue systemen (zoals vloeistoffen of vaste stoffen), introduceerde Prigogine ook het concept van de entropieproductie per volume (σ). De dissipatieve functie (Φ) is gerelateerd aan deze lokale entropieproductie.

De formule is :

Φ=Tσ

Uitleg van de parameters:

Φ: Dit is de dissipatieve functie. Het vertegenwoordigt de snelheid waarmee energie wordt gedissipeerd (omgezet in warmte) per volume als gevolg van irreversibele processen, vermenigvuldigd met de absolute temperatuur. Het is altijd positief of nul (Φ≥0).

T: Dit is de absolute temperatuur (in Kelvin) van het systeem op het punt waar de dissipatie plaatsvindt.

σ: Dit is de lokale entropieproductie per volume en per tijdseenheid. Het kwantificeert de snelheid waarmee entropie wordt gecreëerd op een infinitesimaal klein volume-element binnen het systeem door de aanwezige irreversibele processen (bijvoorbeeld visceuze dissipatie in een vloeistof, warmtegeleiding door een temperatuurgradiënt, chemische reacties).

De dissipatieve functie geeft een maat voor de intensiteit van de irreversibele processen binnen het systeem. 

Een hogere waarde van Φ betekent een hogere snelheid van energieverlies door dissipatie en dus een hogere lokale entropieproductie.

De dissipatieve functie speelt een belangrijke rol bij de analyse van de stabiliteit van stationaire toestanden in open systemen ver van evenwicht. Volgens Prigogine’s theorema van minimale entropieproductie (voor lineaire, nabij-evenwichtssystemen in een stationaire toestand), organiseert het systeem zich zodanig dat de totale entropieproductie (of de integraal van de dissipatieve functie over het volume) minimaal is onder de gegeven randvoorwaarden.

In systemen ver van evenwicht kan de dissipatieve functie echter een complexere rol spelen bij het ontstaan van instabiliteiten die tot zelforganisatie en de vorming van dissipatieve structuren leiden.

Beide formules de entropieproductie (dS=deS+diS, diS≥0) en de dissipatieve functie (Φ=Tσ), zijn nauw met elkaar verbonden in het kader van de thermodynamica van irreversibele processen, zoals ontwikkeld door Prigogine. Het verband is als volgt :

1.lokale versus globale beschrijving:

De formule voor de entropieproductie (dS=deS+diS) beschrijft de totale verandering van entropie van een open systeem als geheel, waarbij diS de totale interne entropieproductie in het hele systeem vertegenwoordigt.

De dissipatieve functie (Φ=Tσ) daarentegen is een lokale grootheid. σ is de entropieproductie per volume en per tijdseenheid op een specifiek punt in het continue systeem. Φ geeft dus de lokale snelheid van energiedissipatie gerelateerd aan de lokale entropieproductie.

2.Integratie over het volume:

om de totale interne entropieproductie (diS) voor een continu systeem te verkrijgen uit de lokale entropieproductie per volume (σ), moet je σ integreren over het gehele volume (V) van het systeem en rekening houden met de tijd (dt):

di​S=∫v σ dV dt

3. Relatie via Temperatuur:

De dissipatieve functie Φ is direct gerelateerd aan de lokale entropieproductie per volume σ via de absolute temperatuur T:

σ= Φ​/T

Door deze relatie te combineren met de volume-integratie, kun je de totale interne entropieproductie (diS) ook uitdrukken in termen van de dissipatieve functie:

di​S = ∫v Φ​/TdV dt

Als de temperatuur T constant is over het volume, dan vereenvoudigt dit tot:

di​S= dt/T ​∫v ​Φ dV

De dissipatieve functie Φ geeft een gedetailleerde, ruimtelijke beschrijving van waar en hoe de entropie in een continu systeem wordt geproduceerd door irreversibele processen. 

Het is een intensieve grootheid (onafhankelijk van de grootte van het systeem).

De interne entropieproductie diS is een globale, geïntegreerde maat van de totale entropie die in het hele systeem wordt gegenereerd. Het is een extensieve grootheid (afhankelijk van de grootte van het systeem).

De dissipatieve functie is dus de lokale bron van de interne entropieproductie. Door de dissipatieve functie over het volume van het systeem te integreren (en rekening te houden met de temperatuur), krijg je de totale bijdrage van de interne irreversibele processen aan de verandering van de entropie van het systeem.

De link tussen de twee formules is dus dat de dissipatieve functie de lokale intensiteit van de entropieproductie beschrijft, terwijl diSde geïntegreerde uitkomst van al deze lokale bijdragen voor het hele systeem weergeeft.

EN DE MENSWETENSCHAPPEN?

Oswald Spengler gebruikte het entropie concept metaforisch (op een onjuiste wijze) in Der Untergang des Abendlandes (1918-1922) om het culturele verval en de stagnatie van de Westerse beschaving te duiden.

Eigenlijk vinden we de oudste formulering van wat Spengler hanteert bij Plato. Ik verwijs hiervoor naar : Karl Popper, De open samenleving en zijn vijanden, 2024, Hoofdstuk 3 : Plato’s Ideeënleer, die het verband ontdekt met de latere stelling van Spengler.

Pierre Duhem (ENS, Parijs) waarschuwde tegen het doortrekken van natuurkundige principes naar religieuze en metafysische domeinen, maar erkende de intellectuele aantrekkingskracht van het entropie begrip als grensconcept van kennis. (3) 

De moderne herformulering van de tweede thermodynamische wet werd reeds in menswetenschappen gehanteerd door Niklas Luhman, vanuit de Duitse systeemtheorie.

Hij  interpreteert het concept van entropie op een specifieke manier om de dynamiek van sociale systemen te begrijpen. In tegenstelling tot de thermodynamische definitie van entropie als een maat voor wanorde in gesloten fysische systemen, wordt het in de systeemtheorie van Luhmann gebruikt om de inherente complexiteit en de noodzaak tot zelforganisatie in sociale systemen te beschrijven. Ik wil op het gebruik wijzen, maar ga niet verder in op het werk van Luhman.

Ook de vernieuwende logische invalshoek van Perlman vertoont parallellen met de hernieuwde formulering van de tweede thermodynamische wet.

Aan de hand van een nieuwe invulling van het positivisme, is mijn stelling dat men kan afwijken van de stelling van Duhem. Ik zal dit pogen aan te tonen.

Mijn hernieuwde visie op het positivisme  houdt in dat er zowel in de oude Griekse tragedie als in de oude Joodse literatuur momenten van maximale entropie (de derde wet van Durkheim : anomie) kan worden ontdekt , dat tezelfdertijd omslaat in een hernieuwde stabiliteit (tweede geherformuleerde wet van de thermodynamica, aangevuld door de inzichten van Prigogine).

Ik zal hierbij onderzoeken op welk literair ogenblik dit gebeurt en waar het verschil ligt tussen de oude Griekse tragedie (waarom een Griekse tragedie een tragedie is) en de oude Joodse literatuur die ik niet tragisch, maar dramatisch zal benoemen. Vraag is wat dit onderscheid kenmerkt ?

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : Het entropie moment versus hernieuwde stabiliteit in de oude Griekse tragedie en de oude Joodse literatuur.)

(1) In theorie (maar absurd onwaarschijnlijk), kan er in een onvoorstelbaar lange tijdschaal een entropiedaling gebeuren via toevallige fluctuaties – dit is wat het beroemde gedachte-experiment van ‘Boltzmann brains’ beschrijft.

(2) Zentralfriedhof, Wien (Gruppe 14C, Grab 1)

(3) Duhem was een vroom katholiek en benadrukte de scheiding tussen wetenschappelijke en religieuze domeinen. In een artikel uit 1905 – datum van de wet met betrekking tot de scheiding van kerk en staat in Frankrijk – besprak hij de relatie tussen fysica en het christelijk geloof, waarbij hij de kosmologische implicaties van de thermodynamica als voorbeeld gebruikte. Hij stelde dat het onterecht was om kosmologische of religieuze conclusies te trekken uit de thermodynamica of enige andere wetenschap.

Hoewel Duhem erkende dat de tweede hoofdwet van de thermodynamica (de toename van entropie) belangrijke implicaties had voor de fysica, waarschuwde hij tegen het gebruik van deze wet voor bredere filosofische of religieuze interpretaties. Hij geloofde dat wetenschap en religie elk hun eigen domein hadden en dat het mengen van de twee tot misverstanden kan leiden.

Literatuur : 

Perelman, Ch. (1984). Le raisonnable et le déraisonnable en droit.  

Duhem, P. (1905). La théorie physique: son objet et sa structure.  

Boltzmann, L. (1877). ‘Über die Beziehung zwischen dem zweiten Hauptsatze der mechanischen Wärmetheorie und der Wahrscheinlichkeitsrechnung respektive den Sätzen über das Wärmegleichgewicht’, Wiener Berichte, 76, pp. 373 -435.

Carlo Cercignani (1998), Ludwig Boltzmann: The Man Who Trusted Atoms

Prigogine, I. (1977). La nouvelle alliance. 

Spengler, O. (1918-1922). Der Untergang des Abendlandes. 

Luhmann, N. (1995). Social Systems. Stanford University Press.  

Luhmann, N. (2012). Theory of Society, Volume 1, Stanford University Press. 

De auteur gaat uitgebreider in op de complexiteit en de functie van sociale systemen.

Luhmann, N. (2013). Theory of Society, Volume 2, Stanford University Press. 

De auteur herneemt de bespreking van de functies en dynamiek van sociale systemen.

Seidl, D., & Becker, K. H. (Eds.). (2005). Niklas Luhmann and Organization Studies. Copenhagen Business School Press. 

Een uiteenzetting  over de toepassing van Luhmanns theorie op organisaties en complexiteit bespreken.

Mascareño, A. (2009). Complexity and contingency in social systems: Niklas Luhmann and the study of politics. Sociological Analysis, 3(1), 27-44. 

Een artikel dat de relevantie van Luhmanns concepten voor de politieke sociologie onderzoekt.

 

 DOORSTAAT DE MIMETISCHE THEORIE VAN RENÉ GIRARD DE PDK TEST? 

 INLEIDING 

René Girard’s mimetische theorie heeft als uitgangspunt het nabootsend verlangen vanuit het verlangen van een ander (het model), en de resolutie van de anomie die dit kan veroorzaken (mimetische rivaliteit en geweld) door het offer, waarbij een zondebok wordt aangewezen.

In zijn vroeger werk deed Girard een tevergeefse (en onjuiste) poging om alle offers te situeren binnen de geweldssfeer. Zijn poging om de oude Joodse mythische literatuur vanuit een niet sacrificiële uitgangspunt antropologisch te interpreteren werd een mislukking. 

De mens projecteert interne conflicten op een zondebok en elimineert die om sociale orde te herstellen. Volgens deze visie was voor Girard elk offer in essentie een poging om geweld te beteugelen door iemand anders op te offeren. 

Onder invloed van Raymond Schwager werd een niet antropologisch criterium in de theorie heringevoerd. Het slechte offer van de ander en het goede zelfofffer. 

De essentie (het is kort door de bocht) kan als volgt worden verwoord: 

–           de slechte offers, zijn de offers die gebaseerd zijn op het zondebokmechanisme, gericht op het overdragen van geweld op een ander om vrede te herstellen. 

–           het goede offer is de  vrijwillige zelfopoffering zonder het gebruik van geweld tegen anderen, waarbij Girard als model het christelijk begrip van Jezus’ kruisdood (terechtstelling) hanteert.

DE PDK-TEST EN DE MIMETISCHE THEORIE VANGIRARD 

PDK-test definieert een theorie als onwetenschappelijk wanneer zij actief bijdraagt aan sociale anomie – de ontwrichting van maatschappelijke structuren – of wanneer zij beweert stabiliteit te brengen door het normatief maken van een zelfoffersysteem. 

Om ingevolge de PDK test wetenschappelijk te zijn en geen pseudowetenschap, ontbreekt in de theorie een stabiliteitselement, waaraan menswetenschappen moeten voldoen om als wetenschap te kunnen worden aanzien.

In de antropologie van Girard is dit element niet aanwezig, waardoor zijn theorie de maatschappelijke anomie vermeerdert.

Onder deze definitie worden menswetenschappen getoetst aan hun niet anomische gehalte (derde wet van Durkheim), waarbij zij de anomie (entropie) niet vermeerderen, maar ook de stabiliteit niet funderen vanuit het zelfoffer. 

De mimetische theorie van Girard verdient in dit opzicht bijzondere aandacht. Zijn denkkader is complex en gelaagd en richt zich niet alleen op culturele en religieuze praktijken, maar ook op een fundamenteel antropologisch uitgangspunt. De mens is een wezen dat niet zelfstandig verlangt, maar altijd in reactie op het verlangen van de ander.

Girard stelt dat de mens vanaf zijn conceptie tot aan zijn dood onder invloed leeft van mimetische nabootsing. Dit is voor Girard het evolutionair menszijn zelf.

De mens verlangt wat de ander verlangt en doet dit niet willekeurig, maar juist omdat die ander als model fungeert voor het eigen verlangen. 

Het verlangen is dus niet primair op het object gericht, maar op de ander, waardoor het verlangen een driehoeksverhouding vormt tussen subject, model en object (Sack, 2021). Waarbij de belangrijkste verhouding bij rivaliteit de intermenselijke is, en het object van het verlangen uiteindelijk geen betekenis meer heeft.

Deze structuur maakt van het menselijke leven een mechanisch, deterministisch systeem.  Het individu is slechts schijnbaar autonoom, en deze schijnvrijheid beperkt zich tot de keuze van zijn modellen. Het uitgangspunt van Girard is monistisch en niet dualistisch. Daardoor verwerpt hij met klem een ander monistisch (eveneens onjuist) uitgangspunt, dat men in de filosofie vaak hanteert.

René Girard verwerpt het ontologisch, autonoom zelfstandig individu.

De filosofie die de mens benadert als een wezen met een autonome kern, wordt door Girard verworpen als romantisch individualisme (O’Shea, 2008). 

Het ontologisch autonoom uitgangspunt is even onjuist als monistisch uitgangspunt, als dat van Girard. 

Girard verving vanuit zijn visie het woord ‘individualiteit’ door ‘interdividueel’, dat veelvuldig zal worden gehanteerd door Jean-Michel Oughourlian, Wolfgang Palaver, James Alison, en Raymund Schwager.

Het deterministisch mechanisme van Girards theorie impliceert niet meteen dat het nabootsend verlangen noodzakelijk tot geweld leidt. 

Nabootsing kan ook vreedzaam en constructief zijn, bijvoorbeeld in leerprocessen.

Maar zodra meerdere actoren hetzelfde verlangen, ontstaat rivaliteit en potentieel conflict. Dit spanningsveld leidt Girard tot de stelling dat er bij de mens, in tegenstelling tot andere diersoorten, geen natuurlijke rem op intra-soortelijk geweld bestaat (Prorokova, 2017). 

Er is geen stabiliteitselement binnen de theorie. Men poogt dan van buitenaf  er een aan toe te voegen, door het herinvoeren van het offer, als geweldloos zelfoffer (wat een ‘contradictio in terminis’ is).

 

EEN VERSCHUIVING VAN HET OFFER, HET ONTBREKEND AUTOREFERENTIEEL STABILITEITSELEMENT BIJ GIRARD

Samenlevingen hanteren omwille van het zoeken naar stabiliteit  de minste pijn, het offerritueel. Het mechanisme van zondebokken en het collectief afreageren vormt volgens Girard de oorsprong van religie en cultuur (Feitosa & Soares Júnior, 2020). 

Dergelijke offerreligies zijn voor Girard de oudste evolutionaire menselijke instellingen.

Het religieuze offer fungeert in Girard’s visie als evolutionaire eerste uitzondering. Een archaïsche uitvinding om mimetische escalatie tegen te gaan. Girard komt terecht tot het besluit  dat dit systeem vandaag niet meer werkt. Maar daarom is het zeker niet verdwenen. Het vertoont zelfs alle elementen van een offercrisis op wereldschaal.

Girard poogde tevergeefs (en op onjuiste wijze) een antropologisch alternatief te vinden door in de joodse en christelijke tradities een niet-sacrificiële kern te ontdekken. 

Toch blijkt dit streven problematisch. 

In zijn antropologische analyse van onder meer het boek Job laat hij cruciale onderdelen links liggen, zoals de proloog die juist de crisis van een familiaal offersysteem duidt. Dit heeft dit boek gemeen (voor het overige zijn ze zeer verschillend) met de aanvang van het toneelstuk van Sophocles ‘koning Oedipus’. 

Typerend voor de interne logica van de evolutie van Girard, is dat hij koning Oedipus als een ‘figura Christi’ gaat aanwijzen, zoals dit overigens in het oude Constantinopel soms gold.

De offercrisis wordt ontdekt vanuit de crisis van het offeren. Het  oorspronkelijk commentaar van teksten uit de oude Joodse literatuur, zoals de brief aan de Hebreeën, wijst op het feit dat Girard het uitgangspunt niet kon waarmaken, zonder delen van deze teksten, of zelfs hele teksten af te wijzen (Dunnill, 1996). 

Zijn poging tot een niet-sacrificiële hermeneutiek strandde daardoor op een interne inconsistentie.

Wanneer Girard uiteindelijk het zelfoffer weer introduceert als ethisch en antropologisch ankerpunt, bevestigt hij impliciet het falen van zijn oorspronkelijke inzet. Dit betekent niet dat er een keuze dient te worden gemaakt tussen een eerste Girard en een tweede Girard, vermits hij in werkelijkheid niet in zijn opzet is geslaagd, en het dan ook heeft opgegeven.

Het idee dat de mens via bekering – het moment van inzicht (toch individueel?) in zijn mimetisch functioneren – kan ontsnappen aan de cyclus van rivaliteit, leidt in de praktijk tot een ethiek waarin het opofferen van zichzelf de hoogste morele daad wordt. 

Deze wending wordt duidelijk in zijn interpretatie van Don Quichotte ‘s sterfbed, waar het personage beseft dat hij zijn rivalitaire mimetische identiteit heeft opgebouwd uit imitaties van talloze modellen (en een in het bijzonder) – uit ridderromans – (Girard, 2020). 

De verlossing ligt in de breuk met het slachtoffer van de ander, door zichzelf als laatste offer in te zetten. Daarmee wordt het zelfoffer vanuit de onschuld van het slachtoffer, paradoxaal genoeg opnieuw vooropgesteld als een stabiliserend mechanisme. Maar is het dat wel? De samenwerking met de theoloog Raymund Schwager versnelde deze verschuiving. 

Girard’s tweede lezing van het Salomonsoordeel, beïnvloed door Schwager, leidt tot een ethiek die impliciet toch opnieuw het offer als centrale waarde hanteert (Dadosky, 2019). 

Veel commentaren vinden dit overigens een zeer goede evolutie. Een evolutie van minwaarde naar meerwaarde. Eigenlijk is na deze wending de theorie eigenlijk niet meer de theorie van Girard, maar de Girard-Schwager theorie. Zo zou men nu zijn theorie moeten benoemen.

De oorspronkelijke poging om een niet-sacrificiële antropologie te construeren wordt daarmee verlaten. 

De vraag is of de antropologische weg zich daartoe leent?

Wat overblijft is een religieus gefundeerde moraal waarin het zelfoffer als redemptive praktijk centraal komt te staan.

Met alle anomische gevolgen van dien, als dit massaal gehanteerd wordt om geweld te rechtvaardigen. Want dat is het boemerangeffect van het fout hanteren van een zelfofferelement als stabiliteitsfactor in zijn theorie.

Girard’s theorie biedt zonder twijfel inzichten in de dynamiek van verlangen, rivaliteit en culturele formatie. 

Zijn diagnose van de menselijke neiging tot geweld via imitatie is ontegensprekelijk waardevol. 

Maar precies omdat zijn systeem geen structurele oplossing biedt buiten het offer om, en uiteindelijk het zelfoffer ethisch legitimeert, voldoet zijn theorie niet aan de PDK-test. 

Ze is ‘anomie vermeerderend’, en slaagt er niet in maatschappelijke stabiliteit te waarborgen buiten het anomische zelfoffergebeuren.

Ook zijn ‘bekeringsmomenten’ zijn verankerd in het ‘zelfoffer’ van waaruit de onschuld van het slachtoffer als stabiliteitsfactor maatschappelijk moet blijken.

Het bevestigt overigens een permanente staat van escalatie die versneld wordt via herhaalde zelfoffers. 

Daarmee is zijn theorie niet enkel analytisch, maar ook normatief instabiel. 

Ten aanzien van de stabiliteit is de theorie niet ‘autoreferentieel’. Zonder het herinvoeren van een extern niet wetenschappelijk element, valt de theorie in duigen. Het is de reden waarom ik (mijn motivatie) op zoek zal gaan in het heelal naar een element dat binnen de wet van de entropie aan de oorsprong ligt van tijdelijke homeostatische stabilisatie. Zonder dit ‘autoreferentieel’ element binnen het ‘systeem’ zou het systeem zich van bij de aanvang volledig zelf vernietigd hebben.

Daardoor produceert de mimetische theorie, net als het systeem dat zij tracht te doorgronden, voortdurend nieuwe vormen van anomie.

In heel het werk van Girard blijft echter een  spanning, omdat hij het autoreferentieel ‘stabiliteitselement’ niet heeft gevonden. 

Zijn monistisch uitgangspunt is daar niet vreemd aan.

Maar waarom ontbreekt deze parameter in de antropologie van René Girard?

Philippe De Keukelaere

(wordt vervolgd met: ‘Waarom is René Girard in zijn opzet niet geslaagd; is het zelfoffer een juist evolutionair ankerpunt voor het definiëren van wat een mens is? Een onjuiste lectuur van de oude Joodse mythische literatuur’).

 Literatuurlijst 

  • Dadosky, J. (2019). Grant Kaplan’s René Girard, Unlikely Apologist: Mimetic Theory and Fundamental Theology. Pro Ecclesia: A Journal of Catholic and Evangelical Theology, 28, 446–454. https://consensus.app/papers/grant-kaplan-’-s-rené-girard-unlikely-apologist-mimetic-dadosky/b055d8d008e35285b877a0c5f7f28881/?utm_source=chatgpt
  • Dunnill, J. (1996). Methodological Rivalries: Theology and Social Science in Girardian Interpretations of the New Testament. Journal for the Study of the New Testament, 18(62), 105–119. https://consensus.app/papers/methodological-rivalries-theology-and-social-science-in-dunnill/0ba7348789f65a07ba73cc3da7c67b2b/?utm_source=chatgpt
  • Feitosa, M. R., & Soares Júnior, A. C. (2020). A violência e os mistérios do sacrifício sob o prisma girardiano. https://consensus.app/papers/a-violência-e-os-mistérios-do-sacrifício-sob-o-prisma-feitosa-júnior/4e054ab230fa503594cc6e267fad14e2/?utm_source=chatgpt
  • Girard, R. (2020). René Girard and Mimetic Desire. https://consensus.app/papers/rené-girard-and-mimetic-desire-girard/396d83a4632d576b83e904ffc426b01b/?utm_source=chatgpt
  • O’Shea, A. (2008). Selfhood and sacrifice: “Making sacred” and “Making the modern identity”. https://consensus.app/papers/selfhood-and-sacrifice-“-making-sacred-”-and-“-making-the-oshea/90268f7bdcde5b7ea734446bb457916f/?utm_source=chatgpt
  • Prorokova, M. (2017). The Mimetic Crisis in René Girard’s Project of “Fundamental Anthropology”: Main Aspects. Журнал Социологии и Социальной Антропологии, 14(4), 388–395. https://consensus.app/papers/the-mimetic-crisis-in-rené-girard-’-s-project-of-“-prorokova/efdc5b99f2f8510e854b2f480bfec650/?utm_source=chatgpt
  • Sack, G. (2021). Geometries of Desire: Simulating René Girard’s Mimetic Theory. Proceedings of the 2020 Conference of The Computational Social Science Society of the Americas. https://consensus.app/papers/geometries-of-desire-simulating-rené-girard-’-s-mimetic-sack/cb2cd75c0a7652cea26a8686ea4dd413/?utm_source=chatgpt

 

 

 “De Nederlandse journalist en antropoloog Teun Voeten deed onderzoek naar de drijfveer van jongeren die kiezen voor een asociaal en vaak crimineel levenswandel. Hij legde daarbij de vicieuze cirkel bloot van gepercipieerd slachtofferschap naar gedrag dat brede maatschappelijke afwijzing uitlokt, wat dan weer het slachtofferschap bevestigt.”

Bart De Wever, Over Woke, 2003, EPUB uitgave ISBN 9789464759334, 23.

“Het slachtofferschap staat centraal en wordt gebruikt als wapen, terwijl men er tegelijk status (een meerzijn, eigen opmerking) aan ontleent. Wie zich niet in het slachtofferschap wentelt, valt buiten de ideologie, ongeacht tot welke identitaire categorieën ment behoort.”

Paul Boonefaes, ZWIJG! Waarom woke niet deugt, 2021, IDBN (e-boek) 978 94 64369 09 0, 14/

DOORSTAAT DE WOKE-THEORIE (die zich voordoet als een wetenschap) de PDK-FALISFIEERBAARHEIDSTEST?

HERHALINGSLES (t’is bijna examentijd, opgelet)

Wat is de PDK (Philippe De Keukelaere) -falsifieerbaarheidstest. Het is de KP test (Karel Popper) ten aanzien van de menswetenschappen. Wat houdt deze test in? In harde wetenschappen gaat het essentieel om het werkelijkheidsgehalte te achterhalen van een theorie of stelling ten aanzien van de feedback door herhaalde observaties. In de menswetenschappen gaat het essentieel om het anomische gehalte.

Het ‘falsificeerbaarheid-beginsel’ stelt met andere woorden dat in de menswetenschappen de wettenschappelijksgraad van een stelling (is het wetenschap of pseudowetenschap?) dient getoetst te worden aan de hand van het marginaal hanteren van het ‘zelfopofferbaarheidscriterium’ ten aanzien van de sociale stabiliteitsgehalte van de stelling.

Een stelling is met andere woorden onwetenschappelijk als het de stabiliteit van de samenleving verminderdt (bijdraag tot de sociale anomie, entropie), maar ook als de stelling tot de stabiliteit beweert bij te dragen door een zelfoffercriterium te poneren. 

Met het verminderen van stabiliteit toetsen aan het zelfofferschap, hanteer ik de derde wet van Durkheim, de suïcidale anomie. 

Durkheim heeft als positivist in deze een redelijkheidsbeginsel ontdekt die een sociale dimensie objectiveert.

HET EVOLUTIONAIR VOORDEEL VAN MIJN METHODE

WAT ONTDEKKEN WE BIJ HET ANALYSEREN VAN WOKE

Aan de methode van Karl Popper met betrekking tot de harde wetenschappen geef ik de afkorting KP-methode, aan mijn methode met betrekking tot de menswetenschappen de PDK-methode.

Het evolutionair voordeel van mijn PDK-methode (ik heb evenwel het niveau van tante Kaat nog niet bereikt) houdt in dat men theorieën naar hun wetenschappelijkheid gehalte gaat analyseren aan de hand van het hanteren van een rationeel (zoals ik de rede definieer) wetenschappelijk toetsingscriterium, en niet aan de hand van het eindeloos bekritiseren en opnieuw bekritiseren van de kritiek, om tenslotte tot een dovemansgesprek te komen, waar dan bepaalde mensen met boeken beginnen te gooien (wat ik ooit heb meegemaakt).

Het is mij met andere woorden in mijn analyse niet zozeer te doen om de inhoud, maar om wat de structuur ons laat ontdekken.

Ik zou niet stellen dat de woke theorie een religie is. Het interessante aan deze beweging is dat ze ons de kern van wat het religieuze is op een ongeziene wijze doet ontdekken.  Met de woke theorie ontstaat in de geschiedenis iets ongekends. De geschiedenis laat nu zichzelf ontdekken. We hoeven het zelf niet meer te gaan zoeken.

Ik heb het over de structuur van de theorie, die we moeten toetsen aan de PDK-toets, eerder dan de inhoud te gaan weerleggen. De inhoud beoordeel ik niet. Ik zeg niet dat die goed of slecht is, maar ongecontroleerde goede bedoelingen (de plaveistenen van…), de slaap van de rede… (Goya). 

Het gaat met andere woorden niet om mensen, maar om een theorie, die zich voordoet als een wetenschap.

WELKE TOETSING ?

De opkomst van de woke-beweging heeft geleid tot intense debatten in de publieke sfeer, de media en de academische wereld. 

Het wetenschappelijk gehalte van de theorie wordt vaak gedefinieerd als een sociaal bewustzijn rond systemische ongelijkheden en onderdrukking – met bijzondere aandacht voor thema’s zoals racisme, seksisme, kolonialisme en heteronormativiteit -. Daardoor is de beweging vooral populair geworden onder jongere generaties en binnen progressieve activistische kringen. Hoewel de beweging in oorsprong een pleidooi is voor rechtvaardigheid en bewustwording, valt op dat de morele dynamiek ervan diepere culturele lagen aanraakt dan louter politiek activisme. Dit roept de intrigerende vraag op: vertoont de woke-beweging, ondanks haar seculiere en vaak antireligieuze uiterlijk, niet fundamenteel religieuze trekken?

In deze tekst wordt betoogd dat wokeness kan worden gelezen als een seculiere openbaring van een religieuze structuur. 

Niet omdat het een religie is in institutionele zin, maar omdat het functioneert via herkenbare religieuze mechanismen: slachtofferschap als sacraal fundament, rituelen van zuivering en bekering, een duidelijke moraal van goed en kwaad, en een visie op maatschappelijke verlossing. 

Aansluitend wordt het centrale uitgangspunt van deze structuur – slachtofferschap – geëvalueerd aan de hand van een toetsbaar theoretisch kader. Daartoe hanteren we de PDK toets voor menswetenschappen: de stabiliteitstoets in verhouding tot het zelfopofferings-gehalte. 

Dit houdt in dat theorieën en bewegingen niet worden beoordeeld op hun intenties, maar op hun vermogen om maatschappelijk bij te dragen aan stabiliteit, wanneer slachtofferschap centraal staat als organiserend principe.

Hierbij hanteren we dit als toetsing voor het wetenschapsgehalte van de theorie als menswetenschap. Vraag is met andere woorden : is de theorie wetenschap of pseudowetenschap ?

SLACHTOFFERSCHAP ALS SACRAAL FUNDAMENT

Religieuze tradities, en met name het christendom, zijn sterk gegrondvest op het motief van het heilig slachtofferschap. De kruisiging van Christus is niet alleen het middelpunt van de christelijke verlossingsleer, maar ook het model voor het verheffen van lijden tot morele autoriteit. Op gelijkaardige wijze presenteert wokeness slachtoffergroepen – mensen van kleur, vrouwen, LHBTQ+, mensen met een beperking – als dragers van moreel gezag binnen het maatschappelijk debat. Uitsluitend vanuit een slachtofferschap. 

Volgens Cerny-Suelzer & Friedman [1] vormt dit moreel uitgangspunt de basis voor nieuwe waarden in de medische en educatieve praktijk. Madigan [2] noemt het verschijnsel een ‘inverted totem’: een negatief geladen identiteitsmarkering die groepen samenbindt rond het gedeelde besef van historisch onrecht. Binnen het kader van onze stabiliteitstoets geldt echter: hoe meer slachtofferschap tot kernidentiteit wordt gemaakt, hoe groter het risico op antagonisme en structurele instabiliteit. De permanente herbevestiging van slachtofferschap als sociale ruggengraat ondermijnt potentieel het streven naar gedeelde collectieve instellingen.

BEKERING, ZONDE EN ZUIVERING

De woke-beweging kent rituelen die sterk doen denken aan religieuze boetedoening. Denk aan het publiekelijk erkennen van ‘wit privilege’, het afleggen van verklaringen van solidariteit, en het ‘ontvolgen’ of boycotten van mensen of organisaties die de morele grenzen hebben overtreden. Lombaard [3] stelt dat deze praktijken vaak blijven steken in individuele zuivering zonder structurele verandering. Vanuit onze toets bezien resulteert deze nadruk op zonde en bekering eerder in instabiliteit: morele druk, sociale spanning en onderlinge wantrouwen worden structurele bijwerkingen.

Sage [4] stelt expliciet dat woke gedragspatronen religieuze trekken vertonen, vooral in universiteiten, waar afwijkende meningen als ketterijen worden behandeld. De zuiveringsdrang creëert zo een zondeleer zonder institutionele verankering, wat leidt tot culturele fragmentatie. Dit leidt tot een negatief effect in het kader van een stabiele, vrije democratie.

RITUELEN EN TABOES

Zoals religies rituelen hanteren ter inwijding, bevestiging of straf, zo doet wokeness dat ook via sociale media en activistische campagnes. Termen als ‘virtue signaling’ en ‘call-outs’ verwijzen naar handelingen die morele reinheid etaleren of juist het morele falen van anderen aan het licht brengen. Gardner & Henry [5] merken op dat dit leidt tot een intellectueel klimaat waarin het debat ondergeschikt raakt aan groepsloyaliteit. Wanneer het uiten van redelijke twijfel gelijkgesteld wordt aan verraad, wordt de stabiliteit van het vrije discours ondermijnd.

VERLOSSINGSSTRUCTUUR EN UTOPISCH EINDBEELD

Wokeness biedt een seculier verlossingsverhaal: een wereld gezuiverd van ongelijkheid, racisme en onderdrukking. Maar hoe wenselijk ook als algemeen beginsel, binnen een PDK kader is het einddoel secundair aan de methodologie. De weg ernaartoe – via offerdenken en permanente herbevestiging van onrecht – lijkt spanningen eerder te vergroten dan te verlichten. Beshara [6] wijst op het gebrek aan rationele toetsbaarheid van deze utopische horizon, wat vanuit wetenschapsfilosofisch perspectief problematisch is.

TOEPASSING VAN DE STABILITEITSTOETS: EVALUATIE

Indien we de beweging toetsen op haar maatschappelijke stabiliserende waarde, zoals de PDK-test het doet  voor sociale theorieën, dan blijkt dat de centrale focus op slachtofferschap de structurele samenhang onder druk zet. Waar klassieke liberale systemen stabiliteit zoeken via pluralisme en open debat, neigt de woke-structuur naar morele homogeniteit en taboe vorming. 

Dit maakt haar kwetsbaar voor dogmatisering en uitsluiting van kritiek.

WOKE IS EEN ONGEKENDE SECULIERE OPENBARING VAN HET RELIGIEUZE. HET IS EEN PSEUDO-WETENSCHAP, OMDAT HET DE PDK-TOETS NIET DOORSTAAT

(falsifieerbaarheid beginsel als in de definitie weergegeven niet doorstaat; misschien zal het in september wat opgeklaard zijn) 

Wokeness is geen religie in traditionele zin, maar functioneert als een seculiere religieuze structuur met slachtofferschap als moreel centrum. Toegepast op een de KDP stabiliteitstoets – waarbij theorieën worden beoordeeld op hun vermogen tot samenlevingsopbouw in verhouding tot hun offerlogica – blijkt dat de woke-beweging, ondanks haar goede bedoelingen, sociaal destabiliserend werkt vanuit een ‘zelfofferobsessie’. 

In plaats van een rationeel kader voor gezamenlijke realiteitsonderzoek vanuit het zich zachte duplicerende, spiegelende zelf als zelfbewustzijn, creëert zij een moraliserend systeem met religieuze trekken, waarin kritiek moeilijk kan worden ingebed zonder als ‘ketterij’ te gelden. Woke is de seculiere openbaring van de religieuze kern van de religies, het continu zelfoffer, de zelfvernietiging van het zelf, in functie van een maatschappelijk meerzijn.

Haar structurele nadruk op slachtofferschap – niet als motief tot herstel, maar als permanent moreel statuut – vormt daarbij het grootste risico. In die zin is de woke-theorie geen wetenschap maar een maatschappelijke oorlogsmachine om macht te verwerven, wat niet helemaal hetzelfde is als wetenschap.

De woke-wetenschap is overeenkomstig de PDK-test, een pseudowetenschap.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : doorstaat de mimetische theorie van René Girard de PDK-test ?)

[1] Cerny-Suelzer, C. & Friedman, S. (2022). Be Woke, Choose Growth. Link

[2] Madigan, T. (2023). Inverted Totems. Link

[3] Lombaard, M. (2023). The Good White, the Bad, and the Ugly. 

Link

[4] Sage, R. (2022). A New Woke Religion.

Link

[5] Gardner, S. & Henry, W. (2024). Education in the Age of Woke. Link

[6] Beshara, R. (2024). Critique of Postcolonial Unreason. Link

verdere bronnen:

Walter Weyns, Wie wat woke?  2021

Een cultuurkritische analyse van de oorsprong en paradoxen van de woke-beweging.

Paul Boonefaes, Zwijg! 2021 

De auteur heeft het over de cultus van het ‘slachtofferschap’ als oorlogswapen.

Floris van den Berg, Het spook van woke 2023

Een filosofische kritiek op cancel culture en identiteitspolitiek, met een pleidooi voor humanisme en vrijheid van meningsuiting.

Bart De Wever, Over woke ,2023

De auteur waarschuwt voor de gevaren van wokisme voor de westerse samenleving en pleit voor verlichting en vooruitgang.

Martin Harlaar, Ben ik wel woke genoeg,  2022

Een persoonlijke ontdekkingstocht door het ‘Land van Woke’, met bijdragen van diverse academici over de impact van woke op wetenschap en vrije meningsuiting.

Nadia Geerts Woke! La tyrannie victimaire, 2024

Een kritische analyse van wokisme als een ideologie die vrijheid en gelijkheid bedreigt.

“La musique ne signifie rien: elle signifie elle-même. Mais ce rien n’est pas un vide; c’est un presque-rien, une allusion ineffable à quelque chose de plus intime que nous-mêmes — une présence qui passe, nous frôle, et disparaît. […] Et pourtant, c’est là que le moi se reconnaît: dans cette vibration passagère qui ne laisse pas de trace mais bouleverse tout.”
Vladimir Jankélévitch La musique et l’ineffable, 1961, 12 – 13
vertaling
“Muziek betekent niets: zij betekent zichzelf. Maar dat niets is geen leegte; het is bijna-niets, een onuitsprekelijke aanduiding van iets dat intiemer is dan wijzelf — een aanwezigheid die langskomt, ons raakt, en weer verdwijnt. […] En toch is het precies daar dat het zelf zich herkent: in die voorbijgaande trilling die geen spoor nalaat, maar alles in ons in beweging zet.”
Het zich zacht herhaaldelijk duplicerend, spiegelende individueel, onopofferbaar zelf als zelfbewustzijn is geen ontologisch zijn of meerzijn, maar een energie, die inwendig en uitwendig stabiliteit creëert.
 
HOE KOMT HET DAT DE MATERIE RELATIEF (TIJDELIJK) STABIEL KAN BLIJVEN?
WAT MOTIVEERT MIJ?
 
VOORAFGAANDE OPMERKING
 
We zoeken een element dat zou kunnen wijzen op het feit dat er in het heelal een positieve reactantie aanwezig is, als voorwaarde voor een tijdelijk behoud van stabiliteit in het universum. Het kan ook zijn dat dit element niet bestaat. Observatie moet dit uitwijzen.
Popper stelde dat een theorie wetenschappelijk is, als ze falsifieerbaar is. Dit is, als ze onderworpen kan worden aan een empirische test die haar kan weerleggen.
Zonder dit beginsel is er geen wetenschap.
Deze eis is vooral geschikt voor de natuurwetenschappen (zoals fysica of biologie), waar observaties en experimenten vrij ‘objectief’ kunnen zijn.
Wat mij het meest motiveert is na te gaan of we eenzelfde verificatiewet kunnen vinden in de zogenaamde menswetenschappen ?
Stel dat ik een bioloog ben en beweer een belangrijke ontdekking te hebben gedaan. Bijvoorbeeld dat de zon rode stralen uitstraalt, omdat ik dit in een zonsondergang heb gezien. Na verificatie (observatie van de werkelijkheid) blijkt dit echter niet te kloppen. Voor mij is dit een beetje vervelend, maar het zijn de spelregels van de zogenaamde ‘harde’ wetenschappen. Verder zal dit geen gevolgen hebben, tenzij men te voorbarig is geweest met de verificatie. Ik denk hierbij aan het geneesmiddel Softenon.
Algemeen kan men stellen dat het een handige feedback is.
In de menswetenschappen bestaat een dergelijke verificatie niet. Stellingen kunnen aan kritiek onderworpen worden. Maar ook de kritiek op de kritiek enz…
Het vervelende is, dat de nadelige gevolgen veel verder kunnen reiken dan in de harde wetenschappen.
Een van mijn kennissen – met wie ik maandelijks aan tafel zat (hij is overleden) – zei mij ooit : ha, die Hitler, wel nu alles wat hij in ‘Mein Kampf’ heeft geschreven heeft hij ook gedaan. En dat is ook zo.
In de militaire strategie is het een vergissing (een strategische blunder) van de verdediging om altijd de mythische zuil van de aanvaller te gaan nabootsen, in plaats van die te ontkrachten. Dit komt omdat men in militaire kringen veel te weinig belang hecht aan mythische zuilen en oorlogspropaganda. Dit is minstens even belangrijk als de gepaste wapens kopen, en het kost ook veel minder geld. Lang geleden stelde professor Karel van Isacker dat het nationaalsocialisme geen enkele ideologische achtergrond had. Het was een soort irrationeel toeval van de geschiedenis. Dit was overigens in die tijd de algemene trend. Men hechtte toen geen enkel belang aan het boek van Hitler – dat men paradoxaal genoeg vaak verbood te publiceren – als een mogelijke voorspelbaarheid van wat zou gebeuren.
Vandaar dat we koelbloedig, maar daadwerkelijk altijd de oorlogstaal van een aanvaller moeten analyseren op asymmetrische wijze – zonder enige mimesis – en moeten weerleggen tot op het bot.
In St-Louis (Verenigde Staten, Missouri) heb ik aan de universiteit ‘St-Louis’ een lezing meegemaakt van Peter Thiel. Men vertelde (in de mooiste zaal van de universiteit, dat men voor die gelegenheid geopend had), dat hij met een helikopter uit de hemel was neergedaald (is het een legende, ik heb het niet onderzocht).
Ik was het ongeveer oneens met alles wat hij vertelde omdat hij een utopist is (ik had veel vroeger al te Parijs – in het beruchte hotel Meurisse (WOII) – een lezing meegemaakt van Alvin Toffler, ik was dus al gevaccineerd tegen dergelijke dromen; ik kreeg toen het anti-dromen vaccin toegediend), tenzij met één zaak. Je moet altijd doen wat de anderen niet doen.
Men mag natuurlijk niet overdrijven. In het Vlaams : je mag niet systematisch ‘contrair’ zijn. Wat Peter Thiel voorstelde is geen universeel beginsel.
Het asymmetrisch onderzoeken van de mythische zuil, van de propaganda verzwakt de aanvaller meer dan als men er meteen onvoorbereid en pathetisch ongeduldig tegenaan gaat en in het wilde weg begint te schieten. De geschiedenis barst van dergelijke voorbeelden.
Mijn voorouders – die oud-strijders – die gevochten hebben tegen de legers van Julius Caesar, wisten er alles van.
Als men het van iets nader bekijkt – ik verwijs naar het waardevolle ontnuchterende boek van Anne Apllebouw (Pulitzer prize) – Autocracy, Inc. The Dictators Who Want to Run The World, 2024 – stelt men vast dat voor zijn aanval in Oekraïne president Vladimir Poetin op ongekende – in Europa totaal verwaarloosde en niet onderzochte – wijze Europa uiterst negatief heeft gemythologiseerd.
Hij poogde een zeer negatief collectief beeld van zijn eigen ‘zelfoffervijand’ te creëren, een uiterst negatief te verwerpen model ter motivering van zijn aanval.
Hij poogde van Europa een nazi-monster te maken. We moeten zeer voorzichtig zijn met het gebruik van dit woord als een collectief wapen tegen de ander. Het verzwakt de persoon die het gebruikt, omdat het doorgaans onjuist is. In dictaturen zijn er gradaties. In West-Europa stelde men dat het communistische regime van Tito een zacht communisme was. In 1971 was ik in Joegoslavië, en vond dat het niet zo zacht was als men beweerde, ik heb enkele problemen gehad, maar dat kan elders ook voorkomen. Maar het was Oost-Duitsland niet. Ook in dictaturen is alles relatief. Met woorden als ‘het is een nazi’ moet men dan ook voorzichtig omgaan.
Ik stel dat als men voor de aanval van Poetin (tegen de zin van zijn eigen volk), in Europa de juiste analyse van deze mythische zuil had gedaan, de aanval mogelijk niet zou zijn doorgegaan, of in ieder geval veel moeilijker zou zijn geweest. Belangrijker nog voor militaire kringen is dat men de aanval nooit op de juiste geopolitieke wijze heeft geïnterpreteerd. Wat bedoel ik ? Men heeft nooit gepoogd de werkelijke motivatie van Poetin te achterhalen, achter de schijn – in een andere context, het waardevolle boek van Peter Reichel, Der Schöne schein des drittes Reichers, Facination und Gewalt der Faschismus, 1995, geïllustreerd met foto’s – van de mythische zuil van het derde rijk.
We geloven – maar dit is geen wetenschap – steevast dat wat dictators zeggen en schrijven, zich nooit zal voordoen. Welnu, het is net andersom.
Het gevaar van deze onachtzaamheid, dit gebrek aan alertheid- het slaapwandelen – in deze extreme gevallen geldt in het algemeen voor de menswetenschappen zelf.
 
IS ER EEN FALSIFIEERBAARHEIDSCRITERIUM MOGELIJK (IK PARAFRASEER POPPER) IN MENSWETENSCHAPPEN ?
 
Daarvoor ga ik te rade bij een positivistische socioloog, Emile Durkheim. Durkheim was een Franse filosoof, maar eveneens Duitstalig. In 1885-1886 verbleef Durkheim in Duitsland, waar hij sociologie studeerde aan de universiteiten van Marburg, Berlijn en Leipzig.
Deze periode was cruciaal voor zijn intellectuele ontwikkeling en hij raakte er beïnvloed door de Duitse wetenschappelijke traditie en het empirisch onderzoek. Hij waardeerde in het bijzonder de Duitse nadruk op concrete, complexe zaken in tegenstelling tot de meer abstracte Franse filosofische benadering. Dit betekent niet dat de Franse benadering totaal waardeloos zou zijn..
Durkheim schrijft :
“L’anomie est donc, dans nos sociétés modernes, elle est une des sources auxquelles s’alimente le contingent annuel. Nous sommes, par conséquent, en présence d’un nouveau type qui doit être distingué des autres. Il en diffère en ce qu’il dépend, non de la manière dont les individus sont attachés à la société, mais de façon dont elle réglemente. Le suicide égoïste vient que les hommes n’aperçoivent plus de raison d’être à la vie ; le suicide altruiste de ce que cette raison leur parait être en dehors de la vie elle-même (ik denk aan religieuze sekten): la troisième sorte de suicide, dont nous venons de constater l’existence, ce qui leur activité est déréglée et de ce qu’ls en souffrent, nous donnerons à cette dernière espèce le nom de SUICIDE ANOMIQUE. » (1, de auteur benadrukt)
vertaling
“Anomie’ is dus, in onze moderne samenlevingen, een van de bronnen waaruit het jaarlijkse contingent [zelfmoorden] zich voedt. Wij bevinden ons bijgevolg in de aanwezigheid van een nieuw type dat van de andere moet worden onderscheiden. Het verschilt hiervan doordat het niet afhangt van de manier waarop individuen aan de samenleving gehecht zijn, maar van de manier waarop zij hun reguleert. De egoïstische zelfmoord komt voort uit het feit dat de mensen geen reden meer zien om te leven; de altruïstische zelfmoord uit het feit dat die reden hen buiten het leven zelf lijkt te liggen: de derde soort zelfmoord, waarvan wij zojuist het bestaan hebben vastgesteld, [namelijk] dat hun activiteit ontregeld is en dat zij daaronder lijden, zullen wij aan deze laatste soort de naam ANOMISCHE ZELFMOORD geven.”
De derde vorm van anomie treffen we aan in heel het werk van Kafka. Ik verbind deze vorm van anomie met een totaal gevoel van onvoorspelbaarheid op alle gebied wat de toekomst betreft. Wat betekent dit?
Dit betekent dat deze vorm van zelfmoord moet verbonden worden met de omnogelijkheid voor het indivueel brein om de overgang te maken tussen het observeren van de werkelijkheid – het individueel brein komt tot een katatonische stilstand – en het interpreteren van deze werkelijkheid door de hersenen.
Ik geef volgend voorbeeld.
Het fenomeen van het pesten op school. Iemand wordt gepest, omwille van een fysisch kenmerk, te groot, te klein, te zwaar, te mager, niet op zijn juiste plaats – Napoleon werd ervoor gepest -, te hoge of te lage sociale afkomst – in BelgIë is men daar bezeten van, het is een rage, als de hondsdolheid – enz….
Ik heb echtscheidingen meegemaakt , louter omwille van het feit dat een van de echtgenoten of partners een zeer grote ‘sociale’ promotie had bekomen. Daardoor achtte hij/zij het ‘onder zijn/haar stand’ (zoals men in Vlaanderen zegt) nog getrouwd te kunnen blijven of samen te leven met de andere partner.
Men kan echter een eigen verlieservaring ook als een pestervaring aanzien (in zekere zin als een vermeend slachtofferschap).
Hitler was al onder invloed, maar de volgende ervaring blijkt mij fundamenteel te zijn in zijn bestendige zoektocht naar wraak.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Hitler ordonnans (een koerier die berichten tussen posten bracht), wat hij met moed deed; hij kreeg er zelfs een onderscheiding voor.
Maar hij kon niet opklimmen tot onderofficier, wat ongebruikelijk was voor iemand met zijn dienstjaren en medailles. Dit wijst erop dat zijn oversten hem niet geschikt vonden om een groep aan te voeren (dramatisch grappig als hij later dacht een militair genie te zijn).
Hij stond ook bekend als teruggetrokken en had weinig sociale contacten met andere soldaten. Historici suggereren dat hij niet echt geliefd was binnen zijn eenheid.
Dit zou kunnen wijzen op sociale isolatie of een gevoel van ‘buitenstaander’ te zijn. Dit was het miskend psychologische keerpunt van Hitler, dat gelinkt moet worden aan zijn religieuze wraakgevoelens. Dit zou verder uitgewerkt moeten worden.
Poetin werd in de jaren ’80 als KGB agent gestuurd naar Dresden, Oost-Duitsland, een KGB-post aan de rand van het Sovjetimperium, ver van het centrum van de macht in Moskou.
Voor veel ambitieuze KGB-agenten was een post in Moskou of in het Westen (bijv. VS of Groot-Brittannië) prestigieuzer.
Dresden werd door sommigen gezien als het ‘vergeetput’ van de KGB.
Ofschoon we zeer voorzichtig moeten zijn Poetin met Hitler te vergelijken (voor Poetin zijn alle Europeanen de reïncarnatie – een collectieve verrijzenis, overeenkomstig zijn religie – van Hitler, of komt dat van Kirill ?), was dit ook het miskende psychologische keerpunt van Poetin (die reeds in de anomische sfeer van de sovjet-unie leefde, met alle gevolgen van dien) geweest, dat gelinkt moet worden aan zijn religieuze wraakgevoelens.
Wat is nu dit psychologisch keerpunt? Het is het moment waarop men het zelf omwille van een verlieservaring (door geen onderofficier te worden benoemd, en door KGB agent gezonden te worden, naar de ‘vergeetput van Dresden) definitief en radicaal opoffert, vernietigt in functie van een meerzijnsverlangen (zo ontstaat het verlangen) te realiseren door wraak. Zowel voor Hitler als voor Poetin is dit de kern van hun leven geworden, dat heel hun later leven zal bepalen.
In dit mistfenomeen, reëel of vermeend (ingevolge een verlieservaring) kan het geweld zich anomisch keren tegen de persoon zelf (Durkheim) of tegen anderen.
Hoe men toch de werkelijkheid op verkeerde wijze kan interpreteren, met alle gevolgen van dien.
Wie gepest wordt kan de ‘anomische zelfmoord’ ondergaan van Durkheim. Hij hoeft daarvoor niet tot de daad over te gaan. Hij ondergaat de mistervaring.
Dit betekent dat de verbinding tussen de waarneming en het interpreteren door het brein verdwijnt in de mist. De essentie van het misbruik in de kerk (waar zoveel om te doen is), is in essentie het verband tussen een pestgedrag dat ontstaat uit de collectieve machtslust van een instelling (ook al predikt men het tegenovergestelde).
Als een instelling bezeten wordt door machtslust, moedigt je dergelijke – enkel omwille van het verband tussen pesten en machtslust – zaken aan. Vandaar dat deze problematiek zich vaak in religieuze sekten voordoet, waarvan de leider een goeroe is.
Ik heb het zelf gezien, zwaar gepeste (in mijn ogen) verstandige leerlingen werden als dommeriken uit de school gezet, omdat zij collectief gepest werden.
Men weet dat wie een gepest persoon verdedigt hetzelfde prettige lot ondergaat.
Belangrijker is, dat daardoor het verstand op nul gezet wordt, net omwille van de pestmist. Er is dus niet alleen oorlogsmist (von Clausewitz), maar ook pestmist. Pesten wordt gelinkt met opofferen en zelfoffers. Eigenlijk zoekt de menigte een offeraar om zelf geofferd te worden.
Het kan paradoxaal lijken. Maar als de volle vaas overloopt van zijnsmacht – of de wil tot zijnsmachtvermeerdering van een goeroe – heeft men een offeraar nodig om die te ledigen. Omdat men hier ook de werkelijkheid niet waarneemt als ze is, gaat men het zijnsgehalte van het slachtoffer kietelen, door hem te pesten. Het resultaat is een zijnsinstorting bij het slachtoffer, wat zijn brein – als trasmittor van zelf naar zijn – tot stilstand brengt.
De anomie is bij pesten een vorm van hersendood, en coma, die – in extreme gevallen -tot de werkelijke daad kan leiden.
Ik waardeer het waardevolle initiatief van minister Gennez om de leeftijd voor het gebruik van gsm’s op te trekken. Men mag daar niet flauw over doen. Het waardevol toestel blijkt op jongere leeftijd als een pest communicatiemiddel te kunnen worden gebruikt, wat het (jong en poreus) verstand op nul zet in een dichte mist voor wie gepest wordt. Soms met de daad van Durkheim als gevolg.
Als we Franz Kafka lezen, stellen we vast dat hij een uniek verband tussen deze ervaring – onder andere omwille van een absurde regelgeving – en een ‘onschuldervaring’ van wie het ondergaat. Het is geen gefabuleerd zelfofferschaap (soms kan het ook dat zijn, zoals alle strijdende partijen in oorlogen trachten aan te tonen voor zichzelf), maar bij Kafka een ervaring van de werkelijkheid, die de werkelijkheid overstijgt.
De zeer mooie Belgische surrealistische schilderkunst wijst op dit fenomeen. De moeder van René Magritte pleegde zelfmoord. Mogelijks is er een verband met het schilderij ‘l’histoire centrale’, het volledig gesluierd (ingepakt) hoofd van een vrouw die met haar hand naar haar keel grijpt. Deze vrouw slaagt er niet meer in de werkelijheid te interpreteren met haar brein. Zij is er blind voor geworden.
Het is de ervaring van de negatieve reactantie als mijn zelf het zelf van de ander waarneemt. Maar nu collectief. Het voorspelbaarheisgehalte van de regelgeving is verdwenen (anomie), waardoor het individu in complete mist terecht komt en de werkelijkheid niet meer kan interpreteren. In dit verband is Kafka een waardevolle auteur. Hij beschrijft in zijn romans deze ervaring. Ook wie Kafka niet gelezen heeft gebruikt de uitdrukking : het is werkelijk kafkaiaans. In onze samenleving zijn we daar ongeveer aan toe. Vandaar…
Het falsifieerbaarheidsbeginsel in de menswetenschappen beantwoordt niet aan dat van de ‘harde’ wetenschappen.
In de ‘harde’ wetenschappen komt de feedback, na het ontwikkelen van de theorie, door observatie.
In de menswetenschappen dient de feedback meteen te worden toegepast, omdat de gevolgen veel verder reiken.
CRITERIA VAN HET FALCIFIEERBAARHEIDSBEGISEL IN MENSWETENSCHAPPEN
Mijn bedoeling is niet de meningsuiting te beperken. Het staat iedereen vrij zijn mening op papier te zetten. Zoals het alle mensen vrij staat om aan onderzoek te doen.
Vraag is welke teksten uit de menswetenschappen die zich als wetenschappelijk voordoen, beantwoorden aan het derde criterium van Durkheim, en welke niet.
Men kan in alle menswetenschappen een objectief criterium linken aan het beginsel van anomische zelfmoord van Durkheim.
Wat betekent dit ? Er is een tweevoudig criterium.
Men kan daar een objectieve schaal voor opstellen.
De twee volgende vragen dienen beiden cumulatief aanwezig te zijn :
EERSTE VRAAG : in welke mate leidt de theorie al dan niet tot maatschappelijke stabiliteit of net andersom.
TWEEDE VRAAG : in welke mate leidt de theorie al dan niet tot de opofferbaarheid van het zich zacht duplicerend spiegelend zelf als zelfbewustzijn of net andersom. In welke mate verdedigt de auteur het zelfofferschap als criterium voor stabiliteit (orde).
Ik neem als uitgangspunt een getransformeerde definitie van het recht, die professor Willy Delva (Universiteit Gent) gaf : “…dat het recht als rechtsregeling bestaat in een geheel van gedragsregels (normen) opgelegd door een maatschappelijk gezag, met het oog op een zekere (in de zin van rechtszekere) maatschappelijke ordening in rechtvaardigheid’ (Personen en familierecht, Gent, 1982, 9, aangehaald. (2)
Hoe herschrijf ik deze definitie ?
Het falsifieerbaarheidsprincipe in de menswetenschappen gaat na of een wetenschappelijke stelling al dan niet bijdraagt tot maatschappelijke stabiliteit, aan de hand van de marginale toetsing van het zelfoffergehalte van deze stelling.
Waarom de toetsing aan het slachtofferschap van het zelf ? In intermenselijke verhoudingen mag stabiliteit op zich geen absolute waarde worden. Als we die parameter als een absolute parameter gaan hanteren, keert hij zich tegen zichzelf door het teruggrijpen naar het zelfoffer. Men zou er bijvoorbeeld kunnen van uitgaan dat het herinvoeren van de slavernij tot maatschappelijke stabiliteit bijdraagt, of het voeren van een aanvalsoorlog. Vandaar de toetsing aan het zelfoffercriterium.
Ik verwijs met betrekking tot mijn methode naar de leer van de marginale toetsing in het recht werd in België (vanuit Nederland) geïntroduceerd in het recht door professor Jan Romse (KULeuven) (3)
“Met deze uitdrukking is bedoeld dat in bepaalde gevallen een rechtshandeling of een feitelijke gedraging die aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen, door deze niet volledig volgens eigen inzicht maar slechts op beperkte wijze kan beoordeeld worden naar haar overeenstemming met of inbreuk op het recht. […] Eerst wanneer vaststaat dat de te beoordelen beslissing, genomen binnen de discretionaire bevoegdheid van de overheid, van die aard is dat geen enkel redelijk denkende overheidspersoon tot zodanige beslissing zou gekomen zijn, kan de rechter haar toetsen aan de eisen van zorgvuldigheid en redelijkheid. Valt de beslissing integendeel binnen de marge waarbinnen naar redelijkheid verschillende beslissingen kunnen genomen worden, dan moet de rechter zich er van onthouden zijn eigen oordeel over wat redelijk en zorgvuldig is in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur.”
Dit beginsel vindt zijn oorsprong in de Europese Verlichting ten aanzien van een objectivering van het recht. Omwille van de verlichting hebben we een verzachting van de methodes van het strafrecht meegemaakt.
Ik verwijs naar het werk van Beccaria (4), en meer in het bijzonder de volgende beginselen erin opgenomen :
Het proportionaliteitsbeginsel: de straf moet in verhouding staan tot het misdrijf. Het doel van straffen is niet wraak, maar het voorkomen van toekomstige misdrijven door afschrikking.
Subsidiariteitsbeginsel: de meest effectieve straf is de minimale straf die nodig is om herhaling te voorkomen. De zekerheid van straf is belangrijker dan de zwaarte ervan. Straffen moeten snel na het misdrijf volgen om het verband duidelijk te maken.
Gelijkheid voor de wet: strafrechtelijke sancties moeten gelijk zijn voor alle burgers, ongeacht hun sociale status.
Openbaarheid van proces: rechtszittingen en bewijsvoering moeten openbaar zijn om willekeur en misbruik te voorkomen. Geheime procedures moeten in dit verband worden afgeschaft.
Personaliteitsbeginsel: alleen de schuldige mag gestraft worden, niet onschuldige derden zoals de familie van de veroordeelde. Beccaria keerde zich tegen de algemene verbeurdverklaring van goederen. Ik die zin was hij zeer vernieuwend. Er zijn nog steeds staten, die de familie ook laten opdraaien voor wat de schuldige deed. Het is overigens een grote bekoring voor de volksmentaliteit als het een menigte wordt. Stalin deed het toen hij overging tot zuiveringen.
Afschaffing van tortuur en doodstraf (in principe): Beccaria argumenteerde dat tortuur inhumaan en ineffectief is bij het achterhalen van de waarheid. Vandaar dat men in psychiatrische instellingen de patiënten nooit mag verplichten medicatie te nemen, omdat het een vorm van tortuur zou kunnen worden (dit is even belangrijk als de vrijheid van meningsuiting). De doodstraf vond hij onrechtvaardig en niet effectief als afschrikkingsmiddel (hij vermeld een zeer interessante uitzondering). Hij pleitte voor gevangenisstraf en dwangarbeid als alternatief.
Hij blijft binnen het kader van zijn tijd, wat dwangarbeid betreft.
Beccaria’s werk had een enorme impact op de hervorming van het strafrecht in Europa en daarbuiten, en veel van zijn principes zijn nog steeds relevant in moderne rechtssystemen.
Waarom de tweede vraag ? In de menswetenschappen is stabiliteit geen absoluut criterium. Als ik een boek schrijf, waarin ik de slavernij verdedig, omdat ik er van uit ga dat dit de sociale stabiliteit vermeerderd, beantwoordt mijn tekst aan het derde criterium van Durkheim, en vermeerdert deze tekst de entropie.
Het eerste criterium moet eigenlijk altijd getoetst worden aan het tweede criterium : namelijk het onopofferbaarheidscriterium van het zelf.
Als ik de slavernij verdedig verplicht ik de slaaf tot het opofferen van zijn zelf. Een slaaf kan een zijn ‘zijn’, zoals een voorwerp een ‘zijn’ kan zijn, een rots, een steen, een deur enz, maar geen menselijk onopofferbaarheid zelf.
Er is in dit verband een verschil met de harde wetenschappen.
Het falsificeerbaarheid beginsel is verschillend in ‘harde’ wetenschappen, als in menswetenschappen.
In harde wetenschappen gaat het essentieel om het werkelijkheidsgehalte ten aanzien van de feedback door herhaalde observaties. In de menswetenschappen gaat het essentieel om het anomische gehalte ten aanzien van de feedback door het hanteren van beide voornoemde criteria.
Het falsificeerbaarheid beginsel stelt met andere woorden dat in de menswetenschappen de wettenschappelijksgraad van een stelling (is het wetenschap of pseudo-wetenschap) dient getoetst te worden aan de hand van het marginaal hanteren van het zelfopofferbaarheids criterium ten aanzien van de sociale stabiliteitsgehalte van de stelling.
Een stelling is met andere woorden onwetenschappelijk als het de stabiliteit van de samenleving verminderdt (bijdraag tot de sociale anomie, entropie), maar ook als de stelling tot de stabiliteit beweert bij te dragen door een zelfoffer criterium te poneren. Met het verminderen van stabiliteit toetsen aan het zelfofferschap, hanteer ik de derde wet van Durkheim, de suïcidale anomie. Durkheim heeft als positivist in deze een redelijkheidsbeginsel ontdekt die een sociale dimensie objectiveert.
HET EVOLUTIONAIR VOORDEEL VAN MIJN METHODE
Aan de methode van Karl Popper met betrekking tot de harde wetenschappen geef ik de afkorting KP methode, aan mijn methode met betrekking tot de menswetenschappen de PDK methode.
Het evolutionair voordeel van mijn PDK methode houdt in dat men teksten naar hun wetenschappelijkheid gehalte gaat analyseren aan de hand van het hanteren van een rationeel (zoals ik de rede definieer) wetenschappelijk toetsingscriterium, en niet aan de hand van het eindeloos bekritiseren en opnieuw bekritiseren van de kritiek, om tenslotte tot een dovemansgesprek te komen, waar dan bepaalde mensen met boeken beginnen te gooien (wat ik ooit heb meegemaakt).
In een volgende tekst toetsen we dit met betrekking tot twee theorieën, die zich als wetenschappelijk voordoen : de woke-theorie en de mimetische theorie van René Girard.
Philippe De Keukelaere
 
(1) Emile Durkheim, Le Suicide. Étude sociologique, uitgave 2020, oorspronkelijk 1897.
(2) aangehaald in : Philippe de Keukelaere, Recht, Etiek en Geschiedenis, De Uil van Minerva, 1987, 231
(3) Jan Ronse, Marginale toetsing in het privaatrecht Tijdschrift voor Privaatrecht (T.P.R.) in 1977, 207 – 222, 207 en 209.
(4) Beccaria, Dei delitti e delle pene, 1764
“Maar is dat wel de realiteit? Eigenlijk niet: het is een reconstructie door ons brein van wat we zintuigelijk waarnemen. Via onze zintuigen vangen we slechts een stukje op van de realiteit. Vervolgens interpreteren onze hersenen die informatie, waardoor we altijd een vertekende kijk op de werkelijkheid hebben. We geloven allemaal dat onze subjectieve realiteit de objectieve realiteit is? Maar ons brein misleidt ons.”
Dokter Steven Laureys, Bijna dood, de ervaring van je leven, 2024, 31,
met onder andere een voorwoord van:
Prof.dr. Paul Boon, MD, PHD, FEAN, neuroloog en wetenschapper aan de Universiteit Gent en Technische Universiteit Eindhoven, President European academy of neurology, 2022-2024).
 
HOE KOMT HET DAT DE MATERIE RELATIEF (TIJDELIJK) STABIEL KAN BLIJVEN?
 
UITGANGSPUNT
 
Mijn uitgangspunt (dit is een weerlegbaar postulaat) is dat als het heelal enkel uit negatieve reactanties zou bestaan, het zichzelf totaal zou vernietigen en ineenstorten. Het huidige wetenschappelijke model van de relativiteitstheorie hanteert een primaire structurering van het heelal dat verklaard wordt door de interactie van aantrekking (zwaartekracht) en verstoting (druk, straling, donkere energie). [1] Als we ‘negatieve reactantie’ interpreteren als krachten en processen die leiden tot vernietiging, verval, toenemende wanorde en uiteindelijk de ineenstorting van structuur (zoals zwaartekracht zonder tegenwerkende kracht, of processen die de entropie maximaliseren zonder lokale orde te scheppen), dan zou een universum dat uitsluitend hieruit bestaat inderdaad een zeer kortstondig en structuurloos bestaan leiden. Het is niet bewezen en op het eerste gezicht zeer onwaarschijnlijk. Toch ga ik ervan uit dat in het heelal een positieve reactantie moet bestaan. Dit element weerlegt niet de tweede wet van de thermodynamica, de entropie. [2] Ik sluit met andere woorden de mogelijkheid niet uit van een zwak interagerend ‘stabiliserend element’. Ik houd daarbij rekening met de raadselachtige aard van donkere materie [3] en de grenzen van ons huidige kennis. Het zou een subtiele maar cruciale rol kunnen spelen in het geleidelijke ontstaan en de persistentie van (weliswaar tijdelijke) stabiliteit – of zo men wil orde – in een universum dat over het algemeen naar zelfvernietiging en wanorde neigt. Het feit dat we een universum observeren dat gevuld is met complexe structuren (sterrenstelsels, sterren, planeten, leven) die miljarden jaren bestaan, is op zichzelf al een aanwijzing dat er mechanismen aan het werk zijn die de pure ‘negatieve reactantie’ tegenwerken of op zijn minst in balans houden. Er zijn factoren zoals de initiële uitdijing [4], donkere energie [5] (die een afstotende werking heeft op grote schaal), behoudswetten [6] en kwantummechanische stabiliteit [7] die tegen de ‘negatieve reactantie’ ingaan en het mogelijk maken dat structuren ontstaan en overleven. De Big Bang gaf het universum een enorme start met een snelle uitdijing. Deze uitwaartse beweging werkt op kosmische schaal de aantrekkende kracht van de zwaartekracht tegen. Zonder deze initiële impuls zou de zwaartekracht alle materie snel weer naar een punt hebben getrokken. Sinds de ontdekking van de versnelde uitdijing van het universum weten we dat er een vorm van energie bestaat, de ‘donkere energie’, die een afstotende kracht op de grootste schaal uitoefent. Deze kracht overtreft de aantrekkende werking van de zwaartekracht op deze schaal en drijft de versnelling van de uitdijing aan, waardoor het universum niet in elkaar stort. Fundamentele natuurwetten stellen dat bepaalde grootheden in een gesloten systeem constant blijven. Voorbeelden zijn het behoud van energie, impuls, elektrische lading en baryongetal (een getal dat gerelateerd is aan het aantal protonen en neutronen). Deze wetten verhinderen dat materie en energie zomaar verdwijnen of spontaan ontstaan, wat bijdraagt aan de stabiliteit van de bestaande structuren. Protonen bijvoorbeeld zijn stabiel omdat hun verval het behoud van baryongetal zou schenden (binnen het Standaard Model). Op de schaal van atomen en subatomaire deeltjes regeert de kwantummechanica. Deze theorie verklaart de stabiliteit van atomen (elektronen blijven in hun banen rond de kern dankzij gekwantiseerde energieniveaus) en moleculen. Zonder deze principes zou materie op de kleinste schaal instabiel zijn en zouden complexe structuren niet kunnen ontstaan. In die zin wordt mijn hypothese, en ik geef dit toe een zeer onwaarschijnlijke hypothese, die dan ook door middel van het huidige Standaard Model meteen kan worden weerlegd. Jammer, dat men hersenen de werkelijkheid vanuit een ander hypothetisch model interpreteren. Ik zoek dan troost bij mijn modellen. Bijvoorbeeld kanunnik Copernicus (*) [8], of de ontdekkers van de Higgsdeeltjes (ofschoon mijn element verschillend is). Zeer lang (en dat is ook goed), werd zeer sceptisch gereageerd op de nog niet waargenomen hypothese. Het Higgs-mechanisme werd in de jaren ’60 voorgesteld als een elegante manier om de massa van de elementaire deeltjes in het Standaard Model te verklaren, terwijl de fundamentele ijksymmetrie behouden bleven. Echter, het was een theoretische constructie die een nieuw fundamenteel deeltje voorspelde dat nog nooit was waargenomen. [9] De theorie voorspelde dat het Higgs-deeltje waarschijnlijk zwaar zou zijn, wat betekende dat er extreem hoge energieën nodig zouden zijn om het in deeltjesversnellers te produceren en te detecteren. Het bouwen van dergelijke versnellers (zoals de Large Hadron Collider – LHC) was een enorm en kostbaar project, en er was geen garantie dat het Higgs-deeltje daadwerkelijk binnen het bereik van die energieën zou liggen. Er waren en zijn nog steeds alternatieve theorieën die proberen de oorsprong van massa te verklaren zonder de noodzaak van een fundamenteel Higgs-deeltje. Sommige van deze theorieën waren concurrerend en hadden hun eigen aanhangers binnen de wetenschappelijke gemeenschap. Decennialang zochten experimenten in steeds krachtigere deeltjesversnellers naar het Higgs-deeltje, maar zonder overtuigend bewijs. Dit leidde tot frustratie en bij sommigen tot twijfel over het bestaan ervan of de validiteit van de theorie. De populaire benaming van het Higgs-deeltje als de “God Particle” creëerde soms een onrealistische verwachting en droeg mogelijk bij aan de scepsis als de ontdekking uitbleef. [10]
In de huidige modellen en het Standard Model in het bijzonder, blijft een open vraag – hoewel ze de uitdijing van het heelal beschrijven – over de fundamentele reden waarom het universum niet in een toestand van maximale entropie (bijna lege, koude ruimte) is geëindigd, of waarom de initiële omstandigheden van de Big Bang zo ‘geordend’ waren met een lage entropie. [11] Hoewel we de aard van donkere energie niet kennen, wordt aangenomen dat het een constante energiedichtheid heeft of langzaam verandert, wat consistent is met de algemene thermodynamische principes van het universum.
Wetenschappers vermoeden dat neutrino’s kunnen ontstaan in de buurt van zwarte gaten, vooral via processen in accretieschijven en relativistische jets, waarbij deeltjes tot extreem hoge energieën worden versneld, vooral in actieve sterrenstelsels met zogenoemde actieve galactische kernen (AGN). Eigenlijk zou men daarvoor nu postuum de Nobelprijs voor Fysica moeten uitreiken aan Stephen Hawking. In Stockholm kunnen ze misschien eens een uitzondering maken. Reeds in de jaren zeventig van vorige eeuw had hij de volgende hypothese geformuleerd. Hij voorspelde dat zwarte gaten niet volledig zwart zijn, maar langzaam verdampen door kwantumeffecten. [12] Hij stelde dat zwarte gaten toch een beetje energie uitstralen, niet via licht of materie, maar via virtuele deeltjesparen aan de rand van de waarnemingshorizon (de ‘event horizon’).
Er is meer nodig dan alleen aantrekking en verstoting om de tijdelijke stabiliteit van het universum te verklaren. Donkere energie is de beste kandidaat voor een ‘positieve reactantie’ die de zwaartekracht op grote schaal tegenwerkt. Mijn hypothetische element zou, als het bestaat, mogelijk een verklaring kunnen bieden voor de oorsprong en aard van deze ‘positieve reactantie’ en de initiële lage entropie van het universum. Ik herhaal, dat dit een van de grote open vragen is van de moderne kosmologie.
VOORAFGAANDE OPMERKINGEN
Afgezien van het zeer belangrijk voormeld voorbehoud ten aanzien van mijn hypothese, blijft mijn doel binnen de volgende minimale wetten van de fysica (kwantumfysica) te blijven. Deze minimale wetten zouden altijd het minimale kader moeten zijn.
EEN EERSTE WET is de wet van de entropie (tweede thermodynamische wet). [13] Dit houdt in dat alles wat zich in het heelal bevindt, en het heelal zelf (het uitdijen) onderworpen is aan de wet van entropie. Alles loopt op een bepaald ogenblik (soms ogenblikkelijk, onmiddellijk, soms na duizend miljard jaar – met wat ouderdomsverschijnselen) af. Alles wat overwogen wordt, moet binnen deze wetenschappelijke stelling blijven, die herhaaldelijk experimenteel wordt bewezen. Het is het paradoxale van elke aanvalsoorlog. Men doet het om te ontsnappen aan de wet van de entropie (een zeer actuele mythische benadering, het Duizendjarig rijk, het Communistisch paradijs), terwijl men door het oorlogvoeren juist de wet van de entropie bevestigt op een ongekende schaal.
EEN TWEEDE WET is het onzekerheidsbeginsel van Heisenberg [14], waaraan ik een zeer ruime betekenis geef. Nagaan wat elementen zijn, is maar mogelijk, als men vanuit geen enkele a priori vertrekt. Geen enkele religieuze a priori, (zoals het determinisme als wetenschappelijke waarheid bij uiterst links – de communisten -). In iedere wetenschap moet men binnen dit kader blijven. Dit moeten we op de meest mogelijke, ruime manier interpreteren.
EEN DERDE WET is de verificatie. Ik verwijs opnieuw naar Karl Popper en zijn belangrijkste werk. [15] De meest relevante verwijzing in het werk van Karl Popper is het principe van falsifieerbaarheid. In dit baanbrekende werk introduceert Popper het concept van falsifieerbaarheid als het demarcatiecriterium tussen wetenschap en pseudowetenschap. Hij argumenteert dat een theorie alleen wetenschappelijk is als ze in principe kan worden weerlegd door empirische observatie of experimenten. Specifiek vinden we verwijzingen naar dit principe in de volgende delen van The Logic of Scientific Discovery.
Hoofdstuk 1: A Survey of Some Fundamental Problems, met name sectie 6: Falsifiability as a Criterion of Demarcation. In dit hoofdstuk legt Popper zijn fundamentele idee uit dat falsifieerbaarheid, en niet verifieerbaarheid (zoals geponeerd door het logisch positivisme van zijn tijd), het kenmerk is van een wetenschappelijke theorie.
Hoofdstuk 4: Falsifiability. Dit hoofdstuk gaat dieper in op het concept van falsifieerbaarheid.
Een hypothese is en blijft in dit verband altijd een hypothese, tot ze ten aanzien van de werkelijkheid wordt waargenomen of door de waarneming weerlegd wordt. Ik moet dan ook toegeven dat mijn hypothese zeer gevoelig is voor weerlegging door latere observatie. Dit moeten we altijd als criterium hanteren, anders begeven we ons op het pad van de pseudo-wetenschap.
Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : Wat motiveert mij om aan dit zeer hypothetisch, theoretisch onderzoek te beginnen ?).
 
(*) Ik begon mij te interesseren aan het leven van Copernicus, omwille van de rol die Rheticus de enige leerling van Copernicus speelde bij en vooral na de ontdekking. Het was Georg Rheticus die Copernicus overhaalde (tegen de kerkelijke hiërarchie in) zijn stelling te publiceren. De legende verhaalt dat Copernicus op zijn sterfbed het boek ontving.
In 1539 reisde hij naar Frombork (Polen) om Copernicus te ontmoeten.
Frombork is een kleine stad aan de kust van de Oostzee, in het noorden van Polen, in de regio Ermland-Mazurië. In de tijd van Copernicus maakte deze regio deel uit van het Bisschoppelijk Pruisen, dat onder Pools gezag stond.
In 1540 publiceerde Rethus een samenvatting als verdediging van de stelling van Copernicus (Narratio prima). Rheticus werd geboren in Oostenrijk te Feldkirch. Feldkirch is een stad in de deelstaat Vorarlberg, in het westen van Oostenrijk, vlakbij de grenzen met Zwitserland en Liechtenstein. Hij werd geboren onder de naam Iserin. Hij was de zoon van Georg Iserin en Thomasina de Porris (ook wel gespeld als Thomasina Porris of Thomasina Pürst in sommige bronnen). Zijn vader was stadsarts. In 1528 (hetzelfde jaar als Anthonyne van Masseme te Eeklo) werd hij ter dood veroordeeld. Als burger van zijn stad genoot hij wel een privilegie de ‘eervolle’ en ‘waardige’ straf van de onthoofding te mogen ondergaan, gereserveerd voor de adel en de burgers met burgerrechten (Bürgerrecht).
Andere straffen zoals verbranding, ophanging, of radbraken golden als openbare afschrikking, vaak pijnlijker en vooral vernederend.
Het waren de strafvormen voor ketters, heksen, bedelaars, en andere statuslozen.
Steeds werd volgehouden dat hij werd veroordeeld wegens hekserij. Thans gaan de historici ervan uit aan de hand van nieuw onderzoek onder andere aan de hand van het vonnis (nieuwe hypothese), dat het om oplichterij van zijn patiënten zou gaan.
We moeten zeer voorzichtig zijn, vooral als het om een arts gaat uit die tijd (ik denk aan de privéarts Lopez van koningin Elizabeth I van Engeland, die eveneens ter dood werd veroordeeld). Uit bijgeloof gingen veel mensen ervan uit dat de arts de oorzaak was van hun dood. Anderzijds pasten de dokters uit die tijd soms esoterische methodes toe en zelfs methodes die we thans als magische middelen zouden definiëren. Omdat er nu toch eenmaal een externe oorzaak moet zijn. Er zijn twee indiciën waaruit zou kunnen blijken dat er toch een hekserij in het spel zat. In die tijd was de grens tussen ‘bedrieglijke magie’ als oplichterij en ‘duivels magie’ zeer dun.
Een eerste belangrijke indicie is het feit dat hij veroordeeld werd tot een weinig voorkomende straf in de 16de eeuw, namelijk de ‘damnatio memoriae’, het ‘verdoemen van de herinnering’, waardoor de familie van naam diende te veranderen.
De familienaam mocht niet meer gebruikt worden.
Kinderen of verwanten dienden van naam te veranderen of zelfs formeel afstand te nemen van hun afkomst. In officiële documenten werd de naam uitgewist of vervangen.
De veroordeelde werd ten aanzien van het collectieve geheugen voor ‘eeuwig’ vernietigd.
Als we de naam verbinden met het zelf, de vereenzelviging van de mens, wordt het nog interessanter. Men trekt het zelfoffer en de zelfvernietiging (wat heksenverbranding was; men prepareerde de heks tot een zelfoffer door de heks in te peperen dat zij/hij zelf schuldig was, door tortuur en buiten tortuur – het ondertekenen van een proces-verbaal -).
Deze straf werd niet uitgesproken voor oplichterij of financieel bedrog, maar voor religieuze schande. Het was een straf die voorbehouden was voor mensen die onrein waren ten aanzien van de openbare orde, en gevaarlijk waren voor de religie met betrekking tot elementen van toverij of magie, bijvoorbeeld oplichterij door magie, of diefstal door magie (ook een aanklacht tegen Anthonyne van Masseme te Eeklo).
Zijn zoon veranderde zijn naam in Rheticus, afgeleid van de oude Latijnse plaatsnaam Raetia. Raetia werd later een stad, de stad Feldkirch.
Een tweede inditie is het feit dat hij van het voormelde privilegie genoot om niet de schande en nog grotere pijn van de brandstapel te moeten ondergaan.
Met betrekking tot de receptie van de stelling van Copernicus is een waardevol boek, het boek van Owen Gingerichs, ‘het boek dat niemand las: in de voetsporen van Nicolaus Copernicus’ 2024. Over een periode van drie decennia reisde Gingerich de wereld rond en onderzocht meer dan 600 exemplaren van de eerste en tweede uitgave van ‘De revolutionibus’. Hij ontdekte dat veel exemplaren rijkelijk waren voorzien van aantekeningen, wat aantoont dat het boek wel degelijk werd bestudeerd door tijdgenoten. Gingerich vond exemplaren die eigendom waren van prominente figuren zoals Galileo Galilei, Johannes Kepler en andere astronomen. De kantmeldingen in deze boeken onthulden hoe het heliocentrische model van Copernicus werd ontvangen, besproken en aangepast. Toch gebruikten velen het vooral als een wiskundig hulpmiddel of alternatief model, niet als een fysiek of kosmologisch feit. Het heliocentrische idee werd dus gezien als een nuttige hypothese, maar niet als de werkelijke structuur van het universum. Het keerpunt kwam er pas met Galilei en Kepler (honderd jaar na de publicatie).
 
Literatuurverwijzingen:
 
[1] Einstein, A. (1916). Die Grundlage der allgemeinen Relativitätstheorie. Annalen der Physik, 354(7), 769-822.
[2] Clausius, R. (1867). Ueber verschiedene für die Anwendung bequeme Formen der Hauptgleichungen der mechanischen Wärmetheorie. Annalen der Physik und Chemie, 201(12), 353-400.
[3] Bertone, G., Hooper, D., & Silk, J. (2005). Particle dark matter: evidence, candidates and constraints. Physics Reports, 405(5-6), 279-390.
[4] Lemaître, G. (1931). The beginning of the world from the point of view of quantum theory. Nature, 127(3210), 706.
[5] Riess, A. G., et al. (1998). Observational Evidence from Supernovae for an Accelerating Universe and a Cosmological Constant. The Astronomical Journal, 116(3), 1009.
[6] Feynman, R. P. (1965). The Character of Physical Law. MIT Press.
[7] Griffiths, D. J. (2004). Introduction to Quantum Mechanics. Pearson Prentice Hall.
[8] Copernicus, N. (1543). De revolutionibus orbium coelestium.
[9] Higgs, P. W. (1964). Broken Symmetries, Massless Particles and Gauge Fields. Physics Letters, 12(2), 132-133.
[10] Lederman, L. M., & Teresi, D. (1993). The God Particle: If the Universe Is the Answer, What Is the Question?Houghton Mifflin Harcourt.
[11] Penrose, R. (1989). The Emperor’s New Mind: Concerning Computers, Minds, and the Laws of Physics. Oxford University Press.
[12] Hawking, S. W. (1974). Black hole explosions? Nature, 248(5443), 30-31.
[13] Thomson, W. (Lord Kelvin). (1852). On a Universal Tendency in Nature to the Dissipation of Mechanical Energy. Philosophical Magazine, 4(25), 304-306.
[14] Heisenberg, W. (1927). Über den anschaulichen Inhalt der quantentheoretischen Kinematik und Mechanik. Zeitschrift für Physik, 43(3-4), 172-198.
[15] Popper, K. R. (1959). The Logic of Scientific Discovery. Basic Books. (Vertaling van Logik der Forschung, 1934).

“Ἐγὼ δὲ καὶ ἄλλα σοὶ φράσω, ἃ σὺ σιγᾷς, ἵνα εἰδῇς ὅτι ἐγὼ ἀεὶ σὲἐτήρουν. Ὑπολαμβάνω γάρ σε νῦν ἐλπίζειν ὅτι οὐ πολλοῦ χρόνου διελθόντος ἀναστὰς ἐν τῷ δήμῳ ἀποδείξεις ἑαυτὸν ἀξιώτερον τιμῆς εἶναι ἢ Περικλέα ἢ ἄλλον ὁντινοῦν ἄνδρα, καὶ ἀποδείξας μέγιστον ἔξεις δύναμιν ἐν τῇ πόλει. Καὶ ἐπειδὰν ἔχῃς, ἐπὶ τὰς ἄλλας πόλεις Ἑλληνίδας ἥξεις, καὶ οὐ μόνον ἐπὶ τὰς Ἑλληνίδας, ἀλλὰ καὶ ἐπὶ τὰς βαρβάρους ἅπασας τὰς ἐν τῇ ἠπείρῳ οὔσας. Καὶἐπειδὰν ἐπὶ ταῦτα ἔλθῃς, εἰ πάλιν ὁ θεὸς εἴποι σοι ὅτι οὐκ ἔξεστί σοι εἰς τὴν Ἀσίαν διαβαίνειν μηδὲ τὰ ἐκεῖ πράγματα πράττειν, οὐκ οἶμαι ἂν ἐθέλειν ζῆν ἐπὶ τούτοις, ἀλλὰ τὸν κόσμον, ὡς ἔπος εἰπεῖν, ἐμπλῆσαι τοῦ ὀνόματός τε καὶ τῆς δυνάμεως ἐπιθυμεῖς.“

(Plato, Alcibiades I, sectie 105e–106a)

vertaling:

“Ik zal je ook andere gedachten onthullen die je voor jezelf houdt, zodat je weet dat ik altijd op je heb gelet. Ik geloof namelijk dat je nu hoopt dat je binnen afzienbare tijd voor de Atheense volksvergadering zult verschijnen en zult bewijzen dat je meer waard bent om geëerd te worden dan Pericles of wie dan ook, en dat je, nadat je dit hebt bewezen, de grootste macht in de staat zult hebben. En wanneer je die macht hebt verkregen, zul je je wenden tot andere Griekse steden, en niet alleen tot de Grieken, maar ook tot alle barbaren die op hetzelfde continent als wij wonen. En als de god je dan weer zou zeggen: Hier in Europa is je zetel van heerschappij, en je mag niet oversteken naar Azië of je bemoeien met Aziatische zaken, dan geloof ik niet dat je onder die voorwaarden zou willen leven; maar de wereld moet, om zo te zeggen, vervuld zijn van jouw macht en naam, niemand minder dan Cyrus en Xerxes is voor jou van belang.”

De kern van deze dialoog van Plato is de spanning tussen het zachte zich spiegelende zelf van Socrates als zelfkennis (een filosofische herinterpretatie van de religieuze leuze van de tempel van Delphi) en de naar geweld neigende harde ambitieuze meerzijdsucht (het meerzijnsverlangen) van Alcibiades. Het grappige is dat Socrates (zijn ironie) twee modellen van Alcibiades aanwijst, twee krijgsheren, Cyrus en Xerxes, die twee vijanden waren van Athene.

Voor Socrates (Plato) is de betekenis van zelfkennis, het ontdekken door zijn zachte zelf als zelfbewustzijn van wat miskend wordt.  

Eigenlijk is dit wat hij met Alcibiades doet. Maar Alcibiades was verblind door het zonlicht van zijn ambities. En het is voor Athene wat geworden (ook voor Socrates liep het dramatisch af, hij diende een dodelijk zelfoffer aan te gaan). 

De expeditie – sorry, de militaire operatie, natuurlijk – naar Syracusa werd de ondergang van Athene zelf. De Sicilië-expeditie naar Syracuse (415–413 v.Chr.), geleid door Athene tijdens de Peloponnesische Oorlog, wordt algemeen beschouwd als een desastreus keerpunt voor de Atheense hegemonie. Het was een groots opgezet militair avontuur dat eindigde in een totale catastrofe, zowel militair als politiek. In Athene werd men er ‘zijnsdepressief’ van.

De Atheense leiders waren Alcibiades, Nicias en Lamachus. Alcibiades werd snel teruggeroepen naar Athene wegens een schandaal (Hermensabotage). Hij vluchtte naar Sparta, en liet Nicias achter, die de leiding niet wilde. De leiders lieten het afweten…een ware ramp voor Athene.

Socrates zocht en onderzocht, maar gaf geen definitief antwoord. Hij vond dat wie beweerde ‘wijs’ te zijn het daardoor niet was.

Ofschoon Socrates en Kohelet als figuren van de oude Griekse en oude Joodse literatuur verschillende facetten zijn van het zoeken en onderzoeken, hebben ze dit laatste gemeen.

Socrates stelt in Plato’s dialogen dat ‘het niet-onderzochte leven niet waard is geleefd te worden’ (Apologie, 38a). Hij ziet onderzoek, dialoog en zelfkennis als de kern van menselijke wijsheid.

Kohelet onderzoekt ‘alles wat onder de zon gebeurt’ (Koh. 1:13) en reflecteert dit kritisch op menselijke ambities die als absolute verlangens worden verlangt, zoals onder andere wijsheid, plezier, arbeid en macht. Hij stelt zichzelf vragen als :   ‘מַה־יִּתְרוֹן לָאָדָם בְּכָל־עֲמָלוֹ שֶׁיַּעֲמֹל תַּחַת הַשָּׁמֶשׁ’

vertaling

Wat wint (de verlieservaring) de mens (letterlijk in het voordeel van de mens, de roodachtige, wat naar hier bloed – bloed zweet en tranen – verwijst) met al (of, in al) zijn inspanningen (als energie voor ambities, het woord is ruimer dan zwoegen, tenzij figuurlijk) waarvoor hij zich zal inspannen (onvoltooide toekomst), onder de zon.

Voor Socrates is zelfkennis een menselijke plicht: “Ken uzelf” (γνῶθι σεαυτόν) en het begin van ware wijsheid.

Kohelet kijkt innerlijk reflecterend vanuit zijn zelf naar zijn eigen meerzijns ervaringen – die hij telkens in vraag stelt (reflecteert) vanuit zijn zelf – , en komt tot het besef dat meerzijnservaringen  ‘ijdelheid’ (הבל, hevel) zijn, vluchtig en leeg.

Beiden leefden ‘onder de zon’, maar onthielden zich ervan te schitteren als de zon, waardoor men opgebrand raakte.

“Ceterum censeo Carthaginem esse delendam.”
(Overigens ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden.)

Cato de Oudere 

Bij Plutarchus : Plutarchus geeft in zijn Leven van Cato de Oudere(Parallele levens : Βίος Μάρκου Κατώνου (Grieks), Vita Marci Catonis(Latijn)).

    – een Griekse parafrase van de uitspraak is : ‘Δοκεῖ δέ μοι καὶΚαρχηδόνα μὴ εἶνα’, wat vertaald kan worden als ‘Het lijkt mij ook dat Carthago niet zou moeten zijn.‘

Het Griekse werkwoord ‘einai’ betekent ‘zijn’. Cartago dient ‘niet – mè – te zijn’ (vernietigd te worden), omwille van het meerzijn van Rome.

(Plutarchus, Βίος Μάρκου Κατώνου (Grieks) / Vita Marci Catonis(Latijn).

VAN STAATSLEGERS NAAR PRIVEMILITIES OF PARAMILITAIRE GROEPERINGEN.
DE BETEKENIS VAN DE ACTUELE POSTMODERNE (HYPERMODERNE) OORLOGEN.

DE BETEKENIS VAN HET VERDWIJNEN VAN HET STAATSMONOPOLIE VAN HET GEWELD (dat in recent ontstane landen soms nooit bestaan heeft) MET BETREKKING TOT DE POLITIEKE MACHTSOVERDRACHT.

INLEIDING

EEN NIEUWE TIJDPERK. 

EEN NIEUWE RELATIE  TUSSEN MACHTSOVERDRACHT EN GEWELD  

Laten we eerst even onderzoeken welke democratische fundamenten meteen of geleidelijk aan verdwijnen zijn bij het aan de macht brengen van een autocraat.

Volgens Bertrand de Jouvenel (zie de literatuur A/ onder zijn naam) zijn er drie belangrijke fundamenten die in gevaar komen:

Het eerste gevaar is het verdwijnen van vrije verkiezingen.  

Een tweede gevaar is het verdwijnen van de vrijheid van meningsuiting.  

Een derde gevaar, een fundament dat vaak over het hoofd wordt gezien, is het verdwijnen van vreedzame en geregelde machtsoverdracht of gewoon van machtsoverdracht.

In een gezonde democratie wisselen leiders elkaar op een vreedzame en geregelde manier af. 

In de context van de postmoderne, of zelfs hypermoderne, geopolitieke orde tekent zich een fundamentele verschuiving af in de relatie tussen geweld en politieke macht. Waar Max Weber ooit het staatsmonopolie op legitiem geweld beschreef als de essentie van soevereiniteit, stellen we vandaag vast dat dit monopolie in toenemende mate wordt uitgehold, zowel in kleinere staten als binnen geopolitieke grootmachten. Deze uitholling is niet langer beperkt tot statelijke of quasi-statelijke actoren; ook transnationale criminele organisaties, met name de machtige drugskartels in Zuid-Amerika, vertonen steeds vaker paramilitaire kenmerken en dagen de soevereiniteit van staten uit. Dezelfde verschuivingen zien we in toenemende mate in Europese steden.

DE DEMOCRATIE ONDER DRUK: VAN WEIMAR TOT HET HEDEN

De teloorgang van voormelde fundamenten markeert vaak de overgang van democratie naar autocratie. In de Weimarrepubliek leidde deze afbrokkeling uiteindelijk tot de opkomst van het nationaalsocialisme, waarbij paramilitaire groepen zoals de SA een sleutelrol speelden in het ondermijnen van de rechtsorde. 

Er wordt daar veel over geschreven. Er waren de  economische omstandigheden. In het begin was er de Versailles-schuld – later afgezwakt – en de beurscrash in 1929. Men stelt dat het nationaalsocialisme ontstond uit een culturele revolutie. Dit is ontegensprekelijk juist. Maar die vond hoofdzakelijk plaats na het aan de macht komen van de dictator. Zo werd de rechterlijke macht – het ontslaan van rechters – zwaar getroffen, maar ook de fundamenten van een democratisch rechtsstelsel.  Daarin had de jurist Hans Frank een leidende rol. Maar ook de bekende jurist Carl Schmitt droeg zijn steentje bij. Eigenlijk (het is kort door de bocht) stelde hij dat het enige ‘echte’ recht de uitzonderingstoestand was (een bestendige oorlogstoestand tussen vriend en vijand).

Kunnen we pogen een meer fundamentele oorzaak te vinden ?

Het Verdrag van Versailles (1919) beperkte het Duitse leger, de Reichswehr, tot maximaal 100.000 manschappen. Dit aantal omvatte zowel officieren als gewone soldaten.

Daarnaast bevatte het verdrag nog andere militaire beperkingen voor Duitsland.

De dienstplicht werd verboden: het leger moest bestaan uit vrijwilligers.

Zware wapens zoals tanks, artillerie en vliegtuigen waren verboden.

De marine werd beperkt tot 15.000 manschappen, en Duitsland mocht geen onderzeeërs of grote oorlogsschepen bezitten.

De generale staf werd ontbonden.

De eerste paramilitaire organisatie waarin Adolf Hitler na de Eerste Wereldoorlog actief was,  is de bekende SA (Sturmabteilung), ook wel bekend als de ‘stormtroepen’ of ‘bruinhemden’, die als eerste paramilitaire vleugel van de partij functioneerde.

In 1919 werd Hitler als informant van het leger gestuurd naar bijeenkomsten van de DAP. Kort daarna sloot hij zich aan bij deze partij.

In 1921 werd de SA opgericht als de eerste echte paramilitaire organisatie binnen de NSDAP. Hitler had een leidende rol in de uitbouw van de SA en gebruikte hen om politieke tegenstanders te intimideren en bijeenkomsten te beschermen.

De SA was de eerste echte paramilitaire organisatie waarin Hitler daadwerkelijk actief deelnam, ook al was hij eerder politiek betrokken bij de DAP zelf.

Hitler is zelf nooit lid geweest van de Freikorpsen. Zij stonden wel model voor de SA, als binnenlandse paramilitaire organisatie. Er was een ideologische verwantschap en veel oorspronkelijke leden van de SA en de NSDAP kwamen van de Freikorpsen. Een belangrijke figuur binnen de SA als Ernst Röhm had gediend in een Freikorps.

Wat paramilitaire organisaties betreft, herkennen we vandaag soortgelijke dynamieken in zowel Rusland, Tsjetsjenië als in delen van Afrika, Zuid-Amerika (drugsbendes, die paramilitair opereren), en dezelfde verschuivingen in Europese steden. 

II.HET VERDWIJNEN VAN HET STAATSMONOPOLIE OP GEWELD

De opkomst van paramilitaire actoren, private militaire bedrijven en gewapende milities wijst op een structurele erosie van de centrale staatsmacht. Deze organisaties opereren buiten iedere vorm van wet (zij hebben hun eigen strafrechtelijke orde), maar genieten vaak de impliciete of expliciete steun van hun overheden. De Wagnergroep is hiervan het bekendste hedendaagse voorbeeld: formeel geen deel van het Russische leger, maar wel een cruciale actor in het uitvoeren van de geopolitieke agenda van het Kremlin. 

Ook in Afrika is de situatie zorgwekkend, tientallen tot honderden paramilitaire groeperingen zijn actief in conflictgebieden zoals Soedan (RSF), Libië, de Sahel-regio, Nigeria, de Centraal-Afrikaanse Republiek en de DRC. In veel gevallen vervullen deze groepen functies die traditioneel door staatslegers werden uitgevoerd – van ordehandhaving tot offensieve militaire operaties – zonder wettelijke legitimatie. Een vergelijkbare dynamiek is zichtbaar in delen van Zuid-Amerika, waar machtige drugskartels zoals het Sinaloa-kartel en het Jalisco Nieuwe Generatie Kartel in Mexico, of de Primeiro Comando da Capital (PCC) en het Comando Vermelho in Brazilië, niet alleen economische macht verwerven door illegale drugshandel, maar ook aanzienlijke militaire capaciteiten ontwikkelen. Deze kartels beschikken over zwaarbewapende vleugels, rekruteren en trainen hun eigen strijders, en zijn in staat om grootschalige geweldacties te ondernemen die de capaciteiten van lokale wetshandhavingsinstanties overstijgen. Ze controleren territoria, stellen hun eigen regels en vormen zo een directe uitdaging voor de staatssoevereiniteit. Zij palen letterlijk delen van de staat in. In bepaalde Europese steden is deze evolutie eveneens aan de gang. De opkomst van paramilitaire organisaties is niet beperkt tot Europa. In Azië zien we vergelijkbare trends die de relatie tussen geweld en macht herdefiniëren. In Irak hebben de Popular Mobilization Forces (PMF), een overkoepelende organisatie van voornamelijk sjiitische milities, een prominente rol gespeeld in de strijd tegen ISIS, met de opmerkelijke naam :  Islamic State of Iraq and Syria, eveneens een paramilitaire organisatie. Sommige facties binnen de PMF worden beschuldigd van sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen, wat de legitimiteit van de centrale overheid ondermijnt. In Syrië was de Liwa Fatemiyoun, een door Iran gesteunde militie bestaande uit Afghaanse sjiitische strijders, actief in de strijd ter ondersteuning van het Assad-regime. Deze groep illustreerde hoe buitenlandse actoren gebruik maken van paramilitaire eenheden om hun invloed in de regio te vergroten. De huidige situatie in Syrië is echter veranderd. Na de val van het Assad-regime in december 2024 is de nieuwe interim-regering onder leiding van Ahmed al-Sharaa begonnen met het ontmantelen van de overgebleven Iraans-gesteunde smokkelnetwerken die wapens, contant geld, drugs en brandstof naar Hezbollah in Libanon vervoerden. Hoewel de invloed van Iran en zijn proxy-milities, zoals Liwa Fatemiyoun, is afgenomen, zijn er nog steeds pogingen om destabiliserende activiteiten te ontplooien, waaronder het aangaan van allianties met extremistische groepen zoals Islamitische Staat (IS).  De overheid heeft het geweld niet onder controle als monopolie ervan.

In Pakistan wordt het veiligheidslandschap beïnvloed door verschillende gewapende groepen, waaronder de Tehrik-i-Taliban Pakistan (TTP) en de Balochistan Liberation Front (BLF). Deze groepen voeren aanvallen uit op staatsinstellingen en symboliseren de voortdurende strijd tussen de centrale overheid en regionale separatistische bewegingen. In Afghanistan blijft de aanwezigheid van groepen zoals de Islamitische Staat – Khorasan Provincie (IS-K) een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het land. Deze groep heeft aanslagen gepleegd op zowel civiele als militaire doelen, wat de fragiele veiligheidssituatie verder onder druk zet.

TSJETSJENIË, KADYROV EN HET FENOMEEN VAN DE ‘PRIVATE STAAT’ 

De situatie in Tsjetsjenië illustreert hoe diep deze transitie kan gaan. De Kadyrov-groep functioneert in alles als een privéleger, ingebed in de Russische Nationale Garde, maar overgedragen met een eigen commandostructuur en politieke loyaliteit aan Ramzan Kadyrov persoonlijk. Nieuwe eenheden zoals ‘Akhmat-Grozny’ of ‘Zapad-Akhmat’ tonen aan hoe ver deze para-statalisering reikt. Dat zijn zoon inmiddels hoge functies bekleedt in de veiligheidsstructuren, wijst op een feodalisering van het geweldsmonopolie.

DRUGSGEWELD EN DE UITDAGING VAN STAATSMACHT IN ZUID-AMERIKA

De dynamiek tussen geweld en politieke macht manifesteert zich in Zuid-Amerika op complexe en vaak verontrustende wijze, in het bijzonder in de context van drugsgeweld. Waar de staat idealiter het monopolie op legitiem geweld bezit, zien we in veel Zuid-Amerikaanse landen een significante uitdaging van dit monopolie door machtige drugskartels en andere criminele organisaties.

De opkomst en expansie van drugskartels  in landen als Mexico (dat vaak als brug fungeert naar Zuid-Amerika), Colombia en Brazilië hebben geleid tot een structurele ondermijning van de staatsmacht. Deze organisaties opereren met een niveau van geweld en corruptie dat de capaciteit van overheden om de rechtsorde te handhaven ernstig aantast. Steden en regio’s worden soms de facto gecontroleerd door kartels, die hun eigen wetten en regels opleggen door middel van intimidatie en bruut geweld.

De impact van dit drugsgeweld is veelzijdig. Het leidt niet alleen tot een schrikbarend aantal moorden en andere gewelddadige misdrijven, maar corrumpeert ook politieke instituties, de politie en het justitiële apparaat. De strijd tussen rivaliserende kartels onderling, en tussen de kartels en de staat, creëert een klimaat van constante angst en instabiliteit. Bovendien heeft het drugsgeweld een ontwrichtende invloed op de economische en sociale ontwikkeling van de getroffen regio’s.

Er zijn in dit verband complexe interacties tussen criminele organisaties, de staat en de samenleving, en de manieren waarop kartels soms een vorm van ‘criminele soevereiniteit’ verwerven, waarbij ze effectief regeren in bepaalde gebieden.

De situatie in Zuid-Amerika illustreert op pijnlijke wijze hoe de erosie van het staatsmonopolie op geweld kan leiden tot een vorm van  nieuwe ‘natuurtoestand’.

Het ontbreken van effectief centraal gezag resulteert in een constante strijd om macht en territorium tussen verschillende gewapende actoren.

De uitdaging voor de Zuid-Amerikaanse staten is enorm. Het vereist niet alleen een harde militaire en politionele aanpak, maar ook een integrale strategie die zich richt op het versterken van de rechtsstaat, het bestrijden van corruptie, het bevorderen van economische ontwikkeling en het aanbieden van alternatieven voor de drugseconomie. Zonder een veelzijdige aanpak zal de spiraal van drugsgeweld en de ondermijning van de staatsmacht in Zuid-Amerika waarschijnlijk voortduren.

DE TERUGKEER VAN DE NATUURTOESTAND

De proliferatie van milities leidt tot een toestand die doet denken aan Hobbes’ ‘natuurtoestand’. Dit is een situatie waarin het ontbreken van centraal gezag resulteert in een permanente strijd van allen tegen allen. Zoals voormeld is dit patroon (nieuw model) niet enkel zichtbaar in kleinere staten, maar ook in ‘sterke’ staten waar parallelle structuren het officiële gezag ondergraven, zoals de spanningen tussen Poetin en Wagner bevestigen. 

DE NIEUWE OORLOG ALS SYSTEEM

DE MYTHISCHE IDEOLOGIE VAN DE DESTRUCTIE

Hedendaagse oorlogsvoering wordt steeds meer enkel gemythologiseerd in functie van het extreem vernietigen. Ze draait dan bijna uitsluitend om technische vernietiging van een vijand, zoals zichtbaar was in de bijna totale verwoesting van Grozny tijdens de Tweede Tsjetsjeense Oorlog (70% van de stad werd verwoest). Zowel aanval als verdediging hanteren een model van totale destructie, waarbij de voornaamste mythische ideologisering en oorlogspropaganda het ‘vernietigen’ van de infrastructuur (in de ruimste betekenis van het woord, zoals bijvoorbeeld het vernietigen van appartementsblokken voor sociaal wonen) van het vijandig land is. In dat opzicht zijn deze oorlogen symptoom van een dieper liggende crisis, namelijk het onvermogen om geweld politiek te beheersen. 

DE FRAGIELE TOEKOMST VAN POLITIEKE STABILITEIT

Deze ontwikkelingen roepen fundamentele vragen op over de duurzaamheid van democratische stabiliteit. Zoals Fukuyama reeds stelde, is staatsvorming een cruciale voorwaarde voor goed bestuur. Toch blijft het verband tussen geweldsregulering en democratische stabiliteit onderbelicht. Stabiliteit is geen vijand van verandering, maar net haar voorwaarde. Het Europese project heeft, ondanks zijn gebreken, geprobeerd dit evenwicht te bewaren. De ervaring van de wijze waarop bijvoorbeeld in Engeland de machtsoverdracht geïnstitutionaliseerd werd staat in schril contrast met de uitsluiting van vreedzame machtsoverdracht in autocratische contexten. De persoonlijke ervaring van de Zambiaanse president Chiluba, die toegaf zijn macht niet te kunnen afstaan, onderstreept dit dilemma pijnlijk (zie literatuur F/).

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met :  Van religies tot sekten de betekenis van de actuele postmoderne (hypermoderne) aantrekkingskracht van geweld verkondigende religieuze goeroes).

LITTERATUUR

Theorie: geweld, macht, democratie en staatsvorming

Weber, M. (1919), Politik als Beruf, München: Duncker & Humblot. Het boek verkreeg een bijzonder bekendheid, onder meer omwille van zijn definitie van de staat als ‘het gezelschap dat binnen een bepaald territorium het monopolie op legitiem geweld opeist’.

De Jouvenel B. (1977), De la politique pure, De titel van de Engelstalige versie is juister :  The Pure Theory of Politics, Cambridge University Press, 1964.

De Jouvenel haalt als voorbeeld van een vreedzame en stabiliteit van een machtsoverdracht de Engelse democratie. Hij schreef zijn boek eind jaren 50 van vorige eeuw.

De Jouvenel schrijft : ‘Wat kwam ik hen vertellen over een politiek drama? Harold Macmillan was toen premier, een vriendelijke en verlichte man – is hij het niet die later in Zuid-Afrika over de ‘winden van verandering’ sprak? Men verwachtte dat de parlementsverkiezingen die het jaar daarop zouden plaatsvinden, de nederlaag van de Conservatieven zouden betekenen (dat was uiteindelijk niet het geval) en dat de Labourleider Hugh Gaitskell aan de macht zou komen (voor wie ik een grote genegenheid had: helaas is hij gestorven zonder ooit aan de macht te zijn gekomen). Wat zou er in dat geval gebeurd zijn? Laten we het beschrijven. Macmillan verlaat 10 Downing Street en Gaitskell neemt er zijn intrek. Evenzo vindt er een verhuizing plaats in het Lagerhuis, waar de parlementsleden – zoals bekend – niet zoals bij ons in een cirkel zitten, maar tegenover elkaar op rechte banken zijn geplaatst: de banken aan de linkerkant van de Speaker worden bezet door de meerderheid, omdat de regeringsbank links staat, met daartegenover – symmetrisch – de bank van de oppositieleiders aan de rechterkant. Dus wordt er van plaats gewisseld.’ (V en VI, eigen vertaling uit de Frans versie)

Ook Zambiaanse president Frederick Chiluba was een vriendelijke en verlichte man, hij had in Cambridge gestudeerd, maar toch…

Fukuyama, F. (2004), State-Building, Governance and World Order in the 21st Century, Ithaca: Cornell University Press. De auteur legt uit waarom stabiele instituties een noodzakelijke voorwaarde zijn voor democratische ontwikkeling. 

Zielonka, J. (2006), Europe as Empire: The Nature of the Enlarged European Union, Oxford University Press. Argumenteert dat stabiliteit niet per se een rem op vernieuwing hoeft te zijn, maar juist haar fundament kan zijn.

Hobbes, T. (1651), Leviathan, Londen, Andrew Crooke. Introduceert het idee van de ‘natuurtoestand’ als permanente oorlog in afwezigheid van centraal gezag.

 Schmitt, C. (1922), Politische Theologie;  Vier Kapitel zur Lehre von der Souveränität,  München: Duncker & Humblot. De auteur definiëert de soeverein als degene die beslist over de uitzonderingstoestand. Belangrijk voor de analyse van geweld als grondslag van macht.

Agamben, G. (2005), State of Exception, University of Chicago Press. De auteur bouwt voort op Schmitt en analyseert de normalisering van de uitzonderingstoestand. 

Kaldor, M. (1999), New and Old Wars: Organized Violence in a Global Era, Stanford University Press. De auteur is de grondlegger van het begrip ‘nieuwe oorlogen’: hybride, niet-statelijke, ideologisch fluïde conflicten.

De machtsovergang met betrekking tot de Weimarrepubliek

Evans, R. J. (2003), The Coming of the Third Reich. Penguin.  Analyseert het verval van de Weimarrepubliek.

Chapoutot, J. (2014),  La révolution culturelle nazie.

De auteur bespreekt de juridische revolutie onder het Derde Rijk, binnen de culturele revolutie van het nazi kader. Onder meer de relatie tot het Weimarrecht.

Kershaw, I. (1998), Hitler: 1889–1936 Hubris. Penguin.  De auteur bespreekt de opkomst van Hitler in zijn verhouding tot de SA.

Weitz, E. D. (2007). Weimar Germany: Promise and Tragedy. Princeton University Press.  Grondige analyse van de fragiele democratische fundamenten in de jaren 1920.

Snyder, T. (2010). Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin. Basic Books.  De auteur contextualiseert geweld als politiek instrument.

Rusland, Wagner, Tsjetsjenië

Galeotti, M. (2017), The Modern Russian Army, Oxford: Osprey Publishing. Uitgebreid overzicht van de hervormingen, structuren en nevenorganisaties rond het Russische leger.

Mearsheimer, J. J., (2014), “Why the Ukraine Crisis Is the West’s Fault.” Foreign Affairs, 93(5), 77–89. De auteur analyseert het conflict in Oekraïne vanuit een realistisch perspectief.

Harding, L. (2016), A Very Expensive Poison: The Murder of Alexander Litvinenko and Putin’s War with the West. De auteur onderzoekt parallellen tussen geweld, moord en staatsbeleid in Rusland.

Sauer, T. & Van Elsuwege, P. (2017), ‘The EU, Russia and the Crisis in Ukraine.’ In: European Foreign Affairs Review, 22(3), 397 – 416. Europese context van de machtsstrijd.

HRW Rapport (2000–2010). ‘As if They Fell from the Sky: Counterinsurgency, Rights Violations and the Search for Justice in Chechnya.’ Human Rights Watch. Documenteert oorlogsmisdaden in Tsjetsjenië.

UN-HABITAT (2003). The State of the World’s Cities Report: Grozny. Verklaarde Grozny – toen -tot meest verwoeste stad ter wereld.

BBC (2023). ‘Who Controls Wagner Now?’. Over de onduidelijke status van Wagner na Prigozjin’s dood. 

RFERL (2024). ‘Kadyrov’s Loyalists: The Rise of the Akhmat Units.’ Beschrijft de militaire structuren onder Kadyrov.

Afrika en paramilitair geweld

Debos, M. (2016), Living by the Gun in Chad: Combatants, Impunity and State Formation. Zed Books. De auteur analyseert het paramilitair fenomeen en de broze grens tussen staat en geweld.

 Bøås, M. & Dunn, K. C. (eds.) (2017), African Guerrillas: Raging Against the Machine. Lynne Rienner. Verzameling essays over gewapende groepen in Afrika.

Vines, A. (2019), ‘Africa and Private Military Companies.’ Chatham House Reports. Over PMC’s zoals Wagner in Afrika.

UN Security Council Reports on Sudan and DRC (2022–2024). De volgende groepen worden vermeld: RSF, Janjaweed, M23, CODECO.

ICG Reports (2023). How to Rebuild Security in the Sahel. International Crisis Group. Over milities en staatsinstabiliteit in de regio.

Azië en paramilitair geweld

Cockayne, J, (2017), Hidden Hands: State Sponsorship of Militias. University of Pennsylvania Press. De auteur onderzoekt de bredere context van de door staten gesteunde milities, relevant voor de PMF.

Knights, M, (2016), ‘The PMF as a Hybrid Force: The Evolution of State-Sponsored Militias in Iraq.’ CTC Sentinel, 9(8), 1-11. Specifiek over de PMF.

Landay, J., & DeYoung, K, (2024, december). Syrian Interim Government Struggles to Curb Iranian Smuggling Networks. The Washington Post. Een Anonieme  bron, wat representatief is met betrekking tot de berichtgeving over dit onderwerp.

Lister, C. R. (2016), The Syrian Jihad: Al-Qaeda, the Islamic State and the Evolution of an Insurgency. Oxford University Press. Illustreert de context met betrekking tot de dynamiek tussen verschillende gewapende groepen in Syrië).

Fair, C. C. (2014), Fighting to the End: The Pakistan Army’s Way of War. Oxford University Press. Een analyse van de rol van gewapende groepen in Pakista).

Roggio, B., & Joscelyn, T. (Ongoing). ‘Islamic State Khorasan Province.’ Long War Journal. (Doorlopende analyse van IS-K).

Gewapende drugskartels in Zuid-Amerika als paramilitaire actoren

Campbell, H. (2019), We Are All Narcos: A Journey into the Heart of the Mexican Drug Trade, Oxford University Press. Het boek biedt heel wat inzicht in de structuur en militaire capaciteiten van Mexicaanse drugskartels.

Grillo, I. (2011), El Narco: Inside Mexico’s Criminal Insurgency. Bloomsbury. De auteur analyseert de opstandige aard van de Mexicaanse drugskartels en hun uitdaging voor de staat.

Lessing, B. (2018), ‘When Criminals Govern: The Rise of Criminal Sovereignty.’ Texas National Security Review, 1(3), 69-85. De auteur analyseert het theoretisch kader dat de soevereine aspecten van de macht van drugskartels belicht.

Felbab-Brown, V, (2019), Dismantling the Cartels: Drug War, State Failure, and the Future of Organized Crime. Brookings Institution Press. De auteur onderzoekt de impact van drugskartels op staatsinstellingen en veiligheid.

Briceño-León, R., & Zubillaga, V. (2002), ‘Violence, drugs, and governance in Venezuela.’ Journal of Latin American Studies, 34(3), 579-606. Hoewel gericht op Venezuela, biedt dit artikel inzichten in de relatie tussen drugshandel, geweld en governance in de ruimere regio. Ik heb in Curacao de schoten van nabij gehoord van een afrekening in het Venezuelaanse drugsmilieu aldaar, waarbij 4 doden vielen.

Wainwright, T. J, (2016), Narconomics: How to Run a Drug Cartel. PublicAffairs. De auteur beschrijft de operationele en organisatorische aspecten van drugskartels, inclusief hun gewapende takken.

Conversatie en nieuwe politieke perceptie (zoon Kadyrov)

Conversatie lang voor de feiten, met toenmalige president Frederick Chiluba ( 1991 to 2002)  te Waterloo (naar aanleiding van zijn bezoek aan België) in verband met de machtsoverdracht in Zambia. Met verwijzing naar zijn eigen ervaring met betrekking tot democratisch verval in verband met zijn eigen persoonlijke neiging om de macht later niet te zullen (of te kunnen ?) laten overgaan naar een ander vrij verkozen president (een existentieel probleem, het later verhaal van het grote drama naar zijn gefaald streven naar een derde ambtstermijn)

The Guardian (2023). ‘Adam Kadyrov Appointed to Chechen Security Council.’  Over de rol van Kadyrovs zoon (17 jaar oud) in het machtsapparaat.

Philippe De Keukelaere

———————————————————————————————————————————————–

Een Geïntegreerde Strategie voor Duurzame Budgettaire Consolidering: De Synergie van Besparingen, Belastingen, een Staatsspaarreserve en Renteherstructurering

Deze tekst onderzoekt een geïntegreerde strategie voor duurzame budgettaire consolidatie, die conventionele maatregelen zoals overheidsbesparingen en nieuwe belastingheffingen combineert met de innovatieve instrumenten van een staatsspaarreserve en een herstructurering van de rentebetalingen op de staatsschuld. Door middel van een conceptueel macro-economisch model analyseren we het potentiële voordeel van deze synergetische aanpak ten opzichte van een strategie die primair leunt op traditionele fiscale instrumenten. De analyse richt zich op de dynamische effecten van de verschillende beleidscomponenten op de evolutie van de staatsschuld op zowel de korte als de lange termijn, met de nadruk op de intertemporele verschuiving van budgettaire lasten en baten.

De aanhoudende problematiek van hoge staatsschulden in veel ontwikkelde economieën vereist een doordachte en veelzijdige aanpak van budgettaire consolidatie. Traditionele methoden, zoals het doorvoeren van bezuinigingen op overheidsuitgaven en het verhogen van belastingen, kunnen politiek gevoelig zijn en potentieel negatieve effecten hebben op de economische groei, met name in perioden van economische zwakte. Deze tekst introduceert en analyseert een gecombineerde strategie die deze conventionele maatregelen complementeert met twee aanvullende instrumenten: de instelling van een staatsspaarreserve en een overeenkomst met schuldeisers om de jaarlijkse rentebetalingen gedurende een bepaalde periode in kapitaal om te zetten. Het doel van deze analyse is het potentiële voordeel van deze geïntegreerde aanpak voor een duurzame verbetering van de staatsfinanciën te conceptualiseren en te formaliseren.

Theoretisch Kader

De analyse is geïnspireerd door Keynesiaanse principes die het belang van actief overheidsbeleid in het stabiliseren van de economie en het beheren van de overheidsfinanciën benadrukken. Hoewel Keynes zelf geen specifieke formules voor dergelijke beleidscombinaties zou hebben opgesteld, ligt de focus op een pragmatische benadering die zowel de korte termijn budgettaire uitdagingen als de lange termijn houdbaarheid van de staatsfinanciën adresseert.

  • Besparingen () en Nieuwe Belastingen (): Dit zijn de klassieke instrumenten van fiscale consolidatie. Besparingen verminderen de overheidsuitgaven en dragen direct bij aan een verbetering van het begrotingssaldo. Nieuwe belastingen verhogen de overheidsinkomsten, met een soortgelijk positief effect op het saldo. De macro-economische effecten van deze maatregelen (bijvoorbeeld op de aggregate vraag) zijn echter cruciaal in de overweging van hun implementatie.

  • Staatsspaarreserve (): Het concept van een staatsspaarreserve introduceert een element van intertemporele budgettering. Door een deel () van de totale overheidsinkomsten () opzij te zetten in een reserve, creëert de overheid een buffer die in de toekomst kan worden aangewend voor schuldreductie. Dit kan de geloofwaardigheid van het fiscale beleid versterken en de afhankelijkheid van toekomstige bezuinigingen of belastingverhogingen verminderen.

  • Omzetting van Rente in Kapitaal (): De afspraak met schuldeisers om de jaarlijkse rentebetalingen gedurende een periode van vijf jaar (mijn parameter in de tijd)  in kapitaal om te zetten, biedt directe budgettaire verlichting op de korte termijn. In plaats van de rente direct uit te betalen, wordt deze bij de hoofdsom van de schuld gevoegd. Dit vermindert de directe uitstroom van middelen in de beginjaren, waardoor ruimte ontstaat voor andere noodzakelijke uitgaven of verdere schuldreductie door andere maatregelen. Het is echter essentieel om te erkennen dat dit op termijn kan leiden tot hogere toekomstige rentebetalingen als de hoofdsom van de schuld toeneemt.

Modelvorming

 We modelleren de verandering in de staatsschuld onder twee verschillende scenario’s om het effect van de gecombineerde strategie te analyseren.

Scenario 1

Geïntegreerde Strategie

De verandering in de staatsschuld in periode onder de geïntegreerde strategie () wordt gegeven door:

Waarbij:

  • : De verandering in de staatsschuld in periode .
  • : De totale primaire overheidsuitgaven in periode (exclusief rentebetalingen en toevoeging aan de reserve).
  • : De rentebetalingen in periode na de omzetting in kapitaal (gedurende de eerste vijf jaar is dit effectief nul in de directe uitgavenstroom, maar het verhoogt wel de toekomstige schuld). Na de periode van omzetting zullen de rentebetalingen gebaseerd zijn op de potentieel hogere hoofdsom. Voor de directe budgettaire impact in de eerste vijf jaar is de uitgestelde rente relevant.
  • : De totale besparingen in periode .
  • : De totale overheidsinkomsten in periode . Een deel wordt in de reserve gestort, waardoor beschikbaar is voor het dekken van uitgaven.
  • : De aflossing van de staatsschuld in periode gefinancierd uit de reserve die in eerdere perioden () is opgebouwd. Deze term is nul in de initiële opbouwfase van de reserve.

Scenario 2:

Conventionele Aanpak In dit scenario worden enkel besparingen en nieuwe belastingen doorgevoerd. De verandering in de staatsschuld () is:

Waarbij:

  • : De verandering in de staatsschuld in periode .
  • : De reguliere rentebetalingen op de staatsschuld in periode , zonder de omzetting in kapitaal.
  • : De opbrengsten uit nieuwe belastingen in periode . Om een eerlijke vergelijking te maken, nemen we aan dat de totale inspanning op het gebied van belastingverhogingen in beide scenario’s vergelijkbaar is, dus de bijdrage aan de inkomsten is equivalent (hoewel de timing anders kan zijn door de spaarreserve in scenario 1).

Analyse en Vergelijking van de Scenario’s

Korte Termijn (Eerste Vijf Jaar van Rente-omzetting): In de eerste vijf jaar zal in scenario 1 lager zijn dan in scenario 2, omdat de rente niet direct wordt uitbetaald. Dit creëert budgettaire ruimte in scenario 1. Echter, een deel van de inkomsten wordt ook in de spaarreserve gestort, wat het direct beschikbare inkomen voor schuldreductie in de huidige periode vermindert in vergelijking met scenario 2 (waarbij alle extra belastinginkomsten direct beschikbaar zijn). De directe verandering in de staatsschuld in scenario 1 wordt dus beïnvloed door de uitgestelde rentebetalingen en de opbouw van de reserve.

Lange Termijn (Na Vijf Jaar en met Aflossingen uit de Reserve): Na de periode van rente-omzetting zullen de rentebetalingen in scenario 1 () mogelijk hoger zijn dan ze anders zouden zijn geweest () als de hoofdsom van de schuld is toegenomen. Het cruciale voordeel van scenario 1 op de lange termijn komt echter van de aanwending van de opgebouwde staatsspaarreserve voor schuldreductie. De term in de formule voor wordt dan significant en draagt direct bij aan een daling van de staatsschuld, wat in scenario 2 ontbreekt.

De Voordeelformule: Het periodieke voordeel van de geïntegreerde strategie ten opzichte van de conventionele aanpak kan worden geformaliseerd als het verschil in de verandering van de staatsschuld:

Substitueren we de formules:

Vereenvoudiging leidt tot:

Als we aannemen dat de totale belastinginspanning vergelijkbaar is ( in scenario 2 correspondeert met het deel van de inkomsten in scenario 1 dat niet naar de reserve gaat, plus mogelijk een extra belastinginspanning om het effect van de reserveopbouw te compenseren), dan kunnen we de term nader specificeren. Laten we stellen dat de totale extra belastingopbrengst in beide scenario’s over de tijd gezien gelijk is, maar in scenario 1 een deel indirect via de reserve werkt.

Een meer directe vergelijking van de jaarlijkse verandering in schuld laat zien dat in de jaren met rente-omzetting positief bijdraagt aan het voordeel (kleinere toename of grotere afname van de schuld in scenario 1). De reservering van inkomsten heeft een negatief effect op het directe saldo in scenario 1. Echter, in latere jaren draagt de positief bij aan het voordeel.

Het Cumulatieve Voordeel: Het werkelijke voordeel van de geïntegreerde strategie moet over een langere periode worden geëvalueerd. De cumulatieve verandering in de staatsschuld over een periode is . De geïntegreerde strategie is voordeliger als:

Dit betekent dat de cumulatieve schuldtoename (of -afname) onder de conventionele aanpak groter (of kleiner) is dan onder de geïntegreerde strategie.

Discussie en Beleidsimplicaties

De geïntegreerde strategie biedt een potentieel pad naar duurzame budgettaire consolidatie door de lasten en baten van de aanpassingen over de tijd te spreiden. De rente-omzetting biedt onmiddellijke verlichting, terwijl de staatsspaarreserve een mechanisme creëert voor toekomstige schuldreductie. De effectiviteit hangt echter af van verschillende cruciale factoren:

  • De omvang van de besparingen () en de opbrengst van nieuwe belastingen (). Deze blijven fundamenteel voor het verbeteren van het primaire saldo.
  • Het percentage () dat in de staatsspaarreserve wordt gestort. Een hoger percentage leidt tot een grotere toekomstige capaciteit voor schuldreductie, maar kan de budgettaire ruimte op korte termijn beperken.
  • De bereidheid en mogelijkheid van schuldeisers om akkoord te gaan met de rente-omzetting. Dit is een cruciale externe factor.
  • De discipline van de overheid om de spaarreserve daadwerkelijk aan te wenden voor schuldreductie en niet voor andere uitgaven.
  • De macro-economische context. Een economische recessie kan de belastinginkomsten drukken en de effectiviteit van de strategie ondermijnen.

Beleidsmakers die deze geïntegreerde aanpak overwegen, moeten een zorgvuldige afweging maken van de korte- en langetermijneffecten en de potentiële risico’s. Transparantie en geloofwaardigheid zijn essentieel voor het succes van zowel de renteherstructurering als de opbouw en aanwending van de staatsspaarreserve.

Deze analyse suggereert dat een geïntegreerde strategie voor budgettaire consolidatie, die besparingen, nieuwe belastingen, een staatsspaarreserve en renteherstructurering combineert, potentieel voordelen kan bieden ten opzichte van een aanpak die uitsluitend op traditionele fiscale instrumenten is gericht. De rente-omzetting kan op korte termijn budgettaire ruimte creëren, terwijl de staatsspaarreserve een mechanisme biedt voor toekomstige schuldreductie. Het werkelijke voordeel manifesteert zich in de cumulatieve impact op de staatsschuld over de lange termijn. Succesvolle implementatie vereist echter een zorgvuldige planning, sterke politieke wil en een gunstig macro-economisch klimaat. Verder onderzoek met kwantitatieve modellering en case studies zou de bevindingen van deze conceptuele analyse verder kunnen onderbouwen

Psychologische Impact van de Gecombineerde Methode:

  • Besparingen en Nieuwe Belastingen: Net als bij de conventionele aanpak zullen deze maatregelen waarschijnlijk leiden tot een negatieve pijnbeleving (score richting -3 tot -4), afhankelijk van de omvang en de groepen die het meest getroffen worden. De perceptie van eerlijkheid kan variëren afhankelijk van hoe de lasten worden verdeeld.
  • Staatsspaarreserve: De communicatie rond de staatsspaarreserve kan een positief effect op de hoop op de toekomst hebben (score richting +2 tot +3). Het idee dat er structureel wordt gewerkt aan het aflossen van de schuld en het veiligstellen van de financiële toekomst kan geruststellend werken. Echter, als de bevolking het ziet als ‘geld dat nu wordt weggehaald en we er later pas iets aan hebben,’ kan het ook leiden tot frustratie op de korte termijn (licht negatief effect).
  • Omzetting van Rente in Kapitaal: Dit is een complexer element. Als het goed wordt gecommuniceerd als een manier om de huidige lasten te verlichten en de overheid ademruimte te geven, kan het een licht positief effect op het gevoel van zekerheid hebben (score richting +1 tot +2). Echter, als de bevolking zich realiseert dat dit betekent dat de schuld in de toekomst hoger kan zijn, kan het ook leiden tot bezorgdheid over de lange termijn(licht negatief effect). Het kan ook de perceptie van transparantie beïnvloeden als de details niet helder zijn.
  • Totale Psychologische Score (hypothetisch): Afhankelijk van de communicatie en de specifieke vormgeving van de maatregelen, zou de totale score voor deze methode potentieel iets hoger kunnen uitvallen dan de conventionele aanpak door het positieve effect van de spaarreserve op de lange termijn en de tijdelijke verlichting van de rentebetalingen.

Psychologische Impact van de Conventionele Aanpak (Enkel Besparingen en Nieuwe Belastingen)

  • Besparingen en Nieuwe Belastingen: Leidt waarschijnlijk tot een vergelijkbare negatieve pijnbeleving (score richting -3 tot -4) als in mijn methode.
  • Geen Staatsspaarreserve: Het ontbreken van een duidelijk mechanisme voor toekomstige schuldreductie kan leiden tot een minder sterk gevoel van hoop op de toekomst (score richting 0 tot +1). De focus ligt puur op de huidige pijn.
  • Geen Rente-omzetting: De constante stroom van rentebetalingen kan het gevoel van een zware last op de overheidsfinanciën bestendigen en mogelijk leiden tot minder vertrouwen dat de situatie snel zal verbeteren (score richting -1 tot -2).
  • Totale Psychologische Score (hypothetisch): De totale score voor de conventionele aanpak zou waarschijnlijk negatiever uitvallen dan die van mijn methode, voornamelijk door het ontbreken van de elementen die hoop en tijdelijke verlichting bieden.

Poging tot een “Kwantificering” (Zeer Conceptueel):

We pogen de  psychologische impact () te conceptualiseren als een functie van de verschillende beleidsinstrumenten en de communicatie eromheen ():

Het verschil in psychologisch effect tussen mijn methode () en de conventionele aanpak () zou dan zijn:

Hierbij is het cruciaal op te merken dat de vorm van de functie onbekend is en sterk afhangt van de perceptie en interpretatie van de bevolking, die op hun beurt weer afhangen van de communicatie ( en ).

Factoren die de Kwantificering Bemoeilijken

Subjectiviteit: Psychologische reacties zijn individueel en contextafhankelijk.

Meetbaarheid: Het direct meten van ‘vertrouwen’ of ‘hoop’ in een kwantitatieve schaal is lastig. Enquêtes en opiniepeilingen kunnen indicaties geven, maar vangen de volledige complexiteit niet.

Communicatie: De manier waarop de maatregelen worden gecommuniceerd is cruciaal voor de psychologische impact. Heldere, transparante en empathische communicatie kan negatieve effecten verzachten en positieve effecten versterken.

Economische Context: De algemene economische situatie (groei, werkloosheid, inflatie) beïnvloedt sterk hoe beleidsmaatregelen worden ervaren.

Politiek Klimaat: Het vertrouwen in de politiek en de regering speelt een belangrijke rol in hoe beleidsmaatregelen worden ontvangen.

Toch een kwantificering ?

Een directe kwantificering van het psychologisch effect in een simpele formule is niet mogelijk. Wel kunnen we argumenteren dat de gecombineerde methode potentieel een milder negatief (of zelfs een licht positiever) psychologisch effect kan hebben dan een conventionele aanpak, mits de elementen van de staatsspaarreserve en de rente-omzetting helder en hoopvol worden gecommuniceerd, en de bevolking het gevoel heeft dat er een plan is voor de lange termijn. Het succes hangt echter sterk af van de uitvoering en de communicatie. Het zou nuttig zijn om opinieonderzoek te doen na de implementatie van dergelijke maatregelen om de daadwerkelijke psychologische impact te meten.

Philippe De Keukelaere

 

KUNNEN WE EEN BINDMIDDEL – een onontdekt element – TUSSEN DE RELATIVITEITSTHEORIE EN DE KWANTUMFYSICA IN HET HEELAL ONTDEKKEN?

MIJN HYPOTHESE HOUDT IN DAT HET IN DE RUIMTE BESTAAT EN AAN DRIE NATUURLIJKE CONSTANTEN MOET VOLDOEN. 

KUNNEN WE DAARUIT IETS LEREN MET BETREKKING TOT ONS ZACHT ZICH SPIEGELENDE ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN?

DRIE PARAMETERS BIJ STERREN

We zijn op zoek, ook al hebben we het nog niet gevonden naar de hypothese van de mogelijkheid van een onopofferbaar element in de ruimte, om dit te kunnen verbinden met een psychologische vraag (het blijft een vraag zonder antwoord) met betrekking tot ons onopofferbaar zachte zich spiegelende zelf als zelfbewustzijn.

Hierbij onderscheiden we drie elementen ten aanzien van het licht:

–  de energetische bron (de sterren)

– de stralings- en weerkaatsingsfactor

– de snelheid 

We stellen vast dat de eerste twee elementen onderhevig zijn aan de wet van de entropie, het derde niet.

Het zelfoffer van een ster is er in functie van de wet van de verspreiding, een ruimtelijk fenomeen (een ‘lebensraum’ voor de ster). De interne entropische zelfvernietiging (het opbranden) is er in functie van het uitwendig stralen (de drang naar ‘lebensraum’).

Het licht bestaat uit elektromagnetische golven, die zich niettemin als materie kunnen gedragen (bijvoorbeeld de ‘kromming’). Het zijn krachtige elektromagnetische golven, die energetisch de wet van de entropie ondergaan, evenals wat het botsen (opslorping en weerkaatsing) bij contact met de materie. Het enige element van het ons zichtbare licht dat de wet van de entropie niet ondergaat is de snelheid.

Het leven van een ster begint met geconcentreerde bruikbare energie (kernfusiebrandstof). Maar het mooie liedje duurt niet lang.

De ster ondergaat een sterfteproces (een einde) met uitgeputte, diffuus verspreide energie (koude restwarmte).

DE STILLE STRIJD DER STERREN

In de stilte van de ruimte, waar geen geluid reist en geen leger marcheert, woedt een oorlog.
Niet een oorlog van zwaarden of haat,
maar een oorlog van licht, druk, en verspreiding.

Elke ster is een veldheer van zijn eigen binnenste,
een storm in toom gehouden, een geweld getemd door evenwicht.
In hun kernen fuseren atomen onder een druk die bergen verplettert en oceanen verdampt, toch lijkt hun oppervlak kalm, hun gloed zacht, hun aanwezigheid vredig.

Maar deze rust is bedrieglijk.
Onder de huid van elke ster woedt de strijd tussen twee oerkrachten:
de zwaartekracht die alles wil verzwelgen, en de uitwaartse druk van stralende energie die wil ontsnappen.
Het thermodynamisch evenwicht is geen echte vrede, het is een fragiel bestand,
een moment van balans boven een afgrond.

Sommige sterren, gulziger en feller dan anderen, voeren hun strijd met woestere kracht,
hun straling pulseert uit hun lichamen als kanonvuur,
verdrijft gaswolken, belet rivalen om hun eigen licht te ontsteken.
Zij stelen de grondstoffen van de ruimte,
hun stralingsdruk maakt de kosmos rondom hen schraal.
Zonder bewuste bedoeling,
maar met voelbare kracht,
vechten zij een territoriale oorlog van licht.

En zelfs verder, in de leegte tussen de sterrenstelsels,
spiegelt het heelal deze strijd,
niet in afzonderlijke slagen,
maar in de trage expansie van alles wat ooit samen was.
Zelfs het heelal zelf  – het toneel van alle gevechten –
breidt uit, koelt af, en verliest langzaam zijn glans.

De oorlog van het licht is dus een oorlog van zelfvernietiging,
omwille van ruimtelijke verspreiding:
van binnen naar buiten,
van orde naar chaos,
van bestaan naar uitwaaiering;

Een zelfoffer naar een zelfvernietigende vermeerdering

En elke ster die opbrandt,
elke wolk die verdampt,
elk foton dat ontsnapt,
is een schot in deze oorlog die nooit echt gewonnen of verloren wordt 
maar die het heelal maakt tot wat het is,
een tapijt van levende as,
een zee van strijdend licht.

Thermodynamisch evenwicht bij sterren verbergt enorme interne geweldsprocessen, gereguleerd door zwaartekracht en stralingsdruk.

Geweldintensiteit kan worden gekwantificeerd via energieproductie, luminositeit en stralingsdruk.

Stralingsoorlogen bestaan niet als bewuste gevechten, maar energetische interacties tussen sterren kunnen wel territoriale gevolgen hebben in stervormingsgebieden.

Het lijkt op een ‘stralingsoorlog’ of ‘territoriumstrijd’.

Elke levende ster verteert zichzelf.

Ze zet haar eigen massa om in straling. Verliest haar interne orde, koelt af of explodeert.

De ster eindigt uiteindelijk als koud restant, een witte dwerg, een neutronenster of een zwart gat.

Dit is zelfvernietiging, geen explosieve woede, maar noodzakelijk vergaan door de wetten van thermodynamica.

En in thermodynamische termen :

zelfvernietiging = natuurlijke toename van entropie.

De geordende toestand (lage entropie: waterstof, kernfusie)
verandert onomkeerbaar in een wanordelijke toestand (hoge entropie).

Het thermodynamisch evenwicht in een ster betekent normaal dat er een balans is tussen de energieproductie (door kernfusie in de kern) en het energieverlies (door straling van het oppervlak).

Daarnaast is er een hydrostatisch, een evenwicht van een uitwaartse druk van stralingsenergie tegen een inwaartse zwaartekracht.

Waar zit de ‘geweldfactor’?

De kern van een ster is een plaats van extreem geweld.

De temperaturen bedragen miljoenen graden.

Men onderscheid hierbij : 

–  de energieproductiesnelheid (de hoeveelheid energie geproduceerd per seconde).

–  de luminositeit (de totale energie die een ster uitstraalt per seconde).

– de stralingsdruk (druk die de energieuitstoot in de kern genereert tegen de zwaartekracht in).

Men kan het volgende stellen.

Hoe groter de massa van een ster, hoe groter de geweldfactor (kernenergie per volume-eenheid), en hoe instabieler de ster naar zijn einde toe (snellere levensloop, gewelddadiger dood zoals supernova).

Er is een gigantische druk en dichtheid en een continue botsing tussen atomen (fusie).

Toch is dit geweld zodanig gereguleerd dat het over miljoenen tot miljarden jaren een stabiel evenwicht vormt.

Hoewel een ster en het heelal fysisch niet direct verbonden zijn, delen ze een:

Kenmerk

In de ster

In het heelal

Energieverspreiding

Straling van kernfusie

Kosmische achtergrondstraling

Entropie-toename

Fusie → chaos → instorting

Oerknal → expansie → thermisch dood

Verlies van orde

Brandstof → licht → koud restant

Structuur → uitdijning → homogeniteit

Zelfoffer als proces

Massa verbrandt zichzelf

Oerorde verwaait

De entropie zelf (de hoeveelheid wanorde of energieverspreiding) is geen natuurconstante.

Entropie is een toestand die systemen kunnen hebben (laag, hoog, stijgend, dalend lokaal).

Ze is niet één vast getal dat overal in het universum hetzelfde is.

Entropie kan toenemen of lokaal dalen (bijvoorbeeld bij vorming van sterren of leven), maar globaal stijgt ze altijd.

Entropie is een richting, niet een vaste waarde.

Wat wél fundamenteel constant is, is de tweede wet van de thermodynamica:

in een gesloten systeem neemt de totale entropie nooit af.

Het beginsel dat  entropie moet stijgen is universeel geldig, zonder bekende uitzondering.

Men zou kunnen stellen dat de richting van entropie een kosmische constante is.

Entropie bepaalt eigenlijk waarom er verschil is tussen ‘vooruit’ en ‘achteruit’ in tijd.

Entropie en energieverspreiding binnen de ster zelf leiden tot het verbreken van dat evenwicht.

Als de fusie stopt is er geen tegendruk meer, door de zwaartekracht stort de ster in.

Dat is exact het moment waarop entropie domineert en de structuur verdwijnt.

Binnen de ster zelf leidt een interne vorm van entropietoename tot het einde van het hydrostatisch evenwicht.

Een ster die naar de ‘uitzondering’ neigt, maar het niet is, is de neutronenster.

Neutronensterren zijn extreem stabiel, als ze geen massa bij krijgen, veranderen ze nauwelijks. 

Ze kunnen miljarden tot biljoenen jaren bestaan zonder instorten of vervallen.

Zij hebben universele eigenschappen.

Waar ze ook ontstaan in het heelal, neutronensterren hebben:

een vergelijkbare massa ( ongeveer 1,4 zonsmassa),

een vergelijkbare grootte (ongeveer 20 km),

een vergelijkbare dichtheid (ongeveer nucleair niveau).

Deze uniforme eigenschappen maken ze betrouwbare bakens van fysische wetten.

Maar ook deze sterren zijn fundamenteel begrensd.

–  net als natuurconstanten hebben neutronensterren een duidelijke limiet.

– boven ongeveer 2,1–2,3 zonsmassa’s storten ze in tot een zwart gat.

– ze bestaan dus in een zeer smal fysisch toegestane zone, een constante binnen grenzen.

Neutronensterren zijn bijna directe manifestaties van de volgende natuurwetten:

– kwantummechanica (degeneratiedruk)

– algemene relativiteit (extreme zwaartekracht)

-kernfysica (neutronvorming)

Veel neutronensterren zijn pulsars (sneldraaiende stralingsbakens). Door magnetische remming verliezen ze geleidelijk snelheid. Na enkele miljoenen tot tientallen miljoenen jaren zijn ze te traag om als pulsar zichtbaar te blijven.

Een neutronenster is een tragisch geniaal eindproduct, niet levend, niet dood, maar een kosmische grafsteen vol zwaartekracht, waar we nog veel over moeten ontdekken.

WIE WINT DE STRIJD : DE KERNFUSIE OF DE ZWAARTEKRACHT ? 

Ik herhaal even het proces :

– bij kleine sterren (zoals de zon) stopt de kernfusie 

– de zwaartekracht wint, maar niet volledig, de ineenstorting wordt gestopt door degeneratie druk van elektronen

– het resultaat is een witte dwerg

 

– bij zwaardere sterren eindigt de kernfusie en is er geen energieopbrengst meer

– de zwaartekracht wint op het eerste gezicht totaal, de kern stort in zoals bij een supernova-explosie

– het resultaat is een neutronenster of een zwart gat.

Op het eerste gezicht lijkt het aIsof de zwaartekracht alleen maar te ‘winnen’ heeft bij ineenstorting. Is er al dan niet een prijs voor die overwinning?

Zijn er ook bij de zwaartekracht in dit proces mogelijke vormen van ‘verlies’ of ‘zelfoffer’ .

In een zwart gat stort materie in tot een punt van oneindige dichtheid, een singulariteit. Daar verliest de zwaartekracht zijn voorspelbaarheid: de wetten van fysica breken af.
Men zou kunnen zeggen: de zwaartekracht overschrijdt haar limiet en vernietigt zelfs haar eigen structuur.

Verlies van informatie (zie Hawking)
Als informatie in een zwart gat verdwijnt, lijkt die informatie voor altijd verloren te gaan. Hawking stelde dat dit een paradox is die de orde van het heelal aantast.
De zwaartekracht lijkt hier een prijs te betalen in de vorm van verlies aan begrijpelijkheid en symmetrie.

In een supernova wordt enorme massa uitgeworpen. Een deel van de gravitatiebron verdwijnt letterlijk in de ruimte.
Daardoor verliest zwaartekracht zelfs zijn reikwijdte.  

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd, met : is er in de ruimte een nog niet ontdekt element dat ons de verbinding doet ontdekken tussen de relativiteitstheorie en de kwantumfysica? – mijn hypothese -)

DE NOODZAAK VAN HET ZICH ZACHT SPIEGELDE ZELF ALS LICHTEND ZELFBEWUSTZIJN OM OORLOGEN TE BEËINDIGEN

MIJN PROBLEMEN MET HET GEWELDDADIG DUISTERE RELIGIEUS RUSSISCH ORTHODOX MEERZIJNSBEWUSTZIJN VAN PRESIDENT POETIN

ALS DE VOS DE PASSIE PREEKT BOER…alles begint altijd met ‘een corridor’.

Eigenlijk moet wie met president Poetin onderhandelt drie voorwaarden stellen (afgezien van de lengte van de tafel). Dergelijke onderhandelingen moeten gevoerd worden door mensen die in staat zijn als legeraanvoerders in koelen bloede een oorlog te leiden. Iedere zwakheid wordt hoe dan ook meteen afgestraft. Ik denk aan Jalta.

Wat moet er duidelijk gesteld worden ?

  1. Dat Europa aan de onderhandelingstafel aanwezig moet zijn, dit omwille van de stabiliteit van ieder akkoord. De afwezigheid van Europa is hoe dan ook een aanwijzing dat men niet naar stabiliteit in Europa streeft.
  2. Dat president Poetin alle bestaande grenzen van Europa erkent. Het kan niet zijn te stoppen met Oekraïne om elders te gaan aanvallen.
  3. De stellige verbintenis van Europa en de NAVO dat als president Poetin een EU-land aanvalt dat geen lid is van de NAVO, artikel 5 van het verdrag eveneens en onverwijld zal worden toegepast. De geschiedenis herhaalt zich niet. Maar het afstaan van grondgebied buiten de normen van het internationaal publiekrecht in onderhandelingen kan maar in ruil voor het definitief stopzetten van agressie ten aanzien van andere grondgebieden. Anders zitten we in een München scenario. Europa en de NAVO moeten aan president Poetin duidelijk stellen dat als hij Europa op om het even welke andere plaats aanvalt, artikel 5 van het verdrag onverwijld zal worden toegepast.

President Poetin is een sluwe strateeg, die zijn zachte zich spiegelde zelf als zelfbewustzijn volledig heeft opgeofferd voor zijn religieus, sacraal Russisch orthodox ‘zelfoffer’ meerzijn. Individueel meerzijn dat nu een collectief zelfoffermeerzijn is omwille van de ‘lebensraum’.

Maar dat collectief zelfoffermeerzijn wil het Russisch volk niet meer verrichten. De laatste vrijheid van de mens is het weigeren kinderen ter wereld te brengen, om kanonnenvlees te worden. Dit is de laatste uithoek van het zachte zich spiegelende zelf van het Russisch volk. Dit is bewonderenswaardig en hoopvol.

Philippe De Keukelaere

‘Psychologie is de tijd herwinnen en een kiem van collectieve hoop’

PHDK

VAN AUSTERITEIT NAAR PSYCHOLOGISCHE COMPENSATIE (positieve reactantie) : EEN VOORSTEL TOT HERSTRUCTURERING VAN FISCAAL BELEID IN BELGIË (later uitgebreider herwerkt)

Inleiding

In veel Europese landen, waaronder België, zijn fiscale consolidatiemaatregelen zoals besparingen en belastingen noodzakelijk om de staatsschuld te beheersen. Toch zijn deze maatregelen sociaal en psychologisch belastend. Deze tekst vertrekt van de hypothese dat eenzijdige negatieve stimuli, zonder compenserende positieve impulsen, het vertrouwen in de overheid ondermijnen en de economische entropie verhogen. Daarom stellen wij een structurele hervorming voor: het oprichten van een Federaal Spaarreservefonds gekoppeld aan elke besparingsmaatregel, als psychologisch en economisch evenwicht.

  1. Austeriteit en Psychologie: De Scepsis van de Burger

Verschillende studies tonen aan dat fiscale consolidatie via besparingen en belastingen leidt tot wantrouwen, sociale onrust en groeiende ongelijkheid:

  • Austeriteitspakketten verlagen het reëel BBP per capita en verhogen de werkloosheid, zoals gebleken is uit de Griekse en Spaanse ervaring (Škuflić, Vučković, & Walter, 2024).
  • Fiscale maatregelen verhogen de publieke steun niet, zelfs niet als ze door internationale verdragen worden gelegitimeerd (Aspide, 2024).
  • Ongelijkheid neemt toe na besparingsrondes, vooral wanneer deze focussen op uitgavenreductie eerder dan progressieve belastinghervorming (Woo, Bova, Kinda, & Zhang, 2013).
  1. Psychologische Parameters in Beleidsvorming

Psychologisch onderzoek benadrukt het belang van positieve bekrachtiging en collectieve motivatie:

  • Burgers die ‘positieve’ returns ervaren, vertonen meer draagvlak voor beleid (Grittersová, Indridason, Gregory, & Crespo, 2016).
  • De perceptie van doelgerichte opoffering verhoogt aanvaardbaarheid van belastingen en bezuinigingen.
  1. Voorstel: Federaal Spaarreservefonds

Wij stellen een mechanisme voor waarbij:

  • Elke besparing (bijv. €100 miljoen) een gekoppelde storting (bijv. €5 miljoen) krijgt in een Federaal Spaarreservefonds.
  • Dit fonds dient expliciet om op middellange termijn de kapitaalschuld te reduceren.
  • Transparante communicatie rond de groei van het fonds stimuleert publieke participatie en vertrouwen.
  1. Aanvullend Voorstel: Heronderhandeling van Rente in Kapitaal

Een tweede voorstel is het omzetten van een deel van rentebetalingen naar kapitaalschuld:

  • Dit verlaagt de rentelasten op korte termijn en stabiliseert de schuldpositie, zonder directe druk op belastingbetalers (Metelli, de Philippis, Rossi, Ferra, & Sannino, 2014).
  1. Economische en Psychologische Entropie

Besparingen zonder positieve compensatie verhogen economische entropie:

  • In Italië steeg de publieke steun met 12% wanneer overheden bezuinigingen koppelden aan zichtbare investeringsprojecten (Aspide, 2024).

Een toekomstgericht fiscaal beleid vereist niet alleen financiële, maar ook psychologische optimalisatie. Een Federaal Spaarreservefonds en een beleid van rente-omzetting bieden structurele en emotionele tegengewichten tegen de destructieve effecten van pure austeriteit.

Philippe De Keukelaere

bronnen

  • Škuflić, L., Vučković, V., & Walter, D. (2024). The cost of fiscal austerity. Ekonomski vjesnik.
  • Aspide, A. (2024). International fiscal rules and domestic support for austerity. European Union Politics.
  • Woo, J., Bova, E., Kinda, T., & Zhang, Y. S. (2013). Distributional Consequences of Fiscal Consolidation and the Role of Fiscal Policy. ERN: Fiscal & Monetary Policy.
  • Grittersová, J., Indridason, I., Gregory, C. C., & Crespo, R. A. (2016). Austerity and niche parties: The electoral consequences of fiscal reforms. Electoral Studies.
  • Metelli, L., de Philippis, M., Rossi, F. M., Ferra, S., & Sannino, F. (2014). Fiscal Austerity and Reputation. Consensus.

LICHT 

‘Het heelal is een plaats vol geweld. Sterren verslinden planeten, supernova’s vuren dodelijke stralen in de ruimte, zwarte gaten botsen op elkaar en planetoïden razen rond met een snelheid van honderden kilometers per seconde. Toegegeven, deze verschijnselen maken de ruimte niet direct uitnodigend. Maar dat zijn precies de redenen waarom we de ruimte moeten gaan verkennen in plaats van haar te negeren.’

Stephen Hawking, De antwoorden op de grote vragen, ISBN 978 90 00 36505 0, 28

‘Spacetime tells matter how to move; matter tells spacetime how to curve.’

John Archibald Wheeler en Kenneth W. Ford: Geons, Black Holes, and Quantum Foam: A Life in Physics, 2000, 235.

‘Er is geen glas tussen de ster en het heelal.
Geen oppervlak waarin zij zichzelf kunnen herkennen.
Geen stil water dat licht terugzendt.

En toch 

wanneer de ster zichzelf verteert in licht,

Wanneer de ster het zelfoffer ondergaat
en het heelal zichzelf vergroot in leegte,
dan lijkt het alsof het ene het andere nadoet.

Alsof de vlam in de kern van een ster
het stille uitwaaieren van het universum voorspiegelt 
zonder dat zij elkaar ooit gezien hebben.

De ster brandt zichzelf op
en breidt haar energie naar buiten uit.
Het heelal brandde ooit in stilte
en dijt sindsdien oneindig verder uit.

Beiden verliezen wat hen hield:
massa, richting, structuur, zekerheid.
Beiden gehoorzamen
aan een wet die niemand uitsprak,
maar die alles doordringt:
de wet van verspreiding.

Steeds meer en verder uitdeinen

Steeds omvangrijker uitdeinen

Geen spiegel dus.
Geen beeld.
Maar een spiegeling zonder spiegel:
van binnen naar buiten,
van kern naar kosmos,
van leven naar leegte 
herhaling zonder herinnering,
orde zonder ontwerp,
een harmonie van verlies.’

III/ DE AARD VAN DE ENERGIEBRON (hoofdstuk I en II komen later)

HET BEWOGEN LEVEN VAN EEN STER 

1- Waar wordt een ster geboren?

Sterren ontstaan in reusachtige wolken van gas en stof, vooral waterstof. Dit zijn de zogeheten nevels of moleculaire wolken (zoals de Orionnevel).

Deze wolken zijn koud en diffuus, maar bevatten voldoende massa om sterren te vormen.

2-Instorting onder zwaartekracht

Door een verstoring (zoals een nabijgelegen supernova, botsing tussen wolken of zwaartekrachtsgolven), begint een deel van de wolk samen te trekken.

De zwaartekracht zorgt ervoor dat het gas naar binnen valt. De dichtheid en de temperatuur stijgen.

Wat zijn zwaartekrachtsgolven? 

Zwaartekrachtsgolven zijn golven in het weefsel van ruimte en tijd, veroorzaakt door versnellende massa’s, vooral bij extreem krachtige gebeurtenissen.

Bijvoorbeeld wanneer twee zwarte gaten om elkaar draaien en samensmelten, of twee neutronensterren botsen, dan veroorzaken ze trillingen in de ruimtetijd zelf, zoals rimpels op een vijver.

We vinden dit fenomeen aan bij :

samensmelting van zwarte gaten

botsing van neutronensterren (hierover later meer)

supernova-explosies (instorting van zware sterren)

mogelijks (?) bij het begin van het heelal zelf (kosmische achtergrond golven)

De snelheid van de zwaartekrachtgolven is c, deze van het licht en is een natuurlijke constante.

Het plaisante is dat zij een geluid maken (gedetecteerd in 2015). Ook in het heelal is er muziek ! (Dat geluid dat veel geld kost !)

We kunnen dit indirect waarnemen. We kunnen ze meten met gevoelige laserapparatuur. Bij detectie worden deze signalen meestal omgezet in hoorbare trillingen: een soort pieptoon bij het samensmelten van twee objecten.

Sterren hebben om te ontstaan niet altijd zwaartekrachtsgolven nodig. Wat zij altijd nodig hebben is de zwaartekracht als natuurconstante G (ik kom later terug op deze belangrijke constante, zowel bij Newton als Einstein).

3- Het ontstaan van een protoster, de kern (het hart) van de ster

De samentrekkende gasbol vormt een protoster: een jonge ster in wording.

Deze straalt nog geen licht uit via kernfusie, maar warmt op door zwaartekracht energie (omzetting van potentiële energie in warmte).

Rondom de protoster ontstaat vaak een schijf van materiaal. Uit deze schijf kunnen planeten ontstaan.

4- De ‘ontstekingsvlam’, de ontsteking van de kernfusie

Wanneer de kern van de protoster heet genoeg wordt (ongeveer 10 miljoen °C), begint de fase van de kernfusie.

Waterstofatomen versmelten tot helium.

Daarbij komt enorme energie vrij. Op dit ogenblik  gaat  de ster ‘aan’.

De ster komt nu in hydrostatisch evenwicht – de zich steeds vernieuwende opheffingen van de krachten tussen kernfusie en zwaartekracht – : de uitwaartse druk van fusie houdt de zwaartekracht tegen.

Een ster is geboren. Vanaf dan begint de hoofdreeksfase.

5- De jonge ster (de kinderjaren en de jeugd)

Afhankelijk van haar massa, leeft de ster miljoenen tot miljarden jaren (zoals ‘onze’ zon).

Tijdens haar jeugd is de ster stabiel, lichtgevend, en vormt ze mogelijk planeten uit de omliggende schijf.

Zo werd onze zon onlangs geboren, ongeveer 4,6 miljard jaar geleden.

Rondom de zon ontstond een schijf van planeten.

6- Hoe oud kan een ster worden ?

De leeftijd van een ster hangt bijna volledig af van één parameter: haar massa bij geboorte. Hoe zwaarder een ster is, hoe sneller ze leeft. Hoe lichter een ster, hoe langer ze kan bestaan. Sterren vreten zichzelf letterlijk op tot ze opgebrand zijn. Hun energie is maar mogelijk door het verlies aan massa, eigenlijk door het opofferen van zichzelf -brandstof en structuur -, om te kunnen blijven ‘schijnen’.

Dit beantwoordt aan de tweede wet van de thermodynamica : In een gesloten systeem neemt de entropie altijd toe. Energie verandert altijd van bruikbare (georganiseerde) vormen naar minder bruikbare (verspreide, chaotische) vormen. 

Er is altijd een verlies van orde (en stabiliteit) door toename van de verspreiding. 

Eigenlijk is het de fysische wet van de wijze waarop we van ordening en stabiliteit evolueren naar wanorde en chaos. Maar tijdelijk hydrostatisch evenwicht is mogelijk.

Tijdens deze contractie wordt potentiële energie omgezet in kinetische energie, en door botsingen tussen de deeltjes ontstaat intense hitte. Deze hitte wordt vervolgens als elektromagnetische straling (licht en andere vormen) de ruimte in gestraald. Hoewel de materie samentrekt, wordt de energie wijd verspreid in het heelal. 

Waarom leven kleine sterren langer?

Grote sterren hebben enorm veel brandstof, maar ze verbranden het extreem snel door hun hoge kernenergie.

Kleine sterren branden traag en efficiënt. Hun kern is minder heet, dus de fusie verloopt langzaam.

De lichtste sterren (00,8 tot 0,5 keer de massa van de zon) overleven zo lang dat er nog geen enkele volledig uitgedoofd is.

DE FABELTJESKRANT VAN HET HEELAL

We mogen rode dwergen niet verwarren met witte dwergen, rode reuzen en zwarte dwergen. Die moeten we dan ook onderscheiden van de zwarte gaten. 

DE RODE DWERG

De massa van de ster is zoals voormeld 0,008 tot 0,5 keer deze van de ‘onze’ zon.

Deze ster blijft aan waterstoffusie doen (het kloppend hart van de ster) maar traag en efficiënt.

Men gaat ervan uit dat de leeftijd van zo een ster tot 1000 miljard jaar kan gaan.

De ster zend een zwak licht uit, roodachtig van kleur door de lage temperatuur (ongeveer 2.000 tot 3.500 °C)

De ster zou een zwarte dwerg moeten worden. Maar omdat ons heelal nog zo jong is, zijn er nog geen tot dit stadium gekomen. Het blijft hypothetisch. 

DE RODE REUS

Rode reus is een opgezwollen ster op het einde van haar leven

Een grote reus is een middelgrote ster (zoals onze zon) in haar eindfase. De ster is  opgeblazen, wordt instabiel, maar is spectaculair.

Haar massa is ongeveer 0,5 tot 8 keer deze van de zon.Er is nog kernfusie, maar er is geen waterstof meer in de kern.In plaats daarvan fuseren helium en zwaardere elementen in schillen rond de kern.

In deze laatste fase is de levensduur slechts een paar miljoen jaar.

De ster is enorm helder, maar aan de oppervlakte koeler en roodachtig.

Uiteindelijk stoot de ster haar buitenlagen af en wordt een witte nevel of een witte dwerg.

De ster is uitzonderlijk helder, maar koeler aan het oppervlak, dat roodachtig is.

DE WITTE DWERG (het overblijfsel)

De witte dwerg is een ultradichte restant van een zonachtige ster nadat alle fusie is gestopt.

De massa is ongeveer 0,6 keer de massa van ‘onze’ zon, in klein formaat, dat van de aarde.

Er is geen kernfusie meer, geen energieproductie meer, maar  alleen afkoelende restwaarde.

De afkoeling gebeurt uiterst traag, en kan biljoenen jaren in beslag nemen.

Alles koelt af naar zwart. Okk hier wordt een zwarte dwerg verwacht. Maar die werd nooit waargenomen.

Type ster

Levensfase

Grootte

Fusie actief?

Levensduur

Rode dwerg

Geboorte tot dood

Klein

Ja (stabiel)

Biljoenen jaren

Rode reus

Eindfase

Opgezwollen

Ja (kort en instabiel)

Miljoenen jaren

Witte dwerg

Laatste fase (restant)

Klein en dicht

Nee

Koelt biljoenen jaren af

Onze zon is thans volwassen geworden en is ongeveer 4,6 miljard jaar oud. De leeftijdsduur van de zon is ongeveer 10 miljard jaar. We mogen ons dus stilaan verwachten aan een midlife crisis. De oudste sterren die we kennen zijn bijna zo oud als het heelal zelf, 13 miljard jaar oud. 

 Hypothetisch stelt men dat de lichtste sterren tot 10 biljoen jaar oud kunnen worden. 

Over de zwarte gaten zal ik het later hebben.

(wordt vervolgd met: de levensduurstabiliteit – hydrostatisch evenwicht – van een ster als een extreme strijd tot het bittere einde tussen de kernfusie en de zwaartekracht. 

Beiden als uiteindelijk tot het bittere einde sukkelende verliezers van deze interne ‘oorlog’; maar hoe? Hoe zouden we het zelfoffer van deze twee elementen  – kernfusie en zwaartekracht – in de strijd kunnen omschrijven? De quasi constante of toch niet van de neutronensterren. Een neutronenster is geen oneindige, altijddurende wet, maar ze belichaamt wel een oneindige, altijddurende stabiliteit als orde.

Een neutronenster als een bijna manifestatie van oneindige, altijddurende stabiliteit en orde; Hoe kan dat ?)

Philippe De Keukelaere

Even neutroniseren : andermaal of tweede maal !
 
‘My mistress’ eyes are nothing like the sun;
Coral is far more red than her lips’ red;
If snow be white, why then her breasts are dun;
If hairs be wires, black wires grow on her head.
I have seen roses damasked, red and white,
But no such roses see I in her cheeks;
And in some perfumes is there more delight
Than in the breath that from my mistress reeks.
I love to hear her speak, yet well I know
That music hath a far more pleasing sound;
I grant I never saw a goddess go;
My mistress when she walks treads on the ground.
And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.’
William Shakespeare, sonnet 130 (uit woke-voorzichtigheid, weer die slang in mij…, durf ik dit sonnet niet in het Nederlands te vertalen)
 
Aan mijn professor filosofie werd door een zeer stoute student in de les gevraagd waarom hij nooit de naam Sartre uitsprak.
Zijn antwoord was: ‘over broekventjes heb ik het niet in mijn les!’. Ik maak nu even een uitzondering als hij het mij even toestaat.
 
‘Het is zoals het stuk van Sartre, ‘Huit Clos’ waarin de drie personages opgesloten zitten in een kleine ruimte en elkaar kwellen. Zonder spiegels aan de wanden zien ze zichzelf alleen door de manier waarop de anderen naar hun kijken.’
Robert D. Kaplan, Het barre land, de permanente crisis waarin de wereld zich bevindt, 2025, 14
 
Nu laat ik grootmeester Shakespeare aan het woord:
‘Love looks not with the eyes, but with the mind;
And therefore is wing’d Cupid painted blind.’
A Midsummer Night’s Dream, Acte 1, Scène 1, 234 en 235 (Helena)
vrij vertaald
‘Liefde kijkt niet met de ogen, maar wat het hoofd ervan (blind door de verkeerde weerspiegelende herinterpretatie – verlangend mimetisch, vanuit een eigen zijnsverbeelding? – , eigen interpretatie…) maakt.
En daarom is de gevleugelde Cupido blind geschilderd.’​
 
‘O hell! to choose love by another’s eyes.’
A Midsummer Night’s Dream, Acte 1, Scène 1, 140 (Hermia)
Vertaling
‘O hel! Liefde te moeten kiezen door de ogen van een ander.’
Deze zin wordt uitgesproken door Hermia wanneer zij haar frustratie uit over het feit dat haar vader, Egeus, (weer die slechte, monsterlijke vader, bij Shakespeare overigens slechts kortstondig aanwezig in het begin, daarna verdwijnt hij vaak uit het toneel), bij wie zij haar hart niet kan ‘uitstorten’ – tijdelijke emotionele impulsen ? – , vroege romantiek ?) haar dwingt te trouwen met Demetrius, terwijl zij zelf verliefd is op Lysander.
Eigen gevoelens moeten altijd de absolute voorrang hebben. Hier stop ik uit woke-angst. Ik heb overigens nooit iemand verplicht een huwelijk aan te gaan!
Dante leert ons dat er in de hel verschillende niveaus zijn. De hel bestaat enkel en alleen op aarde, en niet erbuiten.
Ik zak nu met een speciale lift, voor een speciale operatie, nog dieper af in de aardse hel (ik wil het allemaal zien).
Even de grootmeester nabootsen:
‘O hell! to choose enmity by another’s eyes.’ (zo vertrek ik binnenkort ’ten oorlog’)
‘O hell! to hate what others bid me hate.’
‘O hell! to see through others’ eyes who I must call my foe (foe : vijand, in de zin van ‘tegenstander’).’
‘O hell! to choose hatred through another’s gaze.’
(uit woke voorzichtigheid vertaal ik dit niet!)
 
HET LICHT
VOORAFGAANDE OPMERKINGEN, EEN AANTAL VALKUILEN
 
Het is niet mijn bedoeling in een valkuil te belanden.
Voorafgaand wil ik dan ook wijzen op een aantal valkuilen met betrekking tot mijn hypothese.
Een eerste valkuil zou het verwekken van de indruk kunnen zijn dat het om een rationeel godsbewijs zou kunnen gaan. Anselmus van Canterbury schreef ‘Proslogion sive Alloquium de Dei, 1077 of 1078). Hij was een waardevolle filosoof; maar ik zal hem niet nabootsen.
Ik zal dus goed de voordeur van mijn huis sluiten, en de achterdeur, om te beletten dat een godheid heimelijk langs die achterdeur komt binnensluipen. Maar als hij als een spook door de muur binnenkomt, ja, daar kan ik dan ook niets aan doen (misschien mijn verzekeraar aanspreken, schade aan de muur ?)
Een tweede valkuil houdt verband met het religieus dogmatisme. Voor eenmaal niet dat van de katholieke kerk, maar het nog veel actueler dogmatisme van de communistische religie.
Het aanwijzen van een fenomeen zoals het communisme als een religie, impliceert dat er dogma’s moeten worden ontdekt. En die zijn er.
Ik zal het niet zozeer hebben over een eerste dogma, dat erin bestaat dat enkel de niet absolute gelijkheid, totaal op alle vlakken van alle mensen, een geweldloze samenleving in de weg staat (als ik over geweld durf te spreken dan is dit het absoluut argument dat van meet af aan iedere discussie uitsluit). We zijn daar nog allemaal stellig van overtuigd. In de communistische religie is dit een absolute waarheid dogma. Ben ik dan de enige mens op aarde die te sterke schouders heeft…als particulier, individuele afwijking?
Iedereen komt mij nu (dit is geen grap) te vertellen dat hij/zij/het enz… pijn heeft aan zijn schouders, alsof iedereen nu op die schouders een ondragelijke last zou moeten dragen. Ben ik dan de enige Atlas in deze wereld ?
De grootste klassevijand voor het huidig communisme (uiterst links) is niet meer de verpauperde ‘bourgeois’ – de middenstander – (die denkt wel nog rijk te zijn, maar is in werkelijkheid niets meer, ook die verpaupering is een meetkundige reeks, prachtig verwoord in de roman van Döblin ‘Alexanderplatz’, 1929), maar het individueel onopofferbaar (niet (communistisch) religieus) zelf (het biologisch organisch zelf, als individu).
Nog belangrijker en vervelender is een tweede absolute religieuze dogma van de communistische religie. Dit dogma heb ik ontdekt bij het lezen van een waardevolle publicatie – ik ben het niet met alles eens – van de Franse calvinist Jacques Ellul (die over het marxisme les gaf in Bordeaux.
Hij had mij uitgenodigd om zijn lessen over het marxisme te volgen, maar omwille van omstandigheden was dit niet mogelijk).
Het is een door de religieuzen van de communistische religie miskend dogma, maar een van de meest fundamentele. De communistische religie heeft de marxistische deterministische wetenschap tot een sacraal, heilig, absoluut dogma vereffend. Ten tijde van Marx was de kennis van het wetenschappelijk determinisme (en nog veel later was men erdoor verblind) enkel gekend door de Franse geleerde de La Place (hij had het als Fransman zeer hoog in zijn bol, maar dat is niet belangrijk. ( ‘Mécanique céleste’ en ‘Essai philosophique sur les probabilités’).
Laplace stelde dat als een intellect op een bepaald moment de positie en snelheid van alle deeltjes in het universum zou kennen, het zowel het verleden als de toekomst volledig zou kunnen berekenen.
In zijn woorden:​
‘Een verstand, dat op een gegeven ogenblik al de krachten zou kennen waardoor de natuur bezield wordt en de respectieve staat waarin de wezens die haar samenstellen zich bevinden, zou, indien het daarbij groot genoeg was om deze gegevens te analyseren, in één en dezelfde formule de bewegingen van de grootste lichamen van het heelal en die van het geringste atoom begrijpen: niets zou voor hem onzeker zijn en zowel toekomst als verleden zouden voor zijn ogen zichtbaar zijn…’ (J. Mertens, Determinisme en wetenschapskritiek in de natuurkunde, Streven 1939, 373, het tijdschrift werd gesticht door een jezuïet in 1933).
We zijn door deze unieke, allesomvattende wetenschappelijke waarheid nog allemaal (letterlijk) bezeten. Het is overigens mijn grootste bezwaar tegen het marxisme.
In dit verband is het interessant de reactie van de dogmatische, communistische religie en dat van Albert Einstein te vergelijken, nadat Werner Heisenberg, Erwin Schrödinger en Paul Dirac in de jaren twintig van vorige eeuw de mechanica herformuleerden in de vorm van een theorie die berustte op het ‘onzekerheidsprincipe’.
De communistische dogmatische waarheid fysica verwierp dit met klem, als de aanval van kapitalistische ‘bourgeois’ klassenvijanden.
Deze stelling geldt nog steeds bij uiterst links. Dogmatische religies brengen zeer simplistische, enkel eenduidige antwoorden op zeer complexe vragen. Mogelijk is dit de reden van het succes van uiterst links.
Maar ook Einstein verwierp dit met klem. Hij kon niet aanvaarden dat het universum door toeval zou kunnen beheerst worden. Zijn bekende uitspraak ‘God dobbelt niet’. (met betrekking tot deze uitspraak van Einstein : Stephen Hawking, Het Heelal, uitgave 2023, 82-83).
Een derde valkuil houdt verband met de methode die ik zal hanteren. Dit houdt verband met de richting waar ik naartoe wil. Mijn methode zal pogen te ontdekken waar de parameters in de kwantumfysica niet aan de ‘normale’ fysische verwachtingen voldoen. De vraag naar de ‘afwijkingen’ van fysiek gedrag is vaak nog onbeantwoord. Er zijn thans voldoende elementen bekend om gecombineerde vergelijkingen te kunnen maken, die in mijn psychologische stelling hanteerbaar zijn.
Het probleem is dat ik daardoor een aantal elementen in de kwantumfysica dien in te voegen, die er (en ik geef dit nu reeds toe) niet thuishoren. Men zou mijn stelling daardoor kunnen bestempelen als een ‘pantheïsme’, die de richting van de Frans ‘katholieke’ geleerde Theilard opgaat.
Het was de harde kritiek van de Franse calvinist Bernard Charbonneau op de stellingen van Teilhard. Het is een religieus debat dat in essentie als volgt kan samengevat worden. Voor een calvinist is de schepping na de zondeval totaal verworven. Enkel de voor de geboorte bepaalde goddelijke genade kan de mens redden. Als die er niet was, is de mens onvermijdelijk verdoemd.
Het is het determinisme van de calvinistische dubbele predestinatie. Ook het katholicisme hanteert de stelling van het totaal verderf door de zondeval, tenzij men zich tot de katholieke kerk bekeert. Dit is de hele spanning tussen reformatie en contrareformatie.
Teilhard ging er eigenlijk van uit (maar dat had met wetenschap niets te maken) dat in zeker opzicht heel de schepping zou ‘gered’ worden. Voor beide religies ondragelijk. Daardoor vergoddelijkte hij onrechtstreeks de schepping – wat ook zo is -, wat volkomen onaanvaardbaar was.
Mijn methode heeft daar niets mee te maken.
Het is deze van het ‘afwijkend’ gedrag van elementen ten aanzien van andere elementen.
Omdat ik wil nagaan of het interindividueel psychologisch gedrag van mensen beantwoordt aan de kwantummechanica introduceer ik een aantal begrippen in deze mechanica, dat van zelfoffer, dat van niet opofferbaarheid, dat van autonoom bewustzijn. Ik geef toe, dat dit ten aanzien van de materie schandalig is. Doe a.u.b. geen hartinfarct.
Ik leg geen rechtstreeks gecombineerd verband met de psychologie, enkel een spiegelverband, waardoor deze begrippen enkel tijdelijk worden gehanteerd. Iedereen kan ze, zo hij wil – bijvoorbeeld om gezondheidsredenen – eruit halen. Ik heb ze met andere woorden tijdelijk nodig om het verband te kunnen ontdekken.
Als voorbeeld (ik kom daar later op terug) geef ik met betrekking tot het zichtbaar licht de constante aan van het licht.
De snelheid van het licht in vacuüm (met betrekking tot de juiste betekenis en belang van dit begrip later) is, c =299.792.458m/s (afgerond – in Euro’s, grapje – 300.000 km/s) is een fundamentele constante in de natuurkunde. Ze komt voort uit de structuur van ruimte en tijd zelf (zoals beschreven in de relativiteitstheorie), niet alleen uit de eigenschappen van licht als elektromagnetische golf.
Wat betekent een fundamentele constante ? Dit betekent dat dit in fysisch vacuüm de snelheid – bij wijze van spreken tot in het oneindige – constant blijft. Dit wil concreet in mensentaal zeggen dat er geen snelheidsverlies is, of nog meer in die taal dat er geen vertraging is van snelheid.
Er is nog iets meer ‘eigenaardigs’ (rare kerel, dat licht ?) eigenlijk fundamenteler.
De constante c is eigenlijk een eigenschap van het vacuüm zelf, de maximale snelheid waarmee informatie of oorzaak-gevolgrelaties zich kunnen voortplanten in de ruimte.
Nog specialer (enkel voor specialisten).
Wat is fysische entropie ?
Entropie is in beginsel een maat voor wanorde of onzekerheid in een systeem, en neemt toe volgens de tweede hoofdwet van de thermodynamica in gesloten systemen (ik kom daar later op terug). Het is sterk verbonden met tijd en energie-uitwisselingen.
De vraag is of de constante c onderhevig is aan entropie ?
Gelooft u mij of niet maar de lichtsnelheid van het licht in vacuüm is niet afhankelijk van entropie. Ze verandert niet, ongeacht hoe rommelig, warm of koud het heelal wordt.
Zelfs in een heelal met maximale entropie (hitte-dood), blijft c (dat zich herhaald) onveranderd zolang ruimte en tijd bestaan.
Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met Het Licht, mijn vier parameters)
 
Even neutroniseren.
 
BEANTWOORDEN DE INTERMENSELIJKE RELATIES AAN DE WETTEN VAN DE KWANTUMFYSICA ?
 
“Als Gregor Samsa eines Morgens aus unruhigen Träumen erwachte, fand er sich in seinem Bett zu einem ungeheueren Ungeziefer verwandelt. Er lag auf seinem panzerartig harten Rücken und sah, wenn er den Kopf ein wenig hob, seinen gewölbten, braunen, von bogenförmigen Versteifungen geteilten Bauch, auf dessen Höhe sich die Bettdecke, zum gänzlichen Niedergleiten bereit, kaum noch erhalten konnte. Seine vielen, im Vergleich zu seinem sonstigen Umfang kläglich dünnen Beine flimmerten ihm hilflos vor den Augen.”
Franz Kafka, Die Verwandlung, eerst gepubliceerd in oktober 1915 in het tijdschrift Die weißen Blätter, 1177, tweede jaargang, nummer 10.
 
vertaling:
 
“Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een reusachtig insect was veranderd. Hij lag op zijn pantserachtig harde rug en zag, als hij zijn hoofd een beetje hief, zijn gewelfde, bruine buik, verdeeld door boogvormige verhogingen, waarop het dekbed, dat op het punt stond volledig af te glijden, zich nauwelijks nog kon vasthouden. Zijn vele, in verhouding tot zijn verdere omvang jammerlijk dunne benen fladderden hulpeloos voor zijn ogen.”
 
Kafka ontdekte de premimetische waarneming van de vertekende werkelijkheid in verhouding tot innerlijke angst, die het vervreemdingsmechanisme als lichamelijke mutatiemogelijkheid ten aanzien van de werkelijkheid (bij Kafka op monsterlijke wijze) vermeerdert. De verhouding tussen de vervreemding door het zelfoffer in functie van een onjuist, illusoir uiterlijk meerzijn.
 
“We veronderstellen daarbij dat een neutron, in golfvorm, in twee wordt gesplitst door een spiegel die evenveel van de golf weerkaatst als hij doorlaat. De twee resulterende quantumgolven volgen een verschillend pad naar een scherm. Het ene loopt parallel met de grond en dan omhoog, en het andere gaat eerst omhoog en daarna parallel met de grond. Elk pad vormt als het ware twee zijden van een rechthoek. De golven lopen synchroon weg van de spiegel, maar door de zwaartekracht gaat de golf die laag bij de grond loopt langzamer. De toppen ervan komen net iets later toe dan die van de golf op het hogere pad. Het verticale segment heeft bij beide golven hetzelfde effect. Het resultaat is quantuminterferentie, die enkel en alleen wordt veroorzaakt door de kromming van ruimtetijd.”
Nick Huggett en Carlo Rovelli, Heeft de zwaartekracht een quantumaard? Quantumruimtetijd. Kunnen we het voor elkaar krijgen te testen of ruimte en tijd quantumregels volgen, In EOS wetenschap, Quantumrevolutie, speciaal 2025, 118. Engelstalige versie in Scientific American.
 
Kunnen we de zwaartekracht kwantiseren ?
 
Dit is één van de kernvragen in de hedendaagse fundamentele fysica.
 
De quantummechanica beschrijft het gedrag van deeltjes en velden op microschaal (atomen, elektronen, fotonen…).
 
De algemene relativiteit beschrijft zwaartekracht als kromming van de ruimtetijd, en werkt perfect op macroschaal (planeten, sterrenstelsels…).
Het grote probleem: deze twee theorieën zijn niet compatibel. Je kunt ze niet zomaar combineren zonder tegenstrijdigheden.
Daarom zoekt men naar een theorie van quantumzwaartekracht, die zwaartekracht beschrijft binnen het raamwerk van de kwantummechanica.
 
Hierbij speelt een centrale quantumidee een rol :
– materie is noch puur een deeltje, noch puur een golf, maar iets daartussen, met dualistische eigenschappen.
 
“Neutrino’s zijn vergeten reizigers door het heelal die het pad kiezen van de stilte. Ze laten alles ongemoeid, en worden zelf zelden beïnvloed. Ze offeren zichzelf niet op, omdat ze niet botsen (zwakke of zachte interactie) en daardoor zelden de kans krijgen om hun zelf over te dragen.”
PHDK
 
“Maar pas op, als u ooit uw antizelf tegenkomt, geef elkaar geen hand! Beiden zouden in een grote lichtflits oplossen.”
Grapje van Stephen Hawking, Het heelal, van de oerknal tot ver voorbij nu, uitgave 2023, 98.
 
INLEIDING
 
Mijn enige bedoeling is een hypothese te formuleren. Mijn hypothese kan juist zijn of niet. Iedere hypothese moet worden getoetst aan zijn voorspellingsgraad, die door waarnemingen kunnen ontkracht of gelogenstraft worden (Karl Popper).
 
De organische biologische evolutionaire mogelijkheid die aan iedere mens wordt aangeboden is niet enkel een biologische rem ten aanzien van het geweld, maar een onuitputtelijke, lichte, zachte, zich spiegelende bron van psychische stabiliteit voor iedereen.
 
Vraag is of deze psychische stabiliteit zou kunnen werken in onze relatie tot de anderen? Meer in het bijzonder of deze relatie zou kunnen beantwoorden aan de wetten van de kwantummechanica?
 
Ik herneem het uitgangspunt van mijn hypothese.
We nemen de discontinue werkelijkheid niet waar zoals ze is. De spiegelneuronen van onze hersenen produceren proactief een reeks continue weerspiegelingen van de werkelijkheid. Deze weerspiegelingen van de werkelijkheid worden door onze spiegelneuronen geïnitieerd, waarbij de discontinuïteit als een continuïteit wordt geïnterpreteerd.
Hetzelfde doet zich voor bij het waarnemen van de ander. Op dezelfde wijze als de werkelijkheid weerspiegelt de ander in mijn zelf zich als een verlies voor en van mijn zelf.
Eigenlijk neem ik de ander waar als het spiegelbeeld van mijn verminderd zelf, als een verminderd illusoir zijn. Dit is een onjuiste waarneming. Om mijn psychisch evenwicht, mijn interne stabiliteit te herstellen ontwikkelt er zich een negatieve reactantie (Jacqueline (Jacqui) Beck, in Cognitive therapy of anxiety disorders: Science and practice, David A. Clark & Aaron T. Beck – met bijdragen van Jacqueline Beck- , 2010), of negatieve feed-back. Het herstellen van mijn psychisch evenwicht bij het waarnemen van de ander geeft aanleiding tot een op omgekeerde evenredige wijze verhouding tussen het opofferen van mijn zelf (mijn zelfoffer) in functie van het vermeerderen van mijn zijn. Als mijn meerzijn verdubbelt, halveer ik mijn zelf. Essentieel in deze zaak is dat alles zich in relatie tot de ander afspeelt. Het is net omdat ik het zelf van de ander als een weerspiegeling van mijn zelf proactief waarneem, dat het fenomeen zich wederzijds voordoet.
 
Het illusoir waargenomen zelf als mijn minderzijn dan de ander doet mijn verlangen ontstaan om te zijn, te worden als die ander en hem te overtreffen. Eigenlijk moet ik telkens een onterecht waargenomen verlies compenseren door een overwinning. Dit hoeft niet altijd in een wederzijdse gewelddadige rivaliteit uit te monden. De mimetische rivaliteit is een zijnsrivaliteit, die ontstaat uit het zelfoffer ingevolge de onjuiste spiegelwaarneming van het zelf van de ander. (1)
Het aanwijzen van de ander als mijn vijand, impliceert altijd eerst het offer van mijn eigen individueel zelf. Het is maar vanuit het offer van mijn zelf als negatieve reactantie (in de psychologische betekenis van het woord) dat ik een ander als vijand kan aanwijzen. Dit is een evolutionair, biologisch, organisch menselijk mechanisme. Een evolutionaire constante.
 
Belangrijk is de ontdekking dat dit in de eerste plaats een individueel fenomeen is in de inter-individuele relaties.
 
Speelt de groep dan geen rol ?
Wat maken we nu met de groepen mee ?
 
We vertrekken vanuit de wiskunde met betrekking tot het fenomeen van de meetkundige reeks.
Een meetkundige reeks (of meetkundige rij, in het Nederlands soms ook genoemd als ‘geometrische rij/reeks’) is een wiskundige reeks waarin elk volgend getal ontstaat door het vorige te vermenigvuldigen met een vast getal, dat we de reden (of ratio) noemen.
bijvoorbeeld:
a, a·r, a·r², a·r³, …, a·rⁿ
waarbij:
a, het eerste getal is,
r, de reden (ratio) is (een vast vermenigvuldigingsgetal),
n, het aantal termen aangeeft.
Neem a = 2 en r = 3→ de meetkundige rij is: 2, 6, 18, 54, 162, …(steeds maal 3)
 
Ten aanzien van de groepsvorming is het voormeld psychisch fenomeen geen rij (vast vermenigvuldiginspatroon), maar een reeks (eigenlijk een zich hernieuwende optelling van die getallen).
Dit betekent dat er in voorkomend geval geen limietsom kan ontstaan ten aanzien van de verhouding zelfoffer ten aanzien van het groepsmeerzijnsverlangen.
Wat we bij het individu waarnemen heeft een explosief effect bij de groep of het volk; ik dien er nu reeds op te wijzen dat het volk niettemin zijn onopofferbaar zelf kan behouden, zoals blijkt uit de (weliswaar in de tijd beperkte) ‘collectieve psychische constante’ van de Vlaamse schilderkunst.
 
De vraag is of mijn waarneming vanuit de psychologie wetenschappelijk kan geobjectiveerd worden. Een psychologische benadering biedt niet enkel het voordeel het individueel perspectief (in relatie tot…) als uitgangspunt te kunnen nemen, maar stelt ons eveneens in staat een raakpunt te ontdekken tussen de waarneming, en de mogelijkheid om deze waarneming te objectiveren.
Kan men met andere woorden de tegenstelling tussen het gewelddadig zelfoffer ten aanzien van het zachte zich spiegelende zelf objectiveren ?
 
Ik onderzoek drie organische evolutionaire fenomenen (twee vanaf het ontstaan van het heelal), het licht (a), de neutrino’s (b) en het zachte spiegelzelf (c) bij de mens aan de hand van de vier volgende parameters :
– de snelheid van de fenomenen (I)
– de energiestabiliteit versus het energieverlies (II)
– de aard van de energiebron (III)
– de obstakelinsentiteit (weerstanden) van de fenomenen (IV)
Ik zal mijn hypothetisch model opbouwen aan de hand van een vergelijkende combinatie van het ‘gedrag’ van het lichte en de neutrino’s.
Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : Het licht)

(1)  Bij het lezen van de waardevolle commentator van René Girard, de Franse psychiater Jean-Michel Oughourlian (CET AUTRE QUI M’OBSÈDE, 2017) ontdekken we de moeilijkheid om een eenvormig uitgangspunt te vinden als men meteen het mimetisch verlangen vooropstelt. Hij dient meteen het uitgangspunt in vier deelelementen onder te verdelen (imiter le paraître, imiter l’avoir, imiter l’être, imiter le désir, 21 – 32). In deze zeer waardevolle benadering, ontbreekt echter het onderzoek naar het ontstaan zelf van het verlangen bij de mens.

 
 
DE WERKELIJKHEID EN ENKEL DE WERKELIJKHEID
 
“Io giudico bene questo, che è meglio essere impetuoso che rispettivo: perché la fortuna è donna;…”
Niccolò Machiavelli, Il Principe, hoofdstuk XXV ‘Quanto può la fortuna nelle cose umane, e in che modo se le possa resistere’, 1532.
vertaling :
“Ik ben van mening dat het beter is om onstuimig te zijn dan terughoudend, want fortuna is een vrouw, .. “ , het einde van de tekst heb ik uit woke-voorzichtigheid (als voorzichte slang) gecencureerd.
De weerlegging van de nog steeds actuele Franse slogan ‘la guerre fraiche et joyeuse’ (zeg maar : de zo gezellige oorlog) uit 1914.
DE BETEKENIS VAN DE OORLOGSGOD EN HET ‘FRIKTIONSPRINCIP’ BIJ GENERAAL CARL VON CLAUSEWITZ (Vom Kriege)
DE OORLOGSGOD
Clausewitz verwijst slechts twee maal naar de oorlogsgod in zijn werk ‘Vom Kriege’
Bij Clausewitz symboliseert de ‘Kriegsgott’ de onverbiddelijke en veeleisende aard van de oorlog zelf, een kracht die fouten niet vergeeft, en die elke vorm van gemakzucht, halfslachtigheid of diplomatiek toneelspel direct bestraft.
Clausewitz gebruikt de term ‘Kriegsgott’ als een retorisch beeld voor de oorlog zelf, een meedogenloze, allesoverheersende kracht die geen ruimte laat voor middelmatigheid, voorzichtigheid of oppervlakkige strategie. In Napoleon herkende hij deze oorlogsgod als menselijke belichaming; in andere contexten personifieert het de strenge wetten en risico’s van echte oorlogvoering.
Clausewitz ziet oorlog niet als een rationele, meetbare activiteit, maar als een complex fenomeen dat wordt gedomineerd door passie, toeval en politiek. Deze drie-eenheid vormt de kern van zijn analyse.
De ‘oorlogsgod’ kan men interpreteren als deze onvoorspelbare, overweldigende kracht van de oorlog zelf, die menselijke controle en rationaliteit vaak overstijgt.
Clausewitz introduceert in dit verband het beroemde concept van de ‘fog of war’ (in het Duits: ‘Kriegsnebel’). Hiermee bedoelt hij de fundamentele onzekerheid, onvolledige informatie en mispercepties die inherent zijn aan oorlog.
Hij stelt dat ‘oorlog het domein van de onzekerheid is; driekwart van de factoren waarop actie in oorlog is gebaseerd, is gehuld in een nevel van grotere of mindere onzekerheid.’
Deze ‘mist’ staat voor het gebrek aan helderheid over de situatie van de vijand, de eigen troepen, het terrein en zelfs de eigen intenties. Het maakt rationele besluitvorming extreem moeilijk.
De ‘oorlogsgod’ creëert de ‘mist’: De inherente aard van oorlog, met zijn passies, toeval en complexe interacties en leidt onvermijdelijk tot onzekerheid en een gebrek aan helderheid. De onvoorspelbaarheid van de oorlog zelf werpt een “mist” over het slagveld.
De ‘mist’ versterkt de kracht van de ‘oorlogsgod’. De onzekerheid en het gebrek aan informatie die de ‘fog of war’ veroorzaken, vergroten de rol van het toeval en maken het moeilijker om de oorlog rationeel te beheersen. Dit benadrukt de onvoorspelbare en soms overweldigende aard van oorlog, de ‘kracht’ van de ‘oorlogsgod’.
Die oorlogsgod brengt met andere woorden duisternis (Kriegsnebel).
Ofschoon von Clausewitz niet rechtstreeks betrokken was bij de slag bij Austerlitz van 2 december 1805 kan men aannemen dat hij het door het analyseren van deze slag en de zeer grote tactische fout van de geallieerden de term ‘Kriegsnebel’ gebruikt.
Het is generaal Michail Koetoezov die meerdere malen verwees naar deze ‘grote tactische vergissing’, voor, en tot bij de aanvang van de slag.
Ofschoon Koetoezov formeel de leiding had over alle geallieerde troepen, heeft men hem verplicht een andere strategische keuze te maken dan wat hij voorgehouden had.
Koetoezov ging ervan uit dat men de Pratzen-hoogte (Pratecké návrší) niet mocht verlaten. Tot het laatste weigerde Koetoezov deze heuvel hoogte te verlaten, maar men dwong hem ertoe.
Men dacht ten onrechte dat door in de vallei de rechterflank van Napoleon aan te vallen men de slag zou winnen.
Wat was het strategisch belang van de Pratzen-hoogte ?
Dominant terrein
De Pratzen-hoogte was een centraal gelegen heuvelrug die een uitstekend uitzicht bood over een groot deel van het slagveld. Het bezit van deze hoogte gaf een aanzienlijk tactisch voordeel.
Overzicht
De geallieerden konden de bewegingen van de Franse troepen goed observeren.
Artilleriepositie
De hoogte was een ideale positie voor het plaatsen van artillerie, vanwaar ze een groot deel van het Franse leger onder vuur konden nemen.
Verdedigingspositie
De hellingen van de hoogte vormden een natuurlijke verdedigingslinie.
Centrale positie
De hoogte lag in het hart van de geallieerde opstelling. Het behouden ervan zou de geallieerden in staat hebben gesteld om snel troepen te verplaatsen naar bedreigde sectoren.
Het geallieerde aanvalsplan en de fatale vergissing.
Het plan
Het geallieerde aanvalsplan, sterk beïnvloed door de jonge en toen onervaren tsaar Alexander I en de Oostenrijkse stafchef Weyrother, was gericht op het omtrekken van Napoleons rechterflank. Ze geloofden dat Napoleons rechtervleugel zwak was en wilden deze overweldigen om vervolgens zijn hoofdmacht in de rug aan te vallen.
De fatale beweging
Om deze omtrekkende beweging uit te voeren, moesten de geallieerde troepen een groot deel van hun centrum en de linkerflank verzwakken door troepen van de Pratzen-hoogte naar beneden te trekken, de beek Goldbach over, en de vallei in.
De kritiek van Koetoezov
Voorbehoud
De ervaren generaal Michail Koetoezov, de formele bevelhebber van het geallieerde leger (hoewel zijn autoriteit vaak werd ondermijnd door de tsaar en Weyrother), had grote bedenkingen bij dit aanvalsplan. Hij pleitte voor een meer defensieve houding, het uitlokken van een aanval van Napoleon op hun sterke posities, en het wachten op versterkingen (opnieuw geen oorlogsenthoesiasme maar geduld !, en zij waren toch zo gehaast…)
Verwijzingen naar de fout
Koetoezov waarschuwde herhaaldelijk voor het verzwakken van het centrum en het verlaten van de Pratzen-hoogte. Volgens ooggetuigen en latere analyses zou hij meermaals hebben gewezen op het strategische belang van de hoogte en de gevaren van het ongeduldig naar de vallei trekken. Hij begreep dat dit Napoleon een uitgelezen kans zou geven om het verzwakte centrum (met zijn cavalerie) aan te vallen en het geallieerde leger in tweeën te splitsen.
De gevolgen van de vergissing
Napoleon’s reactie
Napoleon, die de geallieerde bewegingen nauwlettend in de gaten hield, zag onmiddellijk de kans die zich voordeed. Hij had opzettelijk zijn rechterflank wat zwakker laten lijken om de geallieerden tot deze overhaaste aanval te verleiden (de grote list).
De beslissende aanval
Zodra de geallieerde troepen massaal de Pratzen-hoogte verlieten, lanceerde Napoleon een krachtige aanval op het nu vrijwel onverdedigde centrum met het korps van maarschalk Soult.
Doorbraak en omsingeling
De Franse aanval brak door het geallieerde centrum, waardoor het geallieerde leger in tweeën werd gesplitst. De troepen die de rechterflank van Napoleon aanvielen, raakten nu zelf geïsoleerd en werden van hun communicatielijnen afgesneden.
Geallieerde nederlaag
De geallieerden leden een verpletterende nederlaag. De tactische fout van het verlaten van de Pratzen-hoogte was een cruciale factor in deze desastreuze afloop.
Koetoezov schrijft dat de geallieerden overtuigd waren dat de ochtendmist in de valei een pluspunt zou zijn. De Fransen zouden ze niet zien aankomen. Maar als ze toekwamen stonden de Fransen er al. Het waren de geallieerden die de Fransen niet hadden gezien. Ofschoon Koetoezov het bij het rechte eind had, werd hem de nederlaag in de schoenen geschoven door zijn rivalen in eigen rangen.
De oorlogsgod (die we met zijn allen nu aanbidden en verheerlijken) spuwt mist en brengt duisternis.
DE NOODLOT GOD
Hij heeft een nauwe band met de noodlotgod, die generaal von Clausewitz probeert te rationaliseren door het gebruik van de term ‘Friktion’.
Een van de belangrijkste concepten in Carl von Clausewitz’ Vom Kriege (1832) is het Friktionsprinzip , de onvermijdelijke wrijving tussen militaire theorie en praktijk. Clausewitz definieert frictie als het ‘verschil tussen oorlog op papier en oorlog in werkelijkheid’, waarbij zelfs eenvoudige handelingen moeilijk worden door een opeenstapeling van onvoorziene obstakels. ‘Alles im Kriege ist einfach, aber das Einfachste ist schwierig,’ stelt hij, en vervolgt: ‘Diese Schwierigkeiten häufen sich und erzeugen eine Friktion, die man sich kaum vorstellen kann, wenn man sie nicht selbst erlebt hat’ (Clausewitz, 1980, p. 119). Onder frictie rekent hij uiteenlopende elementen zoals menselijke fouten, logistieke problemen, gebrekkige communicatie, vermoeidheid, angst, weersomstandigheden en het toeval (Zufall).
Dit inzicht had een grote invloed op latere militaire denkers. De Britse strateeg J.F.C. Fuller beschouwde Clausewitz’ frictie als een vorm van ‘operationele onzekerheid’ en verbond het met het concept van situational awareness in moderne oorlogsvoering (Fuller, 1926). In de twintigste eeuw werd Clausewitz’ Friktion vaak geassocieerd met het inmiddels wijdverspreide begrip fog of war, een term die werd gepopulariseerd door Helmuth von Moltke der Ältere, die stelde: ‘Kein Operationsplan reicht mit einiger Sicherheit über das erste Zusammentreffen mit der feindlichen Hauptmacht hinaus’ (Moltke, 1880). Deze gedachtegang bevestigt de overtuiging van Clausewitz dat geen plan de eerste confrontatie met de vijand overleeft (zeer actueel).
De relevantie van het Friktionsprinzip is door de opkomst van digitale en technologische oorlogsvoering niet verdwenen, maar juist versterkt. Ondanks satellieten, drones en algoritmische besluitvorming blijft oorlog een menselijke en chaotische aangelegenheid. Zoals de militair theoreticus Martin van Creveld stelt in Command in War (1985), creëren zelfs geavanceerde commandosystemen nieuwe vormen van frictie: overbelasting van informatie, vertraging in besluitvorming en nieuwe kwetsbaarheden (typisch voor Europa).
Het ‘Friktionsprinzip’ blijft zodoende niet alleen een historische observatie, maar vormt ook een blijvende waarschuwing: elke militaire operatie – hoe technologisch gesofisticeerd ook – blijft onderhevig aan menselijke beperkingen, toeval en chaos. Het benadrukt het belang van intuïtie, flexibiliteit en ervaring in het militaire leiderschap, en bevestigt de bredere visie van Clausewitz met betrekking tot de oorlog als een onvoorspelbare strijd tussen wil, rede en toeval.
Clausewitz, C. von. (1980). Vom Kriege (W. Hahlweg, Ed.). Bonn: Ferd. Dümmlers Verlag. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd in 1832)
Fuller, J. F. C. (1926). The Foundations of the Science of War. London: Hutchinson & Co.
Moltke, H. von. (1880). Militärische Werke. Berlin: Ernst Siegfried Mittler und Sohn.
Van Creveld, M. (1985). Command in War. Cambridge, MA: Harvard University Press.
Philippe de Keukelaere

James Ensor : het duel.

Links onder de kleine parasol James Ensor.

NOOD AAN POLITIEKE EN MILITAIRE KATABASIS

« Pour rappel, les stimulations de conflit nucléaire entre le bloc occidental et la Russie (et/ou la Chine) indiquent quel serai le pays rayé de la carte en premier, et serait le seul à l’être en entièrement dévasté  : la Belgique. »

Stéphane Baele, L’Europe ne doit pas envoyer de forces de maintien de la paix en Ukraine, La Libre, 29-30 maart 2025, 36 -37.

vertaling

“Ter herinnering, simulaties van een nucleair conflict tussen het westerse blok en Rusland (en/of China) geven aan welk land als eerste van de kaart zou worden geveegd en als enige volledig verwoest zou worden: België.”

«Прежде дай мне разум, нежели врагов»

Inscriptie op het graf van Prins Mikhaïl Illarionovitch Koetoezov

vertaling

“Eerder dan vijanden, geef mij wijsheid”

Het Russisch woord “разум” in de zin kan zowel ‘verstand’ als ‘rede’ betekenen, maar in deze context wordt het vaak vertaald als ‘wijsheid.’

«Ласковое слово и камень точит.»

Russisch spreekwoord

vertaling

“Een zachtaardig woord slijpt zelfs een steen.”

DE ONOPOFFERBAARHEID VAN DE ZACHTE ZELFSPIEGEL IN IEDER INDIVIDU

ZACHTE TAAL EN VREDE  

INLEIDING

We kennen de bekende uitdrukking: ‘geen woorden maar daden’.

In de internationale politieke context betekent dit, dat men niet te veel moet ‘palaveren’, maar ‘maatregelen’ nemen, ‘daden’ moet stellen.

Is de werkelijkheid zo eenvoudig?

Kan men de werkelijkheid herleiden tot dit dilemma.

Ik herhaal mijn uitgangspunt. We nemen de werkelijkheid niet waar zoals ze is. We kunnen kort door de bocht stellen dat dieren een biologische geweldrem hebben binnen hun soort (er zijn heel wat uitzonderingen).

Deze geweldrem bij de dieren heeft zijn effect op het einde van een proces, vaak een tweegevecht, waarbij het overwonnen dier zich ‘juist op tijd’ onderwerpt aan het overheersend dier, wat het einde betekent van de strijd.

Er zijn mooie beelden van het leren door moeder wolvin aan de welpen, hoe ze zich moeten ‘onderwerpen’. Het is een biologische mogelijkheid, ja, maar het moet aangeleerd worden.

Zo kan de wolf, als hij volwassen is, bij een dergelijk gevecht de evolutionair biologisch ingeschreven keuze maken die zijn leven redt. We stellen immers vast dat ook in het dierenrijk (binnen de soort) soms ‘tot het uiterste’, ‘het vermoorden van de tegenstander’ wordt gevochten. Ik geef drie voorbeelden:

De mannelijke stekelbaars (Gasterosteus aculeatus) tijdens het broedseizoen. Mannetjes worden extreem territoriaal en kunnen hevige gevechten aangaan waarbij ze elkaar ernstig verwonden of zelfs doden.

Een ander bekend voorbeeld is de mantisbidsprinkhaan (Stomatopod), een agressieve roofzuchtige kreeftachtige. Sommige soorten, zoals de smasher mantis shrimp, vechten met hun extreem snelle en krachtige klappen, wat soms leidt tot de dood van een rivaal.

Zelfs herten (Cervidae), zoals edelherten, kunnen in gevechten om vrouwtjes zulke ernstige verwondingen oplopen dat een van de vechters sterft.

Deze tegenvoorbeelden tonen aan dat er twee keuzemogelijkheden zijn, en de evolutionaire rem bij dieren geen automatisme is.

Ook de mens heeft een biologisch ingeschreven rem ten aanzien van het geweld. Deze rem is (overigens zoals bij de dieren) individueel. Maar in tegenstelling tot de dieren werkt het organisch systeem evolutionair anders bij de mens dan bij de dieren. Bij de mens geldt de keuzemogelijkheid (die ook aangeleerd moet worden) niet op het einde van het proces, maar bij de aanvang.

Omdat ik de werkelijkheid niet waarneem zoals ze is, neem ik het zelf van de ander proactief waar als mijn eigen zelf. Proactief betekent dat mijn hersenmodel van de waarneming van die ander mijn werkelijke waarneming voorafgaat. Door dit proactief waarnemingsmodel van de ander, neem ik hem op onjuiste wijze waar als een eigen zelfverlies, dat waargenomen wordt als een zijnsverlies. In deze eerste stap is er nog geen rivalitair verlangen aanwezig, verlangen dat pas later aan bod komt. Het is in deze fase dat de biologische rem ten aanzien van het geweld kan ingezet worden. De mens heeft de mogelijkheid zijn biologische spiegelneuronen aan te wenden om terug te keren (het is een stap terug, wat het bij de dieren ook is, maar op een andere wijze), om een ommekeer te doen door middel van het zich zachte spiegelend zelf als zelfbewustzijn. Deze weg wordt uiterst zelden of nooit bewandeld. Het is niet omdat men een weg nooit betreedt dat hij evolutionair, biologisch niet zou bestaan. Misschien moeten we hem nog ontdekken?

De andere weg is bekend. Ik neem de ander (mijn reëel of imaginair model) waar als mijn zijnsverlies, een zijnstekort dat ik enkel kan compenseren door het steeds meer opofferen van mijn eigen zelf (offer dat het verlangen voorafgaat). Omdat ik de ander evolutionair onjuist  waarneem als mijn zelf is het opofferen van die ander het opofferen van mijn eigen zelf, om mijn zijnsverlies te compenseren door een meerzijn. Hier ontspringt het rivalitair verlangen, dat niet altijd gewelddadig hoeft te zijn, maar het vaak is.

Zo wordt de ander mijn welgekomen offeraar en ik zijn welgekomen offeraar, omdat het proces wederkerig is. Er zijn twee wegen. De weg van het zelfbewustzijn en de weg van het sacraal zelfoffer. Het is voor die keuze dat de mensheid nu staat om als mensheid te overleven. Het gaat om een biologisch, organisch evolutionair proces dat ons het grootste en mooiste geschenk ter wereld aanbiedt, ons zacht zich spiegelende zelf als zelfbewustzijn.

Ik geef een voorbeeld (het is maar een voorbeeld) uit de geschiedenis. Het fundament van grote namen uit de nationaalsocialistische religie, Hitler, Goering, Röhm, de verknochte antisemiet Streicher, was hun zelfofferervaring uit de eerste wereldoorlog. (Laurence Rees, The Nazi Mind, 2025 en Luit. Kol. Dave Grossman, On Killing: The Psychological Cost of Learning to Kill in War and Society, 2014).

Het drama was dat Duitsland, niettegenstaande de immense zelfoffers de oorlog verloren had. Dit betekent nog niet dat we a priori moeten stellen dat wie een oorlog verliest daardoor ‘schuldig’ is. Dit moet verder onderzocht worden.

Eens men de weg van het zelfoffer inslaat en de evolutionaire beloning van het meerzijn – lebensraum – (een collectief meerzijn) er niet gekomen is (of nog slechter, het een verlies aan lebensraum is geworden), kan men enkel blijven zelfofferen tot het einde, totdat alles is vernietigd. Dit is de kern van de nationaalsocialistische religie.

Het unieke van de Shoah is de perceptie door de nationaalsocialistische religie van de mogelijkheid van een andere evolutionaire weg. De reactie liet niet op zich wachten. In de Shoah was de zondebok geen gewone zondebok, maar een ongekende, extreme vorm van het vernietigen van de mogelijkheid van de zachte zelfspiegel in functie van het nationaalsocialistisch meerzijn. Geen enkel volk is volmaakt – het mijne nog in het minst -, en de bekoring van meerzijnsverlangen is bij ieder individu aanwezig. Het gaat hier echter over de wijze waarop de nationaalsocialistische religie een volk heeft gepercipieerd, in functie van de uitsluitende keuze voor de eigen zelfofferweg, tot het meest extreme geweld. Uiterst links (de communistische religie) doet op dit ogenblik in Europa – vooral in Frankrijk – een gelijkaardige keuze, als dat de nationaalsocialisten deden.

HET BELANG VAN DE ONBESTAANDE ZACHTE INTERNATIONALE POLITIEKE TAAL 

Het internationaal politiek taalgebruik functioneert ten aanzien van onze hersenen niet op dezelfde wijze als ander taalgebruik. Het economische taalgebruik, waarbij ik met zeer veel moeite probeer mijn schitterende producten te verkopen is anders dan het internationaal politiek taalgebruik. Onze hersenen werken niet op dezelfde wijze ten aanzien van mijn uitgangspunt.

Bij politiek taalgebruik gaan onze hersenen proactief veel sterker categoriseren. Het zou een van de redenen kunnen zijn waarom politieke extremen vaak succes hebben.

Ik wil hier niemand kwetsen, te meer omdat het een zeer complex fenomeen is. Maar dit sterker categoriseren in onze hersenen leidt tot het vormen van religieuze stereotypen.

Ik geef een eenvoudig voorbeeld. Als de Franse president Macron het over Rusland heeft, huiver ik. Oekraïne heeft met Rusland niets te maken, maar dan ook niets. Het gaat om president Poetin en zijn omgeving. Als België ongevraagd – niet door de president van de Verenigde Staten en niet door de president van Rusland – (soms hebben we ook een dikke nek) een brandend verlangen heeft om troepen naar het slagveld te sturen, dan is het ook niet België die dit beslist, maar een paar verhitte mensen. Andere landen zijn wijzer. Bij het lezen van de correspondentie van generaal Koetoezov (hij heeft geen ‘memoires’ geschreven) heb ik geleerd hoe belangrijk, maar hoe moeilijk het is geduld uitoefenen bij oorlogsvoering (wat men hem vaak ten kwade heeft genomen). Het mooiste voorbeeld is de eerste wereldoorlog.

Dit brandend verlangen internationaal meer te zijn, wordt in eerste instantie verwoord door een ongekende hard taalgebruik om te categoriseren en te stereotyperen. Ik zal president Poetin en zijn omgeving als voorbeeld nemen. Regelmatig verwijzen zij naar de absolute noodzaak van het totaal zelfofferen, de totale zelfvernietiging. Nog bij de inhuldiging van de nucleaire duikboot met de allerlaatste raket aan boord, de ‘zikon’ raket. Het enige wat in dit taalgebruik telt is het totaal vernietigen van de offeraar als een ultieme smeekbede om zelf totaal opgeofferd te worden (want het proces is wederzijds, het is het postmoderne ‘boemenrangfenomeen’).

Bij Poetin komt het rationeel over, maar zijn taalgebruik zit door middel van het hanteren van stereotypen totaal verankerd in de sacraliteit van het zelfoffer van de orthodoxe religie en de communistische religie.

Geen enkel eigen volk vraagt zo een taal. Het volk vraagt de zachte taal van het zachte zich spiegelende zelf als zelfbewustzijn. Geen bestendige, onnodige met stereotypen gesmede oorlogstaal, om iedereen aan te zetten en te dwingen tot het zelfoffer en de zelfvernietiging.

Philippe De Keukelaere

DRINGEND BERICHT

IN HET BEGIN WAS HET WOORD. EN HET LICHT VAN DE NIET OPOFFERING (de diplomatie) SCHEEN IN DE DUISTERNIS VAN DE GEDWONGEN (miljoenen) MENSENOFFERS ALS ZELFOFFERS (de oorlog). MEN ZOU GAAN DENKEN DAT ER EEN GROTE OFFERAAR (een kwelduivel?) WERKELIJK BESTAAT?

IS VREDE MOGELIJK IN OEKRAÏNE?

VREDE KAN ENKEL ALS EUROPA BIJ DE ONDERHANDELINGEN BETROKKEN WORDT

EEN CONCREET VOORSTEL. KAN DE DIPLOMATIE ONS ‘ONTOFFEREN’?

Zoals ik al geschreven heb, ligt de troefkaart in dit zeer gewelddadig conflict (wat inmiddels algemeen bekend is, aantal doden aan beide kanten, stapels rottende lijken enz.) in handen van president Poetin (de man die het geweld ‘ontketend’ heeft). We mogen wat dit betreft, niet naïef zijn. Er is dan ook niets mis met het zich verdedigen en herbewapenen. Maar ook hier mogen we niet historisch naïef zijn, en redeneren vanuit het voorgaande conflict (typisch Frans), de koude oorlog.

Er zijn twee realistische opties. De eerste realistische optie is doorvechten tot het extreme uiterste van de totaaldestructie van de twee kampen (alles in een nihilistische zelfofferbuien vernietigen). Het is niet nieuw, het is de tactiek van de verschroeide aarde, maar dan op wereldniveau. Deze tactiek werd ontworpen door de grote Russische generaal Koetoezov (zelfs Stalin bewonderde deze zeer afstandelijke aristocraat, prins) in zijn strijd tegen Napoleon. Ik vermoed dat het Pruisische officieren waren die deel uitmaakten van zijn staf, die hem het voorbeeld zullen aangeboden hebben van de dertigjarige oorlog, eigenlijk de eerste wereldoorlog (in zijn diepste laag – wat de Franse historicus Fernand Braudel als de ‘longue durée’ bestempelde (1)  –  een oorlog tussen katholieken en protestanten – Dirk Harrison, De Dertigjarige Oorlog, De Allereerste Wereldoorlog, 2022 -, zoals thans in Oekraïne tussen katholieken en orthodoxen, een verschrikkelijke strijd sedert de middeleeuwen), waarin deze tactiek systematisch werd toegepast. Het was eigenlijk een eerste wereldoorlog, niet enkel omwille van de omvang, maar ook omwille van de tot dan ongekende vernietigingszucht van beide kampen. Tussenperiodes en zeker de moderne (de tussentijd, Maarten Van Alstein, Geweld, 2025 ) is een periode waarin we verslaafd geraken aan het opofferen van mensenlevens, en niet meer kunnen ‘ontofferen’.  Het is de nihilistische laag van wat tegenwoordig aan de hand is.

De tweede mogelijkheid is diplomatiek overleg met Europa (een doen!). Mijn voorstel is het overleg te laten doorgaan in Wenen (zoals in 1815). Waarom Oostenrijk? Oostenrijk, omdat dit land lid is van de Europese Unie, maar niet van de NAVO. Het zou georganiseerd moeten worden door drie topdiplomaten, een Amerikaanse, een Russische en een Europese (voor Europa best een vooraanstaand lid van een koninklijke familie – koningshuizen zijn als instelling een waarborg voor politieke stabiliteit – ). Een beetje zoals het congres van Wenen uit 1815 werd georganiseerd. 

De taak van deze diplomaten is in de eerste plaats (maar zeker niet uitsluitend) formeel. Hoe lang mogen de onderhandelingstafels zijn? Wie zal er eerst door de inkomdeur mogen binnengaan? Wie zal op de eerste rij mogen zitten bij het organiseren van de concerten (Amerikaanse muziek, Russische en Europese, welke concerten eerst, en hoe lang elk concert?, aan wie de meeste muziek ? enz.). Straks kunnen we ons in Europa niet meer verplaatsen, vanwege het overschot aan wapens (die uiteraard nodig zijn). Maar wat doet de Europese diplomatie? Of moeten we wachten tot alles een puinhoop is (Ieper 1918, Duitsland 1945?). Zolang Poetin Europa niet aanvaardt aan de onderhandelingstafel, betekent het dat hij geen vrede wil in Oekraïne en geen stabiliteit in Europa. Europa is de waarborg voor de goede wil om stabiliteit te brengen in plaats van oorlog. Dit is het sterke punt van de Europese troefkaart, stabiliteit, dit is onze specialiteit. Zonder Europa geen stabiliteit in Oekraïne en Europa. Ik ben ervan overtuigd dat president Trump zich daarvan bewust is. Het is aan hem om dit als voorwaarde te stellen. Het aanvaarden van Europa bij de onderhandelingen is het teken dat president Poetin bereid is te onderhandelen over stabiliteit. Als dit niet gebeurt zullen het hoe dan ook Amerikaanse soldaten zijn die in Europa zullen sterven. Dit staat nu reeds in de sterren geschreven. 

Philippe De Keukelaere

(1)    Ik heb het onderscheid van de Franse historicus geleerd bij het lezen van het boek van Joris Van Bladel, Land van het Grote Sterven, 2025, 10)

Kleine tip: beste diplomaten, vergeet mij niet uit te nodigen op uw congres in Wenen – de mooiste stad ter wereld -; ik houd immers zeer veel van de Russische klassieke muziek (ofschoon zeer romantisch), en ik hevig verlang naar deze concerten te gaan.

INTERMEZZO

IS VREDE MOGELIJK IN OEKRAÏNE?  

HET VERBAND TUSSEN HET TERUGWINNEN (terugwinnen van de tijd, zie Marcel Proust) VAN HET ZELF (ALS EEN ZICH ZACHT SPIEGELENDE ZELFBEWUSTZIJN) BIJ ONZE WERELDLEIDERS 

EN HET VASTLEGGEN VAN NIET SACRIFICIËLE GRENZEN OM HET GEWELD TE HERLEIDEN TOT NUL.

I/ BETEKENIS VAN GRENZEN IN HET OUDE ROME

Oude beschavingen wisten beter wat oorlog was dan wij. Over de oorzaken vergisten ze zich vaak. Maar zij zochten naar middelen om het oorlogsgeweld te beperken. Uit het Romeins ritueel van de devotio (door Titus Livius beschreven) weten we dat de Romeinen wisten dat de kern van een oorlog het zelfoffer was van het eigen volk (in het zelfoffer van de leiders op het slagveld – zo nodig –  als ‘pars pro toto’, ofschoon ik daar geen voorstander van ben – zeker niet -, was er iets groots – dat verdwenen is – ; dit was pas echte oorlog). De oude beschavingen wisten ook dat een oorlog een offercrisis was. Een offercrisis ontstaat als rituele offers de crisis in de samenleving niet meer kunnen beheersen. Het geniale van Sophocles is zijn toneelstuk koning Oedipus te laten aanvangen met de vaststelling van het (onwerkbaar) offeren.  Als een crisis onbeheersbaar wordt en als een onherstelbaar verlies voor de groep wordt waargenomen, kan de leider beslissen om offeraars buiten de eigen groep te zoeken, om een ultiem reddend zelfoffer te bewerkstelligen. De omschrijving door Joris Van Bladel (Het land van het grote sterven, Hoe Rusland de westerse logica tart, 2025) van het verband tussen de Russische zelfoffercultuur en de oorlog in Oekraïne benadert mijn stelling. De kern is religieus en heeft als oorsprong  de orthodoxe religie, maar nog meer de communistische religie. Dit boek is zeer waardevol, omdat de auteur als eerste  tot de mythische kern doordringt van deze oorlog. Waar ik het minder mee eens ben is zijn standpunt dat dit typisch Russisch zou zijn. Men stelling is dat hij de gevoelige sacrale snaar blootlegt van iedere oorlog. 

Vraag is nu hoe de Romeinen (en de oude beschavingen) gepoogd hebben de oorlogdsoffercrises te herleiden om het geweld zelf te herleiden. Het antwoord was sacraal, waarbij het Latijns woord ‘sacer’ een belangrijke rol speelt.  Het totaal onbeheersbaar sacraal geweld werd onder andere herleid door rituelen die zelf sacraal gewelddadig waren. Het meerdere sacrale geweld werd herleid door het mindere sacrale geweld. 

Eigenlijk werd iemand die ‘sacer’ werd, de incarnatie van de ambivalente goden. We vinden dit terug in de rituelen van de devotio van de generaal, de private execratio, de vogelvrijverklaring (‘interdictio aquae et ignis’, ‘verbod water en vuur’ te geven), en de eigenlijke ‘sacer’ verklaarde persoon, die iedereen straffeloos mocht vermoorden (in de wet der twaalf tafelen: ‘si quis hominem sacrum necat, parricida non sit’ –  wie een sacer-persoon doodt, is geen moordenaar -). Het woord ‘parricida’ betekent hier ‘moordenaar’.

Het centrale punt is de toewijding aan de goden. Eens toegewijd aan de goden is de toegewijde persoon de grote verliezer. In de procedure van de devotio neemt de consul, de generaal, dit op zich. In de procedure van de execratio wordt de ‘vijand’ vervloekt. In de procedure van de vogelvrijverklaring vermoord binnen het eigen gebied. In de procedure van het ‘sacer’ kan de persoon overal en door iedereen vermoord worden. 

Het private ritueel van de execratio verloopt in vier fasen : 

Men kan in het ritueel vier elementen onderscheiden :

DE UITSPRAAK VAN DE VERVLOEKING: Een priester of magistraat sprak een formule uit waarin de vervloeking werd uitgesproken over de persoon of het object dat men aan de goden wilde toewijden.

HET GEBRUIK VAN DEFIXIONES (VLOEKTABLETTEN): Vaak werd de vervloeking schriftelijk vastgelegd op loden tabletten, waarin specifieke gevolgen werden beschreven die de vervloekte zou ondergaan. Deze tabletten werden soms doorboord om de kracht van de vervloeking te versterken.

OVERDRACHT AAN DE GODEN: De tabletten of objecten konden in een heilige plaats worden begraven, in water gegooid (zoals een bron of rivier), of op een altaar verbrand, waardoor de vervloeking officieel werd ‘bezegeld’.

OFFERS:  Om het ritueel effect van de sacrale procedure van de toewijding aan de goden te versterken bracht men offers aan de goden. In deze procedure diende dit steeds bloedige offers te zijn. Dierenofffers en in zeer uitzonderlijke gevallen mensenoffers. De goden ‘plaisen’ vraagt wat moeite. 

In De Natura Deorum (III.37) heeft Cicero het over hoe de Romeinen geloofden dat bepaalde vloeken en religieuze sancties konden leiden tot de ondergang van een individu door goddelijke toorn (de bekende ‘ira deorum’).

Enkele kenmerken van de aangeroepen goden in de toewijzing waren de volgende: 

1.zij waren vaak van Chthonische aard

De aangeroepen goden waren vaak chthonisch (onderwerelds), wat betekent dat ze geassocieerd werden met de onderwereld en de doden. Dit onderscheidt hen van de Olympische goden, die meer op orde en bescherming gericht waren.

Voorbeelden: Dis Pater, Pluto, Orkus, Hekate (de godin van de hekserij had veel succes in dit kader), en de Dii Manes (geesten van de doden).

2.zij hadden een vervloekings- en wraakfunctie

Ze hadden een rol als wrekers van misdaden en schendingen van religieuze of morele wetten.

Vaak werd Nemesis, de godin van wraak en vergelding, aangeroepen. Ook Mars Ultor (Mars de Wreker) kon in oorlogssituaties een rol spelen.

De Furiën (Furiae of Dirae) waren demonen van wraak, die schuldigen achtervolgden.

3.de aan deze goden opgedragen offers

Aan deze goden werden niet de gebruikelijke vreedzame offers gebracht (zoals graan of wijn), maar eerder bloedige offers, soms zelfs menselijke offers in uitzonderlijke situaties.

In de context van een execratio kon het offer symbolisch zijn, bijvoorbeeld het verbranden van een wasbeeldje of een inscriptie met de naam van de vervloekte.

Ik verwijs naar Cicero, omdat hij ook naar deze sacraliteit verwijst in een andere context.

In een aantal teksten verwijst Cicero naar verwante concepten zoals vloeken, vervloekingen en juridische sancties die verbonden kunnen worden met de execratio.

In De Domo Sua (109-110) beschrijft Cicero hoe tempels en heilige plekken ritueel beschermd kunnen worden door plechtige execraties, waardoor iemand die ze schendt, zichzelf overlevert aan de woede van de goden.

In In Verrem (II.4.69-70) verwijst hij naar inscripties en vervloekingen op monumenten, waarbij iemand die een heilige ruimte schendt, wordt overgeleverd aan de straf van de goden.

Religieuze ruimtelijke grenzen, maar ook landsgrenzen konden ‘sacer’ zijn. Niet alleen mensen konden tot de goddelijke sfeer toegewijd worden, maar ook goederen. Zo de sacrale oorsprong van grenzen. Men beperkt het geweld door wederzijds zichzelf (de beide kampen)  te beperken door middel van het geweld. In de oudheid kon het sacrificiële de offercrisis van de oorlog beperken door middel van grenzen. Cicero verwijst ernaar. Hetzelfde gold overigens voor vredesverdragen. 

Het vastleggen van grenzen tussen landen wordt thans aartsmoeilijk, zoniet onmogelijk. Het ondertekenen van vredesverdragen eveneens. Hoe komt dat?

Bij het vastleggen van politieke grenzen werden in Rome bloedige dierenoffers gebracht aan de goden. Het bloed van de vloek van de vervloeking beschermde beide partijen van het overschrijden van de grens. Dit geldt voor andere beschavingen dan de Romeinse. De Kelten en de Germanen (mijn geniale voorouders?) deden het nog beter. Zij brachten voor deze gelegenheid mensenoffers op, met slachtoffers uit de eigen rangen. Wat doet men? Men herleidt de collectieve offercrisis van het totaaloffer, de totale vernietiging van het eigen volk tot rituele offers, door het door middel van homeopathische rituele zelfoffers de goddelijke vervloeking in te stellen – een taboe – (het transcendent aspect van de toewijzing aan de goden, die de grenzen welwillend beschermen – de god Terminus bijvoorbeeld -, en de overtreders kwaadwillend vervloeken  door de goddelijke woede). 

In onze moderne tussenperiodes zijn dergelijke rituelen verdwenen, waardoor we verweesd achterblijven en onze oorlogen niet meer kunnen stoppen. Ik kom later terug op de Russische zuidgrens, maar ook op de Europese – het drama van Afrika met 140 gewapende milities in Congo, 40 in Soedan, enz. en 250 miljoen ontheemden, die geen landsgrens of huisgrens meer hebben -.

Nu mensenofferrituelen verdwenen zijn (niet helemaal), is het niet wijs om dergelijke toestanden te gaan ophemelen als het koninkrijk der hemelen. 

II/ IS HET INSTELLEN VAN MODERNE NIET SACRIFICIËLE GRENZEN MOGELIJK EN HOE ? GEWELD BEPERKEN DOOR ONS ZACHTE ZICH SPIEGELENDE ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN ALS OORSPRONG VAN WET EN INTERNATIONAAL RECHT 

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)

Een vierde kleine pauze

“L’HEURE DU SACRIFICE EST ARRIVÉE, MAIS LA VICTOIRE EST CERTAINE!”

Opperbevelhebber (généralissime) van de Franse strijdkrachten Robert Nivelle 15 april 1917

vertaling 

“HET UUR VAN HET OFFER (ZELFOFFER) IS  AANGEBROKEN (AANGEKOMEN), MAAR DE OVERWINNING LIGT VAST (IS ZEKER, ONBETWISTBAAR)!”

“Popolo italiano! Corri alle armi, dimostra la tua tenacia, il tuo coraggio, il tuo valore! L’ORA SEGNATA DAL DESTINO BATTE NEL CIELO DELLA NOSTRA PATRIA. (ik benadruk). L’ora delle decisioni irrevocabili. La dichiarazione di guerra è già stata consegnata agli ambasciatori di Gran Bretagna e di Francia.(ik benadruk)  Scendiamo in campo contro le plutocrazie occidentali che hanno sempre ostacolato la marcia del popolo italiano e che oggi cercano di soffocarlo con un cerchio d’acciaio. L’Italia, proletaria e fascista, si alza ancora una volta forte, fiera, unita come ai tempi della Roma imperiale.”

10 juni 1940 : oorlogsverklaring van Benitto Mussolini aan Engeland en Frankrijk

vertaling

“Italiaans volk! Grijp de wapens, toon je vastberadenheid, je moed, je waarde!
HET UUR DAT HET LOT HEEFT BEPAALD SLAAT AAN DE HEMEL VAN ONS VADERLAND.
Het uur van onomkeerbare beslissingen. De oorlogsverklaring is al overhandigd aan de ambassadeurs van Groot-Brittannië en Frankrijk. (ik benadruk)
Wij betreden het strijdtoneel tegen de westerse plutocratieën die altijd de opmars van het Italiaanse volk hebben tegengewerkt en die vandaag proberen het in een stalen ring te wurgen.
Italië, proletarisch en fascistisch, staat opnieuw op, sterk, trots, verenigd zoals in de tijd van het Romeinse Rijk.”

“Op 6 november leek er aan de Derde Slag om Ieper een eind te komen doordat Passendale, op dat moment niet meer dan een rode vlek in de modder, viel. De volgende dag bezocht voor het eerst een stafofficier, luitenant-generaal Launcelot Kiggell, in een auto het front. Hij barstte in tranen uit en mompelde: Good God, did we really send men to fight in that?(Goede God, hebben wij mannen hiernaartoe gestuurd om hierin te vechten?) Het antwoord was: ‘It’s worse further up on…’ (Verderop is het erger…).”

Wikipedia ‘Passendale’

DE SACRALE KERN VAN HET MODERNE GEWELD

III/ DE MYTHISCHE ZUIL VAN DE MORBIDE FENOMENEN IN HET MODERNE INTERREGNUM

TWEEDE TEKST UIT HET BOEK VAN MAZZINI

« Or, comanderemo noi loro il SACRIFICIO, il martirio in nome delle nostre opinioni individuali? cangeremo, in virtù solamente de ‘ nostri interessi, la teorica in pratica  il principio astratto in azione? (ik bendaruk ) Disingannatevi, finchè parleremo individui , in nome di quanto il nostro intelletto individuale ci suggerisce , avremo quel ch’oggi abbiamo : adesione a parole, non opere. IL GRIDO CHE SUONÒ IN TUTTE LE GRANDI RIVOLUZIONI, IL GRIDO DIO LO VUOLE, DIO LO VUOLE DELLE CROCIATE, PUÒ SOLO CONVERTIRE GL’INERTI IN ATTIVI, DAR ANIMO AI PAUROSI, ENTUSIASMO DI SACRIFICIO AI CALCOLATORI, FEDE A CHI RESPINGE COL DUBBIO OGNI UMANO CONCETTO. (ik benadruk) Provate agli uomini che l’opera d ‘ emancipazione e di sviluppo progressivo alla quale voi li chiamate, sta nel disegno di Dio : nessuno si ribellerà. Provate loro che l’opera terrestre da compirsi quaggiù è essenzialmente connessa colla loro vita immortale : tutti i calcoli del momento spariranno davantiall’importanza dell’avvenire. Senza Dio, voi potete imporre , non persuadere : potete essere tiranni alla volta vostra , non educatori ed Apostoli (de auteur schrijft het woord met een hoofdletter). Dio lo vuole , Dio lo vuole ! (herhaling !) È grido di popolo , o fratelli ; è grido del vostro popolo , grido nazionale Italiano. Non vi lasciate ingannare, o voi che lavorate con sincerità d’amore per la vostra Nazione , da chi vi dirà forse che la tendenza Italiana non è che tendenza politica , e che lo spirito religioso s’è dipartito da essa. Lo spirito religioso non si diparti mai dall ‘ Italia , finchè l’Italia , comunque divisa , fu grande ed attiva ; si diparti , quando nel secolo decimosesto , caduta Firenze, caduta sotto le armi straniere di Carlo V e sotto i raggiri dei Papi ogni libertà di vita Italiana, noi cominciammo a perdere , tendenze nazionali e a vivere spagnuoli , tedeschi e francesi. Allora i nostri letterati incominciarono a far da buffoni di principi e ad accarezzare la svogliatezza dei padroni , ridendo di tutti e di tutto. »  (Guiseppe Mazzini (Edizione Popolare) ‘I Doveri dell’Uomo’ (de Plichten van de Mens), ondertiteld : Pensiero ed Azione. Dio e Popolo (Gedachte en actie. God en mensen), 26-27)

Noi loro : ‘Noi’ is afkomstig van het Latijnse woord ‘nos’, dat ‘wij’ betekent. In het Frans is het ‘nous’ geworden, in het Spaans ‘nosostros’. ‘Loro’ is afkomstig van het Latijnse woord ‘illorum’ (genitief van ‘ille’, ‘die’, ‘dat’). De oorspronkelijk betekenis was ‘van hen’, de huidige is ‘zij’ (voornaamwoord) en ‘hun (bezittelijk). In het Frans is het ‘leurs’ geworden, in het Spaans ‘los syos’. Mazinni spreekt nu in een meervoudvorm (wij). Er is een eenheid, een versmelting, een fusie, ontstaan tussen hem en zijn ‘voorstanders’ (die hijzelf gedefinieerd heeft)
 
nostre opinioni individuali : ofschoon het niet hetzelfde is, zitten we hier in de sfeer van het individueel zelfbewustzijn, vanuit het individuele zelf. Voor Mazzini is het een uitgemaakt zaak dat het ‘zelfoffer’, ‘het martelaarschap’  de motor is van het menselijk gebeuren. In dit kader verwerpt hij de slechte’ zelfoffers. Er is hier een verwarring tussen het eigen zachte individueel zich spiegelend zelf als zelfbewustzijn van het individu, en het harde meerzijnsverlangen (de opoffering van het zelf als zelfbewustzijn) van dat zelfde individu als eigenbelang (nostri interessi). Mazanni kan zich  het individu enkel voorstellen als een negatief hard meerzijnsverlangen (eigenbelang). Dit is een aanleiding voor zijn neiging tot zijn eigen zelfvergoddelijking, een zijnsverlangen, waardoor hij een ambivalente zelfvergoddelijking ondergaat, in functie van zijn onderscheid bij het volk tussen goed en kwaad, de goeden en de slechten. Onderscheid dat wordt gemaakt door middel van de noodzaak van het religieus eigen zelfofferschap van het volk, dat het vergoddelijkte meerzijn van Mazzini vermeerdert
 
virtù solamente : letterlijk : ‘in deugd’ (het zelfoffer is de deugd bij uitstek), ‘alleen’, ‘enkel gedreven door’
 
la teorica in pratica : ‘theorie’ verwijst naar eigenbelang, de ‘praktijk’ naar het handelen, het doen

disingannatevi : gebiende wijs, imperatief, tweede persoon meervoud van het werkwoord ‘desigannare’, letterlijk ‘ont-bedriegen’. Afkomstig van het Latijn : ‘dis’ (ontkennend voorvoegsel) en ‘ingannare’ : ‘bedriegen’, ‘misleiden’. Te vertalen als : ‘laat u niet bedriegen’

finche : hier ‘zolang’, van het Latijn ‘finis’, wat een ‘einde’ inluidt, hier iets dat een einde moet nemen, namelijk het individuele, het intellect. Opnieuw de verwarring tussen individueel meerzijn en individueel zelfzijn. De miskenning van het menselijke organisch, biologisch ’zelf’, als zelfbewustzijn

inteletto : het woord komt van het Latijn ‘intellectus’, dat ‘begrip’, ‘inzicht’, ‘verstand’ betekent. Het is afgeleid van het werkwoord ‘intelligere’, dat ‘begrijpen’, inzien’, ‘onderscheiden’ betekent. In het Nederlans ‘intellect’of ‘begrip’ (een verwijzing naar het woord ‘Begriff’ bij Hegel ? We staan hier op een kleine afstand van de woorden ‘bewustzijn’ en ‘zelfbewustzijn’. We vertrekken vanuit een zelfde vaststelling, die anderes wordt geïnterpreteerd. Vandaar het onderscheid tussen beiden dat bij het analyseren van Hegels bewustzijn zullen ontdekken. Het organisch spiegeleffect is immers steeds een zich herhalend onderscheidende gedifferencieerdheid, dat zich als een zich terugtrekkende discontinuïteit laat waarnemen, en a posterio als een continuïteit wordt hersamengeseld (hersenmodel) door onze hersenen (vandaar het verband tussen zelfbewustzijn en herinnering bij Marcel Proust, als het onderscheid tussen anticipatief model en zelfbewustzijn vanuit onze hersenen). In het Latijnse woord ’intellectus’ zit terzelfdertijd ‘onderscheiden’ en ‘verzamelen’ – het Latijnse werkwoord ‘legere’ -. Ofschoon er sporen van de betekenis als zelfbewustzijn in het woord zitten, betekent het ‘intellect’ of ‘begrip’.

suggerisce : derde persoon enkelvoud van het werkwoord ‘suggerire’. Afkomstig van het Latijn ‘suggerere’, dat ‘onderbrengen, ‘aanvoeren’ of ‘ingeven’ betekent. Het is samengesteld uit ‘sub-‘, dat ‘onder’ betekent, en ‘gerere’, dat ‘dragen’ of ‘uitvoeren’ betekent. Het woord wordt hier in een negatieve betekenis gebruikt. Zoals in volgende Italiaanse zinnen :‘Il suo comportamento suggerisce una mancanza di onestà.’ ‘Zijn gedrag suggereert een gebrek aan eerlijkheid’. In dit geval impliceert ‘suggerisce’ dat het gedrag van de persoon doet vermoeden dat hij niet eerlijk is, wat een negatieve betekenis heeft. ‘Le prove suggeriscono che il testimone sta mentendo.’‘De bewijzen suggereren dat de getuige liegt.’ Hier betekent ‘suggeriscono’ dat de bewijzen een indicatie zijn van de leugenachtigheid van de getuige.‘Il rapporto suggerisce un quadro della situazione diverso dalla realtà’.‘Het rapport suggereert een beeld van de situatie verschillend van de werkelijkheid (dat verschilt van de werkelijkheid)’. In deze zin impliceert ‘suggerisce’ dat het rapport een misleidende of onjuiste voorstelling van de werkelijkheid geeft. Het is belangrijk en interessant vast te stellen dat voor Mazzini ten aanzien van het intellect, (dat in deze tekst de sporen van zelfbewustzijn nalaat – slechts sporen, omdat het woord niet deze betekenis heeft -), de individuele relatie slechts een negatieve gesuggereerde relatie is

oggi : heden, vandaag

adesione a parole, non opere : letterlijk ‘instemming’, hier in negatieve betekenis, ‘aanhang’, ‘meelopers’. ‘Opere’ verwijst naar een orthopraxie, het doet Marxistisch aan, zonder het te zijn. ‘Das Kapitaal’ van Karl Marx werd zeven jaar na de eerste uitgave van Mazzini uitgegeven. Het patriotisme van Mazinni is als de klassenstrijd van Marx een religieuze orthopraxie

grido : letterlijk : ‘kreet’, ‘gril’ zoals in de zin : ‘un grido di dolore’ (‘een kreet van pijn’) of ‘il grido della folla’ (‘de kreet van de menigte’). Het woord is mannelijk. Het woord is afkomstig van het Latijn ‘quiritare’, dat ‘luid roepen’ betekent, schreeuwen om hulp’. ‘Quiris’ (vandaar ‘Quirites’) is een oude term voor ‘Romeins burger’. De oorsprong is roepen om hulp. Het kreeg een juridische betekenis. Er is een verre verwantschap met het Franse ‘requérir’, dat echter van het Latijnse ‘requirire’ (‘re-quaerere’, opzoeken, vragen, eisen) afkomstig is

suono : geluid, afkomstig van het Latijn : sonus

attive : is afgeleid van het Latijnse woord ‘activus’ ‘act-‘ en ‘ivus’: ‘agere’, wat ‘doen’, ‘handelen’, ‘bewegen’ betekent

paurosi : het Itliaanse ‘paura’ betekent ‘angst’.  Het kan de connotatie hebben van ‘kleinhartig’ of ‘laf’ hebben (negatieve bijklank). Het is afkomstig van het Latijns ‘pavor’ (angst, vrees, schrik) dat een etymologisch verband zou kunnen hebben met het Latijnse ‘pavere’ (‘beven van angst’), en zelfs met de naam van de Griekse God Pan

calcolatori : thans betekent het woord in het Italiaans ‘rekenmachines’. Mazzini gebruikt het woord in een figuurlijke betekenis, de ‘berekenaars’. Wie zijn dat ? Het zijn zij die afstand houden, de ‘afstandelijke’, de ‘koele berekenaars of minnaars’. Zij die niet enthoesiast zijn…

entusiasmo : afkomstig van het Griekse woord bekende ‘enthousiasmos’. Dit woord is opgebouwd uit: ‘en’ : ‘in’ en  ‘theos’ : ‘god’, wat in god betekent. De oorspronkelijk Griekse betekenis is ‘bezeten door een god’ of ‘door een god geïnspireerd’. In de Griekse mythologie zijn er mensen die buitengewoon gepassioneerd, geïnspireerd of bezeten waren door een god. De vraag is of men in het oud Grieks er een onderscheid is (een grens) tussen ‘bezeten’ zijn door een god, of ‘in extase zijn’ voor een god. In een dialoog van Plato over de dichters schrijft hij :

“λέγουσιν γάρ μοι οἱ ποιηταὶ ὅτι τὰς μὲν καλὰς ποιήσεις οὐκ ἐκ τέχνης ἀλλὰ θείᾳ μοίρᾳ ποιοῦσιν, καὶὅταν ἐνθουσιάζωσιν καὶ ἔκστασιν γένωνται, τότε δὴ τὰς καλὰς ταύτας ποιήσεις ποιοῦσιν, ἐν δὲ τῷ μὴἐνθουσιάζειν οὐκ οἷοί τε. (ik benadruk)

(Ion 533e)

“Want de dichters zeggen ons dat zij de verzen die zij maken niet door kunst, maar door een goddelijke gave maken, en dat zij, als zij in extase zijn, die mooie gedichten maken, en als zij niet in extase zijn, niet in staat zijn om die te maken.”

Aan de inspiratie wordt een goddelijke betekenis gegeven. Het moderne Italiaans (zoals de huidige Nederlandse betekenissen : ‘geestdrift’, ‘bevlogenheid’) heeft betekenis van dit woord afgezwakt in vergelijking met het oude Griekse.  Eigenlijk versterkt Mazinni opnieuw de betekenis van het woord. ‘enthousiast zijn’, staat tegenover ‘afstandelijk zijn’ (calculatori). Het geloof (fede : zie hierna) verkleint de afstand tot de kleinste sociale afstand het noodzakelijk ‘zelfoffer’. In die zin verkrijgt het bij Mazinni opnieuw een religieuze betekenis

fede : hier in de religieuze betekenis van het woord : ‘avere fide in Dio’, ‘geloof hebben in God

respinge : ‘verwerpen’, ‘afwijzen’ (derde persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd, van het werkwoord ‘respingere’). Het woord ‘respingere’ is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘respingere’, dat dezelfde betekenis heeft: ‘afwijzen’, ‘terugstoten’. Het is samengesteld uit ‘re-‘: een voorvoegsel dat “terug” of “opnieuw” betekent en ‘spingere’ ‘duwen’, ‘stoten’. De wortel ‘spingere’ is verwant met het Nederlandse en Duitse woord ‘springen’ en het Engelse woord ‘spring’. Zo is de lente in Engeland ‘Spring’ (de lente) een ‘onstspringen’ aan de (dans van) de winter

col : betekent ‘lijm’;  een oudere Italiaanse betekenis is ‘met’. Dit is hier de juiste vertaling (soms ten onrechte vertaald met het woord ‘aan’). Het voorzetsel moet worden verbonden met het woord ‘dubbio’ (een enkelvoud), letterlijk ‘met de twijfel’. Er zijn twee mogelijke vertalingen (om de betekenis te behouden), ‘met twijfels’ of ‘die twijfelt’. Er is in deze tekst een onoverbrugbare dualiteit tussen ‘geloof’ (‘fede’) en ‘twijfel’ (‘dubio’)

ogni : letterlijk ‘elke’, hier ‘elke mens – ‘ogni umano’ -, kan men hier vertalen als ‘elk menselijke begrip’ (‘concetto’) van twijfel. Voor Mazinni moet de mens door het ‘enthousiasme’ van het ‘geloof’ de ‘greep’ van de ‘twijfel’ verwerpen

 concetto : betekent ‘begrip’, ‘concept’ of ‘idee’. Het verwijst naar een gedachte of abstracte voorstelling van iets. ‘Il concetto di libertà è fondamentale nella filosofia’.
‘Het concept van vrijheid is fundamenteel in de filosofie’.
‘Non ho capito bene il tuo concetto.’ ‘Ik heb jouw idee niet goed begrepen.’ Het woord heeft een Latijnse stam: ‘con-‘ (‘samen’) ‘capere’ (‘nemen’, ‘grijpen’), oorspronkelijk betekende het ‘opnemen’ of ‘begrijpen’, en later ontwikkelde het zich tot ‘idee’ of ‘begrip’. In het Nederlands heeft het woord ‘concept’ dezelfde Latijnse oorsprong en een vergelijkbare betekenis

provate : komt van het Latijns werkwoord ‘probare’ , waarvan de eerste betekenis dezelfde is als deze van het Nederlands ‘proberen’. ‘Provate questo dolce!’ ‘Probeer deze taart!’ ‘Provate a farlo da soli!’‘Probeer het zelf te doen!’ Hier is het woord (het kan andere grammaticale betekenissen hebben) een tweede persoon meervoud, gebiende wijs (julie moeten…), of imperatief.  In het Italiaans heeft het woord niet alleen de betekenis van ‘proberen’, maar ook van ’bewijzen’. Het experimenteel uitproberen van dezelfde of ‘Iets proberen te doen’. ‘Provare un fatto’‘Een feit bewijzen’. ‘Provare un esperimento’‘Een experiment uitvoeren (‘testen’); – oorzakelijkheden -, levert een ‘bewijs’ op ‘Provare a fare qualcosa’)’.‘Provare una teoria’‘Een theorie bewijzen’ (‘door een test’). De juiste vertaling is hier : ‘bewijs’ of ‘jullie moeten bewijzen’. Of er in de voorliggende tekst een getest oorzakelijk verband bestaat, is een andere vraag. In het Frans is er het werkwoord ‘prouver’, in het Engels ‘prove’, en in het Nederlands ‘proeven’ en ‘beproeven’. In het Latijnse ‘probare’ zit ook een ‘morele’ betekenis. Het woord ‘probus’ betekent ‘deugd, goed’. Het woord ‘probus’ is verwant met het Proto-Indo-Europese ‘pro-bhwo’  (iets dat zich als goed bewijst). Er zit in het bevel van Mazinni, ongetwijfeld ook deze betekenis

l’opera : komt van het Latijnse woord ‘opera’ (meervouw van ‘opus’), wat ‘werk’ of ‘arbeid’ betekent In het Latijn hebben we de woorden ‘opus’ (enkelvoud) en ‘opera’ (meervoud). ‘opera’ verwijst naar de ‘inspanning’, de ‘activiteit’, het ‘doen’ van het werk, het ‘handelen’. In het Latijn is er eveneens het woord ‘labor’. Hier licht de nadruk meer op de lichaamlijke en mentale inspanning. De Latijnse spreuk : ‘LaIbor improbus omnia vincit’ ‘onvermoeibare arbeid overwint alles’. Het woord ‘laboratorium’ is ervan afgeleid. We kennen ook het woord ‘labeur’ (‘zwaar werk’, ‘zwoegen’, ‘ploeteren’ – het Franse ‘labourer’). De persoon die werkt is in het Latijn de ‘operarius’ Het Latijn kent nog het woord ‘tripellium’, dat zijn oorsprong vindt in een Romeins werktuig.  Het heeft het Franse ‘travail’ gegeven en het Spaanse ‘trabajo’. In het Latijn heeft het de bijna negatieve bijklank van pijnlijk werk. Werken is ook in het Latijn geen tijd hebben. Negotium komt van ‘nec’ (niet) en ‘otium’ (‘vrije tijd’, ‘rust’). Een ‘homo negotiosus’, is een ‘drukbezet man’. Hier zitten we meer in sfeer van het ‘zaken’ doen

emancipazione : het woord komt van het Latijn ‘emancipatio’, dat afgelijd is van het werkwoord ‘emancipare’. Het is samengesteld uit ‘ex’ (dat ‘uit’ betekent) en ‘mancipium’ (dat ‘eigendom’ of ‘gezag’ betekent), woord dat zelf een samenstelling is van ‘manus’ ‘hand’ en ‘capere’ nemen In het Romeins recht betekende ‘emancipatio’ oorspronkelijk de vrijlating van een zoon uit het gezag van zijn vader (de patria potestas), waardoor hij juridisch onafhankelijk werd. Later breidde de betekenis zich uit naar het vrijlaten van slaven en, nog later, naar bredere sociale bevrijdingen. Het Italiaans woord heeft de betekenis van het zich bevrijden, en uittreden uit een oude (verdrukkende) orde, naar een nieuwe, vrije orde. De nadruk ligt en zal steeds meer komen te liggen op een bestendig continu ‘uittreden’ zelf (wat op zich niet negatief hoeft te zijn -‘l’emancipazione delle donne’.’ de emancipatie van vrouwen’ -, wordt bestendigd als een kenmerk – uit noodzaak – van de tussentijd), eerder dan op de nieuwe orde

sviluppo : over de oorsprong van het woord is er geen eensgezindheid. De Italiaanse stam is het werkwoord ‘svilupare’ Taalkundigen vermoeden dat het woord een Germaanse stam zou kunnen hebben en afkomstig zou kunnen zijn van het oudhoogduits: wlappan (wikkelen, vouwen) en oudengels: wlappian (omwikkelen, bedekken). In het Frans zou dit de oude stammen ‘voloper’ en ‘desvoloper’ hebben gegeven. ‘Des’ betekent dan ‘ont-‘, ‘los’ en ‘voloper’, ‘omhullen’, ‘wikkelen’. Dit laatste woord (desvoloper) zou dan het Italiaanse hebben doen ontstaan. Heel zeker is men niet. Zonder een afkomst aan te wijzen, wordt soms eveneens melding gemaakt van het Latijnse ‘volvere’, wat ‘rollen’, ‘draaien’, ‘wikkelen’, betekent, vandaar de merknaam ‘Volvo’. De betekenis van het Italiaans werkwoord is ‘ontwikkelen’.

progressivo : zie uitleg in deel II

chiamate : hier het werkwoord ‘chiamare’ (tweede persoon meervoud, tegenwoordige tijd), afkomstig van het Latijn ‘clamare’, betekent ‘roepen’, ‘oproepen’

disegno : ‘il disegno’, mannelijk zelfstandig naamwoord. Voorvoegsel ‘de’ betekent ‘uit’ ‘af’ of ‘weg’, ‘signare’ betekent ‘markeren’, ‘aanwijzen’ of ‘ontwerpen’. Er zijn in het Italiaans meerdere betekenissen. In de voorliggende tekst  heeft het woord een doelgerichte betekenis. Men vindt het woord terug in het Frans en het Engels ‘dessin’ en ‘design’. Men kan het woord vertalen als ‘plan’

nessuno : het woord komt van het Latijn ‘nec’ unus’, het betekent ‘niemand’, lettelijk ‘niet één’

provate : zie hiervoor, herhaling, het ‘bewijzen’, ‘aantonen’ is belangrijk. Er is een verwarring in deze gedachtengang. Eigenlijk gaat het immers om een ‘bekering’

compirsi :  het woord is een wederkerend infinitief (infinitovo reflessivo) van ‘compire’. Het werkwoord komt van het Latijn ‘complere’, ‘vullen’ of ‘votooien’. Verwant zijn de woorden ‘completer’ (Frans), complete (Engels), en’ completar’ (Spaans). In de Italiaanse reflexieve vorm ‘zich vervullen’, ‘zich voltooien’. ‘Si compirà la profezia’ ‘De profetie zal zich vervullen’. Het woord kan vertaald worden als ‘zich vervullen’

quaggiu : ‘hier beneden’, ‘qua’, ‘hier’ en ‘giu’ beneden. ‘Vieni quaggiù!’ ‘Kom hier beneden!’

essenzialemente : het bijwoord betekent onder andere ‘essentieel’, ‘fundamenteel’

connessa : voltooid deelwoord van het werkwoord ‘connettere’, dat  ‘verbinden’, ‘koppelen’ betekent. Oorspronkelijk het Latijn ‘connectere’. Het Frans ‘connecter’, het Engels ‘connect, het Spaans ‘connectar en het Nederlands ‘connecteren’

colla : zie’ col’, hiervoor

vita immortale : de toekomstige adhesie (tot het plan) wordt gelijkgeschakeld met het bekomen van het eeuwig leven. Is het de ‘toetreding’ tot het ‘plan’ of het (gewelddadig) zelfoffer, waardoor men het eeuwig leven bekomt ?

calcoli : het woord ‘calcoli’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘calculus’, wat ‘kleine steen’ of ‘kiezel’ betekent. De oude Romeinen gebruikten kleine stenen om berekeningen te maken, vandaar de link tussen het woord en wiskundige berekeningen. Men kan vertalen als ‘berekeningen’ tegenover enthousiasme, als ‘afstandelijkheden’. De volkse  zelfoffers verkleinen de sociale afstand, om zo  tot een volkse unanimiteit, eigenlijk een moderne volkse fusie te komen, om het (aan het offer ondergeschikt doel te bekomen

spariranno : derde persoon meervoud, toekomstige tijd van het werkwoord ‘sparire’. Het betekent ‘verdwijnen’ of ‘ophouden te bestaan’. Het woord komt van het Latijn ‘parere’, wat onder meer ‘verschijnen’ betekent. Het voorvoegsel betekent ‘uit’, eigenlijk ‘niet’. Verdwijnen is dan niet meer verschijnen

davanti : voor

all’importanza dell’avvenire : ‘het belang van de toekomst’, ‘importanza’ betekent eveneens ‘het essentiële’, het ‘belangrijke’

senza : ‘zonder’

potete : tweede persoon meervouw van het werkwoord ‘potere’, ‘kunnen’

imporre : het werkwoord ‘imporre’ betekent onder andere ‘imponeren’. Het is afkomstig van het Latijnse werkwoord imponere ‘in’ ‘in, ‘op’,  ‘ponere’ ‘plaatsen’, zetten. Hier in de betekenis van ‘opdringen’, ‘opleggen’. Het werkwoord is in beginsel transitief, het heeft een lijdend voorwerp nodig. Het onbenoemde lijdend voorwerp is hier waarschijnlijk (?) de ‘tirranie’

persuadere : ‘overtuigen’, door (meer dan) het ‘adviseren’ ‘aanraden’, het Latijnse ‘suadere’

alla volta vostra : letterlijk : ‘op jullie beurt’

Apostoli : Mazzini roept op tot de noodzaak van het zelfoffer uit liefde. De oorlog als een uiting van liefde voor de andere door het zelfoffer. Het is voor Mazzini belangrijk, hij schrijft het woord met een hoofdletter

e grido di popolo : de kreet van het volk, deze kreet is een liefdeskreet waardoor we allemaal broeders worden. Eigenlijk is aanzetten van het volk om een gewelddadige menigte te worden, een nationale Italiaanse kreet (grido nazionale Italiano). Er is een doel de Italiaanse natie, maar de essentie is de ‘wil van god’, het gewelddadig zelfoffer in functie van dit collectief meerzijn. De kreet is geen politieke kreet, maar een religieuze kreet tot zelfopoffering

lasciare : komt van het werkwoord ‘lasciare’, ‘laten’, ‘achterlaten’, ‘verlaten’, gebiedende wijze, imperativo, een ‘bevel’. Latijnse oorsprong : ‘laxare’, losmaken, laten gaan (‘relax’, ‘relaxeren’)

ingnarre : misleiden, komt van het Latijnse ‘ingannare’, dat ‘bedriegen’ en ‘misleiden ‘betekent’. Eigenlijk ‘in’ (‘in’, ‘op’) en ‘gannire’ dat ‘snauwen’ en ‘blaffen’ betekent. Het zou kunnen verwant zijn (indo-europese stam), wat het Nederlands betreft vanuit het oud-Duits) met het woord ‘gauw’ (snel). In het oud-Noors ‘gaufr’

tendenza : vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Betekent onder andere ‘tendens’. In de context, kan men het woord best vertalen als ‘fundament’ (gondslag). De herhaling van het woord in de zin versterkt de betekenis. De grondslag is religieus we die hebben omschreven. Het is die religieuze grondslag die verdwenen is. Het is deze religieuze ‘spiriet’, het enthousiasme voor de noodzaak van het gewelddadig zelfoffer als liefdesuiting die verdwenen is

dipartito en dipartì:  van het (wederkerend) dipartire, afkomstig van het Latijn ‘dispartire’, ‘verlaten’

lo spirito religioso : de geest van het noodzakelijk zelfoffer van het eigen volk als enthousiasme – omdat god het wil -, tegenover de afstandelijkheid uit het verleden, van zij die als onactieve luierikken worden afgeschilderd. De religieuze geest moet de afstand verkleinen om tot een unanimiteit, een eenheid in fusie te komen

finché : ‘toen’ eigenlijk ‘zo lang’. Het woord komt van het Latijns ‘finis’ en wijst hier op een einde van een tijd

quando : ‘toen’, ‘wanneer’

caduta : afgeleid van het Latijns woord ‘cadere’ ‘vallen’. In het Frans ‘chute’ in het Spaans ‘caida’ en het Portugees ‘queda’. Letterlijk ‘vallen’ ‘la cadutta di Rome’ ‘ de val van Rome’; figuurlijk ook ‘afgenomen worden’, ‘dalen’, een ‘nederlaag ondergaan’, ‘mislukken’; ook de ‘zondeval’. Het herhaaldelijk vallen is het gevolg van het verlies van de religieuze geest (zelfs door de paus), waardoor de fundamenten verloren gingen Italië moet nu door het eigen religieus  zelfoffer opstaan uit het vallen, het vallen overwinnen. Een RISORGIMENTO, een verrijzenis of wedergeboorte kan uit dit zelfoffer van het volk  tot stand komen

perdere (a) : verliezen. Mazzini redeneert nu vanuit het verleden. De nadruk ligt op het ‘verlies’ van religieuze ‘fundamenten’. Wat werd er verloren ?  Het ‘grande ed attiva’ van Italië, het collectief meerzijn, een groot en actief land. Mazzini wil Italië ‘opnieuw’ groter maken. Het gewelddadig zelfoffer van het eigen volk (als nationaal fundament) is er in functie van een verlies, van een vroegere grootheid, meerzijn, dat thans een belachelijk minder zijn is geworden

incomciarono : ‘incominciarono’ komt van het Italiaanse werkwoord ‘incominciare’, ‘beginnen’. Dit woord is afgeleid van het Latijnse ‘cominciare’, dat eveneens  ‘beginnen’ betekent. Het voorvoegsel ‘in’ versterkt hier de betekenis, net als bij het Nederlandse “beginnen” en “aanvangen”. Het is een ‘indicativo passato remoto’.  Dit is een van de verleden tijden in het Italiaans. Het beschrijft een afgeronde actie in het verleden, vaak met een nadruk op het feit dat de actie op een bepaald moment in het verleden plaatsvond en nu voorbij is. Het is vergelijkbaar met de Nederlandse voltooid verleden tijd of perfectum

 far : infinitief : ‘fare’, letterlijk ‘doen’,  ‘nadoen’ te ‘gedragen als’. De geleerden ‘letterkundigen’ begonnen zich te gedragen als narren, die het menselijk gedrag nabootsen

buffoni : het Italiaanse woord ‘buffoni’ is de meervoudsvorm van ‘buffono’. De oorsprong is onzeker (soms wordt een Germaanse oorsprong aangehaald, wat mij onzeker lijkt), waarschijnlijk het Latijnse ‘buffo’ dat ‘grap’ betekent. Een ‘grappenmaker’, of ‘nar’. Mazinni verwijst duidelijk naar de in de 18de eeuw verdwenen hofnarren. De hofnar was de officiële grappenmaker aan het hof van een vorst. Zijn voornaamste taak was het vermaak van de heerser en de hovelingen. Dit deed hij door grappen te maken, verhalen te vertellen, liederen te zingen en acrobatische kunsten te vertonen. Maar de hofnar was meer dan alleen een bron van vermaak. Achter zijn grappen en dwaasheden school vaak een diepere laag van wijsheid en inzicht. Door op een humoristische manier de waarheid te benoemen, kon hij kritiek uiten op de heerser en de maatschappij zonder daarvoor gestraft te worden. De hofnar fungeerde als een soort spiegel van de maatschappij. Hij observeerde de mensen om zich heen en reflecteerde hun gedrag en overtuigingen op een komische manier. Hierdoor hielp hij de hovelingen om zichzelf en hun omgeving beter te begrijpen. De hofnar had een unieke positie aan het hof. Hij stond aan de ene kant onderaan de sociale ladder, maar aan de andere kant had hij toegang tot de hoogste kringen en genoot hij het vertrouwen van de heerser. Hierdoor kon hij een belangrijke rol spelen in de politiek en de besluitvorming. De hofnar wees de koning erop dat zijn perceptie van het volk mogelijk “vervormd” was. Dat hij het volk zag in een vervormde spiegel. Een eigen ‘meerzijnspiegel’, en niet vanuit een zich spiegelende zelf als zelfbewustzijn. De hofnar had de vrijheid om kritiek te uiten op de koning en zijn beleid, vaak op een humoristische en indirecte manier. Door de koning erop te wijzen dat zijn beeld van het volk mogelijk niet klopte, kon de hofnar hem aansporen tot voorzichtigheid in zijn beslissingen. De hofnar stond in contact met alle lagen van de bevolking. Hij kon de koning daardoor een beter beeld geven van wat er onder het volk leefde en speelde. Hij fungeerde als een soort bemiddelaar tussen de koning en het volk, waardoor de koning zich meer bewust werd van de impact van zijn beslissingen op de bevolking. Door de koning op een humoristische manier aan te zetten tot zelfreflectie, kon de hofnar hem helpen om tot betere en meer doordachte beslissingen te komen. Wat we tegenwoordig eigenlijk missen zijn ‘hofnarren’ !Maar Mazinni gebruikt het woord in een zeer negatieve betekenis. In plaats van het bestendigen van onze eigen Italiaanse authentieke (met wat met de waarheid overeenstemt) religie (deze van de noodzaak van het zelfoffer), zijn onze ‘geleerden’ begonnen met wat niet Itliaans is na te bootsen. Nabootsing is hier wat niet authentiek is. De hofnar wordt enkel nog in die ‘zin’, vanuit het herinterpreteren van het verleden (dat verworpen wordt, met uitzondering van het religieus ‘zelfoffer’) aangehaald. Het helpt ons een ‘verglijden’, een ‘afglijden’ in het betoog te vinden (zie hierna)

accarezzare : ‘strelen’, ‘liefkozen’ (werkwoord, infinitief), van Latijn ‘carus’ (geliefd). Het heeft ook de betekenis van ‘vleien’, ‘naar de mond praten’

svogliatezza :  de ‘lusteloosheid’, de ‘onwil’ (zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, enkelvoud), van het  Italiaans ‘svogliato’ (‘ongemotiveerd’),  de negetieve ‘s’ die het woord voorafgaat, ‘voglia’, ‘wil’ en ‘svolgia’, onwil. Met het woord ‘volunta’ wordt de ‘s’ niet begruikt, men zal zeggen ‘mancanza di volunta’

padroni (dei) :  ‘meesters’ (‘hun’),  voorzetsel + zelfstandig naamwoord, mannelijk, meervoud); “dei” is een samentrekking van “di” (van) en “i” (de), “padroni” van Latijn “patronus” (beschermheer). ‘Dei’ heeft een bezitsrelatie, ‘van de’

ridendo : lachend (gerundium); van Latijn “ridere” (lachen)

di tutti : om allen (voorzetsel + bijvoeglijk naamwoord, mannelijk, meervoud); “di” van Latijn “de”, “tutti” van Latijn “toti” (alle). ‘Di’ kan vertaald worden ‘om’. De ‘letterkundigen’ (geleerden) waren narren, die om alles en iedereen (idiomatische vertaling) lachten. Letterlijk lachend ‘van’ alles en ‘van’ iedereen

VOORGESTELDE VERTALING

“Of zullen wij hun het offer, het martelaarschap in naam van onze individuele opvattingen bevelen?Enkel gedreven door onze eigenbelangen, de theorie in praktijk, het abstracte principe in actie ?

Laat u niet bedriegen. Zolang wij als individuen spreken, in naam van wat ons individuele zelfbewustzijn ons ingeeft, zullen wij slechts datgene hebben wat wij vandaag hebben: mondelinge meelopers, maar geen daden.

De kreet van het geluid in alle grote revoluties, de kreet ‘God wil het, God wil het’ van de kruistochten, kan alleen de stilstand (inertie) in actie (een doen, handelen, een in beweging zetten) omzetten (omkeren), moed (animo) geven aan de angstigen, de afstandelijken (letterlijk : berekenaars) enthousiast maken voor de zelfopoffering (opoffering), en geloof brengen aan hen die elk menselijk concept met twijfel verwerpen.

Bewijs de mensen dat het werk van emancipatie en progressieve ontwikkeling waartoe u hen oproept, deel uitmaakt van Gods plan: niemand zal zich ertegen verzetten. Bewijs hen dat het aardse werk dat hier volbracht moet worden, wezenlijk verbonden is met hun onsterfelijke leven: alle afstandelijkheden (letterlijk : berekeningen) van het moment zullen verdwijnen voor het essentiële (belangrijke) van de toekomst.

Zonder God kunt u opdringen (opleggen), maar niet overtuigen; u kunt op juliie beurt tirannen zijn, maar geen opvoeders en Apostelen.

God wil het, God wil het! Dit is de kreet van het volk, broeders; het is de kreet van uw volk, de nationale Italiaanse kreet. Maak u los van het bedriegen, u die met oprechte liefde voor uw natie werkt, door hen die u misschien zullen vertellen dat het Italiaans fundament (de grondslag) slechts een politieke tendens is, en dat de religieuze geest ervan is verdwenen.

De religieuze geest verliet Italië nooit, zolang Italië, hoe dan ook verdeeld, groot en actief was; het verliet [Italië], toen in de zestiende eeuw, Florence gevallen was, gevallen onder de vreemde wapens van Karel V en onder de listen van de pausen. Wij begonnen elke vrijheid van het Italiaanse leven te verliezen, de nationale fundamenten en te leven zoals Spanjaarden, Duitsers en Fransen. Toen begonnen onze geleerden (letterkundigen) zich te gedragen als narren van de vorsten en de lusteloosheid van de meesters te strelen, lachend om alles en iedereen.”

KOMMENTAAR

RITUELE ZELFOFFERS TEGENOVER MODERNE ZELFOFFERS, TITUS LIVIUS EN MAZZINI.

WAT IS EEN AANVALSOORLOG ?

Giueseppe Mazzani is niet de enige moderniteit. In zijn geschriften vinden we sporen terug van het mythische fundament van een zeer belangrijk aspect van de moderniteit. Namelijk de blijvende, niet te beëindigen tussenperiode tussen oud en nieuw, het interregnum dat de moderniteit als moderniteit sacraal religieus kenmerkt. Mazinni neemt de werkelijkheid op een onjuiste wijze waar. Was hij daar zelf van bewust of was het een miskenning ? In het model dat Mazzini ontwerpt, ontdekken we heel wat sacrale funderingen van het geweld dat het nabootsen van dit model impliceert. We ontdekken een structuur, die bepaalde gelijkenissen vertoont met religieuze ‘rituele mensenoffers’.

Door beiden kunnen vergoddelijkingsprocessen ontstaan.

Er is echter een essentieel verschil tussen de sacrale aard van de tussenperiode en de sacrale aard van gewelddadige rituele mensenoffers. In het laatste geval heeft het geweld als doel het geweld uit de eigen samenleving te drijven. Het offer – dat eveneens een zelfoffer is van het slachtoffer als deelnemer aan de unanimiteit (het – zij het louter symbolisch – tot stand brengen van zijn eigen offer) opdat het offerritueel zou slagen – is er in functie van een uitdrijving. Het is deze uitdrijving die een nieuwe orde mogelijk moet maken, als tenminste het ritueel niet mislukt – wat kon voorkomen (bijvoorbeeld door een rituele vergissing of fout die de woede van de goden – ira deorum – kon opwekken). Het is een catharsis, een collectieve reiniging door het geweld uit de groep te verstoten (René Girard, Violence and the Sacred, 1988, eISBN: 978-1-4725-2925-1, 115, ‘Even the most violent rites are specifically designed to abolish violence’.

Plato verwoordt het als volgt :

‘ὥσπερ οὖν τὰ σώματα ἐκκαθαίρομεν μὲν τῶν ἐν αὐτοῖς νοσημάτων, ἐὰν ἐθέλωμεν ὑγιῆ ἔχειν, οὕτω καὶ τὴν πόλιν δεῖ καθαίρειν τῶν μοχθηρῶν, ἐὰν μέλλῃ εὖ “

Plato’s Staat, Politeia, boek 4, 409e-410a, Plato, Republic, Loeb Classical Library, Harvard University Press, 1930 (online)

vertaling :

‘Zoals wij het lichaam zuiveren van ziekten als we willen dat het gezond blijft, zo moet ook de stad gereinigd worden van slechten als zij goed bestuurd moet worden’

Het reinigen is een uitdrijven. Het mensenoffer hoeft niet altijd een moordend zelfoffer te zijn. Het kan ook een verbannen zijn (Oedipus).

Is er een verband tussen tussenperiodes in de geschiedenis en gewelddadige offercrisissen die beëindigd werden door gewelddadige rituele offers? Dit is moeilijk te achterhalen. Opmerkelijk is echter dat in tussenperiodes niet het uitdrijven van het geweld centraal staat, maar de groeiende ‘fascinatie’ voor het offergeweld zelf.

Bij Mazzini komt dit tot uiting in volgende tekst :

‘De kreet van het geluid in alle grote revoluties, de kreet ‘God wil het, God wil het’ van de kruistochten, kan alleen de stilstand (inertie) in actie (een doen, handelen, een in beweging zetten) omzetten (omkeren), moed (animo) geven aan de angstigen, de afstandelijke (letterlijk : berekenaars) enthousiast maken voor de zelfopoffering (opoffering), en geloof brengen aan hen die elk menselijk concept met twijfel verwerpen.’

Over de band met het religieuze, het zich toewijden aan de goden en het oorlogsenthousiasme zal ik het later hebben. Opmerkelijk is dat het zelfoffer om voor zijn groep van het oude – de wanorde – naar het nieuwe – de orde – te komen geen enkel

verband meer heeft  met het uitdrijven van geweld uit de samenleving, maar met fascinatie voor het oorlogsgeweld van de kruistochten. Het gewelddadig zelfoffer, waartoe wordt opgeroepen, dient het geweld zelf als middel om tot een (onbereikbaar) doel te komen. Het fascinerend geweld van de kruistochten dient niet om het geweld door een ritueel zelfoffer in te perken, maar is een oproep om het offergeweld te vermeerderen (het opwekken en stimuleren van zelfofferenthousiasme) door middel van het bestrijden van de andere groep, de vijanden (‘de bedriegers’) de offeraars (zij die het vernietigend zelfoffer van de andere groep zullen volbrengen). Opmerkelijk is dat Mazzini dit situeert ten aanzien van een verlies (‘wij begonnen te verliezen, nationale fundamenten en te leven zoals Spanjaarden, Duitsers en Fransen) van fundamenten, een collectief zijnsverlies dat gelijk staat met de oude orde en zij die ertoe behoren (de vijanden).

We zullen moeten onderzoeken waarom het gewelddadig zelfoffer bij Mazinni ons niet uit de tussenperiode haalt, maar tenslotte een blijvende fascinatie voor het geweld en meer in het bijzonder voor het zelfoffergeweld werd, zonder een nieuwe orde, een moderne orde tot stand te brengen. De rituele religieuze mensenoffers verdwenen, maar de oorlogsoffers werden onbeheersbaar.

De centrale sacrale kern van de zelfoffers tijdens de moderne tussenperiode is niet het uitdrijven van het geweld, niet het reinigen door een catharsis om tot een nieuwe ordening te komen, maar het zelfoffer zelf als illusoire nieuwe orde. Het is de sacrale miskenning van de moderne tussenperiode (ik herhaal dat dit niet geheel de moderniteit is, maar wat overheerst). Men blijft offeren om te offeren, zonder het bekomen van een catharsis. Al deze offers gelden als zelfoffers voor het hoger doel. Dit is wat Stalin zonder een nieuwe orde – het communistisch paradijs – tot stand te kunnen brengen heeft gedaan.

zelfoffer is geen middel om het geweld uit de samenleving te drijven, maar een blijvende aanzet tot allerlei vormen van collectief geweld. In de moderniteit is er een tweevoudige, tegenstrijdige evolutie. Mijn stelling is dat de moderniteit een eindeloze overgansperiode is tussen twee geweldremmende mogelijkheden met betrekking tot de mensachtigen. Enerzijds de onmogelijkheid om door middel van geweldadige mensenoffers (waarvan de rituele heksenprocessen een late uitloper waren) het geweld uit de samenleving te verdrijven. Anderzijds de zeer langzame ontdekking van een tweede rem, een biologische, organische rem, het individuele zich zacht spiegelende zelf als zelfbewustzijn. Met gewelddadige rituele offers slaagde men er niet in het geweld als geweld uit de wereld te verbannen. Het ritueel gewelddadig offer had geen impact op bepaalde vormen van collectief geweld en oorlogen.  We stellen in dit verband vast dat een ander element in bepaalde vormen van collectief geweld een rol spelen.

Namelijk de ‘overwinning’. Organisch, biologisch ontstaat er bij de mens een intern gevoel van ‘zelfverlies’ als ‘zijnsverlies’ ten aanzien van het eigen ‘zelf’ bij het onjuist waarnemen van het zelf van de ander (als een vermindering, een verlies van eigen ‘zijn’).  Dit gevoel gaat het mimetisch verlangen vooraf. Het mimetisch verlangen onstaat uit dit gevoel, dat we mimetisch kunnen  noemen, maar dat nog geen verlangen is. We stellen vast dat reeds in oude oorlogen het gewelddadig ritueel offer niet ‘gebruikt’ wordt  om het geweld uit de samenleving te verbannen, maar om de overwinning te behalen. Het dient om de goden gunstig te stemmen om de overwinning te behalen. Mogerlijks is er zelfs een diepere betekenis als we naar het verband  (gecombineerde elementen, die zich differentiëren) zoeken tussen de oude gewelddadige  rituele mensenoffers en de rituele zelfoffers van mensen bij oorlogen.

In oude samenlevingen waren er met andere woorden twee mogelijkheden. De rituele mensenoffers (of rituele dierenoffers als gesubstitueerde mensenoffers) in functie van het verbannen van het geweld uit de samenleving om orde uit wanorde te herstellen – 1 -De mensenoffers (of rituele dierenoffers als gesubstitueerde mensenoffers) in functie van het behalen van een overwinning op een vijand – 2 -. In de moderne tussenperiode blijft enkel de tweede mogelijkheid over. Het zelfoffer zelf is in de moderne tussenperiode gehavend. Maar ook het zelfoffer om de overwinning is in de tussenperiodede gehavend, zoals we hierna zullen ontdekken (volgende tekst).

Om dit te objectiveren doen we beroep op Titus Livius die ons onderweg helpt. In zijn werk ‘Ab urbe condita’ beschrijft hij twee mensenoffers tijdens het heetst van de strijd bij oorlogen. Het eerste vinden we terug in boek 8 hoofdstuk 9-8 (Teubner-editie, Bibleotheca Teubneriane, uitgevers R.M Ogilvie en A.D Machin, Leipzig, 1974, 94-97). Het tweede mensenoffer in zelfde werk, 156-159).

Het eerste ‘zelfoffer’ heeft plaats tijdens de slag bij Veseris in 340 v.Chr, het tweede tijdens de slag bij Sentinum in 295 voor Chr.

De veldslag bij Veseris vond plaats tijdens de tweede Samnitische Oorlog. Het Romeins leger stond onder het bevel van de consuls Publius Decius Mus en Titus Manlius Torquatus.

Eerste tekst:

“Tum consul Decius Mūs Marcum Valerium pontificem rogavit, ut se devoveat pro legione. Ab eo iussus imperatorem togā praetextā velatum capite invocare deos Manes et Tellurem, et pronuntiare se pro exercitu populi Romani Quiritium, legionibus, auxilibus devovēre. Quo facto, equum inscendit et in medios hostes concitavit. Ibi inter acerrimam pugnam cecidit, patriae suae victoriam relinquens.” (ik benadruk)

vertaling:

“Toen vroeg consul Decius Mus aan Marcus Valerius, de pontifex, om hem te wijden voor de legioenen. Op zijn bevel bedekte hij zijn hoofd met de praetexta-toga en riep hij de Manen en de Aarde aan, en verklaarde dat hij zichzelf wijdde voor het leger van het Romeinse volk, de legioenen en de hulptroepen. Nadat hij dit had gedaan, steeg hij te paard en stormde hij midden in de vijanden. Daar viel hij in de hevigste strijd, terwijl hij de overwinning aan zijn vaderland naliet.“

Er was een tweede zelfopoffering van een andere consul Decius Mus. Hij was de jongste zoon van de eerste consul Decius Mus.

Publius Decius Mus (de jongere), devoteerde zich (zich ritueel opofferde aan de goden)

tijdens de Slag bij Sentinum in 295 v.Chr, tijdens de derde Samnitische oorlog.

Tweede tekst :

“Consul Decius, ut primum rem inclinare sensit, M. Livium pontificem ad se vocari iussit, et ex praecepto patris devovit se pro exercitu. Tum insidentem equo loricatum cum togā praetextā in medios hostes immisit, devotum pro salute exercitus capite velato, sicut mos erat. Ita, more maiorum secutus, inter hostium tela occubuit, exercitui suo victoriam relinquens.” (ik benadruk)

vertaling:

“Zodra consul Decius voelde dat de strijd kantelde, liet hij Marcus Livius, de pontifex, roepen en, naar het voorbeeld van zijn vader, wijdde hij zichzelf aan de ondergang voor het leger. Toen, gekleed in harnas en de praetexta-toga, reed hij te paard in het midden van de vijanden, met het hoofd bedekt zoals de rite voorschreef. Zo, volgens de traditie van zijn voorouders, viel hij onder de wapens van de vijand, terwijl hij de overwinning aan zijn leger naliet.”

Beide Decii Mus (vader en zoon) voerden dezelfde daad van ‘devotio’ uit ten aanzien van de goden. Het was een rituele zelfopoffering waarin een Romeinse bevelhebber zichzelf opdroeg aan de goden van de onderwereld om de overwinning voor Rome veilig te stellen. Dit werd aanzien als een ultieme daad van patriotisme en deugd.

De context van deze zelfoffers ‘devotiones’ (het zich opdragen aan de goden) is interessant. Terecht stelt men dat de consuls dit gedaan hebben om de goden gunstig te stemmen. De Romeinen zouden op de linkerflank van hun leger een tactische ‘vernieuwing’ hebben aangebracht, waarbij de vijandige legers telkens met succes op die flank inbeukten. Mogelijks hebben de Romeinen dit ervaren als een goddelijke ‘straf’ (aanwakkeren van de kwaadwillende ambivalente goddelijke zijde, van de woede van de goden – ira deorum -) omwille van de vernieuwing. Daarvoor (omwille van de straf) diende een zelfoffer gebracht te worden aan de goden, om ze opnieuw gunstig te stemmen.

Ik wil hier de nadruk leggen op een specifiek element. Waarom gebruikt Titus Livius in beide gevallen het Latijnse werkwoord ‘exsequi’ in reflexieve vorm ‘se exsequi’, en niet het werkwoord ‘se sacrificare’, dat eveneens bestaat en in een reflexieve vorm voorkomt ?

Het werkwoord ‘ex-sequi’ wijst op een verschillende rituele betekenis tussen deze offers en de andere rituele zelfoffers (verricht door priesters).

Het werkwoord is een deponens. Dit betekent dat het een passieve vorm heeft, maar een actieve betekenis. De consuls laten zich immers passief ‘opofferen’. Maar met een actieve betekenis van het werkwoord.

Het werkwoord betekent letterlijk :

–              ‘sequi’ : ‘volgen’, ‘achtervolgen’

–              ‘ex’ : ‘uit’, ‘tot het einde’, ‘volledig’

‘Exequi’ is een in tegenstelling tot ‘sacrificare’ een tot het uiterste ‘volbrengen’. Het is een tot het uiterste volbrengen van de plicht (officium) en de deugd (virtus) van de consuls.

Het ritueel verschilt eveneens van dat van gewone offers. Wat betekent dat ? Het gebruik van het woord ‘exequi’ door Titus Livius zou kunnen wijzen op een diepere betekenis met betrekking tot de oorlogen zelf als sacrale zelfoffers, vanuit deze sacraal rituele oorlogszelfoffers. De oorlog is dan het volbrengen, het tot een einde brengen van het gewelddadig zelfoffer zelf. Dit betekent niet dat iedere oorlog de laatste oorlog is. Maar dat om de overwinning te behalen het zelfoffer zelf moet volbracht worden. De maatschappelijke betekenis verschilt met deze van de gewone rituele zelfoffers. Het gaat hier niet om het geweld uit de samenleving te verwijderen uit te stoten, te verbannen, maar om een overwinning te behalen. Deze overwinning is deze op de vijand, die – eerste betekenis, zingeving en doel van vijandschap – het eigen zelfofferschap bemiddelt.

Maar de overwinning eist eveneens een volbrengen van het noodzakelijk zelfoffer en uiteindelijke zelfvernietiging van het eigen volk. Het Romeins ritueel doet ons dit ontdekken. Hierbij zijn er echter twee waarneembare elementen. Enerzijds het centraal stellen van de overwinning als een mythisch gebeuren tegenover het verliezen. Anderzijds het middel, het volbrengen van het zelfoffer door bemiddeling van de vijand, de grote offeraar (overigens mimetisch wederzijds voor de twee strijdende zelfofferverlangende krachten). Het is door dit volbrengen dat we rationeel (niet mythisch, onder invloed van oorlogspropaganda) de kern van wat een oorlog is kunnen ontdekken. In oorlogen put het gewelddadig ‘zelfoffer’ zichzelf uit, waardoor we rationeel de kern van de oorlog kunnen ontdekken.

Kunnen we een definitie geven van wat een oorlog is ? Generaal von Clausewitz waagde zich eraan :

“Wir wollen hier nicht erst in eine schwerfällige publizistische Definition des Krieges hineinsteigen, sondern uns an das Element desselben halten, an den Zweikampf. Der Krieg ist nichts als ein erweiterter Zweikampf. Wollen wir uns die Unzahl der einzelnen Zweikämpfe, aus denen er besteht, als Einheit denken, so tun wir besser, uns zwei Ringende vorzustellen. Jeder sucht den anderen durch physische Gewalt zur seines Willens zu zwingen; sein nächster Zweck ist, den Gegner niederzuwerfen und dadurch zu jedem Widerstand unfähig zu machen.”(Vom Kriege, 2019,14)

vertaling :

“We willen ons hier niet eerst verdiepen in een omslachtige definitie vanuit de propaganda (letterlijk : publicistische) van (de) oorlog, maar ons richten op de kern (letterlijk ‘het element’  – het fundament als datgene wat de mogelijkheid van een oorlog mogelijk maakt; vergelijk met Hegel, die hetzelfde woord gebruikt in zijn werk- eigen opmerking) zelf ervan: het tweegevecht.Oorlog is niets anders dan een uitgebreid tweegevecht. Willen we het ontelbare aantal afzonderlijke tweegevechten waaruit het bestaat als een eenheid beschouwen, dan kunnen we ons beter twee worstelende personen voorstellen. Ieder probeert de ander met fysieke kracht zijn wil (seines Willes, het woord ‘will’ stamt af van het Oudhoogduitse ‘willio’of ‘wiljo’, wat verwant is aan het Oudengelse ‘willan’ en het Oudnoordse ‘vilja’. Al deze vormen gaan terug op het Proto-Germaanse ‘wiljaną’, wat ‘willen’ of ‘verlangen’ ‘kiezen’ en ‘wensen’ betekent. Dit Proto-Germaanse woord is dan weer afgeleid van de Proto-Indo-Europese wortel ‘wel-‘, die ‘willen, ‘kiezen’ of ‘wensen’ betekent. De voornaam Wilhelm, wil en helm – pro-germaans helmaz, helm of beschermer – Willie, William, Willem, Guillaume. Wilfried is dan de brenger van ‘vrede’ ‘hij die vrede wil’ ‘de wislkrachtige vrede’, eigen opmerking) op te leggen; zijn eerste doel ( ‘eerste) letterlijk ‘nabijste’ : het Duitse woord ‘nächster’ is de overtreffende trap (superlatief) van ‘nah’ (nabij, dichtbij) en betekent ‘volgende’ of ‘dichtstbijzijnde’, afhankelijk van de context. Het woord heeft een tijdelijke, ordenende – ‘volg’orde – en ruimtelijke betekenis. Is er een verband tussen de kern (Zweck) van de oorlog en het verlangen naar een extreme interne zelfofferende en zelfvernietigende bemiddeling – het wederzijds worstelende mensen als wederzijdse offeraars van de andere als vijand-  tussen mensen ? Met als gevolg de vewarring tussen oorlog en liefde? Oorlog als erotische liefde tot de eigen dood, met de ander als offeraar – zoals de zwarte weduwe ‘de spin’ , het mannetje opeet na het paren; zij doet het enkel als ze honger heeft – door het worstelen, een erotische dodelijke parendans, dodelijke offerdans ?) is de tegenstander neer te werpen en hem zo uit te schakelen (tot verder verzet onbekwaam te maken).”

Ik zal generaal von Clausewitz mimetisch verlangend nabootsen met betrekking tot een definitie van aanvalsoorlogen. Wat is een aanvalsoorlog ?

DEFINITIE  : een aanvalsoorlog is een extreem gewelddadige collectieve grensoverschrijdende drang – 1 -, met als doel het zelfoffer en de zelfvernietiging van het eigen zelf van alle aanvallers tot het uiterste religieus te volbrengen, door bemiddeling van een collectief aangewezen offeraar, de illusoire (zijns)vijand  – 2 -, mythisch voorgesteld als een overwinning op deze vijand ter voldoening en tevredenheid van het meerzijnsverlangen van een zelfvergoddelijkte leider  – 3 -.

In deze verhouding wordt de vijand – bij Mazzini de oude orde – waargenomen in een vervrongen zijnsspiegel, met als doel het offer van het eigen zelf om een collectief meerzijn (een groter Italië) te verwezenlijken (de nieuwe orde). Later te herleiden tot het meerzijn van zelfvergoddelijkte leiders, waarbij de nieuwe orde de tussenperiode, het interregnum zelf wordt, namelijk de zelfoffers en de zelfvernietigingen (het nihilisme) van het eigen volk. Een overschrijden van deze moderniteit naar een ‘nieuwe orde’ blijkt onmogelijk. De geschiendenis heeft ons dit aangetoond.

Het voorbeeld van de religieuze secten is in dit verband interessant. Ook relgieuze secten hanteren de drie elementen die in voormelde definitie bij aanvalsoorlogen aanwezig zijn. Religieuze secten zijn ‘aanvalsoorlogsmachines’ binnen de eigen samenleving. De vijand is de samenleving (de oude orde), waarvan zij zich afzonderen (in alle betekenissen van het woord) om een eigen religieus allesvernietigend zelfoffer te stimuleren van de leden in functie van de zelfvergoddelijking van de goeroes.

In deze definitie gaat het zelfoffer steeds het meerzijnsverlangen vooraf.

In een volgende tekst onderzoeken we met de hulp van Pieter Paul Rubens de betekenis van de epiphanie in het zelfofffer (de religieuze devotie) van de Romeinse consuls Mus en de epiphanie bij Mazzini.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)

Een derde kleine pauze

Het soort onderdrukking, waarmee democratische mensen worden bedreigd, is nog nooit eerder op deze aarde vertoond; onze tijdgenoten zullen het beeld niet in hun geheugen aantreffen (er is geen ‘model’ in onze hersenen, eigen opmerking). Ikzelf zoek vergeefs naar een term waarmee ik het idee dat ik ontwikkel precies kan weergeven en dat het bevat; de oude woorden despotisme en tirannie passen niet. Het is iets nieuws, dus moet ik het proberen te definieren, want benoemen kan ik niet.

Alexis de Tocqueville

(geciteerd in : Roberto O. Paxton, De anatomie van het Fascisme, 2025, 10)

‘Amare è agire’ (‘liefhebben’ is handelen, een – radicaal gewelddadig – handelen, doen)

 Fascisme als een religieuze ‘orthopraxie’.

DE SACRALE KERN VAN HET MODERNE GEWELD

II/ DE MYTHISCHE ZUIL VAN DE MORBIDE FENOMENEN IN HET MODERNE INTERREGNUM

Ik verwijs nogmaals naar het boek van Maarten Van Alstein en zijn aanhaling van Antonio Gramsci als leidraad voor het lezen van dit boek met betrekking tot het ‘interregnum’ tussen een oude orde en nieuwe orde. (Geweld, Een geschiedenis van het moderne Europa, 2024, 311, voetnoot 12)  

In de moderne tijd blijken deze tussenperiodes ongekende proporties te hebben aangenomen. De moderniteit kenmerkt zich niet door de overgang van oud naar nieuw, maar door een niet eindigende tijd van het ‘spanningsveld’ van de zich steeds herhalende tussenperiode(s). Zonder dat de oude orde volledig in een nieuwe orde overgaat.

Van Alstein stelt vast dat dergelijke spanningen tot ongekende vormen van geweld kunnen leiden en de aanleiding kunnen zijn voor nieuwe oorlogen. Dit is wat Gramsci ‘morbide fenomenen’ heeft genoemd. Van Alstein stelt dit vast.              

We weten dat iedere maatschappelijke orde een mythische, sacrale dimensie heeft.

De mythisch sacrale dimensie van de Myceense beschaving was niet dezelfde als deze van de latere Griekse. Tijdens de tussenperiode (genaamd ‘de donkere eeuwen’  1200 v. Chr. tot 800 v. Chr.) vormde zich een nieuwe mythische zuil – waarbij vele vernieuwende elementen (symbolisch, sacraal mythisch) werden overgenomen van de oudere -, die de basis zullen worden van de nieuwe orde, deze van de latere oude Griekse beschaving. Er is met betrekking tot het zich vormen en het zich kristalliseren van mythische zuilen altijd een continuïteit met het oude en een vernieuwing. We vinden met andere woorden dezelfde sacrale noemers terug, met verschillende nieuwe tellers. Met betrekking tot oudere beschavingen is het moeilijk na te gaan of er in deze tussenperiodes al dan niet meer geweld en oorlogen zijn geweest. Wat vaststaat, is dat net de mythische zuil met betrekking tot het geweld wijzigingen ondergaan. Het zijn deze wijzigingen die de nieuwe orde mogelijk maken. 

Het mythisch verloop blijkt echter ook constante elementen te bevatten (bijvoorbeeld het overnemen van de goden, onder een nieuwe, gewijzigde vorm, andere namen enz.).

De oude orde houdt steeds een type leiderschap in dat geldt als zijnde algemeen aanvaard. Door allerlei omstandigheden (onder andere paleisrevoluties, familietwisten in leidersfamilies, broedertwisten enz.) stort het algemeen aanvaard karakter van het vaak, in oude beschavingen ‘vergoddelijkt’ (koningen als goden of half-goden) leiderschap ineen.

Eigenlijk zijn het de sacrale en mythische fundamenten van de oude structuren – vanzelfsprekend aanvaarden van een bepaald leiderschap – die om allerlei redenen instorten.

Op dat ogenblik start de tussenperiode. Het is een tijd van zelfverklaarde krijgsheren (feitelijke macht van de sterkste, kenmerk dat reeds zichtbaar wordt op het einde van de oude periode bij de oude leiders die daartoe beginnen te neigen). Het geweld in het algemeen, maar ook het collectief geweld van deze krijgsheren neemt nieuwe vormen aan. Oude wapens vertonen duidelijke sporen van dergelijke transities. In de Myceense periode gebruikte men lange zwaarden, de tweelingboogschilden en de torenschilden, helmen, vervaardigd met everzwijntanden (nog beschreven door Homerus). In de tussenperiode treden er veel kortere zwaarden op. De transitie houdt veel meer elementen in dan het louter wapentuig. Wapentuigen zijn echter zeer concrete materiele getuigen van dergelijke transities.

Geleidelijk aan wordt een nieuw type van leiderschap erkent. In die zin zou men kunnen stellen dat de Ilias van Homerus ons het langzaam ontstaan van het nieuwe Griekse leiderschap schetst. Dit leiderschap zal ook niet homogeen in de tijd zijn, maar er blijft eenzelfde mythische fundering. Een nieuwe ordening, beschaving is ontstaan. Er is een nieuwe sacrale, mythische structuur die de ‘samenleving’ draagt, en het ‘leiderschap’ ondersteunt.

In deze overgang spelen mythische zuilen een essentiële rol. Ook al duurt de tussenperiode lang, toch zal men uiteindelijk slechts de oude orde en de nieuwe orde mythisch koppelen. Ik bedoel dat in tegenstelling tot de moderniteit (en daar heeft Van Alstein een punt), de tussenperiode een overgangsperiode is, en niet de motor zelf van een tussentijd die geen nieuwe orde (tijd) aankondigt en doet ontstaan. Het probleem van de moderne zwangere vrouw van Karl Marx is dat zij nooit bevalt. Zij blijft zwanger. Deze zwangerschap is ook niet de essentie van het gebeuren. De essentie is het blijvende spanningsveld binnen een eindeloze tussentijd. In oudere evoluties blijft met andere woorden de meest fundamentele sacrale structuur behouden, doorheen alle gebeurtenissen. Met betrekking tot de moderniteit is het deze meest fundamentele sacrale structuur die aangetast wordt.

In deze eerste beperkte poging tot opheldering herneem ik Van Alstein, maar beperkt ik mij tot drie auteurs. Twee die Van Alstein behandelt, Giuseppe Mazzini en Georges Sorel. Een derde is een onverwachte, die Van Alstein niet behandelt, het is Ernest Renan. Ik vergeet de anderen niet, en in het bijzonder Friedrich Nietzsche. Deze laatste dient – omwille van zijn uitzonderlijk belang – later behandeld. Met Nietzsche kunnen we  immers de volledige mythische, sacrale structuur van de typisch moderne tussenperiode ontdekken. 

Het ontdekken van deze zuil is niet evident. Op het eerste gezicht vertoont de moderne tussenperiode alle sacrale en mythische elementen van alle tussenperiodes. We kunnen de crisis van de crisis maar onrechtstreeks ontdekken. Ik poog dit te doen door (enkele) teksten van deze auteurs te lezen. Afgezien van de inhoud van de teksten (de tellers), ontdekken we de eerste sporen van deze mythische elementen door een ‘teveel’ in de klassieke sacrale noemer.

Ik kon de tweede uitgave uit 1872 (eerste uitgave 1860) inkijken van het boek van Guiseppe Mazzini (Edizione Popolare) ‘I DOVERI DELL’UOMO’ (de Plichten van de Mens), ondertiteld : Pensiero ed Azione. Dio e Popolo (Gedachte en actie. God en mensen).

EERSTE TEKST UIT HET BOEK VAN MAZZINI

“La vigorosa sincera stretta di mano di alcuni dei migliori tra voi, figlie e figli del popolo, mi consolò dell’abbandono altrui e di molte acerbissime delusioni versate sull’anima mia da uomini ch’io pure amava e che avevano professato d’amarmi.  Mavanzano pochi anni di vita, ma il patto stretto da quei pochi con me non sarà violato per cosa che avvenga sino al mio ultimo giorno; e forse gli sopravviverà. Pensate a me com’io penso a voi . Affratelliamoci nell’af fetto alla Patria (met hoofdletter door de auteur). In voi segnatamente sta l’elemento del suo avvenire. Ma questo avvenire della Patria (met hoofdletter door de auteur) è vostro; voi non lo fonderete se non liberandovi da due piaghe , che oggi pur troppo, spero per breve tempo , contaminano le classi più agiate e minacciano di sviare il progresso Italiano; il Macchiavellismo e il Materialismo. (met hoofdletters door de auteur). Il primo, travestimento meschinodella scienza d’un Grande (in hoofdletter door de auteur) infelice, v’allontana dall’amore e dall’adorazioneschietta e lealmente audace della verità: il secondo vi trascina inevitabilmente col culto degli interessi, all’egoismo ed alla anarchia . voi dovete adorare dio per sottrarvi all’arbitrio e alla prepotenza degli uomini. E nella guerra, che si combatte nel mondo tra il Bene e il Male (met hoofdletters door de auteur), dovete dare il vostro nome alla Bandiera del Bene (met  hoofdletters door de auteur) e avversare , senza tregua , il Male, respingendo ogni dubbia insegna , ogni transazione codarda , ogni ipocrisia di capi, che letterlijk  maneggiarsi fra i due; sulla via del primo , voi m’avrete , finchè io vivo, compagno. E perchè quelle due Menzogne (met hoofdletter door de auteur) vi sono spesso affacciate con apparenzeseduttrici e con un fascino di speranze , che solo il culto di Dio e della Verità (in hoofdletter door de auteur) può tradurre in fatti per voi , ho creduto debito di scrivere , a premunirvi , questo libretto. Io v’amo troppoper adulare alle vostre passioni o accarezzare i sogni dorati coi quali altri tenta ottenere favore da voi. LA MIA VOCE PUÒ APPARIRVI SEVERA  E TROPPO INSISTENTE A INSEGNARVI LA NECESSITÀ DEL SACRIFICIO E DELLA VIRTÙ PER ALTRUI. (ik benadruk) Ma jo so , e voi , buoni e non gua sti da una falsa scienza o dalla ricchezza, intenderete fra breve , che ogni vostro diritto non può essere frutto che d’un doveré compito. Addio. Abbiatemi ora e sempre vostro fratello. (5-6)

elemento : mannelijk zelfstandig naamwoord, enkelvoud, dynamische betekenis van het woord, de ‘fundering’, ‘de basis’, ‘de elementen’

piaga : vrouwelijk zelfstandig naamwoord

betekenis van het woord : ‘weren’,’ wonden’,’ slagen’,’ geselen’, ‘kwalen’

più agiate :  (agiate), voltooid deelwoord van het werkwoord agiare, zij die het gemakkelijk hebben, algemener : de ‘welgestelden’, de ‘rijken’  

sviare : infinitief : sviare : in deze zin, derde persoon meervoud, voltooid deelwoord van het werkwoord, het Italiaanse woord “sviare” is afgeleid van het Latijnse woord ‘exviare’, een samenstelling van ‘ex’ (uit, weg) en ‘via’ (weg). Het betekent letterlijk ‘van de weg afleiden’ of ‘op een dwaalspoor brengen’. Afgeleide betekenissen : ‘afleiden’, ‘op een dwaalspoor brengen’, ‘ontsporen’ (figuurlijk). Wordt ook vertaald door ‘stoppen’.

progresso :  heeft een Latijnse oorsprong ‘progredi’, dat ‘vooruitstappen’ betekent. In het Latijn hebben we ook het woord ‘gradus’ dat ‘graad’ betekent – zie hierna -)

travestimento : zelfstandig naamwoord, mannelijk, enkelvoud, betekent : ‘vermomming’, ‘verkleding’, ‘cammouflage’, ‘gedaantewisseling’ – in het kader van een toneelstuk -, ‘vervorming van de waarheid’, het werkwoord ‘travestire’, betekent ‘verkleed gaan’ of ‘zich vermommen’. Afgeleid van het Latijnse ‘transvestire’, dat als volgt is opgebouwd: trans- = ‘over’, ‘door’, ‘heen’ –  verwijst naar een verandering of overgang, vestire = ‘kleden’, ‘aankleden’ – het Latijnse vestis, ‘kleding’ –

meschino : bijvoeglijk naamwoord, heeft de betekenis van ‘zielig’, ‘kleinzielig’, maar ook van ‘onvriendelijk’, ‘vijandig’ en ‘wreed’. De Italiaanse zin : ‘È stato meschino a torturare l’animale.’ ‘Het was wreed van hem om het dier te martelen.’

scienza : in de betekenis van kennis, het Latijn : ‘scientia’, dat kennis betekent, kan eveneens als ‘wetenschap’ vertaald worden

infelice :  die zich bevindt aan de verkeerde kant van de goddelijke ambivalentie –

(V’) allantona : v’: ik aanzie ‘v’ als een refelxieve vorm, en niet als een afkorting van via (sviare). Allintona is de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van het werkwoord ‘allatonare’. Het is etymologisch verwant met het latijnse woord ‘longus’ (lang). Het idee is dus dat iets of iemand ‘verlengd’ wordt in afstand (of verwijderd wordt). Het voorvoegsel ‘al’ versterkt de betekenis van de actie van verlengen, verwijderen. Het is etymologisch verwant met het  Latijnse ‘ad’

adorazione : bekend Latijns werkwoord ‘adorare’

schietta : komt van het Latijnse ‘exquisitus’, wat oorspronkelijk ‘uitgekozen’, ‘verfijnd’ betekende. In het Italiaans heeft het zich ontwikkeld tot de betekenis van ‘oprecht’, ‘puur’, ‘zuiver’, ‘ongekunsteld’. Ik heb voor ‘zuiver’ gekozen, in de betekenis van de Italiaanse zin : ‘vino schietto’ – zuivere wijn, wijn zonder toevoeging –

lealmente : etymologisch afkomstig van het Latijn ‘legalis’, wettelijk, overeenkomstig de ‘wet’, ‘loyaal’, ‘getrouw’

audace : ‘dapper’, ‘gedrurfd’, ‘moedig’, afkomstig van het Latijn ‘audax’ met dezelfde betekenis, benadrukt door het achtervoegsel ‘ax’, dat de intensiteit van het woord vermeerdert

transcina : derde persoon enkelvouw van het werkwoord ‘trascinare’, ‘weg slepen’, ‘weg sleuren’ in de betekenis van ‘la corrente mi trascina via.’ ‘de stroming sleept me weg’, of ‘sleurt’, figuurlijk ‘beïnvloeden’

(verwijst naar het meest intieme zelf)

inevitabilmente : het Latijnse ‘evitare’, vermijden, vandaar ‘onvermijdelijk’, ‘gewongen’  – het voorzetsel ‘in’ –  door de kwaadwillende zijde van de goddelijke ambivalentie –

sottrarvi :  jezelf te onttrekken/bevrijden (tweede persoon meervoud van het infinitief van het werkwoord ‘sottrarre’, het werkwoord heeft een reflectief karakter (‘vi’), het zelf moet zich van zijn ‘zelf’ ‘onttrekken’, ‘bevrijden’, ‘wegnemen’.   Het werkwoord “sottrarre” komt van het Latijnse werkwoord ‘subtrahere’. Dit is een samengesteld woord, bestaande uit : ‘sub: wat ‘onder’ of ‘vandaan’ betekent, en ‘trahere’ : wat ‘trekken’ betekent, letterlijk betekent ‘subtrahere’ dus ‘onder trekken’ of ‘wegtrekken’

arbitrario : letterlijk ‘willekeurige’,  wat geen ‘fundamen’t heeft

prepotenza : tyrannie, het Latijnse woord “praepotentia”, dat ‘grote macht’ of ‘overheersing’ betekent. Het is samengesteld uit ‘prae’ – ‘voo’r – en ‘potentia’ – ‘macht ‘. Het zelf wordt ‘de’ keuze van eigen machtsmisbruik

avversrre : ‘zich verzetten tegen’, ‘zich keren tegen’, het Latijn ‘ad’ – tegen – ‘versus’ – ‘keren’ -, ‘terugduwen’, ‘tegenstoten’

tregua : betekent ‘bestand’ of ‘wapenstilstand’ in het Nederlands. Het verwijst naar een tijdelijke onderbreking van vijandelijkheden

respingendo : gerundium (het gaat om een handeling die tegelijkertijd met een andere handeling plaatsvindt, ‘terwijl’),’ verwerpend’, ‘afwendend’. Etymologisch afkomstig van het Latijn ‘respringere’, ‘re’ = ‘terug’, ‘opnieuw’, en ‘springere’ = ‘duwen’, ‘dringen’, ‘stoten’

dubbia : dubieus

trazatione :  hier in de politieke betekenis van: ‘compromis’. Bijvoorbeeld de Italiaanse zin  :   Dopo lunghe trattative, è stata raggiunta una transazione tra i due partiti.- Na lange onderhandelingen is er een compromis bereikt tussen de twee partijen –

codarda : dit woord is op zijn beurt mogelijks afkomstig van het Latijnse woord ‘cauda’, dat ‘staart’ betekent. Het is iemand die zijn staart intrekt, omdat hij bang is. Vandaar het woord ‘laf’

ipocrisia :  is etymologisch verwant met het Griekse werkwoord  ‘upokrino(o)’, waarvan de  oorspronkelijke betekenis uit het toneel komt, namelijk de ‘rol’ spelen van een andere persoon, die men zelf niet is en nabootst, vandaar de latere negatieve afgeleide betekenissen

capi : wie aan het hoofd – aan de kop – staat

cercano : mogelijks dezelfde oorsprong (etymologische verwantschap) als ‘cercado’, een Spaans woord dat ‘omheind’ of ‘omsloten’ betekent. Het is afgeleid van het Spaanse woord ‘cerca’, wat ‘hek’ of ‘omheining’ betekent. In onze tekst heeft het de betekenis van ‘een uitweg zoeken’. Het is in het Italiaans een bijvoeglijk naamwoord. Het is iets dat men bijna gevonden heeft, maar toch moet blijven zoeken. Het is verwant met het Nederlandse ‘circa’

maneggiarse : (‘maneggiarsi’ is reflexief – de reflexieve vorm van ‘maneggiare’ – waarvan een van de betekenissen ‘zich (te) redden’ is, zich uit een omsingeling of omheining te bevrijden – zich erdoor slaan -; het zou het ook uit de context de betekenis kunnen hebben van ‘ – hun – weg (te)  vinden’,  omdat Mazanni daarna wijst op ‘zijn’ weg

sulla via del primo : de weg van het eerste, het ‘Goede’

avrete : letterlijk : ‘zul je hebben ‘

e perchè quelle due Menzogne : twee leugens (Menzogne), die verleidelijk lijken (apparenze seduttrici) en een betoverterende hoop wekken (fascino di speranze); Machiavelisme en Materialisme

spesso : dikwijls, vaak

affacciate : het werkwoord is ‘affacciarsi’, dat letterlijk verschijnen, zich tonen betekent.

Afkomstig van het Latijn ‘ad’ ‘facies’, met de betekenis van naar buiten leunen.

Het Italiaans werkwoord is afgeleid van de stam ‘faccia’, ‘gezicht’ in het Nederlands. Ofschoon ‘faccia’ ‘gezicht’ betekent, heeft ‘affacciate’ een  figuurlijke betekenis. Het kan het beste worden vertaald als ‘voorgespiegeld’, ‘getoond’ of ‘gepresenteerd’. Het impliceert dat de twee leugens op een aantrekkelijke manier worden gepresenteerd, alsof ze een mooi gezicht laten zien. Maar eveneens dat deze leugens het tegenovergestelde zijn van wat Mazzini de ‘Waarheid’ noemt. De leugens misleiden

apparenze :  schijn, uiterlijk vertoon

fascino : betovering, charme, aantrekkingskracht 

fatti : het bekende ‘fatti, non parole’ (daden, geen woorden)

premunirvi : vervoegde vorm van het werkwoord ‘premunire’, met het voornaamwoord ‘vi’. Het is een interessante finesse van de Italiaanse taal. Een eerste persoon (ik) van de

voltooid verleden tijd, zich reflecterend niet op de ‘ikvorm’, maar op de andere (jullie, uzelf). Mazzini heeft door het schrijven van zijn boek de lezers voor de lezers zelf reeds beschermd.

De oorsprong van het werkwoord is het Latijnse werkwoord ‘praemunire’, samengesteld uit ‘prae’ (‘vooraf, ‘vóór’, ‘voorafgaand’) en ‘munire’ (‘versterken’, ‘beschermen’, ‘ommuren), afgeleid van ‘moenia’ (stadsmuren, verdedigingswerken)

Ho en io : ho (ik heb) en io (ik) : wijst er op dat Mazzini het hef in handen heeft, vanuit zijn ‘ego’, ‘ik’, en dat de ‘ander’ zich reflectief opsteld (premunirvi) ten aanzien van dit ‘ik’. Het wordt voorgesteld als iets dat hij aan de lezer is verschuldigd (dubito) vanuit hetgeen hij zelf aanneemt

Io v’amo troppo : hij (zijn ‘ikzijn’)  doet het uit liefde : ‘ik bemin u teveel’

adulare : afkomstig van het latijn ‘adulari’, ‘slijmen’,’ vleien’, ‘flatteren’, ‘overdreven complimenten geven’, ‘naar de mond praten’. Want de volgende zin geeft de anti-climax van heel zijn liefdesverhaal, ofschoon hij ook dit uit liefde schrijft

accarrezare : afgeleid van het Latijnse woord ‘carēre’, wat ‘missen’, ‘ontberen’ of ‘nodig hebben’ betekent. In het Latijn ontwikkelde ‘carēre’ zich tot ‘carēssa’, wat ‘liefkozing’ of ‘aai’ betekende. Dit woord ging vervolgens over in het Italiaans als ‘carezza’, wat nog steeds ‘aai’ of ‘liefkozing’ betekent. Het werkwoord ‘accarezzare’ is uiteindelijk afgeleid van ‘carezza’. Het voorvoegsel ‘ac-‘ versterkt de betekenis van het woord, dus ‘accarezzare, betekent letterlijk ‘intensief aaien’ of ‘met veel liefde strelen’, ‘koesteren’

sacrificio : de ‘deugd’ (‘ virtu’, het waardevolle voor de andere) is voor Mazzini de ‘Waarheid’ van en in het zelfoffer

 Ma jo so, e voi, buoni : en jullie, die goed zijn, die behoren tot  de welwillende zijde van de goddelijke ambivalentie (maar het is – ten aanzien van wat door Mazinni miskend wordt – in werkelijkheid slechts schone schijn)

dovere : komt van het Latijnse woord ‘debere’, wat ‘verschuldigd zijn’ of ‘moeten’ betekent. Het woord is verwant met ‘debitum’, wat ‘schuld’ betekent. Het drukt een noodzaak of verplichting uit. Het kan verwijzen naar iets dat je moet doen, of iets dat zou moeten gebeuren. Ik denk aan de zin : Io devo studiare per l’esame (ik moet studeren voor het examen).

Iets dat moet gebeuren als iets dat noodzakelijk verschuldigd is om iets de bekomen, hier het vooruitschrijven (progressio) door het verschuldigd zelfoffer, waar de nadruk op ligt.

compito :  van het Latijnse woord ‘computum’, dat ‘berekend’ of ‘geteld’ betekent. Dit is afgeleid van “computare”, wat “berekenen” of “tellen” betekent. Het heeft hier de betekenis van ‘taak’, ‘opdracht’, ‘plicht’,

abbiatemi ora e sempre vostro fratello : de sociale ‘unanimiteit’ is deze van het zelfofferschap, waardoor we allen (innige) broeders worden

voorgestelde vertaling :

“De krachtige, oprechte handdruk van enkele van de besten onder jullie, dochters en zonen van het volk, troostte mij voor het verlaten door anderen en voor de vele bittere teleurstellingen die mijn ziel werden aangedaan door mannen van wie ik hield en die beweerden van mij te houden.

Ik heb nog maar een paar jaar te leven, maar het pact dat die weinigen met mij hebben gesloten, zal voor niets worden verbroken tot mijn laatste dag; en misschien zal het mij overleven. Denk aan mij zoals ik aan jullie denk. Laten we ons verenigen in liefde voor het vaderland. In jullie ligt in het bijzonder de drijvende kracht van zijn toekomst. Maar deze toekomst van het vaderland is de uwe; je zult hem alleen kunnen opbouwen door je te bevrijden van twee plagen die vandaag, helaas maar hopelijk voor korte tijd, zij die op hun lauweren rusten besmetten en dreigen de Italiaanse vooruitgang te doen ontsporen (stoppen) : het Machiavellisme en het Materialisme.

Het eerste, een wreede  verdraaiing  van de kennis (wetenschap) van een groot en ongelukkig man, verwijdert (verlengt de afstand van) jezelf van de liefde en van de zuivere en  dappere, getrouwe aanbidding van de waarheid. ; het tweede sleept  je onvermijdelijk door de cultus (de aanbidding) van eigenbelang, mee naar egoïsme en anarchie.

Je moet God aanbidden om je te bevrijden van het ongegronde en het machtsmisbruik van de mensen.

En in de oorlog, die in de wereld wordt uitgevochten tussen Goed en Kwaad, moet je jouw naam geven aan de Vlag van het  Goede en het Kwade bestrijden  zonder wapenstilstand en elke dubbelzinnege vlag verwerpen, elk laf compromis, elke hypocrisie van leiders aan het zoeken tussen de twee om zich te redden,  op de eerste weg zul je mij vinden  zolang (als) ik leef, metgezel.

En omdat deze twee Leugens je (aan julie, datief) vaak worden voorgespiegeld met een verleidelijk uiterlijk vertoon (schijn) en met een betovering van hoop, die alleen een cultus (aanbidding) van God en de Waarheid voor je kan omzetten in daden, neem ik aan (geloof ik) dat het mijn plicht is (heb ik het als mijn plicht beschouwd) om dit boek te schrijven om jullie te beschermen (behoeden).

Ik houd te veel van je om je passies te slijmen (vleien) of de gouden dromen te koesteren waarmee anderen proberen je gunst te winnen.

MIJN STEM KAN JE STRENG EN TE AANDRINGERIG LIJKEN IN HET ONDERWIJZEN VAN DE NOODZAAK VAN ZELFOPOFFERING (OPOFFERING) EN DEUGD VOOR ANDEREN.

Maar ik weet, en jullie, die goed zijn en niet verdorven door valse kennis (wetenschap) of rijkdom, zullen spoedig begrijpen dat elk van je rechten alleen het resultaat kan zijn van een verschuldigde (voltooide, volbrachte, vervulde) plicht.

Vaarwel. Beschouw mij nu en altijd als je broeder.” (4-5, einde inleiding boek)

KOMMENTAAR

De oude orde is (zij die op hun lauweren rusten, en niet tot ‘daden’ bekwaam zijn) anarchie, wanorde. Maar niet alleen wanorde. Het is Machiavellisme en Materialisme. Het zijn twee ‘plagen’, het is ‘het Kwaad’ (lafheid, compromis, hypcrisie), die de afstand verlengt ten aanzien van de ‘liefde’ voor de ‘Waarheid’. De twee plagen zijn leugens. Enkel de cultus van God en de Waarheid kan de hoop omzetten in daden.

Zoals we later nog zullen ontdekken, staat de ‘orthopraxie’ (zoals bij Karl Marx) centraal bij Mazzini. Belangrijk zijn de ‘daden’. Er is een oorlog nodig ‘onder de vlag van het Goede’, zonder wapenstilstand, om tot de nieuwe orde te komen. De nieuwe orde is niet de essentie, de essentie is de strijd.

De oude orde is ook eigenbelang en egoïsme. Mazinni gaat heftig te keer tegen de mens als individu. De individuele mens, de enkeling,  is voor Mazinni enkel eigenbelang en egoïsme. Dit behoort tot de oude orde. Om tot de nieuwe orde te komen, de orde van de vooruitgang (de beweging) en van het Vaderland. Het gaat hier niet in de eerste plaats om het patriotisme (dat ook aanwezig is) van Mazzini. Centraal staat de onafgebroken oorlog, de strijd.

Bij Mazinni is er een genese van een zelfvergoddelijkingsproces, nu hij niet lang meer te leven heeft (vaarwel). Hij (zijn ego) wordt een ‘beschermgod’ in dit proces voor het volk. De dualiteit Goed en Kwaad wijzen op het ambivalent karakter van de beschermgod. Wie hem niet volgt behoort tot de goddelijke kwaadaardige zijde, wij hem volgt tot de goddelijke goedaardige zijde. Dit is echter slechts schone schijn, wat mogelijks Mazzini zelf niet besefte omwille van de miskenning van wat het zelfoffer van het eigen volk in essentie is.

Zoals in ieder gelijkaardig zelfvergoddelijkingsproces binnen de ‘tussenperiode’ of ‘interregnum’ (Gramsci) is het typische voor de moderne sacraliteit de overbenadrukking van het zelfoffer van het eigen volk. Het individu moet plaats maken voor de ‘liefde’ van de Waarheid dat het zelfoffer van het eigen volk is.

De ‘unanimiteit’ binnen het volk wordt niet bereikt in een nieuwe ‘orde’, maar door een bestendig zelfoffer zonder einde (zonder wapenstilstand) van het eigen volk.

Het eerste zelfoffer is dan dat van het individu in functie van een collectief zelfoffer.

“Mijn stem kan je streng en te aandringerig lijken in het onderwijzen van de noodzaak van zelfopoffering (opoffering) en deugd voor anderen.” Hier wordt de beschermgod een moderne goddelijke sacrale bevelhebber. De ‘daden’ de ‘kern’ van het proces is niet de uitkomst, ‘de vooruitgang’ of ‘het vaderland’. Er is ook geen enkel verband of connexie meer met het hernemen van elementen uit de oude orde (in de volgende tekst zullen we een interessante ontdekking doen in dit verband). De ‘kern’ van het proces, de motor die de tussenperiode zelf als de blijvende essentie van de sacrale moderniteit (een tussenperiode zonder einde) typeert, is de noodzakelijke oproep tot gewelddadige zelfoffers binnen het eigen volk, als tot de opoffering van dat volk zelf.

In het Italiaans woord ‘necessita’ weerklinkt de kreet van de oppergod, de god van het noodlot,  tot het zelfoffer, dat de Waarheid is. Alleen het noodzakelijk zelfoffer van het eigen volk kan de afstand tussen het volk, God en de Waarheid niet enkel verkleinen, maar zelfs wegnemen (de unanimiteit wordt uitsluitend door het zelfoffer bereikt; eigenlijk een sacrale fusie, die door het zelfoffer zelf bereikt wordt). Als we de sacrale, religieuze kern van het betoog van Mazinni plaatsen in de context van de ruimere latere geschiedenis, stellen we vast (er zijn teveel aanwijzingen) dat zijn teksten het fascisme geïnspireerd hebben. Ik kom daar later op terug. Terzelfdertijd is de vraag of door het sacraal verbinden van het zelfoffer aan een absolute noodzaak de auteur in werkelijkheid van zijn eigen volk niet zijn (eigen)  ‘zondebok’ maakt ? Waarbij het zondebokschap een dubbele dimensie kan hebben. In een eerste faze het zich afzetten tegen interne en externe vijanden; die in deze faze als de ‘zondebokken’ zullen worden aangeduid. In een tweede faze (die we in het fascisme en nationaalsocialisme zullen terugvinden) slaat de noodzaak van het  zelfoffer van het eigen volk om in de noodzaak van de zelfvernietiging van het eigen volk. Paxton schrijft : “ Het radicaliseringsproces toont het meest kenmerkende van het fascisme. Hoewel elk regime kan radicaliseren, onderscheidt het fascisme zich door de intenstiteit en de drang om vernietigend geweld te ontketenen, tot aan zelfvernietiging toe.” (195).

Terloops dient te worden opgemerkt dat een van de kenmerken van het fascisme (en het latere nationaalsocialisme) de onvoorstelbare toename is van de aanmoediging van de ‘brutaliteit’ binnen de eigen samenleving, onder andere door het afschaffen van bepaalde gewoontes, die men de beleefdeid (sorry, ik ben aan het vloeken) noemt.

Shakespaere leefde in een van de eerste ‘grote’ moderne’ tussenperiodes. Hij ontdekete dat het vallen van de graden (de sociale afstand van de oude orde) niet tot nieuwe graden (degree) zou leiden. Het grappige (als men de vroegere en latere gebeurtenissen ontdekt) van de aanvang van scene IV, van het toneelstuk Hamlet :

“Forrest. The palace. Banquet prepar’d. Enter MACBETH, LADY MACBETH, ROSS, LENNOX, Lords, and Attendens.

MACBETH ‘You know your own degrees, sit down.

At first and last the hearty welcome.

LORDS Thanks your Majesty”

  • En nu komt het geniale van Shakespaere –

MACBETH Yourself will might with society. And play the humble host”.

Hij ontdekte de overgang van ‘degree’ naar ‘humble host’, als een sociale schone schijn, van wie een regiciede heeft gepleegd.

Paxton stelt dat de zelfvernietigingsdrang niet terug te vinden is in het Stalinisme. Dat Stalin overgegaan is tot enorme zelfoffers binnen zijn eigen volk leidt geen twijfel. In een ruimer historisch modern kader blijkt er een echter (maar bij de eerste uitgave van zijn boek kon Praxton dit niet weten) dat in dit land er een continuiteit is tussen de noodzaak van het zelfoffer van het eigen volk en de zelfvernietiging van het eigen volk, in het zogenaamd post-communistisch tijdperk. Vraag is of de huidige politieke en religieuze leiders van dit land op dit ogenblik de drang naar zelfvernietiging van het eigen volk niet aan het waarmaken zijn ? Over deze vragen later meer.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)

 

Een tweede kleine pauze

DE SACRALE KERN VAN HET MODERNE GEWELD

I/ DE ONTDEKKING VAN MAARTEN VAN ALSTEIN

Maarten Van Alstein wijst terecht op een terugkerende spanning in de geschiedenis tussen de gevestigde orde en een opkomende nieuwe orde. Hij baseert zich op Antonio Gramsci’s idee dat er altijd een overgangsperiode is tussen beide. Karl Marx vergelijkt deze periode met een zwangere vrouw: de nieuwe orde is in aantocht, maar de oude bestaat nog steeds. Tijdens deze overgang is de kans op maatschappelijke onrust en geweld – in de ruimste betekenis van het woord – aanzienlijk.

Na verloop van tijd ontstaat de nieuwe orde en spreekt men van een nieuw tijdperk. Dit perspectief is bijzonder relevant voor politieke en militaire beslissingen. Leiders die geweld overwegen om een bestaande orde te behouden, moeten beseffen dat dit kan wijzen op een kritisch kantelpunt – de overgangsperiode die Gramsci beschrijft. Tegelijkertijd moeten de voorstanders van een nieuwe orde zich afvragen of het geweld dat zij inzetten om verandering te realiseren, niet meteen de fundamenten van die nieuwe orde ondermijnt.

Geweld is dus nooit een neutraal middel en tast uiteindelijk altijd de ordening die men wil beschermen of vestigen aan. Zelfs wanneer men het als noodzakelijk beschouwt, blijft de impact ervan onvermijdelijk.

In de moderne tijd is dit spanningsveld in een stroomversnelling geraakt. Daarom typeert Van Alstein de moderniteit als een ‘tweevoudige onmogelijkheid’: we laten de oude orde niet volledig achter ons, maar slagen er evenmin in om een nieuwe, stabiele orde te vestigen. De moderniteit wordt zo een voortdurende overgangsperiode, een ‘crisis’ of ‘interregnum’ zoals Gramsci het noemt,  gekenmerkt door tal van ‘morbide fenomenen’. (aangehaald door Maarten Van Alstein, Geweld, Een geschiedenis van het moderne Europa, 2024, 311, voetnoot 12).

Wat ontdekken we eigenlijk in deze tussenperiodes? We zien dat ze bestaan en dat de moderniteit een voortdurende herhaling ervan is, waardoor deze zichzelf steeds verder in de tijd voortzet. Er lijkt geen nieuw tijdperk na de moderniteit te komen. Dit inzicht van Van Alstein is overtuigend. Hij verwijst naar Zygmunt Bauman en diens concept van vloeibare moderniteit (Liquid Modernity, 2000) – een tijdperk dat te instabiel is om zich te ‘kristalliseren’ tot een nieuwe orde. Van Alstein wijst erop dat dit fenomeen zich uitbreidt naar de verste uithoeken van de wereld en steeds sneller ingrijpt in de leefomgeving van mensen.

Hij schrijft:

“Het lijkt er kortom op dat we ons opnieuw in een interregnum bevinden waarin de oude wereld aan het sterven is en de nieuwe worstelt om geboren te worden. Net als in de Belle Époque, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, leidt dit tot diepe en breed gedeelde gevoelens van onbehagen, onzekerheid, wantrouwen en angst.” (291-292)

In dit kader bespreekt Van Alstein drie thema’s:

1.Een wereld onder druk

Hij beschrijft de crises en onzekerheden van vandaag. Oude zekerheden verdwijnen en bestaande modellen – zoals de democratische rechtsstaat – lijken achterhaald. Tegelijk weet niemand hoe de nieuwe maatschappelijke orde eruit zal zien (292-293). Hij wijst ook op onze beperkte strategische denkwijze, die vooral gericht is op technologische en biomedische innovaties (294). Ironisch genoeg zijn zelfs de felste critici van de westerse moderniteit geobsedeerd door hypermoderne militaire strategieën. Hun mimetische rivaliteit met het Westen maakt hen misschien wel moderner dan het Westen zelf.

2.Een nieuw klimaatregime.

In dit deel bespreekt Van Alstein de klimaatproblematiek en de spanningen en het geweld die daaruit voortvloeien.

3. Brave New World.

In Brave New World onderzoekt Van Alstein in het bijzonder de mogelijke gevolgen van Artificial General Intelligence (AGI). Hij benadrukt dat het hierbij om veel meer gaat dan realistische robots:

“Met AGI bedoelen we softwareprogramma’s en computersystemen met gigantische leervermogens, die menselijke intelligentie potentieel ver overtreffen en misschien zelfs een vorm van bewustzijn kunnen creëren.” (302)

Hij verwijst vervolgens naar de twaalf scenario’s die Max Tegmark heeft ontwikkeld. Twee daarvan springen in het oog:

  • AGI als beschermende god, die menselijk geluk maximaliseert.
  • AGI als veroveraar, die de mensheid vernietigt – op een manier die wij zelf niet zullen begrijpen. (302, voetnoot 367, Toby Ord, 2020, The Precipice. Existential Risk and the Future of Humanity (Hachette Books,167))

Zelfs zonder een volledig ontwikkelde AGI zijn de huidige AI-avatars al indrukwekkend. Een digitaal schermbeeld van een persoon kan spreken in elke taal, gevoed door een eigen AI-intelligentie. Dit roept juridische vragen op: blijft de oorspronkelijke persoon controle houden over zijn digitale ‘dubbelganger’? En wat als deze wordt misbruikt met kwade bedoelingen?

Belangrijker is in mijn ogen nog de dreiging van een fundamentele ongedifferentieerdheid. Stel dat deze digitale dubbelganger niet alleen visueel overtuigend is – ik bedoel hiermee dat er geen verschil meer merkbaar is tussen origineel en copie – , maar ook een vorm van zelfbewustzijn bezit. Dan wordt datgene wat de mens uniek maakt – zijn zelfbewustzijn – tot in het oneindige gerepliceerd. Het is opvallend dat deze technologische ontwikkeling voorafgegaan werd door een bredere ontkenning van het unieke karakter van het individueel zelfbewustzijn.

In deze gedachtegang wordt ons zelfbewustzijn met betrekking tot het geweld niet alleen ‘aangetast’ door ons rivaliserende mimetische verlangens naar ‘meer-zijn’, maar ook door het zich  eindeloze dupliceren ervan. Waar in het ene geval het zelfoffer van het zelf als zelfbewustzijn in functie van een zich mimetisch duplicerend meerzijnsverlangen geldt, naderen we mogelijks een vernietigingsmoment van het zelfbewustzijn zelf, omwille van de destructie van het unieke karakter ervan.

Van Alstein waarschuwt dat AGI een van de grootste ontwrichters van een bestaande orde zou kunnen worden.

Omwille van een ongekende indefferntiatie stel ik dat dit zowel individueel als collectief geweld kan uitlokken. Het mogelijke ontstaan van een autonoom technisch zelfbewustzijn binnen AGI confronteert ons immers met een totaal nieuwe vorm van ongedifferentieerdheid, zoals we die nog nooit eerder hebben meegemaakt.

Over het verband tussen indefferentiatie en geweld schrijft  René Girard :

“The rite tends to relapse into its original state; the relationships of mimetic doubles provoke the crisis of indifferentiation. Physical violence gives way to the violence of psychopathological relationships that is not fatal but is never resolved or ended. The total lack of differentiation is never reached.” (René Girard, The Scapegoat, 1989, 239)

vertaling:

“Het ritueel neigt ertoe terug te vallen in zijn oorspronkelijke staat; de relaties van mimetische dubbelgangers veroorzaken de crisis van ongedifferentieerdheid. Fysiek geweld maakt plaats voor het geweld van psychopathologische relaties, dat niet fataal is maar nooit wordt opgelost of beëindigd. Het totale gebrek aan differentiatie wordt nooit bereikt.”  

Girard benadrukt dat deze mimetische crisis leidt tot psychopathologische spanningen. 

Een nieuw begin in onzekere tijden

In het slotdeel, Zorgzaamheid en nederigheid als kwetsbare bakens van licht, concludeert Van Alstein:

“De komende decennia – misschien zelfs de komende eeuw – vormen opnieuw een tussentijd. De oude (moderne) wereld verdwijnt, terwijl een nieuwe wereld worstelt om geboren te worden. Zal dit leiden tot globaal geweld, misschien zelfs tot totalitaire ontsporingen? Ik wil geen profetieën verkondigen, maar als we kijken naar de geschiedenis van de moderniteit, kunnen we stellen dat deze overgangsperiode het potentieel heeft voor veel meer geweld dan we nu al zien.” (306)

Toch blijft Van Alstein pleiten voor een zoektocht naar een nieuw begin.

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)

KLEINE PAUZE

HOE DE SACRALE GEWELDDADIGE MOTOR VAN TUSSENPERIODEN MET MORBIDE FENOMENEN (ZIE CITAAT GRAMSCI) DEFINIËREN?                                                                               

MAARTEN VAN ALSTEIN

‘La crisi sconsite appunto nel fato che il vecchio muore e il nuovo non puo nascere : in questo interregno si ve rificando i fenomeni morbosi piu svariati’  Antonio Gramsci, geciteerd door Maarten Van Alstein, Geweld, Een geschiedenis van het moderne Europa, 2024, 311, voetnoot 12.

Vertaling:

‘De crisis bestaat erin dat het oude stervende is terwijl het nieuwe worstelt met geboren te worden: in dit interregnum verschijnt een veelheid aan morbide fenomenen.’ (10 271 en 24-24, vertaling Van Alstein)

I/ INLEIDING, IN HET BEGIN WAS HET WOORD…

Ik haal Gramski in het Italiaans aan omdat er in het Italiaans twee woorden ontstaan zijn uit het vroeg Latijns woord ‘morbus’, dat ‘ziekte’ betekent.

Het woord ‘morbus’ komt al voor in het vroeg Latijn en wordt gebruikt door schrijvers als Plautus (3e-2e eeuw v.Chr.) en Cicero (1e eeuw v.Chr.).

Het woord is mogelijks (?) verwant met de Proto-Indo-Europese wortel ‘mer-‘of ‘morb(h)-‘ wat “sterven” of “afsterven” betekent. Dit zou “morbus” verbinden met woorden die verwijzen naar ziekte of verval.

Verwante woorden in het Latijn, zoals “mors” (dood) en het Sanskriet “mṛtyu” (dood) zijn mogelijks etymologisch verwant met het woord “morbus”.

Het interessante is dat in het Italiaans de oorspronkelijke Latijnse stam (morbus) twee richtingen is uitgegaan. Dit woord ligt aan de oorsprong van het woord (dat Gramski gebruikt), ‘morbosi’. ‘Morbosi’ is het meervoud van het bijvoeglijk naamwoord ‘morboso’, dat , ‘ziek’, ‘ziekelijk’, ‘ongezond’ betekent, maar ook ‘morbied’. Vanuit de context kan men afleiden dat Gramski deze betekenis aan het woord heeft willen geven.

De Latijnse stam (morbus) ligt echter ook aan de oorsprong van het Italiaans woord ‘morbido’. Het woord lijkt op het Franse woord ‘morbide’, maar heeft een andere betekenis. De niet meer gebruikte eerste betekenis van het woord was eveneens ‘ziek’ (zoals bij het woord morboso). De betekenis is geëvolueerd naar de huidige betekenis van ‘zacht’, ‘mild’.

De actuele dynamiek van beide woorden is verschillend. Ieder woord tracht immers een bepaalde werkelijkheid te benaderen. Een werkelijkheid die we niet rechtstreeks, onmiddellijk, onbemiddeld (romantisch, doorzichtig en idealistisch als illusies, fantasmen en waanbeelden) kunnen waarnemen, doch slechts door de bemiddeling van een interpretatie ervan door onze hersenen – als individueel zich spiegelend zelf als zelfbewustzijn – aan de hand van probabiliteitsmodellen, waaruit we een geanticipeerde keuze maken. Vandaar dat we aan woorden meerdere betekenissen geven, en daarbij keuzen maken. De dynamiek van het woord ‘morboso’ is het streven om de essentie van de betekenis (uit de keuze van meerdere betekenissen) zo goed mogelijk te vatten. Gramsci gebruikt het woord in een betekenis (morbide) die vanuit de essentie van het woord het best past in de context, waarin hij het woord gebruikt.

In een andere context is er een interessante Italiaanse uitdrukking ontstaan : ‘curiosita morbosa’, ‘ongezonde nieuwschierigheid’. In het Engels wordt hiervoor – vanuit dezelfde stam – het ander woord gebruikt ‘morbid curiosity’.  

In de dynamiek van het Italiaans woord ‘morbido’ was er een evolutie van de waarneming van de essentie van het woord naar een relationele betekenisvolle interpretatieve (door bemiddeling van onze hersenen) waarneming door het woord. In de oorspronkelijke betekenis (ziek) wordt het woordt niet meer gebruikt.

Vanuit deze betekenis onstond in het Italiaans door de bemiddeling van een (hersen)keuze een nieuwe betekenis; ‘morbido’ was niet meer ‘ziek’ maar werd ‘zacht’. Zowel als een essentie – als een zieke die een vermindere weerstand heeft – , maar eveneens als een waar te nemen relationele houding van een ander, als een dynamiek die ik waarneem, omdat een (zachte) relatie op mij afkomt vanuit die ander.

II/ DE VERNIEUWENDE BENADERING VAN VAN ALSTEIN

Het vernieuwende bij Van Alstein is het uitgekozen onderzoeksmoment in een zich structureel herhalende historische beweging. Een onderzoeksmoment dat verwijst naar het proberen ontdekken van wat modern is in de moderniteit ten aanzien van het geweld in de geschiedenis ervan. De auteur heeft het zelf over een ‘moeilijke en ongemakkelijke zoektocht’. (14)

Van Alstein gaat er van uit dat we heel wat missen als we het geweld in de moderniteit enkel benaderen vanuit universeel menselijke gewelddynamieken. (22)

De auteur stelt dat gewelddynamieken verbonden zijn aan bepaalde tijdperken, wat eveneens geldt voor de moderniteit.

“Neem de gewelddadige turbulentie die gepaard gaat met de neergang van een oude orde en de opkomst van een nieuwe. Op zich een klassiek historisch verschijnsel. In moderne tijden toont die dynamiek zich echter op een opmerkelijke, radicaal nieuwe manier. Als we de moderniteit definiëren als de periode waarin het vraagstuk van het nieuwe centraal komt te staan, dan maken spanningen tussen oud en nieuw HET WEZEN VAN DE MODERNITEIT UIT (de auteur benadrukt). De moderniteit is de periode waarin de wereld in de greep komt van voortdurende verandering en vernieuwing. Tegelijk leidt deze dynamiek van constante neergang van het oude en creatie van het nieuwe niet tot het einde van de moderniteit als zodanig. Integendeel, de moderniteit drijft op een continu proces van vernietiging en vernieuwing, zonder dat ze zelf, als systeem of als tijdperk, ten onder gaat of ten einde komt. In die zin zit het potentieel tot geweld en de opkomst van het nieuw ingebakken in de moderniteit zelf. In dit boek zal ik tonen hoe de moderniteit op regelmatige tijdstippen geweld heeft voortgebracht, meer bepaald als product van (typisch moderne) spanningen tussen oud en nieuw.” (23)

Zonder Europa centraal te stellen, deelt de auteur het Europese tijdperk van de moderniteit in, in drie delen.

Een eerste periode loopt van de vijftiende tot de negetiende eeuw, eigenlijk tot 1860, met het ‘maken van het moderne Italië’ ( voor deze laatste uitdrukking zie : 25-26).

De tweede van 1860 tot 1914, de ‘belle époque’.

En tenslotte de derde periode, van 1917 tot 1945, de periode waar de auteur het ‘totalitair geweld’ onderzoekt (deel III van het boek). Het boek is bijzonder goed gedocumenteerd. Een van de interessante elementen van het boek is het belang in dit dynamisch proces dat wordt gehecht aan de moderne Italiaanse geschiedenis.

III/ HOE ANALYSEERT VAN ALSTEIN DIE PERIODEN IN FUNCTIE VAN DE MOGELIJKHEID TOT GEWELD  ?

Als ik Van Alstein juist  volg, bestaat het verband tussen het ‘typisch’ modern geweld en de moderniteit in het feit dat de spanningsmomenten tussen een oude ordening en een nieuwe ordening er de essentie van zijn. Een van de interessante en vernieuwende aspekten van dit boek is de zoektocht van de auteur naar het geweldgehalte van de uitspraken en stellingen van de invloedrijke personen en auteurs die hij aanhaalt, als naar de betekenis van hun stellingen.

In dit kader citeert hij de bekende uitspraak van Karl Marx : ‘het geweld is de vroedvrouw van elke oude samenleving wanneer die zwanger is van een nieuwe’. (147)

De auteur haalt hiervoor de uitdrukking ‘creatieve destructie’ (destructieve vernieling) aan. Als ik het goed heb komt deze uitdrukking van de Duitse econoom en socioloog Werner Sombart (1913, hij beweerde dat Duitsers ‘helden’ dienden te zijn, geen ‘handelaars’, Van Alstein, 128) en werd deze uitdrukking in een specifiek kader hernomen door de Oostenrijkse econoom en politicus Joseph Schumpeter (in 1943).

Bij Schumpeter krijgt de uitdrukking een bijzondere betekenis :  Onder creatieve destructie (Engels: ‘creative destruction’) verstaat Schumpeter een proces van voortdurende innovatie, waarbij succesvolle toepassingen van nieuwe technieken de oude vernietigen. Schumpeter houdt technische innovatie voor de enige werkelijke bron van economische groei.

Het niet benoemd concept was ontegesprekelijk ouder en ruimer. Voor Van Alstein verwoordt deze uitdrukking de kern van de stichtingsmythe van de politieke moderniteit.

“Dat zelfbewuste streven naar een gewelddadige breuk met het oude en het maken van een nieuwe wereld vormt de kern van de stichtingsmythe van de politieke moderniteit. Die mythe, die later in de negentiende eeuw omschreven zou worden als CREATIEVE DESTRUCTIE  (de auteur benadrukt), heeft een geschiedenis.” (44)

De auteur stelt dat de rol van Giuseppe Mazzini en het Italiaans Risorgimento in dit verband belangrijk is geweest. Bij Manzinni is het gebruik van creatieve destructie nog doelgericht. “In zijn zucht naar het nieuwe haalde Mazzini in tal van opzichten de kernboodschap van de stichtingsmythe van de politieke moderniteit:’ Ons doel is niet eenvoudig om te vernietigen, maar veeleer om iets compleet nieuws te maken’” (106). Ofschoon Mazzini zich zal beroepen op historisch geweld, blijft hij in zekere zin binnen de perken van het gebruiken van het geweld in functie van het maken van het nieuwe. In die zin bekritiseerde hij  de Franse revolutie.

“Ook zijn pleidooien voor heldhaftige, patriottisch geïnspireerd geweld en ‘een nieuwe mens’ bleken aantrekkelijk voor fascisten.”(107)

De diep religieuze Mazinni bleef gehecht aan de ‘volssoevereniteit’. Opmerkelijk is volgende aanhaling :  “Zo schreef hij : ‘We zullen het dogma van de gelijkheid tot het niveau van de religie verheffen’ en ‘het leidt geen twijfel dat het individu heilig is en een cruciaal element vormt van alle vooruitgang’”. (107)

“Deze neiging tot sacralisering van seculiere waarden heeft voor een groot deel wellicht te maken met zijn diepe religieositeit. Maar de religieuze elementen in zijn politiek denken kunnen ook in een breder kader gelezen worden, meer bepaald als een – typisch modern – zoektocht naar nieuwe zekerheden in een tijd van secularisering. Communisten en fascisten zullen hun ideeën over een nieuwe orde later solidifiëren door ze te definiëren als historische of biologische wetmatigheden – de klassenstrijd of de rassenstrijd.” (108)

Voor Van Alstein is hij een belangrijke overgangsfiguur binnen de moderniteit.

Mazinni beïnvloedde de Franse auteur Antonio Gramsci en de Franse auteur Georges Sorrel ‘C’est à la violence que le socialisme doit les hautes valeurs morales par lesquelles il apporte le salut au monde moderne’  (geciteerd in voetnoot 150, 321, ‘Het is aan het geweld dat het socialisme de hoge morele waarden dankt waarmee het de moderne wereld zal redden’ (142). Sorrel heeft het vooral over het syndicalistisch socialisme.  Het verbinden van deugd en terreur (in functie van het nieuwe) vinden we reeds bij Robespierre in een redevoering van 5 februari 1794, ’17 pluviôse jaar II) gehouden voor de Nationale Conventie, een paar maand voor zijn eigen terechtstelling, met als titel : ‘Sur les principes de morale politique qui doivent guider la Convention nationale dans l’administration intérieure de la République’.

‘https://fr.wikisource.org/wiki/Œuvres_de_Robespierre/Sur_les_principes_de_morale_politique).

In deze toespraak rechtvaardigt Robespierre het gebruik van terreur als een noodzakelijke maatregel om de (onzekere, nieuwe) Republiek te beschermen. Een kernzin uit deze toespraak luidt:

 “La terreur n’est autre chose que la justice prompte, sévère, inflexible ; elle est donc une émanation de la vertu.”

Vertaling :

“Terreur is niets anders dan snelle, strenge, onbuigzame rechtvaardigheid; ze is daarom een emanatie van de deugd.” (vertaling Van Alstein, 63).

Ik zou nog vele namen kunnen citeren, die allen in dezelfde lijn liggen. Daarbij is er geen breuklijn tussen de politieke strekkingen van de auteurs, tot welke (uiterste) politieke lijn zij ook mogen behoren. Daarbij wordt verwezen naar belangrijke bijdragen van de   Russische auteurs als Nicolaï Tsjernysjevski (Wat te doen ?; de ‘kritiek van Fyodor Dostojevski) en  Sergej Netsjajev met zijn nihilistisch pamflet : ‘Catechismus van een revolutionair’.

Zijn geschriften doen denken aan deze die gehanteerd worden door anti-moderne religieuze sekten, als aan deze die gehanteerd werden door de moderne hyperrevolutionaire Rode Brigades in Italië.

Ik haal volgende tekst uit het boek van Van Alstein aan, omdat we hier een mogelijke sacrale gemene deler (een gemene noemer) benaderen, die bij al deze auteurs aanwezig is van welke politieke of religieuze kant zij ook komen.

“’De revolutionair weet dat hij in het diepste van zijn wezen, niet alleen in woorden maar ook in daden, alle banden heeft verscheurd met de maatschappelijke orde en de beschaafde wereld met al haar wetten, morele opvattingen en gewoonten en met al haar algemeen aanvaarde gebruiken, ketent. Hij is de onverzoenlijke vijand van de wereld, en als hij zich daar voorlopig aan aanpast, is het slechts om haar sneller te vernietigen…Tiranniek ten opzichte van zichzelf, moet hij ook tirraniek ten opzichte van anderen zijn (zoals goeroe’s in sekten, eigen opmerking). Hij moet alle zachtzinnigheid, verzwakkende gevoelens van verwantschap, liefde, vriendschap, dankbaarheid en ZELFS VAN EER IN ZICHZELF ONDERDRUKKEN (ik benadruk) en moet de ijskoude, doelgerichte hartstocht voor de revolutie ruimte geven. Voor hem geldt slechts één vreugde, één troost, één loon en één bevrediging – het slagen van de revolutie. Dag en nacht mag hij maar één gedachte, één doel voor ogen hebben – de medogenloze vernietiging’.“(geciteerd in Van Alstein 134-135, aanhaling Sergej Netsajajev (1869), De Revolutionaire Catechismus, met internetverwijzing, waar men de Catechismus kan lezen).

Het doet Nietzscheaans aan : “’Om een nieuwe wereld te creëren, zo laat Nietsche zijn Zarathustra zeggen, is het ‘kwaad’ van de grondige vernietiging nodig om het nieuwe – het hoogste ‘goed’- te scheppen’ (met verwijzing in voetnoot 190, naar Cor Hermans (2023) ‘De uitgewiste horizon’, p. 307-308, 346,357,372) De filosofie van de creatieve destructie in oorspronkelijke vorm.” (167)

Ik stel dat Friedriech Nietsche een unieke rol speelt in een door Van Alstein aangehaald deelaspect van de sacrale moderniteit. Wat ik aanzie als de religieuze aard ervan. Meteen stel ik dat de moderniteit een ander facet heeft, dan deze.

Nog vele namen worden in het boek van Van Alstein opgesomd (waaronder Walter Flex, en het aandoenlijk boek van Louis Barthas).

Ik haal enkel nog deze belangrijke Italiaanse auteur aan Filippo Tommaso Marinetti. Van Alstein haalt zijn bekende (bombastische – die als bommen vallen – ) woorden aan : “…Wij zijn van plan om agressieve actie te verheerlijken, een rusteloze waakzaamheid, het leven op zijn snelst, de klap en de vuistslag…Een brullende auto die lijkt voort te razen als mitrailleurvuur is mooier dan de Gevleugelde Overwinning van Samotrake. Er is geen schoonheid meer behalve de strijd. Elk kunstwerk dat een gevoel van agressie mist, kan nooit een meesterwerk zijn… Wij willen de oorlog verheerlijken – de enige zuiveraar van de wereld – militarisme, patriotisme, de destructieve daad van de libertair, mooie ideeën die waard zijn om voor te sterven, en minachting voor vrouwen. We willen musea, bibliotheken en allerlei academies vernietigen, en vechten tegen moralisme, feminisme en elke vorm van materialistische, egoïstische lafheid…” (geciteerd door Van Alstein, 155)

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd met : De tweevoudige aard van de moderniteit. De religieus sacrale kern van de moderniteit. (1) De mogelijkheid om de sacraal religieuze kern van de moderniteit te ontdekken (de uiterst gevoelige religieuze sacrale snaar ervan bloot te leggen) (2). De literaire aanwezigheid van de aanwijzing van de weg van het zich zacht spiegelend zelf als zelfbewustzijn (de andere mogelijkheid van de moderniteit) binnen de moderniteit. (3)

 

DE OORSPRONG VAN HET GEWELD IN DE INTERMENSELIJKE RELATIES (deel II)

INLEIDING

Mijn uitgangspunt is dat we de werkelijkheid niet rechtstreeks en onbemiddeld (maar door de bemiddeling van en interpretatie door onze hersenen) waarnemen.

Er is echter een verschil tussen de wijze waarop onze hersenen ‘probabiliteitsmodellen’ maken om de werkelijkheid te ontcijferen, ten aanzien van wat er gaande is in die hersenen met betrekking tot onze intermenselijke contacten.

Het is een complexe vraag, omdat we binnen deze vraag het moment moeten proberen te ontdekken, waarop het menselijk verlangen ontstaat en waardoor. Het menselijk verlangen is niet per se en op zich negatief.

René Girard (die zeer veel geschreven heeft over het verlangen) maakt in dit verband een interessant onderscheid. Het onderscheid is eigenlijk economisch, maar heeft een ruimere reikwijdte.

Hij stelt dat we het onderscheid moeten maken tussen ‘levensnoodzakelijke’ (soms ‘primaire’ goederen genoemd) en niet ‘levensnoodzakelijke goederen’.

Girard maakt het onderscheid tussen goederen voor basisbehoeften en andere goederen waar we mimetisch naar verlangen in zijn werk ‘De romantische leugen en de romaneske waarheid’, uitgave 1986, 131, (oorspronkelijke uitgave 1961).  

Hij verwijst er eveneens naar in zijn boek ‘Verborgen zaken sedert het ontsaan van de wereld’ uitgave1987, 186, (oorspronkelijke uitgave 1978).

Met betrekking tot het onstaan van het verlangen en (als het fout afloopt) van het geweld, verwoord ik zijn onderscheid als volgt. We kunnen naar goederen verlangen, omwille van de noodzaak.

Dan verlangen we naar het goed, omwille van het goed. Het is een doelgericht verlangen.

We kunnen ook naar een goed verlangen omwille van de status, omwille van een zijnsverlangen en meerzijnsverlangen, in concurrentie met een ander. Dit hoeft niet altijd, maar kan ontaarden in een rivalitair mimetisch verlangen en geweld. De eerste reeks goederen zijn noodzaakgoederen. De tweede reeks statusgoederen (of zuchtgoederen).

In welke categorie hetvolgend voorbeeld  plaatsen ?

Het is oorlog en hongersnood.

Ik heb honger, maar er is geen brood te vinden. Ik zie dat er veel beweging is bij mijn buur. Leveranciers komen binnen en buiten met alles wat lekkers is, alsook met manden vol brood. Ik kan mijn ogen niet geloven. Ik verneem dat mijn buur een parallelle economie leidt (in oorlogstaal een ‘zwarte markt’).

De honger knaagt zo, dat ik een brood steel bij mijn buur. Het wordt opgemerkt en ik vermoord mijn buur. Is dit geweld, een moord, omwille van een noodzaak of omwille van een statusgoed?

Ik haal dit voorbeeld aan, om erop te wijzen dat wat het geweldgehalte van een moord betreft, het onderscheid niet altijd even evident is.

Waar ligt nu de gemeenschappelijke noemer.

De gemeenschappelijke noemer is een reëel of vermeend tekort dat ik als een verlies aanvoel ten aanzien van de ander. Dit tekort (verlies) kan bij mij maar worden hersteld door de ander op een bepaalde wijze erbij te betrekken. Is het geweldgehalte doelgericht (omdat ik honger heb), of rivalitair (omdat ik mimetisch verlang het brood van mijn buur te hebben) ?

Het is bekend dat in het Hebreeuws de woorden voor “brood” (לחם, lechem) en “oorlog” (מלחמה, milchama) taalkundig verwant zijn, omdat ze beide afgeleid zijn van dezelfde drieletter wortel, ל-ח-ם (l-ch-m)  verwijzend naar de relatie tussen basisbehoeften en conflict.

Wat betekent het menselijk aanvoelen van verlies, van een tekort, dat mij tot geweld aanzet?

DE WAARNEMING VAN DE ANDER

Hoe neem ik de ander waar?

Ik neem de werkelijkheid waar door het selecteren in mijn hersenen van een model tussen een reeks anticipatieve probabiliteitsmodellen. Ik selecteer een model en ontvang het in mijn zelf.

Bij het waarnemen van de ander ligt de relatie anders.

Daarbij speelt de werking van de spiegelneuronen ongetwijfeld een belangrijke rol (niet uitsluitend).

Ik onderscheid twee verschillende soorten waarnemingen. Het waarnemen van de niet biologische wereld enerzijds en het waarnemen van de ander anderzijds.

Het verschil situeert zich op het niveau van het ontwerpen door mijn hersenen van het anticipatief model. Overeenkomstig het ‘probabiliteitsgehalte’ van de anticipatieve modellen, hanteer ik het meest geschikte model. Bij het waarnemen van materiële zaken neem ik door middel van een ‘vertekend’ spiegelmodel de werkelijkheid op in mijn zelf, als het beste geselecteerde ‘probabiliteitsmodel’. Heel het spiegelgebeuren is eenzijdig. Heel het gebeuren vindt plaats in mijn eigen hersenen. Er is geen wederkerig of wederzijds gebeuren.

Als ik een wagen zie ‘vereenzelvig’ ik mij (in beginsel) niet met die wagen.

Als ik de ander zie (hoor), wordt mijn anticipatief model gemodelleerd vanuit het anticipatief waarnemen van het zelf van die ander als mijn eigen zelf. De ander wordt de spiegel, die ik op onjuiste wijze waarneem als mijn eigen zelf. Dit is een onjuist neveneffect van de wijze waarop ik spiegelend de probabiliteit van zijn intenties anticipatief waarneem als de mijne. Vanuit deze ‘probabiliteitswaarneming’ zijn er twee mogelijkheden. Er kan een primair offergebeuren bij de mens ontstaan, die het mimetisch verlangen en de mimetische rivaliteit voorafgaat. Ik kan de energie van de ‘intentie’ van de ander die ik als de mijne aanneem twee richtingen laten uitgaan.

De intentionele spiegelbeweging kan immers twee richtingen uitgaan. In het ene geval keert de spiegelbeweging terug naar het eigen zelf (een terugschrijden, of een zich terugtrekkende beweging), naar het zich spiegelend zelfbewustzijn. Deze eveneens anticipatieve beweging is een reactie op mijn oorspronkelijke probabiliteitswaarneming. Hierdoor ontstaat een afstand tussen mij en de ander. Ik herstel als het ware het fout waarnemen van het zelf van de ander als mijn eigen zelf. Ik herstel een foutmarge, die inherent is aan het anticipatief probabiliteitsgebeuren ten aanzien van de ander als mijn hersenmodel.

Dit is niet een mij afsluiten van de ander, of een mij isoleren. Het is in mijn waarneming van de ander een rem, waardoor het zelf van de ander opgenomen wordt in mij als een ander zelf, en niet als mijn zelf. Het is door mijn zich spiegelend zelfbewustzijn dat ons deze mogelijkheid wordt geboden. Er blijft met andere woorden een leemte, een ruimte, ten aanzien van mijn zelf en dat van de ander.

Ik beweer niet dat er hier geen foutmarge kan ontstaan. Mijn zelf dat zich als zelfbewustzijn weerspiegelt blijft evenwel mijn zelf, waardoor er een afstand behouden blijft tussen mijn zelf en dat van de ander die ik waarneem.

De rem ten aanzien van het geweld houdt met andere woorden verband met de anticipatieve reflecterende ‘autonomie’ van mijn zelf tegenover het zelfoffer van mijn zelf in functie van een eigen meerzijn.

Dit zelfbewustzijn van mijn zelf is een biologisch, organisch niet sacrificiëel gegeven bij de mens. Het kan niet opgeofferd worden, of enkel illusoir opgeofferd worden.

De meest voorkomende weg, is de andere weg (de weg van het zelfoffer). Omwille van de zeer hevige werking van onze spiegelneuronen vanuit het als anticipatieve probabiliteitsmodellen waarnemen van de intenties van de ander als de mijne, neem ik zijn zelf waar als mijn eigen zelf. Door de foute, onjuiste waarneming neem ik dit zelf waar als een zijn. Ik kan dit echter maar doen door mezelf, mijn eigen zelf op te offeren. Hierdoor wordt de foutenmarge groter. Het zelf van de ander wordt in mij opgenomen als een eigen meerzijnsmodel ten aanzien van een illusoir zijn van die ander (dat ik eigenlijk waarneem als mijn eigen zelf). Mijn zelf verdwijnt naarmate ik meer wil ‘worden’ en ‘zijn’ dan de ander, om hem te overtreffen. Omwille van dit meerzijn zal een van mijn eerste reflexen (vertekende spiegel) erin bestaan hetzelfde te willen doen en hebben als die ander. Het doen of hebben is er in functie van een nabootsend verlangen – het proces is wederzijds – meer te zijn. Wat ligt er nu aan de oorsprong van dit eigen zelfoffer? De oorsprong van dit zelfoffer – omwille van mijn zijnsvermeerdering – is het ten onrechte waarnemen van de intentie van de ander als een verlies van mijn eigen zijnsinhoud.

Ik neem het zelf van de ander waar vanuit mijn anticipatieve probabiliteitsmodel van het waarnemen van zijn intenties als de mijne, niet waar als mijn zelf – wat het spiegelend weerkaatsend is – maar als mijn zijnsverlies.

Dit omwille van de vertekening bij het spiegeleffect.  

Dit vertekent het anticipatief probabiliteitsmodel, waardoor mijn zelf opgeofferd wordt in functie van het opvullen, of goedmaken van dit verlies door een mimetisch verlangend eigen meerzijn. In mijn voorbeeld is het verlies, of tekort reëel. Wat niet wegneemt dat telkens een verbeeld verlies een rol speelt. Het tekort, de schaarste, het verlies hoeft niet reëel te zijn, om het proces te doen ontstaan.

Het mimetisch verlangen is altijd een verlangen dat ontstaat uit het eerste moment van de onjuiste waarneming van het zelf van de ander als mijn zijnsverlies.

Dit proces hoeft niet altijd mimetisch rivalitair te zijn. Het kan het echter worden als oorsprong van intermenselijk geweld.

Ik neem de ander waar. Ik neem zijn intenties waar als de mijne (spiegelneuronen). Ik ervaar dit als een zijnsverlies, waardoor ik mijzelf opoffer in functie van een eigen meerzijn. Vanuit de probabiliteitsmodellen, is het de ander die hierdoor mijn zijnsmodel wordt. Ik verlang die ander te worden, te zijn en te overtreffen. Rivaliteit en geweld ontstaan als het offer van mijn zelf, het vernietigen ervan, door het pogen het zelf van de ander te vernietigen dat ik als een op te offeren eigen zelf waarneem. In dit geweld offer ik de ander op als een wederkerig zelfoffer, in functie van een eigen zijnsvermeerdering. Eigenlijk neem ik het zelf van de ander – die mijn model zal worden – verbeeldend waar als een meerzijn van die ander.  Het is een verkeerde oorzakelijkheid. De verkeerde oorzaak (miskenning) voor mijn eigen vermeend zijnsverlies is het vermeend waarnemen van de ander als mijn eigen meerzijn, terwijl ik hem louter waarneem als mijn eigen zelf.

Ik compenseer deze verkeerde oorzakelijkheid, dit fout waarnemen van de ander, door een mimetisch verlangen dit vermeend meerzijn (van die ander, dat ik als het mijne aanzie) te worden en te overtreffen. De onjuiste verbeelding van het zijnsverlies kan zo groot zijn dat enkel de vernietiging van de ander dit kan compenseren. Maar eigenlijk is het een vernietiging van mijn zelf in functie van een eigen vermeend meerzijn om mijn vermeend zijnsverlies te compenseren.

In beide veronderstellingen is een foutenmarge mogelijk. In de tweede veronderstelling verkleint de afstand tussen mij en de ander.

Dit kan een werkelijke verkleining van de afstand zijn, als ik de hand sla op iemand. Ik dood mijn zijnsmodel, omdat mijn nabootsend verlangen hem te overtreffen faalt. Het falen ontstaat wanneer mijn rivalitair mimetisch verlangen meer te worden dan de ander groter is dan het werkelijk meer worden dan die ander. Ik verlang, maar kan mijn meerzijn niet opvullen. Ik geraak niet ‘meerzijnsvol’ ten aanzien van mijn zijnsmodel, de ander. De bemiddeling is hier intern.

Dit kan echter ook een vermeende verkleining van de afstand zijn. In dit geval wordt de persoon die ik fysisch in tijd, ruimte, of om sociale redenen niet kan benaderen mijn vermeende bemiddelaar-model ten aanzien van mijn nabootsend verlangen. Ik kan het zelf van die andere niet benaderen, maar wel het zelf van anderen in functie van dit zijnsmodel. De bemiddeling is hier extern.

Beiden behoren echter tot dezelfde menselijke zijnsstructuur.

Het is geen ‘of’, ‘of’ verhaal. Beide veronderstellingen kunnen, omwille van ons menszijn terzelfdertijd aanwezig zijn. We leven niet in een ideale wereld. Maar we kunnen onze ogen openen, en reflecterend inzien – vanuit ons zelfbewustzijn – dat er een biologische, organische rem ter onzer beschikking staat ten aanzien van het geweld.

GEVOLGEN

Mijn tweede veronderstelling heeft een tweevoudig gevolg.

Het eerste is dat het geweld ontstaat uit het zelfoffer van het eigen zelf als compensatie voor een vermeend verlies bij het onjuist waarnemen van het zelf van de ander als een eigen zijn dat ik mimetisch verlang te vermeerderen. Mijn ‘gekozen’ probabiliteitsmodel is dan die ander, waarvan ik het vermeend model (mijn probabiliteitsmodel) mimetisch verlang na te bootsen om als hem te zijn of meer te zijn dan hem.

Ik voed mij letterlijk aan de ander, omdat ik de afstand tussen mij en die ander steeds wil verkleinen om zijn opgeofferd zelf – dat ik als mijn zelf waarneem, vanuit zijn intenties –  als mijn zijnsmodel – vanuit het probabiliteitsmodel van mijn hersenen – wil volbrengen, vol maken. Mijn eigen ‘zijn’ voller maken dan mijn model is.

Ik citeer in dit verband een tekst uit de wereldliteratuur. Ik haal deze tekst enkel aan als een literaire tekst, niet als een religieuze, sacrale, theologische, canonieke, of dogmatische tekst. In de literaire betekenis heeft deze tekst een anti-sacrificiële betekenis.

‘εἰ δὲ ἀλλήλους δάκνετε καὶ κατεσθίετε, βλέπετε μὴ ὑπὸ ἀλλήλων ἀναλωθῆτε’

Paulus, Galaten 5,15

εἰ δὲ (ei de)

vertaling: ‘maar als’

meerdere betekenissen: ‘indien echter’ (voorwaardelijke zin)

grammaticale vorm:

εἰ: voorzetsel, duidt een voorwaardelijke bijzin aan

δὲ: partikel dat een tegenstelling of nuance aangeeft, vaak vertaald als ‘maar’ of ‘echter’

ἀλλήλους (allēlous)

vertaling: ‘elkaar’

meerdere betekenissen: ‘wederzijds, de een de ander’

grammaticale vorm: wederkerig voornaamwoord, accusatief meervoud

δάκνετε (daknete)

vertaling: ‘bijten’

meerdere betekenissen: letterlijk ‘bijten’ maar figuurlijk ook ‘kwetsen’ of ‘beschadigen’

grammaticale vorm: actieve indicatieve vorm, tweede persoon meervoud, tegenwoordige tijd

καὶ (kai)

vertaling: ‘en’

meerdere betekenissen: kan ook worden vertaald als ‘ook’ of ‘zelfs’, afhankelijk van de context

grammaticale vorm: voegwoord

κατεσθίετε (katesthiete)

vertaling: ‘verslindt’

meerdere betekenissen: ‘eten’ of ‘verwoesten’, figuurlijke betekenis ‘elkaar uitputten’

grammaticale vorm: actieve indicatieve vorm, tweede persoon meervoud, tegenwoordige tijd

βλέπετε (blepete)

vertaling: ‘let op’

meerdere betekenissen: ‘wees waakzaam’ ‘voorzichtig zijn’, ‘zien.’

grammaticale vorm: imperatief actieve vorm, tweede persoon meervoud, tegenwoordige tijd

de meest letterlijke vertaling is : ‘kijk’, ‘open uw ogen’ (verwijzing naar het boek Genesis), ‘kijk uit uw doppen’ (vanuit uw zelfbewustzijn en niet vanuit uw mimetisch verlangen meer te zijn dan uw model)

μὴ (mē)

vertaling: ‘niet’

meerdere betekenissen: ontkenning, vaak gebruikt in imperatieve of subjunctieve zinnen

grammaticale vorm: ontkenningspartikel

ὑπὸ ἀλλήλων (hypo allēlōn)

vertaling: ‘door elkaar’, ‘de een de ander en de ander de een’

meerdere betekenissen: ‘wederzijds,’ met een nadruk op onderlinge wederkerige relaties en acties

grammaticale vorm: voorzetsel + genitief (ὑπὸ duidt op een passief geachte relatie met de ander – die enkel nog (illusoir) waargenomen wordt als  mijn (meer)zijn –

ἀναλωθῆτε (analōthēte)

vertaling: ‘(helemaal) verwoest worden’

meerdere betekenissen: ‘verteren’ ‘totaal uitgeput worden’

grammaticale vorm: passieve subjunctief, tweede persoon meervoud, aoristus

‘Maar als jullie elkaar (wederzijds) bijten en verslinden, open (vooraf, eerder, anticipatief) uw ogen dat jullie niet de een door de ander (tot het uiterste, het voorzetsel ‘upo’) wederzijds verwoest worden.’

Vanuit de literaire betekenis van deze tekst uit de wereldliteratuur ontdekken we dat iedere vorm van geweld (reeds het geweld tussen individuen) een vorm van wederzijds zelfcannibalisme is in functie van mijn meerzijnsmodel. Interessant in deze literatuur is de nadruk op het wederzijds gebeuren. Door de ander op te offeren, offert men eigenlijk zichzelf, ieder zijn zelf, op. Omwille van de totale onverscheidenheid die daardoor ontstaat tussen de wederzijdse duellerende cannibalen, vernietigt men in werkelijkheid zichzelf door het zelf van de ander te vernietigen, illusoir te verteren als mijn meerzijn.

Dit totale verwoestende vernielingsproces kan enkel gestopt worden (rem) door onze ogen te openen, vanuit een anticipatief reflecterend zelfbewustzijn. Onze ogen zijn immers al open, maar we zien het reflecterende zich spiegelende licht niet van ons zelfbewustzijn.

De totale verwoesting is reeds aanwezig in de verhouding tussen individuen. Bijten, kwetsen, pesten, spotten, slogans, openbare vernederingen, kwaadwillige taal (heimelijk, achter de rug of in het openbaar in aanwezigheid van de betrokkene om hem collectief te kwetsen, of omwille van de zizanie, het zaaien van onderlinge twisten tussen twee personen om er van te genieten als een zijnsvermeerdering), anderen angst aanjagen door individuele terreurberichten, terreur tussen individuen, stalking, zich verheugen in, en het genieten van het lijden of overlijden van de ander als een zijnsvermeerdering enz.

We kunnen echter onze ogen openen, dit is een (eveneens) anticipatief reflecterend zelfbewustzijnsproces. De verwijzing naar het boek Genesis verwijst ook naar een andere belangrijke dimensie van dit gebeuren, de dimensie van de uiterste meerzijnsdrang, de zelfvergoddelijking.

Maar hoe werkt het zelfvergoddelijkingsproces nu in mijn verhouding tot de ander ?

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)

 

KUNNEN WE DE OORZAAK VOOR HET ONTSTAAN VAN HET GEWELD BIJ DE MENS ONTDEKKEN?

IS ER BIJ DE MENS EEN BIOLOGISCHE GEWELDREMMENDE FACTOR? (deel I)

We onderzoeken eerst de oorzaak van het geweld in de verhoudingen tussen individuen, daarna in de verhouding tussen groepen.

I/ DE VERKEERDE WAARNEMING VAN DE WERKELIJKHEID EN ONS ZELFBEWUSTZIJN

We kunnen de werkelijkheid en meer in het bijzonder onszelf niet rechtstreeks en op een correcte wijze waarnemen.

Iedere waarneming is een hertekende interpretatie door onze hersenen.

Het niet rechtstreeks -maar op geïnterpreteerde wijze- waarnemen van de werkelijkheid werd op wetenschappelijke objectieve, gekwantificeerde en overtuigende wijze aangetoond, onder andere door Lionel Naccache en Antonio Damasio (ofschoon in wetenschappen alles altijd een weerlegbare hypothese blijft).

Men heeft onderzocht hoe tennisspelers steeds door middel van hun hersenen op voorhand proberen te voorspellen wat komen zal (de slag van de andere speler) om daarop te reageren.

De reactieslag van de speler wordt telkens voorafgegaan door een model ervan in de hersenen van de speler, dat later uitgevoerd wordt.

Paolo Bartolomeo heeft deze hypothese als volgt uitgewerkt :

“De fundamentele rol van de hersenen in de menselijke reactie op veranderingen in de omgeving
De essentiële rol van de hersenen in de menselijke reactie op veranderingen in de omgeving suggereert dat de belangrijkste functie van de hersenen is om de buitenwereld te representeren, zodat we beslissingen kunnen nemen op basis van deze representaties.

Echter, een brein dat zich alleen maar beperkt tot het reageren op externe prikkels, zou een zeer slechte navigator zijn in onze interacties met gebeurtenissen. De Canadese neurowetenschapper Patrick Cavanagh geeft het voorbeeld van een tennisser die een bal moet raken die met 40 m/s door de lucht vliegt.
Als hij zou wachten tot de bal binnen zijn bereik is om zijn armpositie aan te passen, zou hij nooit de tijd hebben om de bal te raken: in de tiende seconde die nodig is om de positie van de bal waar te nemen en te reageren, zou de bal al 4 meter verder zijn en ver buiten het bereik van zijn racket liggen.
Als de arm van de speler beweegt om de bal te onderscheppen, is dat dus omdat zijn hersenen de baan van de bal voorspellen. Algemeen gesproken voorspellen we elke keer dat we bewegen systematisch de gevolgen van onze bewegingen. Alleen reageren op externe prikkels is niet voldoende; we zouden altijd falen, omdat we steeds achterlopen op de gebeurtenissen.

Om effectief met onze omgeving te interacteren, moeten we in staat zijn om zowel de gevolgen van onze bewegingen als die van anderen zo goed mogelijk te voorspellen. Dit is de uiteindelijke reden waarom we een brein hebben!

De neurowetenschapper Rodolfo Llinás geeft een smakelijk voorbeeld van een klein zeewezen, de zakpijp (ascidie). Dankzij haar brein zwerft de jonge zakpijp door de zee op zoek naar een rots om zich aan vast te hechten om te overleven. Zodra ze zich op een rots heeft gevestigd, heeft de zakpijp haar brein niet meer nodig, dat ze vervolgens… verteert. Op deze manier bespaart de volwassen zakpijp zichzelf de aanzienlijke energiekosten van het in stand houden van een brein dat ze niet meer nodig heeft. (Dernières nouvelles du cerveau, 2023,  ISBN : 978-2-0802-7046-7, 13,14 en 15 ».

De eerste hypothese van de hersenen als simulator werd geuit door de Pruisische fysicus Hermann von Helmholtz (1821 – 1894), die stelde dat de perceptie niets anders is dan een reeks hypothetische testen of modellen.

Paolo Bartolomeo schrijft verder :

“EEN MODELLERING VAN DE WERKELIJKHEID

Dit idee volgens welke de fundamentele rol van de hersenen van gewervelde dieren het voorspellen van de toekomst is, is in verschillende recente theorieën ontwikkeld. Volgens de voorspellende coderingsaanpak zouden onze hersenen voortdurend modellen bouwen van onze externe realiteit en de toekomstige evolutie ervan (simulaties). Waarneming zou dus niet voortkomen uit de simpele constructie van een kopie van deze realiteit (de representatie die we hierboven noemden), maar uit een voortdurende vergelijking van deze interne modellen met de externe realiteit. Deze vergelijking zou gemaakt worden door middel van perceptie en actieve verkenning van de omgeving, met als einddoel het minimaliseren van voorspellingsfouten. De cruciale informatie ligt dus in de verschillen tussen de simulaties en deze realiteit; het brein berekent deze verschillen (of voorspellingsfouten) en gebruikt ze om zijn modellen bij te werken en nieuwe, betrouwbaardere scenario’s te ontwikkelen. Gewapend met deze modellen zouden we in de wereld handelen terwijl we die ervaren.” (28-29).

Antonio R. Damasio heeft onderzoek gedaan naar de rol van ons zelfbewustzijn in dit verband (Le Sentiment même de soi, Corps, émotions, consience, 1999, EAN : 978 – 2- 7381 – 9642 – 2).

Damasio geeft het voorbeeld van iemand die een boek leest (18-22).

Hij stelt dat er bij het lezen onze hersenen een dubbele werking hebben. Damasio zoekt naar : ‘het gevoel van het zelf in de daad van kennen’. Hierbij maakt hij het onderscheid tussen een eerste benadering door onze hersenen, namelijk het lezen, het opbouwen van de zinnen en het zoeken naar de betekenis van de woorden en de zinnen. Hij stelt dat deze benadering van de tekst niet alles weergeeft, van wat in onze hersenen op dat ogenblik gebeurt. De hersenen geven ons weer dat ‘ik’ het ben, die de tekst leest, in plaats van iemand anders. Damasio heeft het over een ‘gevoel van zichzelf’. Damasio stelt dat dit een particuliere en inwendige ervaring is van het individu. Het onderzoek van Damasio is belangrijk, omdat hij een ervaring ontdekt, die uitgaat van ons individueel biologisch organisme. Damasio gebruikt hiervoor als Naccache (zijn twee boeken, ‘Le cinéma intérieur’ en ‘Apologie de la discrétion’) het woord ‘film’.

Bij Damasio geeft deze ervaring ons de mogelijkheid om ‘eigenaar’ te worden ‘binnen de film’ (van de film) (20).

Het onderzoek van Damasio is waardevol. Mijn uitgangspunt komt echter niet helemaal overeen met dat van Damasio.

Ik hanteer zoals Damasio twee ervaringsmomenten.

De eerste door Damasio beschreven ervaring (de eerste fase) is deze van het ontdekken van de letters, de woorden, de zinnen als structuur, als opbouw en betekenis. Ik zou die ervaring niet helemaal omschrijven als Damasio.

De tweede ervaring (de tweede fase) is een weerkaatsing van de eerste fase. Hierbij spelen de spiegelneuronen in onze hersenen ongetwijfeld een belangrijke rol. Als in een spiegel wordt de tekst in ons zelf ‘opgenomen’, waardoor we verder door een nieuw spiegeleffect tot zelfreflectie komen. Het proces van de zelfreflectie is een zich eindeloos spiegelend proces van biologische, organische zelfbewustzijn, dat ons individualiseert als een ‘autonoom’ zelf (wat niet hetzelfde is als een ‘autonoom’ zijn).

Het onderzoek van Naccache wijst ons op een belangrijk element in dit proces. Namelijk het onderscheid tussen discontinuiteit (discretie) en continuiteit. Reeds in de door Damasio beschreven eerste fase (de structureringsfase), valt het op dat wat op het wit blad ‘afgedrukt’ staat in een eerste perceptie letters zijn die we onderling moeten ‘verbinden’.

We moeten een ‘discontinuïteit’ waarnemen als een ‘continuiteit’ door middel van onze hersenen. Ieder woord, iedere zin, wordt in onze hersenen waargenomen als een continuiteit, vanuit een discontinuiteit. Hierbij hanteren onze hersenen – door middel van een keuze tussen meerdere mogelijke spiegeleffecten – het model  (het spiegeleffect) dat zij als het beste ervaren om de discontinuïteit van de tekst als een continuïteit te kunnen lezen. We weten dat de mens biologisch niet volmaakt is, waardoor bij bepaalde mensen dit proces moeilijker verloopt dan bij anderen.

De tweede fase, deze van het opnemen van de tekst door middel een nieuw spiegeleffect in mijn zelf is een modelleren van de eerste fase in mijn hersenen als een opname ervan in mijn inwendig zelf. Daarbij herinterpreteren mijn hersenen de eerste fase als een continu model, opnieuw als de meest hanteerbare probabiliteit. Maar nu als een opnemen van de tekst in mijn zelf.

Vanuit het opnemen van de tekst in mijn zelf, als een individueel zelfbewustzijnsproces, herlees ik de tekst vanuit een model, dat ik opneem in mijn zelf, als een keuze tussen reeks anticipatieve modellen (spiegeleffecten in mijn hersenen). Ik geef daardoor een betekenis, een interpretatie aan de tekst. Omdat ik daarbij de keuze maak tussen meerdere modellen, kan het goed zijn dat een andere persoon een andere interpretatie geeft aan dezelfde tekst. Zo kan er een dialoog ontstaan tussen mensen, naar aanleiding van het op verschillende wijzen interpreteren van teksten, ingevolge voormeld ervaringsproces. Men kan echter ook een model selecteren -vanuit de keuze tussen anticipatieve modellen-, dat in werkelijkheid aan geen enkele juiste interpretatie van de tekst beantwoordt. Men heeft het dan over een verkeerde interpretatie van de tekst. Vanuit de werking van onze hersenen, kan er met andere woorden een foutmarge ontstaan. In menselijke instellingen tracht men daaraan te verhelpen door de lezing te ontdubbelen (bijvoorbeeld door het vragen van een ‘second opinion’).

Belangrijk is vast te stellen dat het in dit biologisch proces fout kan lopen. Vraag is nu, waarom het fout kan lopen bij het waarnemen door onze hersenen van de anderen, vanuit onszelf. Deze fout heeft te maken met een dynamische interpretatiemarge. Zo dient men een onderscheid te maken tussen het ‘onmiddellijk’,  ‘rechtstreeks’ waarnemen van de werkelijkheid en het zich herinneren van dit waarnemen. Als ik mij herinner hoe een boom er uit zag die ik heb gezien, is mijn weergave van mijn waarneming als herinnering onderworpen aan een grotere interpretatiemarge in vergelijking met de onmiddellijke oorspronkelijke waarneming.

Door het zich spiegelend ‘dupliceren’ van het eerste model als een tweede model door mijn hersenen wordt de ‘foutenmarge’ (de mogelijkheid tot verkeerde weergave) groter. Omwille van de afstand tussen de onmiddellijke waarneming en de herinnering ervan ten aanzien van de probabiliteit van de juiste keuze tussen de modellen die de waarneming interpreteren en herinterpreteren.    

Ook met betrekking tot het onthouden (het proces van het geheugen) binnen het leerproces geldt een zich spiegelende modellering, waarbij eveneens de foutenmarge groter is, dan bij het onmiddellijk waarnemen ervan. Het herhalingsproces is dan weer een middel om de foutenmarge te verkleinen.

Maar hoe werkt dit proces in intermenselijke relaties ?

Philippe De Keukelaere (wordt vervolgd)

 

IS ER HOOP OP EEN NIET ZELFOPOFFERENDE EN ZELFVERNIETIGENDE VREDE ?
IS HOOP OP EEN NIET SACRIFICIELE NIET UTOPISCHE VREDE MOGELIJK (geen vrede als een illusoire, utopische, totale eindoverwinning, als een Nietzscheaanse zelfoverwinning als zelfvernietiging, omwille van een religieus meerzijn) ?
HET ZACHTE ZICH DISCONTINUE, ZELFHERINNEREND, ZELFSPIEGELENDE ONOPOFFERBAAR EN ONVERNIETIGBAAR ZELF ALS ZELFBEWUSTZIJN
EEN GEWELD REMMEND EVOLUTIONAIRE MENSELIJKE DIMENSIE, DIE CONTINUE ENERGETISCHE STABILITEIT VERWERKT ALS MOGELIJKHEID TOT VREDE
EEN NIEUWE ONTDEKKING VAN DE WERKELIJKHEID EN DE RELATIE TOT DE ANDER
ZACHTHEID ALS VOORWAARDE VOOR CREATIVITEIT EN VERNIEUWING
 
Mijn uitgangspunt is dat na ongeveer 100 jaar, omwille van de receptie van de relativiteitstheorie en de kwantumfysica zich een ongekend inzicht over zwaartekracht ‘ruimtelijke dimensie’, snelheid (tijdelijke dimensie) en niet-weerkaatstbaarheid doorzet. Hierdoor zijn we thans in staat om fenomenen uit de werkelijkheid (zoals geweld en oorlog) te ontdekken vanuit een vernieuwd positivisme.
 
Het woord ‘objectiveren’ kan in dit verband tot een misverstand leiden. Het gaat hier niet om de tegenstelling subject/object, of het zoeken naar een identiteit (de wij/zij verhouding; het zachte zelf is geen zijnsontologische, maar evenmin een fenomenologische identiteit als zijnserkenning).
Het is een onopofferbare en onvernietigbare energie die ons door middel van de (relatieve) rede (niet als een absoluut beginsel, waarvoor we een religieuze cultus zouden moeten instellen – Robespierre -) in staat stelt de fenomenen als fenomenen te ontdekken voor wat ze in werkelijkheid zijn (een evolutionaire mogelijkheid om ze te onttrekken aan de zwaartekracht van instabiliteit, veroorzaakt door onze (dodelijke) zelfofferschaps- en de zelfvernietigingsdrang).
 
Deze vernieuwing van ons verstand geldt als een vernieuwing van de Verlichting niet vanuit een absolute rede – die als relatief middel een centrale rol blijft vervullen -, maar vanuit ons zachte zich spiegeldende zelfenergie als zelfbewustzijn (stabiliteitsenergie), onopofferbaar en onvernietigbaar.
De energetische zelfcontinuteit is geen zelfoffercontinuïteit of zelfvernietigingscontinuïteit vanuit een oerzelf (existentialisme), dat eigenlijk een intentioneel en zelfsacrificieel oerzijn is, maar ontstaat als evolutionaire mogelijkheid vanuit zelfherinneringscontinuïteit. Het zelf wordt telkens maar energie door de herinnering aan het zelf als zelfspiegelervaring. Vanuit ons zelfbewustzijn dat proactief optreedt naar een telkens weer vernieuwd bewustzijn. Daardoor vernieuwen we ons verstand als ontdekker van fenomenen vanuit voormelde energie, zonder de kristallisering van een zijnsstilstand (omwille van het meerzijn), zonder de zwaartekracht van aantrekking en verstoting, en zonder de weerkaatsingseffecten van botsingen en geweld.
 
In die zin hanteren we de PDK-test. De ‘energisering’ vanuit voormeld zelf als zelfbewustzijn stelt ons in staat het wetenschapsgehalte der bestudeerde fenomenen als wetenschappelijk ten aanzien vanuit de PDK-test.
PDK-test definieert een theorie als onwetenschappelijk wanneer zij actief bijdraagt tot de vermeerdering van de sociale anomie – de ontwrichting van maatschappelijke structuren – of wanneer zij beweert stabiliteit te brengen door het normatief maken van een zelfoffersysteem. (1)
Vanuit dit uitgangspunt biedt de vernieuwde mogelijkheid om een fenomeen te benaderen, zonder de mythische dimensie, eigen aan de zwaartekracht wetten (het is een relatief gegeven, maar deze statistisch benaderende mogelijkheid is er als stabiliteitsfactor).
Om een beeldspraak te gebruiken, zou ik stellen dat men het fenomeen niet identificeert, niet objectiveert – in de betekenis van de tegenstelling objectief /subjectief – maar vanuit een zachte, een zich steeds vernieuwende spiegelende-herinnerende energie dat zich als een onopofferbaar en onvernietigbaar zelf ontplooit tot zelfbewustzijn dat door middel van de daardoor gevormde rede (en niet door goddelijke waanzinsmomenten en fataliteitsmomenten van de meerzijnsreligies (2) ) fenomenen ontdekt vanuit een onopofferbare en onvernietigbare stabiliteit. Het uitgangspunt is niet een zelfoffergebeurren in functie van een meerzijnsdominantie, de illusoire wil, de mimetische wil tot zijnsmacht.
 
Het gaat niet om een plaatsen van het fenomeen in een veld van (zwaarwichtige, zeer ernstige, de opgezwollen zijnsmensen) zwaartekrachten – identiteiten (vanuit een zelfoffermechanica), tegenstellingen subject/object, wij/zij, goede of slechte kant van de geschiedenis, de ene religie (als zijnde de beste, de grootste, die het meest meerzijn produceert, de meest opgeblazen meerzijnsdrang) tegen de andere en vele andere botsende (hemel)lichamen – skeletten of lijken – , maar het plaatsen van het fenomeen als een energetische gegeven, waarvan met het energetisch gehalte kan ontdekken vanuit de verwekte energetische stabiliteit van mijn voormeld discontinue zelf als zelfbewustzijn dat niet onderworpen is aan de wet van de anomie (3de wet van Durkheim) of entropie (2de thermodynamische wet), zij het tijdelijk. Vrede begint met het ontdekken van de fenomenen door middel van voormeld zelf, waardoor we de fenomenen als fenomeen kunnen ontdekken, zonder de zwaartekracht van het meerzijnsverlangen. We leven in een tijdwissel van een periode die vierduizend jaar geleden is begonnen en nu zijn entropisch moment als uiterste anomie beleeft. (3)
De bedoeling van mijn benadering is het reduceren van het individuele en collectieve geweld, omwille van de door de relativiteitstheorie en kwantumfysica geboden mogelijkheid om wat menselijk geweldremmend is, te ontdekken.
In die zin beleven we een tijd die nog onderhevig is aan de benadering van de fenomenen en de andere vanuit de zwaartekracht (grofweg te situeren tussen 2.000 voor onze jaartelling tot 2.000 na onze jaartelling). Het streven tot verpletterende overwinningsvreden (in de eerste plaats religieuze zijnsvermeerdering). In dit streven naar deze vrede, zijn we aan een anomisch geweldtoenemend moment gekomen.
Het einde van deze periode kan totaalvernietigend zijn voor de mensheid, maar ook een hoop op de ontdekking van een geweldremmende mogelijkheid bij de mens die steeds groter wordt. Aan ons de keuze.
Hoop betekent dat er een nieuwe benadering bestaat, maar dat deze nog niet zichtbaar genoeg is om tot een ommekeer te komen, tot een trendbreuk. Ik denk opnieuw aan Copernicus en de receptie van zijn ontdekking. Honderd jaar hoop, met tekenen van het zich doorzetten van deze hoop. Niet enkel omdat zijn boek door een aantal wetenschappers uit die tijd (soms op een onjuiste wijze) gelezen werd, maar vooral omdat de totaal nieuwe cartografie (die zich afzette tegen de middeleeuwse), ingeluid door Mercator, onmogelijk zou zijn geweest zonder de inzichten van Copernicus. Het is de vernieuwde cartografie uit de 16de eeuw in Vlaanderen die toen wees op de hoop op een ongekende historische trendbreuk. Het is maar een voorbeeld. Wat we thans meemaken, is van een heel andere aard en is en veel omvangrijker.
 
Philippe De Keukelaere
(wordt vervolgd).
 
(1) In dit verband stellen we vast dat de kwalificatie ‘oorlogsmisdaden’ uit het klassieke internationale strafrecht – hoe waardevol ook – normatief totaal onwerkbaar is geworden en zelfs contraproductief. Ofschoon de kwalificatie recent is, was het bombarderen door de Franse maarschalk Villeroy van de stad Brussel op 13, 14 en 15 augustus 1695 een mijlpaal. Met een grote menselijke en nog grotere materiële schade. Het bombardement op een burgerdoelwit zonder enige militaire betekenis werd aanzien als een echte schande (Paul De Candt, Vlaanderen, Artesië en de Franse Westhoek, 2023, 14). Schande roepen, zich ergeren dient in dergelijke toestanden tot niets, en is totaal onproductief als men de kern van het fenomeen niet aanpakt.
Het voorbeeld is interessant, omdat 1695 in de oorlogen van Lodewijk XIV (een oorlogszieke goeroe) het eerste jaar was, waarbij de geallieerden een overwicht in de strijd hadden. De Franse koning begon eindelijk in te zien dat hij de oorlog wel een zou kunnen verliezen. Het Franse leger diende de citadel van Namen op te geven, in het voordeel van Willem III en zijn troepen. Door deze verlieservaring, als zijnsverinderingervaring, werd de koning woedend. Hij eiste van de veldmaarschalk een onmiddellijk significante tegenaanval. Dan maar Brussel verwoesten. Tragikomisch toch ? In Eeklo was er een verschrikkelijke paniek ontstaan. Men dacht dat Lodewijk XIV Eeklo zou aanvallen en vernietigen (volgens de Eeklose negentiende eeuwse geschiedschrijver August Van Acker).
“Men zegde dat de Franschen toebereidselen tot openlijke vijandelijkheden maakten, dat zij reeds grof geschut te Bellem hadden aangevoerd; dat het fransche leger naar het Oostvrije stond af te zakken en alzoo heel Vlaanderen zou bezetten; dat Engelsen en de Schotten te Brugge, de Spanjaards te Damme en de Hollanders te Sluis oprezen om te velde te komen, en dat er een veldslag omstreeks Eecloo aanstaande was. Vele van onze burgers dachten aan de vlucht. Eenigen gingen naar Sluis, naar Brugge en Damme op inlichtingen uit. Onze wet (de schepenen) zond nu en dan bespieders naar de brugse Vaart; en onze baljuw Jaak De Smit, ging naar Bellem aan de fransche officieren ‘beleefdheden’ bewijzen en namens onze stad ‘courtoisiën’ doen, hen over hunnen aanstaande marsch uithorende.” (August Van Acker,Nieuw Eecloo, afl. in De Gazette van Eecloo en het District, 1890 – 1892, heruitgave stadsarchief Eeklo, 2008)
Ik heb me altijd afgevraagd wat die ‘beleefdheden’ en ‘courtoisiën’ waren ?
De Franse maarschalk koos eens voor een andere stad.
Vraag is of de juridische kwalificatie ‘oorlogsmisdaden’, die ieder kamp nu als een zeil naar zich toetrekt niet meer schade berokkent – als mythisch propagandamiddel -, dan enig zinvol juridisch effect ressorteert ?
Is het als enig militair doel hebben ‘burgerdoeleinden’ aan te vallen al dan niet een ‘oorlogsmisdaad’? Heeft het nog zin een dergelijke vraag te stellen, terwijl heel ons nieuw wapentuig, zoals de zweefbommen (zeer belangrijk instrument als een nieuwe escalatie – zoals vroeger de kruisbogen, het buskruit, de kanonnen (generaal Napoleon viel in zijn gouden tijd alleen aan als hij meer kanonnen kon inzetten dan de vijand), de tanks en de vliegtuigen – om een overwinnende doorbraak te forceren. Zweefbommen die een hele stad (misschien heeft een godheid er reeds eentje ingezet tegen Gomorra en Sodoma), en zelfs een heel land in één klap zullen kunnen vernietigen, zonder de stralingseffecten van atoombommen.
 
(2) Het is Friedrich Nietzsche die het religieus fenomeen heeft weten te definiëren voor wat het is. Het opofferen van het zelf in een zelfvernietigingsmoment, dat als een zelfoverwinning geldt ten aanzien van het persoonlijk en collectief meerzijn. Dit zelfvernietigingsmoment is essentieel voor wie lid wordt van een religie, en meer in het bijzonder van een wereldreligie. Nietzsche was geen nihilist, maar ontdekte het nihilistische moment in iedere religie in functie van een (utopisch), niet nihilistisch absoluut meerzijn. Voor Nietzsche verbleekte het zelfoffermoment van alle religieuze stichters in vergelijking met het enige dat voor hem als het meest absolute gold, dit van de God Dionysus. Het ultieme ‘moment’ is dan ook onmogelijk zonder een dergelijke waanzins- en noodlotgod.
Met betrekking tot het ultieme zelfoffermoment werd hij ontegensprekelijk beïnvloed door de Deense filosoof Sören Kierkegaard (hij heeft het nooit toegegeven, maar vermeldde zijn bronnen nooit, omwille van zijn eigen meerzijnsgenialiteit).
 
(3) Men stelt dat het eerste wereldrijk en de eerste wereldreligie deels hun oorsprong vinden in het oude Mesopotamië, specifiek in Uruk en Akkad, maar ze ontwikkelden zich op verschillende wijzen. Het eerste wereldrijk wordt doorgaans toegeschreven aan het Akkadische rijk, gesticht door Sargon van Akkad rond 2350 voor onze jaartelling. Hij verenigde grote delen van Mesopotamië en zijn rijk strekte zich uit van het huidige Iran tot aan Syrië. Dit wordt vaak beschouwd als het eerste echte imperium in de geschiedenis vanwege zijn omvang, centralisatie en langdurige invloed.
Bepaalde historici stellen echter dat Lugalzagesi van Uruk vóór Sargon al een soort imperium vormde over meerdere stadstaten van Sumer. Zijn rijk wordt beschouwd als een vroege voorloper van Sargons rijk. Tezelfdertijd ontstonden de wereldreligies, die nu hun maximaal entropische moment hebben bereikt (dit wil niet zeggen dat zij zullen verdwijnen).
Uruk was het centrum van een vroege godsdienst rond de godin Inanna, een van de oudste en belangrijkste godheden in de Summarische wereld. Haar cultus was wijdverspreid en groeide later uit tot de verering van Ishtar in het Akkadische rijk De godin Inanna begon haar loopbaan (als een ster) als een plaatselijke godin. Eens veranderd in Ishtar werd zij vereerd als de godin van een wereldrijk (in functie van vruchtbaarheid en oorlogswinst – de godin van de strijdlust en de liefde, de planeet Venus van het rijk -). Later werd zij nog de Astarte van de Feniciërs en de Aphrodite van de oude Grieken. De Romeinse tegenhanger van Aphrodite was de godin Venus. Zij gold als de stamgodin (god) van Rome. Keizer Augustus beweerde ervan af te stammen (hij was ontegensprekelijk van goede (goddelijke) afkomst. Religie en zwaartekracht…
 
BRONNEN
 
Nietzsche, Friedrich. Sämtliche Werke. Kritische Studienausgabe in 15 Bänden, Berlin/New York, Walter de Gruyter, 1980.
Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik (oorspronkelijke uitgave: 1872)
Jenseits von Gut und Böse. Vorspiel einer Philosophie der Zukunft (oorspronkelijke uitgave: 1886
Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift (oorspronkelijke uitgave: 1887).
Der Antichrist. Fluch auf das Christentum (geschreven in 1888, eerste uitgave: 1895).
 
Nietzsche bekritiseert het zelfoffer in de Christelijke religie, waarvan hij acht dat dit geen ‘echt’ religieus zelfoffer is in vergelijking met dat van Dionysus. Wat Nietzsche ook moge beweren, de Christelijke religie hanteert het zelfoffer op dezelfde wijze als alle andere religies, allen meerzijnsreligies. Nietzsche werd hierbij ontegensprekelijk beïnvloed door Sören Kierkegaard, en in het bijzonder door zijn werk ‘Furcht und Zittern’ en het absolute offerkarakter van het Christendom, dat men aan een uniek mensenoffer verbindt.
In Furcht und Zittern (1843) wijst Kierkegaard door middel van het verhaal van Abraham (dat hij vanuit de Christelijke religie herinterpreteert – vanuit literair oogpunt – het is de literaire analyse van de tekst – ja, vanuit de Hebreeuwse taal – die ons de literaire betekenis van de tekst geeft, en niets anders; ik doe soms dingen die religieus niet mogen) de essentie van het Christendom situeert als de absolute goddelijke noodzaak en waanzin van het zelfoffer in functie het meerzijn van dit Christendom. De tekst geen Christelijke of Islamtekst, zoals men het zo vaak stelt. Men verbindt Abraham altijd en uitsluitend met het Christendom of de Islam. Kierkegaard ontdekt het meest centraal en cruciaal element van de absolute zelfopoffering dat inherent is aan het Christelijke geloof, vooral in zijn meest radicale vorm. De essentie van deze religie, zoals van elke religie.
Kierkegaard, onder het pseudoniem Johannes de Silentio – eerste uitgave in het Deens – , contrasteert de ethiek – de universele morele wet die zegt dat je niet mag doden – met de absolute plicht van Abraham tegenover God. Abrahams bereidheid om Isaak te offeren wordt uitgewerkt als een ‘teleologische opheffing van het ethische’: een moment waarop de menselijke, algemeen geldende morele regels tijdelijk worden opgeheven door een hogere, goddelijke opdracht. Dit is geen morele overtreding in de gebruikelijke zin, maar een daad van absoluut geloof die het ethische domein overstijgt. Kierkegaard deed dit in een laatste poging het Christendom (dat in de verdediging was geraakt ten aanzien van de waarden van de Verlichting), een nieuw religieus leven in te blazen. Het is wat geworden, ‘de’ meest centrale mythische zuil van alle moderne Europese oorlogen. Het is de reden waarom in de Duitse loopgraven de meest gelezen boeken de bijbel en deze van Nietzsche waren. Maar in Frankrijk was het niet beter, de katholieke kerk kon uit haar loopgraven komen (in de verdrukking door de Franse revolutie en de wet van 1905) door van het zelfoffer van het zelf een ware, unieke godheid te maken. Maar ook voor de calvinist generaal Robert Nivelle (als opperbevelhebber van de Franse troepen) was het dodelijk zelfoffer van de soldaat op zich de overwinning, het Nietzscheaans meerzijn (vanuit Kierkegaard).
 
Het Christendom als de offerreligie, – te velde – (een gouden eeuw voor de aalmoezeniers !)
 
Het geloof als offer
 
Voor Kierkegaard is het binnengaan in een persoonlijke relatie met God (het geloof) een radicaal zelfoffer van de eigen rationaliteit, zekerheden, en zelfs van de ethische principes zoals wij die vanuit een menselijk perspectief begrijpen (het waanzinsmoment van Nietzsche). Het vereist een sprong in het ongewisse, een overgave aan het absurde, wat als een ‘zelfopoffering’ van de rede en elke vorm van zelfbeschikkingsrecht kan worden gezien. Abraham offert niet alleen zijn zoon, maar ook zijn begrip van moraliteit en zijn comfort in de ethische wereld (de omkering der waarden bij Nietzsche als gevolg van dit zelfoffer)
 
Navolging van Christus
 
Hoewel ‘Furcht und Zittern’ zich richt op Abraham, is de implicatie voor het Christendom duidelijk. Het Christendom, in Kierkegaards interpretatie, vraagt van de gelovige een vorm van zelfverloochening en een bereidheid om alles op te geven voor God. Het ultieme zelfoffer in het Christendom is natuurlijk dat van Jezus Christus zelf, die volgens de theologie zijn leven gaf voor de mensheid. De navolging van Christus kan daarom ook een oproep tot offer en lijden inhouden. Dit impliceert het zelfoffer op het slagveld als nabootsing van het zelfoffer van Christus.
 
De ridder van het geloof
 
De figuur van de “ridder van het geloof” (zoals Abraham) is iemand die het absolute geloof belichaamt. Hij leeft in de wereld, maar zijn innerlijke leven is volledig gericht op God, vaak op een manier die onbegrijpelijk is voor de buitenwereld (die hij daardoor totaal moet verwerpen en vernietigen). Dit vereist een voortdurende innerlijke strijd en een totaal zelfoffer van wereldse erkenning of begrip.
Kierkegaard definieert in ‘Furcht und Zittern’ het Christendom als een religie dat het meest extreem existentiële offer dat van de gelovige eist (eigenlijk hun leven, als mensenoffers, waartoe Abraham bereid was ten aanzien van een kinderoffer, als zijn zelfoffer). Eveneens het zelfoffer van het ethisch-universele ten gunste van een absolute, paradoxale relatie met het goddelijke.
 
Ecce Homo. Wie man wird, was man ist, (geschreven in 1888, eerste uitgave: 1908).
Kal, Victor. Nietzsches ogenblik, 2025 (die de invloed van Kierkegaard op Nietzsche bevestigt)
Einstein, Albert. Zur Elektrodynamik bewegter Körper. Annalen der Physik, vol. 17, nr. 10, 1905, pp. 891-921.
Planck, Max. Zur Theorie des Gesetzes der Energieverteilung im Normalspectrum. (Verhandlungen der Deutschen Physikalischen Gesellschaft, vol. 2, 1900, pp. 237-245.
Schrödinger, Erwin. An Undulatory Theory of the Mechanics of Atoms and Molecules, Physical Review, vol. 28, nr. 6, 1926, pp. 1049 -1070.
Clausius, Rudolf. Ueber die Wärmekraft und die Gesetze, welche sich aus derselben für die Wärmelehre ableiten lassen. Annalen der Physik und Chemie, vol. 79, nr. 4, 1850, pp. 368 -397, 500–524.
Bohr’s Niels, On the Constitution of Atoms and Molecules ,1913.
Broglie’s (de) Louis. Recherches sur la théorie des quanta, (doctoraaatsthesis, uit 1924), 1963.
Heisenberg, Werner. Über den anschaulichen Inhalt der quantentheoretischen Kinematik und Mechanik. Zeitschrift für Physik, vol. 43, nr. 3-4, 1927, pp. 172-198. Ook later in het Frans verschenen in de Proceedings van het 5e Solvay congres te Brussel (1927) in de bundel, getiteld : Électrons et Photons: Rapports et Discussions du Cinquième Conseil de Physique tenu à Bruxelles du 24 au 29 Octobre 1927; de tekst werd pas het jaar daarop (1928) gepubliceerd te Parijs, Gauthier-Villars.
Durkheim, Émile. De la division du travail social. Parijs: Félix Alcan, 1893.
Durkheim, Émile. Le Suicide: Étude de sociologie. Parijs: Félix Alcan, 1897.
De Candt, Paul. Vlaanderen, Artesië en de Franse Westhoek, 2013.
Van Acker, August. Nieuw Eecloo. Afleveringen in De Gazette van Eecloo en het District, 1890–1892. Heruitgave stadsarchief Eeklo, 2008.
Lynn, John A. The Wars of Louis XIV, 1667-1714. London: Longman, 1999.
Nissen, Hans J. The Early History of the Ancient Near East, 9000-2000 BC. Chicago: University of Chicago Press, 1988.
Bottéro, Jean. Mesopotamia: Writing, Reasoning, and the Gods. University of Chicago Press, 1992.
Frankfort, Henri, et al. The Intellectual Adventure of Ancient Man: An Essay on Speculative Thought in the Ancient Near East, University of Chicago Press, 1946.
Wolkstein, Diane, and Samuel Noah Kramer. Inanna, Queen of Heaven and Earth: Her Stories and Hymns from Sumer, New York: Harper & Row, 1983.
Burkert, Walter. Greek Religion. Cambridge, Harvard University Press, 1985.
Copernicus, Nicolaus. De revolutionibus orbium coelestium. Neurenberg:,Johannes Petreius, 1543. (Oorspronkelijke publicatie).
Mercator, Gerardus. Nova et Aucta Orbis Terrae Descriptio ad Usum Navigantium Emendate Accommodata, Duisburg, 1569.
Kuhn, Thomas S. The Copernican Revolution: Planetary Astronomy in the Development of Western Thought, Cambridge, Harvard University Press, 1957.
Verdrag betreffende de Wetten en Gebruiken van de Oorlog te Land (Den Haag IV, 1907)
Verdragen van Genève (1949) en Aanvullende Protocollen (1977)
I. Verdrag van Genève ter verbetering van het lot der gekwetsten en zieken van de strijdkrachten te velde (12 augustus 1949).
II. Verdrag van Genève ter verbetering van het lot der gekwetsten, zieken en schipbreukelingen der strijdkrachten ter zee (12 augustus 1949).
III. Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen (12 augustus 1949).
Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (12 augustus 1949).
Een internationaal verdrag dat een internationale tragische grap is geworden.
 
De juridische grap :
 
– het principe van onderscheid (Distinction):
 
Partijen bij een gewapend conflict moeten te allen tijde een onderscheid maken tussen militaire doelen en burgerlijke objecten, en tussen strijders en burgers. Aanvallen mogen alleen gericht zijn op militaire doelen en strijders. Burgers en civiele objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen, markten) mogen niet het doelwit zijn van aanvallen.
Raketten die lukraak worden afgevuurd – wat impliceert dat ze geen specifiek militair doelwit hebben of niet nauwkeurig genoeg zijn om een militair doelwit te raken zonder aanzienlijke nevenschade – schenden dit principe direct. Ze zijn per definitie niet gericht op een militair doel, maar op een gebied waar zich vermoedelijk zowel militaire als civiele objecten en personen bevinden, zonder onderscheid te maken. Dit type aanval wordt een niet-onderscheidende aanval genoemd en is expliciet verboden onder het IHR en vormt een oorlogsmisdaad. Maar ook, de aangevallen partij kan omwille van propagandadistische doeleinden een macabere ‘maskarade commedie ‘met burgers spelen, enkel om medelijen op te wekken, vanuit een slachtoferrol. In deze realtie is alles eigenlijk ‘leugen’ om ter best.
 
– het principe van proportionaliteit (Proportionality):
 
Zelfs wanneer een aanval gericht is op een legitiem militair doelwit, moet de verwachte schade aan burgers of burgerlijke objecten niet buitensporig zijn in verhouding tot het concrete en directe militaire voordeel dat met de aanval wordt beoogd.
Relevantie voor raketten: lukraak afgevuurde raketten zijn vaak inherent disproportioneel. Omdat ze willekeurig inslaan, is het hoogst onwaarschijnlijk dat het behaalde militaire voordeel opweegt tegen de onvermijdelijke en vaak massale burgerslachtoffers en vernietiging van civiele infrastructuur die ze veroorzaken.
 
Het principe van voorzorg (Precaution):
 
Partijen bij een conflict moeten alle haalbare voorzorgsmaatregelen nemen om de burgerbevolking en civiele objecten te sparen. Dit omvat het doen van alles wat redelijkerwijs mogelijk is om de aanwezigheid van burgers te verifiëren, de aanval te annuleren of uit te stellen als duidelijk wordt dat burgers onevenredig zullen worden getroffen, en effectieve waarschuwingen te geven als de omstandigheden dit toelaten.
 
IV. Aanvullend Protocol I (1977): Aanvullend op de Verdragen van Genève betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten.
V. Aanvullend Protocol II (1977): Aanvullend op de Verdragen van Genève betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten.
A. Verdrag van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Rome Statuut, 1998). Dit verdrag definieert oorlogsmisdaden in artikel 8 en vormt de basis voor de rechtspraak van het Internationaal Strafhof met betrekking tot dergelijke misdaden.
B. Neurenbergprocessen (1945-1946). Uitspraken van het Internationale Militaire Tribunaal (IMT) die de principes van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en misdaden tegen de vrede definieerde.
C. Internationaal Straftribunaal voor het voormalig Joegoslavië (ICTY) en Internationaal Strafhof voor Rwanda (ICTR). Uitspraken en beslissingen van deze ad-hoc tribunalen hebben de concepten van oorlogsmisdaden en ander internationaal strafrecht aanzienlijk verfijnd.
D. Internationaal Strafhof (ICC), met recentere uitspraken.
Cassese, Antonio. International Criminal Law. 3rd ed., Oxford University Press, 2013.
Cryer, Robert, et al. An Introduction to International Criminal Law and Procedure, 4th ed., Cambridge University Press, 2019.
Fleck, Dieter (red.). The Handbook of International Humanitarian Law, 3rd ed, Oxford University Press, 2013.
Dinstein, Yoram. The Conduct of Hostilities under the Law of International Armed Conflict, 3rd ed., Cambridge University Press, 2016.
ICRC ‘internationaal comité van het rode Kruis’ – website.
Werle, Gerhard, and Florian Jeßberger, Principles of International Criminal Law, 4th ed. Oxford: Oxford University Press, 2020.
Schabas, William A., The International Criminal Court: A Commentary on the Rome Statute, 3rd ed. Oxford: Oxford University Press, 2016.
Howard, M. The Invention of Peace: Reflections on War and International Order. Yale University Press, 2002.
Singer, P.W. Wired for War : The Robotics Revolution and Conflict in the 21st Century. Penguin Press, 2009.
Dunlap Jr., C.C., The Military-Industrial Complex Revisited: From World War II to the Internet. University Press of Kentucky, 2016.
Canetti, E. Masse und Macht, 1960.
Fromm, E. Anatomy of Human Destructiveness. Henry Holt and Company, 1973.
Arendt, H. The Origins of Totalitarianism. Harcourt, Brace and Company, 1951.
Kershaw, I. Hitler: 1889-1936, Nemesis. W. W. Norton & Company, 2000.
Hitler, A. Mein Kampf, 2016.